Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Beroep tot nietigverklaring - Natuurlijke of rechtspersonen - Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken - Verordening betreffende toepassing van artikel 81, lid 3, EG op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen - Beroep ingesteld door vereniging die belangen behartigt van regionale verenigingen van garagehouders, en van ondernemers uit dezelfde sector - Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230, vierde alinea, EG; verordening nr. 2790/1999 van de Commissie)
Samenvatting
$$Om een natuurlijke of rechtspersoon als door een handeling van algemene strekking individueel geraakt te kunnen beschouwen, moet hij door die handeling worden getroffen uit hoofde van zekere bijzondere omstandigheden of van een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert.
Beroepen van verenigingen zijn ontvankelijk, wanneer de ondernemingen wier belangen zij behartigen, zelf een ontvankelijk beroep kunnen instellen.
Als individueel geraakt door verordening nr. 2790/1999 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, EG op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen kunnen niet worden beschouwd een vereniging die de belangenbehartiging van regionale verenigingen van garagehouders in ruime zin en van de leden daarvan, die gebonden zouden worden door onder de verordening vallende verticale overeenkomsten, tot doel heeft, of ondernemers die in dezelfde sector werkzaam zijn en eveneens door dergelijke verticale overeenkomsten gebonden zouden zijn.
De vrijstelling waarin de verordening voorziet, die leidt tot niet-toepasselijkheid van artikel 81, lid 1, EG en dus van de in artikel 81, lid 2, EG bepaalde nietigheidssanctie, betreft de leden van de vereniging en de genoemde ondernemers in hun objectieve hoedanigheid van marktdeelnemers die door verticale mededingingsregelingen worden gebonden, juist zoals alle andere marktdeelnemers die bij dergelijke regelingen partij zijn.
De economische afhankelijkheid van grote leveranciers is geen omstandigheid waardoor de vereniging en haar leden ten opzichte van alle andere marktdeelnemers worden gekarakteriseerd.
( cf. punten 15-18 )
Partijen
In zaak T-58/00,
Bond van de Fegarbel-Beroepsverenigingen, te Brussel (België),
J. Appeltants, te Grâce-Hollogne (België),
B. Corbeels, te Leuven (België),
vertegenwoordigd door J. Van Hoof, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van F. Brouxel, advocaat aldaar, Rue Zithe 6,
verzoekers,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door W. Wils, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 2790/1999 van de Commissie van 22 december 1999 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (PB L 336, blz. 21),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. Azizi, kamerpresident, K. Lenaerts en M. Jaeger, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1 Bij artikel 2 van verordening (EG) nr. 2790/1999 van de Commissie van 22 december 1999 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (PB L 336, blz. 21; hierna: bestreden verordening") wordt artikel 81, lid 1, EG onder bepaalde voorwaarden buiten toepassing verklaard voor bepaalde overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen waarbij twee of meer ondernemingen partij zijn en die betrekking hebben op de voorwaarden waaronder de partijen bepaalde goederen of diensten kunnen kopen, verkopen of doorverkopen (hierna: verticale overeenkomsten").
2 De Bond van de Fegarbel-Beroepsverenigingen (hierna: BFB") heeft tot doel, de belangen van de regionale verenigingen van garagehouders in de ruime betekenis van het woord, en van hun leden te behartigen. De BFB vertegenwoordigt aldus 2 500 Belgische kleine en middelgrote ondernemingen (hierna: KMO's"). De twee andere verzoekers zijn zelfstandige ondernemers die in dezelfde sector werkzaam zijn als de leden van de BFB. De KMO's die de BFB vertegenwoordigt, evenals de twee andere verzoekers zouden gebonden zijn door verticale overeenkomsten die onder de bestreden verordening vallen.
Het procesverloop en de conclusies van partijen
3 Bij verzoekschrift, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 14 maart 2000, hebben verzoekers het onderhavige beroep ingesteld.
4 Verzoekers concluderen dat het het Gerecht behage:
- de bestreden verordening nietig te verklaren;
- subsidiair, de consultatieprocedure te vernietigen en te bevelen dat deze wordt overgedaan;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
5 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 29 mei 2000, heeft de Commissie krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
6 De Commissie concludeert tot:
- niet-ontvankelijkverklaring van het beroep;
- veroordeling van verzoekers in de kosten.
7 Verzoekers hebben geen opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid ingediend binnen de termijn die het Gerecht daartoe had bepaald.
De ontvankelijkheid
8 Overeenkomstig artikel 114, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering geschiedt de verdere behandeling van de exceptie van niet-ontvankelijkheid mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist. In casu acht het Gerecht zich door de processtukken voldoende voorgelicht om zonder mondelinge behandeling te kunnen beslissen.
Argumenten van partijen
9 De Commissie betoogt, dat de bestreden verordening niet kan worden beschouwd als een in de vorm van een verordening genomen beschikking die verzoekers rechtstreeks en individueel raakt, in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG. De bestreden handeling is louter van algemene aard. Het beroep is derhalve niet-ontvankelijk.
10 Verzoekers achten zich door de bestreden verordening rechtstreeks en individueel geraakt. Zij zijn zelf KMO's of vertegenwoordigen KMO's, en deze zijn als distributeurs economisch afhankelijk van de grote leveranciers, in het bijzonder de automobielfabrikanten of -importeurs en de leveranciers van aardolieproducten. Op grond van de bestreden verordening vallen de verticale overeenkomsten waardoor deze economische afhankelijkheid ontstaat, buiten de werkingssfeer van artikel 81, lid 1, EG en is de sanctie van nietigheid ex tunc, die in artikel 81, lid 2, EG is bepaald, niet toepasselijk.
Beoordeling door het Gerecht
11 Volgens artikel 230, vierde alinea, EG kan iedere natuurlijke of rechtspersoon beroep instellen tegen de tot hem gerichte beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks of individueel raken.
12 In de bestreden verordening wordt artikel 81, lid 1, EG onder bepaalde voorwaarden buiten toepassing verklaard voor groepen verticale overeenkomsten. De bestreden verordening, die toepassing vindt op grond van een in de handeling in relatie tot haar doel omschreven objectieve feitelijke of juridische situatie, is gericht tot alle ondernemingen die bij verticale mededingingsregelingen betrokken zijn.
13 De bestreden verordening heeft derhalve op grond van haar algemene strekking een normatief karakter en is geen beschikking in de zin van artikel 249 EG (zie beschikking van het Gerecht van 12 juli 2000, Conseil national des professions de l'automobile e.a./Commissie, T-45/00, Jurispr. blz. II-2927, punt 18).
14 Dit normatieve karakter sluit evenwel niet uit, dat bepaalde natuurlijke of rechtspersonen nochtans rechtstreeks en individueel geraakt kunnen worden door de bestreden verordening, in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG (zie arrest van het Hof van 18 mei 1994, Codorníu/Raad, C-309/89, Jurispr. blz. I-1853, punt 19; arresten van het Gerecht van 14 september 1995, Antillean Rice Mills e.a./Commissie, T-480/93 en T-483/93, Jurispr. blz. II-2305, punt 66, en 13 december 1995, Exporteurs in Levende Varkens e.a./Commissie, T-481/93 en T-484/93, Jurispr. blz. II-2941, punt 50).
15 Wat in de eerste plaats de vraag betreft, of verzoekers rechtstreeks en individueel geraakt worden door de bestreden verordening, moet eraan worden herinnerd dat een natuurlijke of rechtspersoon, om te kunnen worden beschouwd als individueel geraakt door een handeling van algemene strekking, door die handeling moet worden getroffen uit hoofde van zekere bijzondere omstandigheden of van een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert (arrest van het Hof van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, Jurispr. blz. 197, 223; beschikkingen van het Gerecht van 30 september 1997, Federolio/Commissie, T-122/96, Jurispr. blz. II-1559, punt 59, en 29 april 1999, Alce/Commissie, T-120/98, Jurispr. blz. II-1395, punt 19).
16 Verzoekers beroepen zich in zoverre op hun economische afhankelijkheid of, in het geval van de BFB, op de economische afhankelijkheid van haar leden van de grote leveranciers en op het feit dat de bestreden verordening hun de mogelijkheid ontneemt om tegen verticale overeenkomsten die onder de bestreden verordening vallen, de in artikel 81, lid 2, EG bepaalde sanctie van nietigheid ex tunc aan te voeren.
17 Volgens vaste rechtspraak zijn beroepen ingesteld door verenigingen ontvankelijk, wanneer de ondernemingen wier belangen zij behartigen, zelf een ontvankelijk beroep kunnen instellen (arrest Exporteurs in Levende Varkens e.a./Commissie, aangehaald in punt 14 hierboven, punt 64; beschikking Federolio/Commissie, aangehaald in punt 15 hierboven, punt 61).
18 De vrijstelling waarin de bestreden verordening voorziet, die leidt tot niet-toepasselijkheid van artikel 81, lid 1, EG en dus van de in artikel 81, lid 2, EG bepaalde nietigheidssanctie, betreft de andere verzoekers dan de BFB alsmede de leden van de BFB in hun objectieve hoedanigheid van marktdeelnemers die door verticale mededingingsregelingen worden gebonden, juist zoals alle andere marktdeelnemers die bij dergelijke regelingen partij zijn. De economische afhankelijkheid waarop verzoekers zich hebben beroepen, is geen omstandigheid waardoor zij ten opzichte van alle andere marktdeelnemers worden gekarakteriseerd.
19 Tot slot moet worden vastgesteld, dat de BFB, ook al klaagt hij over leemten" in de consultatieprocedure voorafgaand aan de vaststelling van de bestreden verordening, zich niet beroept op een specifiek recht van procedurele aard of op eigen belangen die verschillen van die van zijn leden en die door de bestreden verordening zouden zijn aangetast (arresten van het Hof van 2 februari 1988, Van der Kooy e.a./Commissie, 67/85, 68/85 en 70/85, Jurispr. blz. 219, punten 21-24, en 24 maart 1993, CIRFS e.a./Commissie, C-313/90, Jurispr. blz. I-1125, punten 28-30; beschikking Federolio/Commissie, aangehaald in punt 15 hierboven, punt 61).
20 Verzoekers kunnen dus niet als door de bestreden verordening individueel geraakt worden beschouwd. Aangezien zij aan geen van de ontvankelijkheidsvereisten van artikel 230, vierde alinea, EG voldoen, moet hun beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
21 Ook al kunnen verzoekers geen nietigverklaring van de bestreden verordening vorderen, zij hebben altijd nog de mogelijkheid de onwettigheid ervan in te roepen voor de nationale rechter, die rechtspreekt met inachtneming van artikel 234 EG (arrest van het Hof van 17 november 1998, Kruidvat/Commissie, C-70/97 P, Jurispr. blz. I-7183, punten 48 en 49).
Beslissing inzake de kosten
Kosten
22 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht dient de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd in de kosten te worden verwezen. Aangezien verzoekers in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij conform de vordering van de Commissie in de kosten te worden veroordeeld.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
beschikt:
1) Verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
2) Verwijst verzoekers in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy