Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
Kort geding - Voorwaarden voor ontvankelijkheid - Ontvankelijkheid van beroep in hoofdzaak - Irrelevantie - Grenzen - Niet-ontvankelijkheid
(Art. 242 EG en 243 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 3)
Samenvatting
$$De ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak moet in beginsel niet worden onderzocht in het kader van een kort geding, teneinde de grond van de zaak niet te prejudiciëren. Wanneer wordt gesteld dat het beroep in de hoofdzaak in verband waarmee het verzoek in kort geding is ingediend, kennelijk niet-ontvankelijk is, lijkt het evenwel noodzakelijk het bestaan van bepaalde elementen vast te stellen op grond waarvan aanvankelijk tot de ontvankelijkheid van dat beroep kan worden geconcludeerd.
( cf. punt 18 )
Partijen
In zaak T-149/00 R,
Innova, Centro euromediterraneo per lo sviluppo sostenibile, gevestigd te Calatafimi (Italië), vertegenwoordigd door D. Fosselard, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Arendt en Medernach, advocaten aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M.-J. Jonczy, juridisch adviseur, en E. Paasivirta, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van die dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Commissie om de met verzoekster gesloten overeenkomst betreffende de uitvoering van het Dionysos-project te ontbinden, voor zover daarbij van verzoekster terugbetaling van alle in het kader van deze overeenkomst ontvangen bedragen wordt gevorderd, en, voor zoveel nodig, van de op grond van dit besluit toegezonden debetnota,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Feiten en procedure
1 Innova, Centro euromediterraneo per lo sviluppo sostenibile, is een vereniging zonder winstoogmerk naar Italiaans recht met als doel het leveren van een bijdrage aan de duurzame ontwikkeling van de landen van het Middellandse-Zeegebied.
2 Op 5 augustus 1998 heeft de Commissie met verzoekster een overeenkomst gesloten (hierna: overeenkomst") die wordt gefinancierd in het kader van een programma als bedoeld in verordening (EG) nr. 1488/96 van de Raad van 23 juli 1996 inzake financiële en technische maatregelen ter ondersteuning van de hervorming van de economische en maatschappelijke structuren in het kader van het Europees-mediterrane partnerschap (Meda) (PB L 189, blz. 1). Bij deze overeenkomst verbond verzoekster zich ertoe een project te verwezenlijken dat in bijlage A bij de overeenkomst werd beschreven en de naam Dyonisos - Netwerk van antieke spektakelplaatsen" meekreeg. Als tegenprestatie zou de Commissie een financiële bijdrage van 891 188 ECU betalen.
3 Artikel 15.3 van de overeenkomst bepaalt:
Ingeval de begunstigde een verbintenis van de onderhavige overeenkomst niet nakomt en niet tijdig maatregelen treft om dit te verhelpen, behoudt de Commissie zich het recht voor, de financiering van het project of de voor de overeenkomst bestemde betalingen op te schorten of te staken, en in voorkomend geval de overeenkomst te ontbinden. In dat geval behoudt de Commissie zich het recht voor, de reeds betaalde bedragen terug te vorderen."
4 Artikel 15.6 van deze overeenkomst luidt als volgt:
Ingeval de begunstigde het verschuldigde bedrag niet binnen de gestelde termijn terugbetaalt, wordt dit bedrag vermeerderd met rente op de voet van het percentage dat op het tijdstip waarop de termijn voor de terugbetaling verstrijkt, door het Europees Monetair Instituut wordt gehanteerd voor haar verrichtingen in [ecu] en wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad, reeks C.
De begunstigde aanvaardt dat de door de Commissie hiervoor op geldige wijze vastgestelde beschikking tot terugvordering executoriale titel in de zin van artikel 192 van het [EG-]Verdrag vormt in alle landen waar de begunstigde een maatschappelijke zetel heeft." (Artikel 192 EG-Verdrag is thans artikel 256 EG).
5 Volgens artikel 17 van de overeenkomst zal elk geschil tussen de Commissie en de begunstigde over de uitvoering van de overeenkomst dat niet op minnelijke wijze tussen partijen kan worden geregeld, worden voorgelegd aan de rechtbanken te Brussel". Artikel 18 bepaalt dat de overeenkomst onder het Belgisch recht valt".
6 Ter uitvoering van de overeenkomst heeft de Commissie verzoekster 404 273 euro betaald.
7 Bij brief van 23 maart 2000 heeft M. Laurent, hoofd van een eenheid bij het directoraat-generaal Buitenlandse betrekkingen van de Commissie, verzoekster laten weten dat de Commissie had besloten de overeenkomst krachtens artikel 15.3 te ontbinden. In deze brief wordt verklaard, dat het besluit om de overeenkomst te ontbinden, uiteraard gepaard gaat met de vraag alle of een deel van de reeds betaalde bedragen terug te betalen" en dat de Commissie zich het recht voorbehoudt, gebruik te maken van de bankgarantie die Innova hiervoor heeft gesteld".
8 Als grond voor dit besluit wordt aangevoerd dat is vastgesteld dat Innova sedert de inwerkingtreding van de overeenkomst haar contractuele verplichtingen in verband met de uitvoering en het beheer van het Dyonisos-project niet nakomt en niet in staat blijkt te zijn om tijdig de maatregelen te treffen die nodig zijn om dit te verhelpen".
9 Bij brief van 6 juni 2000, die verzoekster op 22 juni daaraanvolgend heeft ontvangen, waarbij een debetnota van 29 mei 2000 was gevoegd, heeft de Commissie Innova verzocht het bedrag van 404 273 euro uiterlijk binnen veertien dagen na ontvangst van de brief terug te betalen, bij gebreke waarvan dit bedrag, vermeerderd met rente, zou worden teruggevorderd.
10 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 2 juni 2000, heeft verzoekster krachtens artikel 230, vierde alinea, EG een beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie om de overeenkomst te ontbinden.
11 Bij afzonderlijke akte, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 6 juli 2000, heeft verzoekster eveneens krachtens artikel 242 EG het onderhavige verzoek ingediend. Dit verzoek strekt tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Commissie om de overeenkomst te ontbinden, voor zover daarbij terugbetaling van alle door deze instelling in het kader van deze overeenkomst betaalde bedragen wordt gevorderd, en, voor zoveel nodig, van de op grond van dit besluit toegezonden debetnota. Tevens vordert verzoekster toepassing van artikel 105, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, op grond dat elke maatregel tot gedwongen tenuitvoerlegging van het bestreden besluit haar ernstige en onherstelbare schade zou berokkenen.
12 Op 7 juli 2000 heeft de rechter in kort geding verzoekster verzocht, drie documenten over te leggen die absoluut noodzakelijk zijn om het verzoek in kort geding te begrijpen. Verder wou hij van de Commissie vernemen of zij van plan was om op basis van artikel 256 EG de nodige maatregelen te treffen om vóór de eindbeschikking in de procedure in kort geding de gedwongen tenuitvoerlegging van het besluit te verkrijgen.
13 Diezelfde dag nog heeft verzoekster de gevraagde documenten overgelegd en heeft de Commissie geantwoord dat artikel 256 EG niet van toepassing is, aangezien haar relatie met Innova van louter contractuele aard is.
14 Op 14 juli 2000 heeft de Commissie haar opmerkingen over het verzoek in kort geding ingediend.
15 Gelet op de stukken meent de rechter in kort geding over alle gegevens te beschikken die hij nodig heeft om uitspraak te doen op het onderhavige verzoek tot opschorting van tenuitvoerlegging, zodat het niet nodig is partijen in hun mondelinge toelichtingen te horen.
In rechte
16 Ingevolge de artikelen 242 EG en 243 EG juncto artikel 4 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB L 319, blz. 1), zoals gewijzigd bij besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 (PB L 144, blz. 21), kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, de opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling of de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.
17 Artikel 104, lid 1, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling slechts kan worden ontvangen indien de verzoeker tegen die handeling beroep heeft ingesteld bij het Gerecht. Deze regel is geen loutere formaliteit, maar vooronderstelt dat het beroep in de hoofdzaak, waarmee het verzoek in kort geding verband houdt, door het Gerecht daadwerkelijk kan worden onderzocht.
18 Volgens vaste rechtspraak moet de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak in beginsel niet worden onderzocht in het kader van een kort geding, teneinde de grond van de zaak niet te prejudiciëren. Wanneer wordt gesteld dat het beroep in de hoofdzaak in verband waarmee het verzoek in kort geding is ingediend, kennelijk niet-ontvankelijk is, lijkt het evenwel noodzakelijk het bestaan van bepaalde elementen vast te stellen op grond waarvan aanvankelijk tot de ontvankelijkheid van dat beroep kan worden geconcludeerd (zie met name beschikking van de president van het Gerecht van 15 februari 2000, Hölzl e.a./Commissie, T-1/00 R, Jurispr. blz. II-251, punt 21).
19 Ingevolge artikel 238 EG is het Hof van Justitie bevoegd, uitspraak te doen krachtens een arbitragebeding vervat in een door of namens de Gemeenschap gesloten publiekrechtelijke of privaatrechtelijke overeenkomst". Ingevolge dit artikel en besluit 88/591, zoals gewijzigd, is het Gerecht slechts op basis van een arbitragebeding bevoegd om in eerste aanleg uitspraak te doen in de hem door natuurlijke of rechtspersonen voorgelegde geschillen uit overeenkomsten.
20 In casu is er evenwel geen arbitragebeding dat het Gerecht de bevoegdheid verleent om uitspraak te doen in geschillen over de uitvoering van de overeenkomst. De in artikel 17 van de overeenkomst opgenomen clausule inzake de beslechting van geschillen bepaalt immers uitdrukkelijk dat elk geschil bij de uitvoering van de overeenkomst aan de rechtbanken te Brussel zal worden voorgelegd.
21 Verzoekster voert evenwel aan dat deze bepaling slechts ziet op geschillen bij de uitvoering van de overeenkomst en niet op het besluit van de Commissie om de overeenkomst te ontbinden. In dit verband kan worden volstaan met de opmerking dat verzoeksters geschil met de Commissie over de ontbinding van de overeenkomst en het daarmee gepaard gaande herstel van de status quo ante - dat de terugbetaling van alle ontvangen bedragen rechtvaardigt - rechtstreeks verband houdt met de in de overeenkomst geformuleerde verbintenissen, aangezien de ontbinding, waarvan sprake is in artikel 15 van deze overeenkomst, niet meer is dan de sanctie van de niet-nakoming van de contractuele verplichtingen door één van de twee contractanten. Een dergelijk geschil kan dus niet worden losgekoppeld van het geschil over de uitvoering van de overeenkomst in de zin van artikel 17.
22 Hieruit volgt dat bij gebreke van een arbitragebeding dat hem bevoegdheid verleent, het Gerecht, wanneer bij hem een beroep tot nietigverklaring is ingesteld, niet kan beslissen over een vordering betreffende de uitvoering van een door de Gemeenschap gesloten overeenkomst. Anders zou het Gerecht zijn rechterlijke bevoegdheid uitbreiden tot andere geschillen dan die welke ingevolge artikel 240 EG exclusief tot zijn bevoegdheid behoren, terwijl die bepaling de gewone bevoegdheid inzake geschillen waarin de Gemeenschap partij is, aan de nationale rechterlijke instanties laat (beschikking Gerecht van 3 oktober 1997, Mutual Aid Administration Services/Commissie, T-186/96, Jurispr. blz. II-1633, punt 47).
23 Gelet op een en ander moet het verzoek in kort geding niet-ontvankelijk worden verklaard omdat het Gerecht niet bevoegd is om uitspraak te doen in het beroep waarmee dit verzoek verband houdt (zie in die zin arrest Hof van 28 april 1988, LAISA en CPC España/Raad, 31/86 en 35/86, Jurispr. blz. 2285, punt 18, en beschikking Hof van 14 juli 1998, Glasoltherm/Commissie e.a., C-399/97, Jurispr. blz. I-4521, punt 8).
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
beschikt:
1) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Full & Egal Universal Law Academy