Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
1. Kort geding - Opschorting van uitvoering - Voorlopige maatregelen - Voorwaarden - Fumus boni juris" - Ernstige en onherstelbare schade - Cumulatieve voorwaarden
(Art. 242 EG en 243 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
2. Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Omvang - Verordeningen
(Art. 253 EG)
Samenvatting
1. Op grond van artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moeten verzoeken in kort geding een duidelijke omschrijving bevatten van de omstandigheden waaruit het spoedeisende karakter blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt (fumus boni juris). Dit zijn cumulatieve voorwaarden, zodat het verzoek tot opschorting van tenuitvoerlegging moet worden afgewezen wanneer aan een van deze voorwaarden niet is voldaan.
( cf. punt 32 )
2. Weliswaar moet de door artikel 253 EG vereiste motivering de redenering van de communautaire instantie die de betwiste handeling heeft vastgesteld, duidelijk en ondubbelzinnig tot uiting doen komen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel en de communautaire rechter zijn toezicht kan uitoefenen, maar bij verordeningen kan geen specifieke motivering worden verlangd van de verschillende onderdelen, feitelijk en rechtens, die daarin voorkomen.
( cf. punt 43 )
Partijen
In zaak T-189/00 R,
1. Invest" Import und Export GmbH, Neuss (Duitsland),
2. Invest Commerce SARL, Alfortville (Frankrijk),
vertegenwoordigd door R. Wägenbaur, advocaat, Brussel, domicilie gekozen hebbende bij Arendt en Medernach, advocaten aldaar, 8-10, Rue Matthias Hardt, Luxemburg,
verzoeksters,
tegen
Commissie der Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M.-J. Jonczy, juridisch adviseur, en B. Brandtner, lid van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek krachtens artikel 105, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering tot opschorting van de tenuitvoerlegging van verordening (EG) nr. 1147/2000 van de Commissie van 29 mei 2000 tot wijziging van bijlage II bij verordening (EG) nr. 1294/1999 van de Raad inzake de bevriezing van middelen en een verbod op investeringen ten aanzien van de Federale Republiek Joegoslavië (PB L 129, blz. 15), voor zover zij betrekking heeft op verzoeksters,
geeft
DE PRESIDENT VAN DE TWEEDE KAMER VAN HET GERECHT
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Rechtskader
1 Op basis van een aantal gemeenschappelijke standpunten op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid op grond van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie heeft de Raad op 15 juni 1999 verordening (EG) nr. 1294/1999 inzake de bevriezing van middelen en een verbod op investeringen ten aanzien van de Federale Republiek Joegoslavië (PB L 153, blz. 63; hierna: basisverordening") goedgekeurd. Daarmee diende de economische druk te worden verhoogd op de regeringen van de Federale Republiek Joegoslavië (hierna: FRJ") en de Republiek Servië, aan wie een aanhoudende schending van de respectieve resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en ernstige schendingen van de mensenrechten werden verweten.
2 Bij verordening (EG) nr. 723/2000 van de Raad van 6 april 2000 tot wijziging van de basisverordening (PB L 86, blz. 1; hierna: wijzigingsverordening") heeft de Gemeenschap haar economische sancties verscherpt om de grootst mogelijke druk op president Milosevic uit te oefenen.
3 De voorziene sancties betreffen de regering van de FRJ" en de regering van de Republiek Servië". Op grond van artikel 1, punten 1 en 2, van de basisverordening, in de versie van de wijzigingsverordening, worden tot deze regeringen onder meer gerekend:
- alle vennootschappen, ondernemingen, instellingen, met inbegrip van financiële instellingen, en entiteiten in eigendom van of onder zeggenschap van die regeringen;
- alle in de FRJ [respectievelijk Republiek Servië] georganiseerde entiteiten die eigendom van de collectiviteit zijn;
- met ingang van 26 april 1999, alle opvolgers van die vennootschappen, ondernemingen, instellingen en entiteiten;
- alle dochterondernemingen of bijkantoren, ongeacht hun plaats van vestiging, van die vennootschappen, ondernemingen, instellingen en entiteiten."
4 Op grond van artikel 2, lid 2, van de basisverordening worden vennootschappen die buiten het Joegoslavische grondgebied zijn gevestigd en in bijlage II bij de verordening worden genoemd (zogenaamde zwarte lijst", onderverdeeld naar de lidstaten van de Gemeenschap), geacht het eigendom te zijn of onder zeggenschap te staan van de genoemde regeringen.
5 Volgens artikel 2, lid 5, van de basisverordening, in de versie van de wijzigingsverordening, worden
- vennootschappen, ondernemingen, instellingen en entiteiten die (...) in de FRJ, met uitzondering van de provincie Kosovo en de Republiek Montenegro, gevestigd (...) zijn, niet geacht eigendom te zijn van of onder zeggenschap te staan van de regering van de FRJ of de regering van de Republiek Servië of eigendom van de collectiviteit te zijn;
- alle andere vennootschappen, ondernemingen, instellingen en entiteiten die in de FRJ, met uitzondering van de provincie Kosovo en de Republiek Montenegro, gevestigd (...) zijn, geacht eigendom te zijn van of onder zeggenschap te staan van de regering van de FRJ of de regering van de Republiek Servië, of eigendom van de collectiviteit te zijn."
Op grond van artikel 1 van verordening (EG) nr. 1059/2000 van de Raad van 18 mei 2000 tot wijziging van verordening nr. 723/2000 (PB L 119, blz. 1) zijn deze bepalingen echter pas met ingang van 30 juni 2000 van toepassing, omdat er meer tijd nodig was om bijlage VI (de zogenaamde witte lijst") samen te stellen.
6 Artikel 3 van de basisverordening bepaalt, dat alle zich buiten het grondgebied van de FRJ bevindende middelen die eigendom zijn van de Joegoslavische of de Servische regering, worden bevroren, en dat aan of ten behoeve van genoemde regeringen rechtstreeks noch indirect middelen ter beschikking mogen worden gesteld.
7 Artikel 7 bevat uitzonderingen op het verbod van artikel 3 voor bepaalde middelen die zijn bestemd voor de betaling van de kosten van Joegoslavische en Servische diplomatieke vertegenwoordigingen, voor betalingen op het gebied van de sociale zekerheid, van belastingen en heffingen en van normale salarissen in de Gemeenschap.
8 In artikel 8 wordt de Commissie gemachtigd, in individuele gevallen bijzondere toestemmingen te verlenen indien de belangen van de Gemeenschap anders ernstig zouden worden geschaad, en om onder meer de bijlagen II en VI van de verordening te wijzigen.
9 Op grond van artikel 8, lid 4, in de versie van de wijzigingsverordening, moeten alle verzoeken om toestemming of om wijziging van de bijlagen worden ingediend bij de in bijlage III vermelde bevoegde autoriteiten van de lidstaten, die de door de verzoekers verstrekte informatie zo grondig mogelijk dienen te verifiëren.
Feiten en procesverloop
10 Bij brief van het Duitse Bundesausfuhramt van 8 september 1999 verzocht de Bondsrepubliek Duitsland de Commissie, verzoekster Invest" Import und Export GmbH in bijlage II van de basisverordening op te nemen, omdat deze onderneming rechtstreeks eigendom van de onderneming Invest-Import Belgrado was. Bij brief van het Franse Ministerie van Economie, Financiën en Industrie van 27 oktober 1999 diende de Franse Republiek een soortgelijke aanvraag met betrekking tot verzoekster Invest Commerce SARL in, die eigendom van de onderneming Invest-Import Belgrado en haar Duitse dochteronderneming, Invest" Import und Export GmbH was.
11 Op 29 mei 2000 vaardigde de Commissie verordening (EG) nr. 1147/2000 tot wijziging van bijlage II bij de basisverordening (PB L 129, blz. 15; hierna: bestreden verordening") uit, op grond waarvan verzoeksters in bijlage II van de basisverordening werden opgenomen.
12 Ter motivering werd naar de desbetreffende verzoeken van Duitsland en Frankrijk verwezen. Ten aanzien van het argument van verzoeksters dat hun moedermaatschappij eigendom van de werknemers en de vroegere medewerkers van de onderneming is, wordt in de negende overweging van de considerans opgemerkt, dat in dit argument wordt voorbijgegaan aan het feit dat een vennootschap die eigendom is van haar werknemers en voormalige werknemers, een entiteit in het bezit van de collectiviteit is [Franse versie: entité détenue collectivement; Engelse versie: socially owned entity] en dat een dergelijke vennootschap bijgevolg is opgenomen in de definitie van de regering van de FRJ en de definitie van de regering van de Republiek Servië, ongeacht de samenstelling van de raad van bestuur of de omvang van het aandeel in het maatschappelijk kapitaal dat direct of indirect eigendom is van de FRJ of de Republiek Servië.
13 Bij verzoekschrift, dat op 18 juli 2000 bij de griffie van het Gerecht is ingekomen, vorderden verzoeksters krachtens artikel 230, vierde alinea, EG nietigverklaring van de bestreden verordening, voor zover zij in bijlage II van de basisverordening zijn opgenomen.
14 Bij afzonderlijke akte, die op dezelfde dag bij de griffie van het Gerecht is ingekomen, vorderden verzoeksters opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden verordening, voorzover deze op hen betrekking had, en een snelle beslissing in de zin van artikel 105, lid 2 van het Reglement voor de procesvoering.
15 Aangezien de president van het Gerecht verhinderd is, wordt hij op grond van artikel 106, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering vervangen door de president van de Tweede kamer.
16 Bij beschikking van 25 juli 2000 heeft de president van de Tweede kamer overeenkomstig artikel 105, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering vóór de ontvangst van de stellingname van de Commissie de tenuitvoerlegging van de bestreden verordening, wat verzoeksters betreft, tot aan de uitspraak in het kort geding opgeschort, in dier voege dat de Commissie verplicht was, voor elke door verzoeksters bij haar aangemelde invoer- of uitvoertransactie - zonder acht te slaan op de procedure van artikel 9 van de basisverordening in de versie van de wijzigingsverordening - onverwijld toestemming te verlenen, en verzoeksters in weerwil van artikel 3, punt 1, over de voor die transacties noodzakelijke middelen konden beschikken.
17 Bij op 26 juli 2000 bij de griffie van het Gerecht ingekomen brief heeft de Commissie een standpunt met betrekking tot het verzoek om de voorlopige maatregel ingenomen. Zij vordert afwijzing van dit verzoek.
18 Partijen hebben hun standpunt op 31 juli 2000 mondeling toegelicht.
19 Wat de spoedeisendheid van de gevorderde voorlopige maatregel betreft, betogen verzoeksters - die zich bezighouden met de invoer van onder andere azijnzuur, methanol, elektriciteitskabels en gereedschap voor metaalbewerking en de uitvoer van grondstoffen, isolatiemateriaal en reserveonderdelen voor machines en fabrieksinstallaties uit en naar Servië, Macedonië, Bulgarije, Montenegro en Bosnië-Herzegovina - dat hun bankrekeningen sinds de inwerkingtreding van de bestreden verordening op 30 mei 2000 voor het doen en het ontvangen van betalingen zijn geblokkeerd, waardoor hun activiteiten ernstig worden belemmerd. Indien de tenuitvoerlegging van de bestreden verordening niet onmiddellijk kon worden gestaakt, werd hun voortbestaan acuut bedreigd. Zij konden op dat moment geen activiteiten ontplooien en koersten op insolventie af.
20 Op grond van artikel 7, lid 1, van de basisverordening konden verzoeksters weliswaar normaal loon uitbetalen zolang hun rekeningen een positief saldo hadden, maar mochten zij geen huur- en leasekosten voor kantoor- en opslagruimtes, voertuigen en computerapparatuur van hun rekeningen afboeken en aan de ontvangers overmaken. Zij liepen hierdoor het risico dat de verhuurders en de leasemaatschappijen de betrokken overeenkomsten spoedig zouden opzeggen en verzoeksters in wezen de mogelijkheid zouden ontnemen om hun activiteiten binnen afzienbare tijd te hervatten.
21 Verzoeksters hadden zich ingespannen om de schade te voorkomen of zo klein mogelijk te houden. Zij hadden de Commissie verzocht, op grond van artikel 8, leden 1 en 2 van de basisverordening, in de versie van de wijzigingsverordening, bepaalde betalingen vrij te stellen van het betalingsverbod. Verzoeksters hadden tot dan toe nog geen antwoord ontvangen. Voorts had hun moedermaatschappij Invest-Import Belgrado, ondanks veel inspanningen en verzoeken, de Commissie er nog niet toe kunnen bewegen, haar op de witte lijst" van bijlage VI van de basisverordening, in de versie van de wijzigingsverordening, op te nemen.
22 Ten gronde betogen verzoeksters in de eerste plaats, dat de bestreden verordening in strijd is met de basisverordening. Zij zijn weliswaar dochterondernemingen van Invest-Import, maar hun moedermaatschappij in Belgrado is niet in eigendom van de staat of de collectiviteit. Zij is namelijk sinds lange tijd voor het grootste deel privé-eigendom van de werknemers en vroegere medewerkers van de onderneming, zoals uit de bijgevoegde ondernemingsstatuten en de verklaring uit het handelsregister blijkt. Het is op grond van de wetgeving uitgesloten dat de Joegoslavische of de Servische regering de hand kan leggen op de financiële middelen van de vennootschap. Er was ook nooit geprobeerd, in deze zin druk op de onderneming uit te oefenen.
23 Verzoeksters opneming in bijlage II zou overigens ook niet gerechtvaardigd zijn geweest indien de moedermaatschappij thans nog in eigendom van de collectiviteit zou zijn, quod non. Ook deze ondernemingsvorm is aldus gestructureerd, dat overheidsinstanties geen toegang tot de financiële middelen van de onderneming hebben.
24 Voor zover de bestreden verordening is gebaseerd op de veronderstelling dat de moedermaatschappij van verzoeksters een onderneming in eigendom van de collectiviteit" is, en daarom verwijst naar de basisverordening, in de versie van de wijzigingsverordening, stellen verzoeksters bij wijze van incident krachtens artikel 241 EG de niet-toepasselijkheid van de basisverordening. Zowel deze als de bestreden verordening is in strijd met het gemeenschapsrechtelijke evenredigheidsbeginsel. Er bestonden namelijk minder ingrijpende middelen voor het bereiken van het beoogde doel, de druk op het toenmalige politieke regime van Joegoslavië te vergroten. Gedacht had bijvoorbeeld kunnen worden aan een stelsel van selectieve uitvoerverboden en toestemming tot uitvoer onder voorbehoud. Zulke maatregelen hadden zeker beter bij de situatie gepast en het voortbestaan van verzoeksters niet onnodig in gevaar gebracht.
25 Tijdens de mondelinge procedure stelden verzoeksters bovendien, dat indien de basisverordening inderdaad aldus zou moeten worden uitgelegd - hetgeen zij betwisten - dat de eigendomsverhoudingen en de rechtsvorm van de moedermaatschappij niet van belang zijn, deze verordening ernstig in strijd is met fundamentele rechtsbeginselen. Een dermate discriminerende en generaliserende handelswijze van de Raad is een vorm van willekeur.
26 Daarnaast zijn volgens verzoeksters hun rechten van de verdediging geschonden: de Commissie heeft niet voldaan aan haar verplichting, hun vóór de vaststelling van de voor hen bezwarende maatregelen een recht van verweer te verlenen. Ook indien een vennootschap op verzoek van de bevoegde nationale autoriteiten op de zwarte lijst" van bijlage II van de basisverordening wordt opgenomen en de desbetreffende procedure dus twee fasen kent, is uiteindelijk de Commissie ervoor verantwoordelijk dat de betrokken ondernemingen verweer kunnen voeren.
27 Ten aanzien van het argument van de Commissie, dat de door de betwiste verordening nagestreefde sanctie een zeker verrassingselement moet bevatten, dat in strijd zou zijn met het toestaan van een uitgebreid verweer vooraf, hebben verzoeksters zich tijdens de mondelinge procedure op het standpunt gesteld, dat er in het onderhavige geval voor geen van hen op enig moment sprake was van een verrassing. Beide verzoeksters waren op de hoogte van de voorgenomen opname op de zwarte lijst". Daarom hadden zij door de Commissie vóór de uitvaardiging van de bestreden verordening moeten worden gehoord.
28 Tot slot is de bestreden verordening volgens verzoeksters ontoereikend gemotiveerd. Er wordt niets gezegd over de feitelijke rechtssituatie van verzoeksters en over mogelijkheden van de staat om greep op hun moedermaatschappij uit te oefenen. Dit geldt - zoals zij bij wijze van incident opwerpen - ook voor de basisverordening.
29 Volgens de Commissie is de gevraagde voorlopige maatregel niet dringend en - aangezien niet aan de voorwaarden betreffende de fumus boni juris is voldaan - ook niet noodzakelijk. Zij benadrukt, dat zij met het nemen van de bestreden verordening slechts de basisverordening heeft uitgevoerd. Verzoeksters zijn op uitdrukkelijk verzoek van de bevoegde Duitse en Franse autoriteiten op de zwarte lijst" opgenomen. Verzoeksters hadden hun verzoek in eerste instantie bij die autoriteiten moeten indienen. De Commissie kan als louter uitvoerend orgaan geen onrechtmatig handelen of nalaten worden verweten.
30 Tijdens de mondelinge procedure heeft de Commissie met betrekking tot de in de artikelen 7 en 8, lid 1, sub b, van de basisverordening vermelde uitzonderingen verklaard, dat er geen beletsel is om verzoeksters op een gemotiveerd verzoek toestemming te verlenen in de zin van lid 2, indien zij de desbetreffende bewijzen van de voor hen ontstane of te verwachten kosten leveren, zodat de nationale autoriteiten en de Commissie de nodige controles kunnen uitoefenen.
Beoordeling door de rechter in kort geding
31 Op grond van de artikelen 242 en 243 EG, juncto artikel 4 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB L 319, blz. 1) zoals gewijzigd bij besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 (PB L 144, blz. 21) kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, de uitvoering van de bestreden handeling opschorten of de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.
32 Op grond van artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moeten verzoeken tot opschorting van de tenuitvoerlegging een duidelijke omschrijving bevatten van de omstandigheden waaruit het spoedeisende karakter blijkt; voorts moet zowel feitelijk als rechtens de noodzaak van de opschorting aannemelijk worden gemaakt (fumus boni juris). Dit zijn cumulatieve voorwaarden, zodat het verzoek om voorlopige maatregelen moet worden afgewezen wanneer aan een van deze voorwaarden niet wordt voldaan [beschikking president Hof van 14 oktober 1996, SCK en FNK/Commissie, C-286/96 P(R), Jurispr. blz. I-4971, punt 30, en beschikking president Gerecht van 28 juni 2000, Artegodan/Commissie, T-74/00 R, Jurispr. blz. II-2583, punt 21].
33 In het onderhavige geval dient eerst de noodzaak van de gevorderde maatregel (fumus boni juris) te worden onderzocht.
34 Wat de eerste grief betreft - strijd van de bestreden verordening met de basisverordening - staat vast dat verzoeksters in de Gemeenschap gevestigde dochterondernemingen zijn van een moedermaatschappij die, indien zij in Belgrado geen entiteit in eigendom van de collectiviteit is, in ieder geval op 26 april 1999 de rechtsopvolgster van een dergelijke entiteit was. Daarmee vallen verzoeksters onder de begrippen regering van de FRJ" en regering van de Republiek Servië", zoals gedefinieerd in artikel 1, punten 1 en 2, van de basisverordening in de versie van de wijzigingsverordening, en is artikel 2 van de basisverordening op hen van toepassing. Anders dan verzoeksters stellen, zijn voor de basisverordening noch de eigendomsverhoudingen van de in Joegoslavië of Servië gevestigde moedermaatschappijen, noch de rechtsvorm ervan bepalend. De privatisering die inmiddels zou zijn tot stand gebracht, en de feitelijke onafhankelijkheid van verzoeksters' moedermaatschappij in Belgrado van het regime-Milosevic spelen daarom voor de toepasselijkheid van de basisverordening geen rol.
35 In dit verband is ook van belang artikel 2, lid 5, van de basisverordening, in de versie van de wijzigingsverordening, waarin wordt verklaard dat alle vennootschappen, ondernemingen, instellingen en entiteiten die in Klein-Joegoslavië" (Joegoslavië met uitzondering van Kosovo en Montenegro) gevestigd, geregistreerd of als rechtspersoon erkend zijn, tot de regering worden gerekend, voor zover zij niet op de witte lijst" van bijlage VI zijn opgenomen. Deze bepaling is weliswaar pas na de vaststelling van de bestreden verordening in werking getreden, doch zij maakte reeds deel uit van verordening nr. 723/2000 van 6 april 2000. Daarom konden verzoeksters reeds begin april 2000 weten, dat de feitelijke eigendomsverhoudingen van haar moedermaatschappij in Belgrado op grond van de opnieuw verscherpte sanctiemaatregelen niet relevant waren.
36 De opneming van verzoeksters, krachtens de bestreden verordening, in bijlage II van de basisverordening, op verzoek van de bevoegde nationale autoriteiten, vormt dan ook een uitvoering van de artikelen 1 en 2 van de basisverordening, waaruit op het eerste gezicht geen verkeerde toepassing van het recht door de Commissie blijkt. Met name is er geen sprake van schending van het evenredigheidsbeginsel door de Commissie, aangezien de opneming van verzoeksters in bijlage II van de basisverordening automatisch tot bevriezing van haar middelen op grond van artikel 3 van de basisverordening leidt, zonder dat de Commissie een minder belastende sanctie ter beschikking stond.
37 Ten aanzien van de incidentele grief van verzoeksters, dat de basisverordening van de Raad in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat er mildere sancties zoals een stelsel van selectieve uitvoerverboden of een toestemming tot uitvoer onder voorbehoud beschikbaar waren, en bovendien hun moedermaatschappij in Belgrado als geprivatiseerde, van de staat onafhankelijke onderneming ten onrechte door de sanctiemaatregelen wordt getroffen, zij opgemerkt dat de basisverordening tot doel heeft (tweede overweging van de considerans), de druk op de Joegoslavische en de Servische regering aanmerkelijk te verhogen door de middelen van deze regeringen in het buitenland te bevriezen en door geen middelen meer aan deze regeringen ten goede te laten komen. Tot deze maatregelen werd reeds besloten in artikel 2 van het door de Raad op grond van artikel 15 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aangenomen gemeenschappelijk standpunt 1999/318/GASP van 10 mei 1999 inzake bijkomende beperkende maatregelen tegen de Federale Republiek Joegoslavië (PB L 123, blz. 1). Door de wijzigingsverordening dienden deze sancties in verband met de politieke situatie te worden verscherpt om een maximale druk op het regime-Milosevic te handhaven (tweede overweging van de considerans); bovendien diende de doeltreffendheid van de bestaande financiële sancties te worden versterkt, onder meer door het dichten van eventuele mazen in de reglementering en het verbeteren van de handhaving (vierde overweging van de considerans).
38 Wat deze context en dit doel van de regelingen betreft, kan na het summiere onderzoek dat in het kader van de procedure in kort geding geboden - en toereikend - is, geen kennelijke schending van het evenredigheidsbeginsel door de Raad worden vastgesteld. Voor het overige hebben verzoeksters in het kader van deze incidentele grief slechts in algemene termen een schending van het recht gesteld, zonder concreet te vermelden in hoeverre de door hen voorgestelde mildere sancties, met inbegrip van een individueel onderzoek van de eigendomsverhoudingen van de betrokken ondernemingen, uitvoerbaar zouden zijn en verenigbaar met het specifieke doel van de regeling om de reeds bestaande sancties te verscherpen en eventuele mazen te dichten. Ook de tijdens de mondelinge behandeling aangevoerde grief dat de basisverordening in strijd is met elementaire rechtsbeginselen en willekeur" van de Raad oplevert, is niet gemotiveerd.
39 De bij wijze van incident opgeworpen grief dat de basisverordening in strijd is met recht van hogere orde, komt daarom, althans op het eerste gezicht, ongegrond voor.
40 Dit geldt ook voor de gestelde schending van het recht van verweer, zonder dat in de onderhavige procedure in kort geding behoeft te worden onderzocht, of de door de betwiste sanctieregeling getroffen ondernemingen op dit punt wel aanspraak erop kunnen maken om vooraf te worden gehoord. Zoals de Commissie namelijk terecht naar voren heeft gebracht, wordt een onderneming op initiatief van de bevoegde nationale autoriteiten in een uit twee fasen bestaande bestuurlijke procedure in bijlage II van de basisverordening opgenomen, waarbij deze autoriteiten op grond van artikel 8, lid 4, van de basisverordening, in de versie van de wijzigingsverordening, een wezenlijke rol spelen. In een dergelijke procedure moet het recht van de betrokken onderneming om te worden gehoord in de eerste plaats worden gewaarborgd in de betrekkingen tussen deze onderneming en de nationale administratie (arrest Gerecht van 9 november 1995, France-aviation/Commissie, T-346/94, Jurispr. blz. II-2841, punt 30 e.v.). In het onderhavige geval hebben verzoeksters niet gesteld dat de Duitse en de Franse autoriteiten hun recht om te worden gehoord hebben geschonden.
41 Het staat juist vast, dat verzoekster Invest" Import und Export GmbH in een vroeg stadium contact heeft gehad met de Duitse autoriteiten, die haar reeds begin juni 1999 op de voorgenomen opneming op de zwarte lijst" wezen en waartegen zij toen uitvoerige argumenten heeft ingebracht. Bovendien heeft zij in mei en juni 2000 haar standpunt uitgebreid aan de Duitse autoriteiten en de Commissie bekendgemaakt. Ook verzoekster Invest Commerce SARL was, zoals uit haar verklaring tijdens de mondelinge procedure is gebleken, op de hoogte van haar op handen zijnde opneming op de zwarte lijst".
42 Derhalve kan in de onderhavige zaak geen kennelijke schending van het recht van verweer worden vastgesteld.
43 Ten aanzien van het argument van verzoeksters betreffende de ontoereikende motivering van de bestreden verordening en - bij wijze van incident - van de basisverordening, volstaat de opmerking dat volgens vaste rechtspraak van het Hof in de door artikel 253 EG vereiste motivering de redenering van de communautaire instantie die de betwiste handeling heeft vastgesteld, weliswaar duidelijk en ondubbelzinnig tot uiting moet komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en het Gerecht zijn toezicht kan uitoefenen, maar dat bij verordeningen geen specifieke motivering kan worden verlangd van de verschillende - soms zeer talrijke en ingewikkelde - onderdelen, feitelijk en rechtens, die daarin voorkomen (arrest van 22 januari 1986, Eridania e.a., 250/84, Jurispr. blz. 117, punten 37 en 38).
44 In het onderhavige geval blijkt het doel van de verscherpte sanctiemaatregelen, zoals reeds gezegd, uit de gehele regeling. Daarom voldoet de basisverordening aan de motiveringsplicht. Dit geldt ook voor de bestreden verordening, waarvan de overwegingen van de considerans de tegenargumenten van verzoeksters uitdrukkelijk weerleggen.
45 Overigens blijkt uit het verzoek om de voorlopige maatregel en uit het verzoekschrift, dat verzoeksters zeer goed in staat zijn hun belangen in rechte te verdedigen en de onwettigheid van de betwiste verordeningen aan de orde te stellen. Ten slotte was de motivering van deze verordeningen ook toereikend om de summiere toetsing van het fumus boni juris in de onderhavige procedure mogelijk te maken.
46 Daarom heeft ook de laatste grief geen kans van slagen.
47 Tot slot hebben verzoeksters de noodzaak van de gevraagde voorlopige maatregel feitelijk noch rechtens aannemelijk gemaakt. Daarom moet het verzoek worden afgewezen, zonder dat onderzocht behoeft te worden of aan de andere voorwaarden voor voorlopige maatregelen is voldaan.
48 Tevens wordt de krachtens artikel 105, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering gegeven beschikking van 25 juli 2000 ingetrokken.
Dictum
DE PRESIDENT VAN DE TWEEDE KAMER VAN HET GERECHT
beschikt:
1) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2) De beschikking van 25 juli 2000 in zaak T-189/00 R wordt ingetrokken.
3) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Full & Egal Universal Law Academy