Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Beroep tot nietigverklaring - Natuurlijke of rechtspersonen - Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken - Verordening betreffende inschrijving van bepaalde benamingen in Register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen" - Beroep ingesteld door producent die producten onder ingeschreven benaming in handel brengt en bij nationale autoriteit bezwaar had gemaakt tegen inschrijving van die benaming - Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230, vierde alinea, EG; verordening nr. 2081/92 van de Raad, art. 7; verordening nr. 1338/2000 van de Commissie)
Samenvatting
$$Is niet-ontvankelijk het door een producent van eendenproducten ingesteld beroep tot nietigverklaring van verordening nr. 1338/2000 tot aanvulling van de bijlage bij verordening nr. 2400/96 betreffende de inschrijving van bepaalde benamingen in het Register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen" bedoeld in verordening nr. 2081/92, voorzover daarbij de benaming canard à foie gras du Sud-Ouest" als beschermde geografische aanduiding is ingeschreven.
Het valt weliswaar niet uit te sluiten dat een dergelijke regeling, die naar haar aard en strekking een normatief karakter heeft, een natuurlijke of rechtspersoon individueel kan raken, doch dit is in casu niet het geval. Allereerst wordt iedere andere producent die zich feitelijk of potentieel in een zelfde situatie bevindt als die welke door verzoekster is beschreven, op gelijke wijze als zijzelf door verordening nr. 1338/2000 getroffen. Vervolgens karakteriseert de omstandigheid dat een normatieve handeling voor de verschillende rechtssubjecten waarop zij van toepassing is, uiteenlopende concrete gevolgen kan hebben, hen niet ten opzichte van alle andere marktdeelnemers, omdat de toepassing van die handeling op grond van een objectief bepaalde situatie plaatsvindt. Ten slotte berust het gebruik van de geografische benaming waarop verzoekster aanspraak maakt, niet op een specifiek recht dat zij op nationaal of communautair niveau vóór de vaststelling van verordening nr. 1338/2000 zou hebben verkregen en waarop door die verordening inbreuk zou zijn gemaakt.
Het feit dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar verzoekster is gevestigd, haar bezwaarschrift niet aan de Commissie heeft gezonden, volstaat overigens niet voor de ontvankelijkheid van het beroep. In dit verband zijn uitsluitend de lidstaten verantwoordelijk voor de procedurele waarborgen die in het kader van de bezwaarregeling van verordening nr. 2081/92 aan particulieren worden verleend, en beschikt de Commissie over geen enkele beoordelingsvrijheid, zodat particulieren geen specifieke procedurele waarborgen op gemeenschapsniveau worden geboden.
( cf. punten 34, 36-37, 40-44, 47, 53 )
Partijen
In zaak T-215/00,
SCEA La Conqueste, gevestigd te Morlaas (Frankrijk), vertegenwoordigd door A. Lyon-Caen, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. L. Iglesias Buhigues en X. Lewis als gemachtigden, domicilie gekozen hebben te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1338/2000 van de Commissie van 26 juni 2000 tot aanvulling van de bijlage bij verordening (EG) nr. 2400/96 betreffende de inschrijving van bepaalde benamingen in het Register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen" bedoeld in verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 154, blz. 5), voorzover daarbij de benaming canard à foie gras du Sud-Ouest" als beschermde geografische aanduiding is ingeschreven,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: P. Lindh, kamerpresident, R. García-Valdecasas en J. D. Cooke, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De toepasselijke regeling
1 Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 208, blz. 1), stelt volgens haar artikel 1 de voorschriften vast betreffende de communautaire bescherming van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen voor bepaalde landbouwproducten en levensmiddelen.
2 Artikel 2, lid 2, sub b, van verordening nr. 2081/92 definieert geografische aanduiding als de naam van een streek, van een bepaalde plaats of, in uitzonderlijke gevallen, van een land, die wordt gebruikt in de benaming van een landbouwproduct of levensmiddel dat afkomstig is uit die streek, die bepaalde plaats of dat land en waarvan een bepaalde hoedanigheid, de faam of een ander kenmerk aan deze geografische oorsprong kan worden toegeschreven en waarvan de productie en/of de verwerking en/of de bereiding in het bepaalde geografische gebied geschieden.
3 Door de inschrijving als beschermde oorsprongsbenaming (BOB) of beschermde geografische aanduiding (BGA) van de benaming van een landbouwproduct of een levensmiddel, dat daartoe aan de in verordening nr. 2081/92 gestelde voorwaarden moet voldoen en in het bijzonder in overeenstemming moet zijn met een in artikel 4 van de verordening omschreven productdossier, verkrijgt die benaming communautaire bescherming.
4 De artikelen 5 tot en met 7 van verordening nr. 2081/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 535/97 van de Raad van 17 maart 1997 (PB L 83, blz. 3), regelen de registratieprocedure. Volgens deze procedure heeft iedere groepering, omschreven als een organisatie van bij hetzelfde landbouwproduct of levensmiddel betrokken producenten en/of verwerkers, alsmede, onder bepaalde voorwaarden, elke natuurlijke of rechtspersoon het recht een aanvraag tot inschrijving van een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding in te dienen voor door hen geproduceerde of verkregen landbouwproducten of levensmiddelen van oorsprong uit het bepaalde geografische gebied, bij de lidstaat waarin dat geografische gebied is gelegen. Na te hebben nagegaan of de aanvraag gerechtvaardigd is, zendt de lidstaat ze door aan de Commissie. Meent deze dat de benaming voor bescherming in aanmerking komt, dan maakt zij de in artikel 6, lid 2, van verordening nr. 2081/92 omschreven specifieke informatie bekend in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
5 Artikel 6, lid 3, van verordening nr. 2081/92 luidt:
Indien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7, wordt de benaming ingeschreven in een door de Commissie bijgehouden ,Register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen, dat de namen van de betrokken groeperingen en controle-instanties bevat."
6 Artikel 7 van verordening nr. 2081/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 535/97 bepaalt:
1. Binnen zes maanden na de datum van de in artikel 6, lid 2, bedoelde bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen kan elke lidstaat tegen de registratie bezwaar aantekenen.
2. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten dragen er zorg voor, dat alle personen die kunnen aantonen een wettig economisch belang te hebben, gemachtigd zijn om van de ingediende aanvraag kennis te nemen. Daarnaast en in overeenstemming met de bestaande situatie in de lidstaten kunnen zij andere partijen die een wettig belang hebben, inzage verlenen.
3. Iedere wettig betrokken natuurlijke of rechtspersoon kan tegen de overwogen registratie bezwaar aantekenen middels toezending van een naar behoren gegronde verklaring aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar hij verblijf houdt of is gevestigd. De bevoegde autoriteit treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen, dat deze opmerkingen of deze bezwaren binnen de vereiste termijnen in overweging worden genomen.
4. Om ontvankelijk te zijn moet in ieder bezwaarschrift:
- ofwel worden aangetoond dat aan de in artikel 2 bedoelde voorwaarden niet is voldaan;
- ofwel worden aangetoond dat met de registratie van de voorgestelde naam schade wordt toegebracht aan een bestaande, geheel of gedeeltelijk homonieme benaming, of aan een bestaand merk, dan wel aan bestaande producten die sedert ten minste vijf jaar vóór de in artikel 6, lid 2, bedoelde datum van bekendmaking legaal op de markt zijn;
- ofwel nadere gegevens worden aangedragen op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de naam waarvoor registratie wordt aangevraagd, een soortnaam is.
5. Indien een bezwaar ontvankelijk is in de zin van lid 4, verzoekt de Commissie de betrokken lidstaten om binnen een termijn van drie maanden overeenkomstig hun interne procedures met elkaar tot een akkoord te komen.
a) Indien een akkoord wordt bereikt, brengen deze lidstaten alle onderdelen van dit akkoord, alsmede het standpunt van de aanvrager en van de opposant, ter kennis van de Commissie. Indien de uit hoofde van artikel 5 ontvangen gegevens niet zijn gewijzigd, volgt de Commissie de procedure van artikel 6, lid 4. In het tegenovergestelde geval leidt zij opnieuw de procedure van artikel 7 in.
b) Indien geen akkoord wordt bereikt, neemt de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 15 een besluit en houdt daarbij rekening met de loyale en traditionele gebruiken en met de werkelijke risico's van verwarring. Indien wordt besloten tot registratie, volgt de Commissie de procedure van artikel 6, lid 4."
De feiten
7 Verzoekster is een onderneming in het zuidwesten van Frankrijk, die zich bezig houdt met de productie en het uitbroeden van eieren van eenden (canards mulards) en het opfokken en vetmesten van die eenden.
8 Op 5 mei 1999 zond de Franse regering krachtens artikel 5, lid 5, van verordening nr. 2081/92 de Commissie een verzoek tot registratie als beschermde geografische aanduiding van de benaming canard à foie gras du Sud-Ouest", ingediend door de Association pour la défense du palmipède à foie gras du Sud-Ouest.
9 Dat verzoek werd overeenkomstig artikel 6, lid 2, van verordening nr. 2081/92 op 28 september 1999 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (PB C 274, blz. 5).
10 Bij brief van 6 oktober 1999 tekende verzoekster op basis van artikel 7, lid 3, van verordening nr. 2081/92 bij de Franse minister van Landbouw en Visserij bezwaar aan tegen die registratie. Zij stelde, onder meer, dat in Frankrijk onvoldoende publiciteit was gegeven aan de procedure tot registratie als beschermde geografische aanduiding van de benaming canard à foie gras du Sud-Ouest", en dat het productdossier dat bij de registratieaanvraag van de Association pour la défense du palmipède à foie gras du Sud-Ouest was gevoegd, specificaties bevatte die geen enkel verband hielden met de bescherming van de geografische oorsprong". In het bijzonder betwistte verzoekster de relevantie van de vereisten met betrekking tot de maximumproductiecapaciteit van de inrichtingen voor het opfokken en vetmesten van eenden en betoogde zij, dat die vereisten door de monopoliepositie waarin de kleine ambachtelijke inrichtingen werden gebracht, zeer ernstige gevolgen zouden hebben voor de gezondheid, de hygiëne en de veiligheid van de productie.
11 Verzoekster zond dit bezwaarschrift op 6 oktober 1999 tevens aan de Commissie, die haar bij brief van 20 oktober 1999 meedeelde, dat zij zich overeenkomstig artikel 7, lid 3, van verordening nr. 2081/92 tot de bevoegde Franse instanties diende te richten. Bij brief van 2 november 1999 antwoordde verzoekster de Commissie, dat zij het bezwaarschrift zowel aan haar als aan de Franse autoriteiten had gezonden.
12 Op 8 maart 2000 deelde de Franse minister van Landbouw en Visserij verzoekster mee, dat haar bezwaar niet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden van verordening nr. 2081/92 voldeed en derhalve niet aan de Commissie zou worden gezonden. Met name verklaarde de minister, dat het betoog van verzoekster, dat de beperking van de omvang van de opfok- en vetmestinrichtingen zeer ernstige gevolgen voor de gezondheid, de hygiëne en de veiligheid van de productie zou hebben, niet als juist kon worden aanvaard, omdat de hygiëne- en veiligheidsvoorschriften voor iedereen gelden, ongeacht de omvang van de inrichting". Bij op 8 april 2000 ingeschreven verzoekschrift stelde verzoekster bij de Franse Conseil d'État een beroep tot nietigverklaring van die beschikking in.
13 Op 28 maart 2000 zond de permanente vertegenwoordiger van Frankrijk bij de Europese Unie de Commissie een nota met een uiteenzetting van de redenen waarom de bevoegde Franse autoriteiten hadden besloten het bezwaar van verzoekster niet aan de Commissie door te zenden.
14 Op 26 juni 2000 stelde de Commissie verordening (EG) nr. 1338/2000 vast, houdende aanvulling van de bijlage bij verordening (EG) nr. 2400/96 betreffende de inschrijving van bepaalde benamingen in het Register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen" bedoeld in verordening nr. 2081/92 (PB L 154, blz. 5; hierna: bestreden verordening"). Volgens de derde overweging van deze verordening [zijn] bij de Commissie (...) geen bezwaren als bedoeld in artikel 7 van verordening [nr. 2081/92] ingediend naar aanleiding van de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van de in de bijlage bij deze verordening vermelde benaming". De Commissie was derhalve van oordeel, dat de benaming canard à foie gras du Sud-Ouest" in aanmerking kwam voor inschrijving in het Register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen en dus voor bescherming in de gehele Gemeenschap als beschermde geografische aanduiding.
Het procesverloop en de conclusies van partijen
15 Bij verzoekschrift, op 22 augustus 2000 neergelegd ter griffie van het Gerecht, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
16 Bij op 12 oktober 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft de Commissie krachtens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
17 Op 21 november 2000 heeft verzoekster haar opmerkingen over die exceptie bij de griffie van het Gerecht ingediend.
18 Verzoekster concludeert, dat het het Gerecht behage:
- de exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen;
- de bestreden verordening nietig te verklaren;
- de Commissie in de kosten te verwijzen.
19 De Commissie concludeert, dat het het Gerecht behage:
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
- verzoekster in de kosten te verwijzen.
20 Volgens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, indien een partij daarom verzoekt, uitspraak doen over de niet-ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. Overeenkomstig lid 3 van dat artikel geschiedt de verdere behandeling mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist. In casu acht het Gerecht zich door de processtukken voldoende voorgelicht om zonder mondelinge behandeling uitspraak te kunnen doen.
De ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
21 Volgens de Commissie is het beroep niet ontvankelijk, omdat de bestreden verordening een handeling van algemene strekking is, verzoekster niet in een bijzondere situatie verkeert die haar van ieder ander onderscheidt, en niet betrokken is bij de registratieprocedure op communautair niveau. Overigens is deze zaak identiek aan die welke geleid heeft tot de beschikking van het Gerecht van 9 november 1999, CSR Pampryl/Commissie (T-114/99, Jurispr. blz. II-3331).
22 De Commissie stelt voorts, dat de omstandigheid dat de bevoegde Franse autoriteit het door verzoekster ingediende bezwaar niet aan haar heeft doorgezonden, geen reden is om het beroep als ontvankelijk te beschouwen. Verzoekster moet zich met haar beroep tot de nationale rechterlijke instanties wenden, die het Hof overeenkomstig artikel 234 EG een prejudiciële vraag over de uitlegging of geldigheid van de gemeenschapshandeling kunnen, of in voorkomend geval moeten, stellen.
23 Ten slotte zegt de Commissie, dat zij ingevolge artikel 7 van verordening nr. 2081/92 een bezwaar dat haar door een ander dan een lidstaat wordt meegedeeld, niet in behandeling kan nemen, ofschoon zij van mening is, dat de lidstaten verplicht zijn alle bezwaren die aan de twee voorwaarden van lid 3 van dat artikel voldoen, aan haar door te zenden.
24 Verzoekster is van mening, dat zij door de bestreden verordening rechtstreeks en individueel wordt geraakt.
25 In de eerste plaats stelt zij, dat de verordening haar raakt wegens een feitelijke situatie die haar ten opzichte van iedere andere persoon karakteriseert (arresten Hof van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, Jurispr. blz. 197, en 18 mei 1994, Codorníu/Raad, C-309/89, Jurispr. blz. I-1853).
26 Dienaangaande zet verzoekster uiteen, dat volgens het productdossier in casu de jaarproductie niet groter mag zijn dan 36 000 eenden per exploitant en 72 000 eenden per bedrijf en dat het aantal vetmestplaatsen per exploitant beperkt is tot 1 000 eenden of, in het geval van bedrijven waarin meer exploitanten deelnemen, tot 3 000 eenden. Vervolgens wijst verzoekster erop, dat anders dan bij de andere producenten, haar activiteit als een verticaal geïntegreerde productie" is georganiseerd, die zich volledig in het betrokken geografische gebied voltrekt, en dat haar daarom een productie van meer dan 600 000 eenden per jaar is toegedeeld. Bijgevolg voldoet zij niet aan de eisen van het productdossier en mag zij de betrokken benaming, waaronder zij haar producten al meer dan twintig jaar in de handel brengt, niet meer gebruiken. Het komt erop neer, dat zij wordt uitgesloten van de markt van canard à foie gras du Sud-Ouest" en derhalve in haar bestaan wordt bedreigd. Dat is volgens verzoekster overigens het doel waarmee die vereisten in het productdossier zijn opgenomen.
27 Onder verwijzing naar het arrest Codorníu/Raad (reeds aangehaald) betoogt verzoekster in de tweede plaats, dat een bepaling van normatieve aard een marktdeelnemer individueel kan raken, wanneer zij diens specifieke rechten aantast.
28 In de derde plaats stelt verzoekster met een beroep op 's Hofs arresten van 4 oktober 1983, Fediol/Commissie (1991/82, Jurispr. blz. 2913), en 20 maart 1985, Timex/Raad en Commissie (264/82, Jurispr. blz. 849), dat zij door de bestreden verordening individueel wordt geraakt, doordat inbreuk is gemaakt op de procedurele waarborgen die artikel 7, lid 3, van verordening nr. 2081/92 haar toekent. Omdat haar bij de Franse autoriteiten ingediend bezwaarschrift ontvankelijk was, hadden die autoriteiten dus niet mogen weigeren het aan de Commissie te zenden. Bovendien had zij het bezwaar tegelijkertijd aan de Commissie meegedeeld, die had moeten vaststellen dat het aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 7, lid 4, van verordening nr. 2081/92 voldeed.
29 Voorts betoogt verzoekster, dat men niet kan zeggen dat particulieren slechts bij het nationale gedeelte van de registratieprocedure betrokken kunnen zijn. Artikel 7, lid 3, van verordening nr. 2081/92 sluit niet uit, dat een natuurlijke of rechtspersoon met legitieme belangen rechtstreeks bij de Commissie bezwaar kan aantekenen, wanneer de lidstaat waar hij gevestigd is, in gebreke blijft. Uitlegging in tegengestelde zin van die bepaling valt niet te verenigen met de dertiende overweging van de considerans van verordening nr. 2081/92 en zou een miskenning zijn van het beginsel van autonomie van het gemeenschapsrecht als een nieuwe rechtsorde in het volkenrecht" (arrest Hof van 5 februari 1963, Van Gend & Loos, 26/62, Jurispr. blz. 3) en van het recht van particulieren, ook op het gebied van beschermde geografische aanduidingen, op effectieve rechtsingang bij de communautaire rechter.
30 In de vierde plaats stelt verzoekster, dat de onderhavige zaak verschilt van die waarin de eerder genoemde beschikking CSR Pampryl/Commissie is gegeven.
Beoordeling door het Gerecht
31 Ingevolge artikel 230, vierde alinea, EG is een beroep van een natuurlijke of rechtspersoon tot nietigverklaring van een verordening slechts ontvankelijk, wanneer de bestreden verordening in werkelijkheid een beschikking is die hem rechtstreeks en individueel raakt. Volgens vaste rechtspraak moet het criterium om een verordening en een beschikking te onderscheiden, worden gezocht in de al dan niet algemene strekking van de betrokken handeling (beschikkingen Hof van 23 november 1995, Asocarne/Raad, C-10/95 P, Jurispr. blz. I-4149, punt 28, en 24 april 1996, CNPAAP/Raad, C-87/95 P, Jurispr. blz. I-2003, punt 33). Een handeling heeft algemene strekking wanneer zij op objectief bepaalde situaties van toepassing is en rechtsgevolgen heeft ten aanzien van op algemene en abstracte wijze omschreven categorieën van personen (arrest Gerecht van 10 juli 1996, Weber/Commissie, T-482/93, Jurispr. blz. II-609, punt 55).
32 In casu verleent de bestreden verordening aan de benaming canard à foie gras du Sud-Ouest" bescherming als geografische aanduiding in de zin van verordening nr. 2081/92, in artikel 2, lid 2, sub b, van deze verordening omschreven als de naam van een streek, van een bepaalde plaats of, in uitzonderlijke gevallen, van een land, die wordt gebruikt in de benaming van een landbouwproduct of levensmiddel dat afkomstig is uit die streek, die bepaalde plaats of dat land en waarvan een bepaalde hoedanigheid, de faam of een ander kenmerk aan deze geografische oorsprong kan worden toegeschreven en waarvan de productie en/of de verwerking en/of de bereiding in het bepaalde geografische gebied geschieden. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, is de bestreden verordening niet tot bepaalde marktdeelnemers, zoals verzoekster, gericht, maar verleent zij alle ondernemingen wier producten aan de gestelde geografische en kwalitatieve vereisten voldoen, het recht ze onder bovengenoemde benaming in de handel te brengen, en ontzegt zij dat recht aan alle ondernemingen wier producten niet aan die - voor alle producenten gelijke - voorwaarden voldoen.
33 Die regeling dient zich dus aan als een maatregel van algemene strekking in de zin van artikel 249, tweede alinea, EG, hetgeen verzoekster overigens niet bestrijdt. Zij is van toepassing op objectief bepaalde situaties en heeft rechtsgevolgen ten aanzien van op algemene en abstracte wijze omschreven personen, te weten alle ondernemingen die een product met objectief omschreven kenmerken vervaardigen (beschikkingen Gerecht van 15 september 1998, Molkerei Großbraunshain en Bene Nahrungsmittel/Commissie, T-109/97, Jurispr. blz. II-3533, punt 51; 26 maart 1999, Biscuiterie-confiserie LOR en Confiserie du Tech/Commissie, T-114/96, Jurispr. blz. II-913, punt 28, en CSR Pampryl/Commissie, reeds aangehaald, punt 43).
34 Het valt echter niet uit te sluiten, dat een bepaling die naar haar aard en strekking een normatief karakter heeft, een natuurlijke of rechtspersoon individueel kan raken, wanneer zij deze persoon treft uit hoofde van bepaalde bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hem ten aanzien van iedere andere persoon karakteriseert en hem op overeenkomstige wijze individualiseert als met de adressaat van een beschikking het geval zou zijn (arresten Codorníu/Raad, punten 19 en 20, en Weber/Commissie, punt 56, beide reeds aangehaald).
35 Verzoekster betoogt nu, dat zij door de productiewijze die voor de organisatie van haar activiteit kenmerkend is, in een bijzondere situatie verkeert ten opzichte van de andere producenten van canard à foie gras du Sud-Ouest".
36 Vastgesteld moet worden, dat de bestreden verordening de verhandeling onder de benaming canard à foie gras du Sud-Ouest" slechts toestaat voor producten die voldoen aan de voorwaarden die in het bij de registratieaanvraag gevoegde productdossier zijn vermeld. Een van die voorwaarden betreft het maximumaantal eenden dat jaarlijks per bedrijf of per exploitant mag worden opgefokt en vetgemest. Doordat zij tot een groep behoort en door de wijze waarop haar activiteiten zijn georganiseerd, krijgt verzoekster een jaarproductie van eenden toegewezen die die maxima overschrijdt, en verliest zij aldus de mogelijkheid producten die van die eenden worden bereid, onder de in geding zijnde benaming in de handel te brengen. Er moet echter op worden gewezen, dat elke andere producent die zich feitelijk of potentieel in een zelfde situatie bevindt als door verzoekster beschreven, op gelijke wijze als zijzelf door de bestreden verordening wordt getroffen. Wat verzoekster betreft, dient deze verordening zich dus aan als een maatregel waarvan de gevolgen diverse categorieën van adressaten op objectieve, algemene en abstracte wijze kunnen treffen. Met betrekking tot verzoeksters bewering, dat bovenbedoelde vereisten uitsluitend in het productdossier zijn opgenomen om haar van de markt van het betrokken product te verdringen, kan worden volstaan met de opmerking, dat daarvoor geen enkel bewijs is aangevoerd.
37 Verzoekster kan zich evenmin beroepen op de omstandigheid, dat de bestreden verordening ernstige economische gevolgen voor haar activiteit heeft. De omstandigheid dat een normatieve handeling voor de verschillende rechtssubjecten waarop zij van toepassing is, uiteenlopende concrete gevolgen kan hebben, karakteriseert hen niet ten opzichte van alle andere marktdeelnemers, omdat de toepassing van die handeling op grond van een objectief bepaalde situatie plaatsvindt (arrest Gerecht van 22 februari 2000, ACAV e.a./Raad, T-138/98, Jurispr. blz. II-341, punt 66).
38 Ook het arrest Codorníu/Raad (reeds aangehaald) kan verzoekster niet baten.
39 In de zaak die tot dat arrest heeft geleid, mocht de verzoekende onderneming op grond van een normatieve bepaling die het gebruik van een benaming regelde, niet langer gebruik maken van het door haar geregistreerde woordmerk, dat zij vóór de vaststelling van de bestreden verordening vele jaren lang had gebruikt; dit was een omstandigheid die haar duidelijk van alle andere marktdeelnemers onderscheidde. Uit dit arrest, zoals uitgelegd door het Hof en het Gerecht, volgt, dat een marktdeelnemer door een bepaling van normatieve aard individueel kan worden geraakt, in zoverre zijn specifieke rechten door die bepaling worden aangetast (beschikkingen Asocarne/Raad, punt 43, CNPAAP/Raad, punt 36, CSR Pampryl/Commissie, punt 47, en arrest Weber/Commissie, punt 67, alle reeds aangehaald).
40 In casu nu wordt door verzoekster gesteld noch bewezen, dat het gebruik van de geografische benaming waarop zij aanspraak maakt, berust op een dergelijk specifiek recht, dat zij in Frankrijk of in de Gemeenschap vóór de vaststelling van de bestreden verordening zou hebben verkregen en waarop door die verordening in de zin van de aangehaalde rechtspraak inbreuk zou zijn gemaakt.
41 Voorts stelt verzoekster, dat nu de Franse autoriteiten haar bezwaar niet aan de Commissie hebben gezonden, er inbreuk is gemaakt op de procedurele waarborgen die haar door artikel 7 van verordening nr. 2081/92 uitdrukkelijk worden toegekend. Dit zou een grond zijn om het onderhavige beroep ontvankelijk te verklaren.
42 Er zij aan herinnerd, dat noch het proces van totstandkoming van normatieve handelingen, noch die normatieve handelingen zelf als maatregelen van algemene strekking, op grond van algemene beginselen van gemeenschapsrecht, zoals het recht te worden gehoord, verlangen dat de getroffen personen bij die totstandkoming worden betrokken, aangezien zij moeten worden geacht te zijn vertegenwoordigd door de politieke instanties die bevoegd zijn die handelingen vast te stellen (beschikkingen Molkerei Großbraunshain en Bene Nahrungsmittel/Commissie, punt 60, en CSR Pampryl/Commissie, punt 50, beide reeds aangehaald). Bij ontbreken van uitdrukkelijk gewaarborgde procedurele rechten zou het tegen de letter en de geest van artikel 230 EG indruisen om particulieren die bij de voorbereiding van een wetgevende handeling betrokken zijn geweest, vervolgens toe te staan beroep tegen die handeling in te stellen (beschikkingen Molkerei Großbraunshain en Bene Nahrungsmittel/Commissie, punt 68, en CSR Pampryl/Commissie, punt 50, beide reeds aangehaald).
43 De ontvankelijkheid van het onderhavige beroep moet dus enkel worden getoetst aan de procedurele waarborgen die verordening nr. 2081/92 specifiek aan particulieren toekent (beschikking CSR Pampryl/Commissie, punt 51).
44 In tegenstelling tot wat verzoekster stelt, zijn uitsluitend de lidstaten verantwoordelijk voor de procedurele waarborgen die in het kader van de bezwaarregeling van die verordening aan particulieren worden verleend, en beschikt de Commissie in dat verband over geen enkele discretionaire bevoegdheid.
45 Artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2081/92 geeft enkel de lidstaten het recht bij de Commissie bezwaar tegen de registratie aan te tekenen. Weliswaar kan volgens artikel 7, lid 3, van de verordening ook iedere natuurlijke of rechtspersoon met een wettig belang bezwaar tegen de beoogde registratie maken, maar hij moet dat doen middels een met redenen omklede verklaring, te zenden aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin hij verblijf houdt of gevestigd is. Deze bepaling verplicht de betrokken lidstaat niet, het hem meegedeelde bezwaar aan de Commissie door te geven, maar enkel de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om dat bezwaar binnen de gestelde termijn in overweging te nemen". En hoewel volgens de dertiende overweging van de considerans van verordening nr. 2081/92 de registratieprocedure iedere individueel en rechtstreeks betrokkene de gelegenheid moet bieden om [...] zijn rechten te doen gelden door bij de Commissie bezwaar aan te tekenen", moet dat aantekenen van bezwaar wel gebeuren met inschakeling van de lidstaat". Geen enkele bepaling van artikel 7 van verordening nr. 2081/92 geeft de Commissie het recht, rekening te houden met een bezwaar dat haar door iemand anders dan een lidstaat ter kennis is gebracht. Ten slotte, wanneer een bezwaar in de zin van artikel 7, lid 4, van verordening nr. 2081/92 ontvankelijk" is, verzoekt de Commissie volgens lid 5 van dat artikel de belanghebbende lidstaten het nodige te doen om onderling tot een akkoord te komen, maar ook hier wordt niet over een inbreng van particulieren gesproken.
46 Opgemerkt zij nog, dat de bepalingen van artikel 7 van verordening nr. 2801/92 betreffende het recht van particulieren om bezwaar aan te tekenen, fundamenteel verschillen van de zeer specifieke bepalingen op het gebied van dumping en subsidies, die bepaalde marktdeelnemers een bijzondere rol toekennen in de communautaire procedure die tot de instelling van een antidumping- of antisubsidierecht leidt (arrest Fediol/Commissie, reeds aangehaald, punten 16 en 25). De verwijzing naar de arresten Fediol/Commissie en Timex/Raad en Commissie (beide reeds aangehaald) is derhalve irrelevant.
47 Uit het voorgaande volgt, dat verordening nr. 2081/92 particulieren geen specifieke procedurele waarborgen op gemeenschapsniveau biedt (beschikking CSR Pampryl/Commissie, reeds aangehaald, punt 55).
48 Bovendien, ook indien de bevoegde Franse autoriteit bepaalde procedurele rechten van verzoekster had geschonden door haar bij die autoriteit ingediend bezwaar niet aan de Commissie door te zenden, zou dat niet tot gevolg hebben, dat het onderhavige beroep enkel om die reden ontvankelijk was.
49 In een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG is de communautaire rechter immers niet bevoegd uitspraak te doen over de wettigheid van een handeling van een nationale autoriteit, ook niet indien deze handeling onderdeel is van een proces van totstandkoming van een gemeenschapsregeling, wanneer uit de bevoegdheidsverdeling op het betrokken gebied tussen de nationale autoriteiten en de gemeenschapsinstellingen duidelijk blijkt, dat de handeling van de nationale autoriteit de communautaire regelgever bindt en derhalve bepalend is voor de inhoud van de vast te stellen gemeenschapsregeling (beschikking CSR Pampryl/Commissie, reeds aangehaald, punt 57).
50 Zo een geval doet zich voor, wanneer de bevoegde nationale autoriteit besluit een haar door een particulier toegezonden bezwaar als bedoeld in artikel 7, lid 3, van verordening nr. 2081/92, niet aan de Commissie door te zenden (beschikking CSR Pampryl/Commissie, reeds aangehaald, punt 58). Zoals hiervoor uiteengezet (zie punt 45 supra), is dat besluit immers bindend voor de Commissie en kan deze geen rekening houden met een bezwaar dat haar door een ander dan een lidstaat ter kennis is gebracht.
51 Behoudens een eventueel beroep op het Hof krachtens artikel 226 EG, zijn dus enkel de nationale rechterlijke instanties, in voorkomend geval na een prejudiciële verwijzing naar het Hof, bevoegd uitspraak te doen over de wettigheid van de nationale handeling en over de eventuele aansprakelijkheid van de betrokken lidstaat, indien zou worden gesteld dat door die handeling schade is toegebracht (beschikking CSR Pampryl/Commissie, reeds aangehaald, punt 59).
52 In dit verband kan worden opgemerkt, dat verzoekster bij de Franse Conseil d'État beroep heeft ingesteld tegen het besluit van de bevoegde Franse autoriteit om haar bezwaar niet aan de Commissie door te zenden.
53 Uit het voorgaande volgt, dat verzoekster door de bestreden verordening niet individueel wordt geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG en dat het beroep bijgevolg niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
54 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dat is gevorderd. Daar verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in haar eigen kosten, alsmede in die van de Commissie.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoekster wordt verwezen in haar eigen kosten, alsmede in die van de Commissie.
Full & Egal Universal Law Academy