Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Beroep tot nietigverklaring - Voor beroep vatbare handelingen - Begrip - Handelingen die rechtsgevolgen in leven roepen - Besluit van Commissie om in artikel 88, lid 2, EG bedoelde formele procedure van onderzoek van staatssteun niet in te leiden met betrekking tot staatssteun die reeds verenigbaar met gemeenschappelijke markt is verklaard en waartegen niet tijdig is opgekomen - Daarvan uitgesloten - Niet-ontvankelijkheid - Grenzen
(Art. 88, lid 2, EG en 230, vijfde alinea, EG; verordening nr. 659/1999 van de Raad, art. 9)
Samenvatting
$$De in artikel 88, lid 2, EG voorziene formele onderzoeksprocedure gaat vooraf aan de vaststelling van een beschikking over de verenigbaarheid van staatssteun met de gemeenschappelijke markt. De Commissie leidt een dergelijke procedure in wanneer zij na een preliminair onderzoek twijfels heeft over de verenigbaarheid van de aangemelde maatregel met de gemeenschappelijke markt, of wanneer zij een beschikking waarbij een steunmaatregel krachtens artikel 9 van verordening nr. 659/1999 verenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard, wil herroepen op grond dat die beschikking berust op tijdens de procedure verstrekte onjuiste informatie die voor de beschikking doorslaggevend was.
Indien een beschikking van de Commissie staatssteun verenigbaar met het EG-Verdrag verklaart zonder de in artikel 88, lid 2, EG bedoelde formele onderzoeksprocedure in te leiden, en een betrokkene de procedurele waarborgen die hij aan die bepaling ontleent, veilig wenst te stellen, moet hij binnen de in artikel 230, vijfde alinea, EG genoemde termijn tegen die beschikking beroep instellen bij de gemeenschapsrechter. Wanneer een beschikking over de verenigbaarheid van een steunmaatregel van een staat met de gemeenschappelijke markt is gegeven en naar aanleiding van een bij de gemeenschapsrechter ingesteld beroep niet nietig is verklaard, kan er, behoudens toepassing van artikel 9 van verordening nr. 659/1999, van inleiding van de formele onderzoeksprocedure geen sprake meer zijn. Onder dergelijke omstandigheden is de weigering om een formele onderzoeksprocedure in te leiden geen handeling die jegens betrokkene rechtsgevolgen sorteert, daar zij niet meer is dan een bevestiging van de beschikking tot goedkeuring van de steun.
( cf. punten 32-34, 40 )
Partijen
In zaak T-222/00,
Otto Wöhr GmbH, gevestigd te Friolzheim (Duitsland), vertegenwoordigd door C. Hebel en G. Walz,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. -D. Borchardt als gemachtigde, bijgestaan door M. Núñez Müller, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 26 juni 2000 om geen formele onderzoeksprocedure ex artikel 88, lid 2, EG in te leiden naar aanleiding van de klacht van verzoekster over staatssteun van de Duitse autoriteiten aan Hydraulik Markranstädt GmbH en aan Hydraulik Seehausen GmbH,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer - uitgebreid),
samengesteld als volgt: R. M. Moura Ramos, kamerpresident, V. Tiili, J. Pirrung, P. Mengozzi en A. W. H. Meij, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Feitelijke achtergrond van het geschil
1 Verzoekster is een onderneming die opereert op de Europese markt voor de vervaardiging en montage van parkeersystemen voor auto's. Zij vervaardigt mechanische en elektronisch gestuurde parkeersystemen en zogenoemde autotorens", die voor de opslag en presentatie van auto's worden gebruikt.
2 Hydraulik Markranstädt GmbH (hierna: Markransädt") en Hydraulik Seehausen GmbH (hierna: Seehausen") waren in de vroegere DDR staatsbedrijven die beide tot de in Leipzig gevestigde VEB Kombinat Orsta Hydraulik behoorden. De in Kehl (Duitsland) gevestigde Otto Nussbaum GmbH& Co. KG (hierna: Nussbaum") kocht op 10 december 1992 Seehausen en op 3 mei 1994 Markranstädt. Beide twee ondernemingen zijn 100 % dochtermaatschappijen van Nussbaum. Naar eigen zeggen maken zij zowel essentiële elementen voor parkeersystemen voor auto's als parkeersystemen, die vervolgens onder de naam Nussbaum in de handel worden gebracht. Nussbaum is een directe concurrent van verzoekster. Sinds enige jaren vervaardigt zij ook zelf parkeersystemen.
3 Op 7 april 1998 meldde de Bondsrepubliek Duitsland bij de Commissie twee steunmaatregelen aan: één van 6,09 miljoen DEM ten gunste van Markranstädt en één van 8,56 miljoen DEM ten gunste van Seehausen. Bij beschikkingen van 26 oktober 1999 respectievelijk 10 november 1999 verklaarde de Commissie beide steunmaatregelen op grond van artikel 87, lid 3, sub a, EG verenigbaar met de gemeenschappelijke markt.
Administratieve procedure
4 Bij brief van 12 november 1999 vroeg verzoekster verweerster om de tekst van de beschikking van laatstgenoemde betreffende de staatssteun ten gunste van Markranstädt.
5 Tot behoud van haar rechten diende verzoekster bij brief van 2 december 1999 een klacht in tegen deze beschikking, waarvan de volledige tekst haar nog niet door de Commissie was toegestuurd. Tegelijkertijd vroeg zij om inleiding van een formele onderzoeksprocedure met betrekking tot de aan Markranstädt toegekende steun en herhaalde zij haar verzoek om toezending van de tekst van de betrokken beschikking.
6 Bij brief van 8 december 1999 deelde de Commissie verzoekster mee, dat de beschikking betreffende Markranstädt op grond van artikel 88, lid 3, EG was gegeven en voor opmerkingen aan de Duitse autoriteiten was gestuurd. Zij zegde verzoekster toe, haar de beschikking toe te zullen sturen zodra zij in het bezit was van die opmerkingen. Ook maakte zij verzoekster erop attent, dat de volledige tekst van de beschikking op haar website zou worden gepubliceerd. Ten slotte verklaarde de Commissie:
Inleiding van een formele onderzoeksprocedure op grond van artikel 88, lid 2, EG is op dit moment niet mogelijk, omdat wij daarvoor een volledige motivering van de klacht nodig hebben."
7 Bij brief van 4 januari 2000 vroeg verzoekster opnieuw om de tekst van de beschikking betreffende Markranstädt. Daar zij de brief van de Commissie van 8 december 1999 naar eigen zeggen nog niet had ontvangen, heeft de Commissie haar deze brief op 12 januari 2000 opnieuw per post toegezonden. Bij brief van 21 januari 2000 vroeg verzoekster nogmaals om de volledige tekst van de betrokken beschikking.
8 Beknopte samenvattingen van de beschikkingen betreffende Markranstädt en Seehausen zijn gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 19 februari 2000 (PB C 46, blz. 4), respectievelijk 4 maart 2000 (PB C 62, blz. 18). De volledige tekst van de beschikkingen was volgens de Commissie op de in het publikatieblad aangegeven website te vinden.
9 Volgens verzoekster heeft verweerster haar de beschikking betreffende Markranstädt toegestuurd bij brief van 21 maart 2000, welke brief zij op 27 maart 2000 heeft ontvangen. Door deze beschikking was zij dus ook op de hoogte van de beschikking van de Commissie betreffende Seehausen.
10 Bij brief van 25 mei 2000 stuurde verzoekster de Commissie de motivering van haar klacht van 2 december 1999 tegen de beschikking betreffende Markranstädt en herhaalde zij haar verzoek om inleiding en voortzetting van de formele onderzoeksprocedure van artikel 88, lid 2, EG.
11 Bij brief van 26 mei 2000 heeft verzoekster tevens een klacht ingediend tegen de goedkeuring van de steun ten gunste van Seehausen en verzocht om ook met betrekking tot die steun een formele onderzoeksprocedure als bedoeld in artikel 88, lid 2, EG in te leiden.
12 Bij brief van 26 juni 2000 antwoordde verweerster, dat de twee beschikkingen in kwestie definitief waren en dus niet [konden] worden aangevochten door middel van een klacht, gecombineerd met een verzoek om inleiding van een formele onderzoeksprocedure ex artikel 88, lid 2, EG".
13 Bij brief van 5 juli 2000 vroeg verzoekster om opheldering op dit punt, waarbij zij erop wees dat de Commissie nog in haar brief van 8 december 1999 had verklaard, dat een formele onderzoeksprocedure op basis van een deugdelijk gemotiveerde klacht kon worden ingeleid.
14 Bij brief van 7 augustus 2000 antwoordde de Commissie verzoekster, dat zij op grond van artikel 9 van verordening (EG) Nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88] van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1) enkel bevoegd is een beschikking te herroepen indien deze op onjuiste informatie berust. Wordt daarentegen in een klacht over een juridische of beoordelingsfout geklaagd, dan kan de betrokken beschikking enkel langs gerechtelijke weg worden aangevochten.
Procesverloop en conclusies van partijen
15 Bij verzoekschrift, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 25 augustus 2000, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
16 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 oktober 2000, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
17 Op 11 december 2000 heeft verzoekster haar schriftelijke opmerkingen over deze exceptie ingediend.
18 Bij een op 30 januari 2001 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de Bondsrepubliek Duitsland een verzoek ingediend tot tussenkomst ter ondersteuning van verweerster.
19 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
- over de niet-ontvankelijkheid van het beroep uitspraak te doen zonder op de zaak ten gronde in te gaan;
- verzoekster in de kosten te verwijzen.
20 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
- de exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen;
- nietig te verklaren de beschikking van de Commissie van 26 juni 2000 om geen formele onderzoeksprocedure in te leiden naar de aan Markranstädt en Seehausen toegekende staatssteun;
- de Commissie in de kosten van het geding te verwijzen.
Ontvankelijkheid
21 Op grond van artikel 114, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht op verzoek van een der partijen uitspraak doen over de niet-ontvankelijkheid van een beroep zonder op de zaak ten gronde in te gaan. Op grond van lid 3 van dit artikel verloopt de verdere behandeling van het verzoek mondeling tenzij het Gerecht anders beslist. Het Gerecht acht zich in casu door het dossier voldoende voorgelicht om zonder mondelinge behandeling te beslissen.
Argumenten van partijen
22 De Commissie stelt dat de brief van 26 juni 2000 geen voor beroep vatbare handeling is en dat verzoekster in werkelijkheid nietigverklaring vordert van de beschikkingen van 26 oktober en 10 november 1999 tot goedkeuring van de steun voor Markranstädt en Seehausen. Haar antwoord in de brief van 8 december 1999, dat zij in dit stadium geen formele onderzoeksprocedure kon inleiden, omdat zij daartoe de volledige motivering van de klacht nodig had, kan ook niet met succes worden aangevoerd tot staving van de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep. Ten slotte baseert verzoekster zich in casu ten onrechte op procedurele rechten en is het onderhavige beroep niet-ontvankelijk, zelfs indien wordt aangenomen dat het is gericht tegen de afwijzing van een verzoek om herroeping van de beschikkingen van 26 oktober en 10 november 1999 op grond van de artikelen 9 en 13, lid 3 van verordening nr. 659/1999.
23 Verzoekster acht haar beroep ontvankelijk. Door de concurrentievervalsing die de beschikking van 26 juni 2000 ten gunste van Markranstädt, Seehausen en vooral Nussbaum handhaaft, wordt zij rechtstreeks en individueel geraakt in haar kansen op de markt.
24 Indien verweerster zich aan verordening nr. 659/1999 had gehouden, zou zij een formele onderzoeksprocedure hebben ingeleid en verzoekster op grond van artikel 20 van die verordening in staat hebben gesteld om opmerkingen te maken. Door deze verplichting niet na te komen, heeft verweerster verzoekster de bescherming van artikel 87, lid 1, EG onthouden en verzoeksters recht van hoor en wederhoor geschonden. Verzoekster acht zich eveneens rechtstreeks geraakt omdat haar verzoek is afgewezen, hetgeen een schending oplevert van de procedurele bepalingen van verordening nr. 659/1999, die evenzeer haar bescherming beogen.
25 De brief van 26 juni 2000 is volgens verzoekster een voor beroep vatbare beschikking in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG. Deze brief werd verzoekster niet louter ad informandum toegestuurd. In de brief van 8 december 1999 had verweerster reeds verklaard dat een formele onderzoeksprocedure kon worden ingeleid indien de motivering van verzoeksters klacht beweringen bevatte die een dergelijk onderzoek noodzakelijk zouden maken. De Commissie heeft zich dus niet beperkt tot een verwijzing naar een incidentele weigering om een formele onderzoeksprocedure in te leiden, maar verzoekster met zoveel woorden uitgenodigd om haar klachten met redenen te omkleden om te kunnen beslissen of er reden was tot inleiding van die procedure, die verzoekster in staat had gesteld om overeenkomstig artikel 20 van verordening nr. 659/1999 opmerkingen te maken over de litigieuze steunmaatregelen.
26 Het feit dat de Commissie in haar brief van 8 december 1999 rekening hield met een mogelijke inleiding van een formele onderzoeksprocedure, onderscheidt deze zaak van de zaken die hebben geleid tot het arrest van het Gerecht van 22 oktober 1996, CSF en CSME/Commissie (T-154/94, Jurispr. blz. II-1377), en het arrest van het Hof van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink's France (C-367/95 P, Jurispr. blz. I-1719), waarin een latere weigering om een formele onderzoeksprocedure in te leiden niet uitdrukkelijk was uitgesproken en enkel indirect kon worden afgeleid uit het feit dat die procedure niet was ingeleid.
27 Nu de Commissie het bestaan van deze door haarzelf aangegeven mogelijkheid later bij beschikking van 26 juni 2000 heeft ontkend, is deze beschikking voor beroep vatbaar, daar zij de kenmerken van een zelfstandige beschikking heeft en verzoekster in een ongunstiger positie plaatst dan waarin deze zich voordien bevond.
28 De redenering van verweerster zou wellicht juist zijn indien zij verzoekster niet had uitgenodigd om haar klachten tegen de steunbeschikkingen te motiveren teneinde op grond van deze motivering te kunnen beoordelen of er een formele onderzoeksprocedure moest worden ingeleid. Indien verweerster zich naar aanleiding van verzoeksters klachten had beperkt tot de opmerking dat de betrokken steunbeschikkingen definitief waren, dan zou de gewraakte brief van 26 juni 2000 niet het karakter van een nieuwe zelfstandige beschikking hebben gehad.
29 Verweerster heeft verzoekster echter juist wel uitgenodigd om een motivering te geven, en haar te verstaan gegeven dat zij na ontvangst daarvan zou beslissen of er al dan niet een formele onderzoeksprocedure moest worden ingeleid. Bovendien heeft verweerster geenszins aangegeven dat volgens artikel 9 van verordening nr. 659/1999 enkel herroeping van beschikking mogelijk was, maar heeft zij juist uitdrukkelijk gesproken over de mogelijkheid om de formele onderzoeksprocedure in te leiden.
30 Verzoekster stelt dat onder die omstandigheden de toepassing van artikel 230, vijfde alinea, EG niet op de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep mag stranden.
31 Subsidiair voert verzoekster aan dat het onderhavige beroep ook kan worden uitgelegd als een beroep tegen de weigering om op grond van de artikelen 9 en 13, lid 3, van verordening nr. 659/1999 een procedure in te leiden tot herroeping van de beschikkingen over de aan Markranstädt en Seehausen toegekende steun. Herroeping van een beschikking overeenkomstig artikel 9 van die verordening zou mogelijk zijn indien de beschikking berust op tijdens de procedure verstrekte onjuiste informatie die voor de beschikking doorslaggevend was. Dit is nu juist het geval bij de gewraakte beschikkingen. Zoals in de motivering van de klachten gedetailleerd uiteen wordt gezet, is de informatie van het marketingbureau Rehberg, op wiens onderzoek de beslissing van de Commissie over de goedkeuring van de steun berust, onjuist en onvolledig.
Beoordeling door het Gerecht
32 De in artikel 88, lid 2, EG voorziene formele onderzoeksprocedure gaat vooraf aan de vaststelling van een beschikking over de verenigbaarheid van staatssteun met de gemeenschappelijke markt. De Commissie leidt een dergelijke procedure in wanneer zij na een preliminair onderzoek twijfels heeft over de verenigbaarheid van de aangemelde steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt.
33 Sinds de inwerkingtreding van verordening nr. 659/1999 is de Commissie daarnaast op grond van artikel 9 van die verordening verplicht de formele onderzoeksprocedure in te leiden wanneer zij een beschikking waarbij staatssteun verenigbaar is verklaard met de gemeenschappelijke markt wil herroepen op grond dat die beschikking berust op tijdens de procedure verstrekte onjuiste informatie die voor de beschikking doorslaggevend was.
34 Indien een beschikking van de Commissie staatssteun verenigbaar verklaart met het EG-Verdrag zonder de in artikel 88, lid 2, bedoelde formele onderzoeksprocedure in te leiden, en een betrokkene de procedurele waarborgen die hij aan die bepaling ontleent veilig wenst te stellen, dan moet hij binnen de in artikel 230, vijfde alinea, EG genoemde termijn tegen die beschikking beroep instellen voor het Gerecht (arresten Hof van 19 mei 1993, Cook/Commissie, C-198/91, Jurispr. blz. I-2487, punt 23, en 15 juni 1993, Matra/Commissie, C-225/91, Jurispr. blz. I-3203, punt 17; en arresten Gerecht van 22 oktober 1996, Skibsværftsforeningen e.a./Commissie, T-266/94, Jurispr. blz. II-1399, punt 45, en 16 september 1998, Waterleiding Maatschappij Noord-West Brabant/Commissie, T-188/95, Jurispr. blz. II-3713, punt 53).
35 Het onderhavige beroep strekt tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 26 juni 2000 om met betrekking tot de staatssteun die de Bondsrepubliek Duitsland aan Markranstädt en Seehausen heeft toegekend, niet over te gaan tot een formele onderzoeksprocedure als bedoeld in artikel 88, lid 2, EG.
36 Deze steunmaatregelen zijn bij beschikking van de Commissie van respectievelijk 26 oktober en 10 november 1999 verenigbaar verklaard met de gemeenschappelijke markt. Die beschikkingen zijn dus van eerdere datum dan de indiening (op 25 en 26 mei 2000) door verzoekster van de vorderingen die aan de beschikking van 26 juni 2000 ten grondslag liggen.
37 Volgens verzoekster heeft verweerster haar de beschikking van 26 oktober 1999 betreffende Markranstädt toegestuurd per brief van 21 maart 2000, die zij op 27 maart 2000 heeft ontvangen. Door deze beschikking was zij dus ook op de hoogte van de beschikking van 10 november 1999 betreffende Seehausen.
38 Om de procedurele rechten veilig te stellen die zij aan artikel 88, lid 2, EG ontleent, en te bewerkstelligen dat de bij deze bepaling voorziene formele onderzoeksprocedure werd ingeleid, had verzoekster tijdig bij het Gerecht beroep moeten instellen tegen de beschikkingen tot goedkeuring van de litigieuze steunmaatregelen.
39 Verzoekster heeft echter nooit een dergelijk beroep tegen die beschikkingen ingesteld. Nadat zij kennis had genomen van die beschikkingen, heeft zij zich ertoe beperkt bij brieven van 25 en 26 mei 2000 tegen beide beschikkingen een klacht in te dienen bij de Commissie.
40 De in deze brieven vervatte verzoeken om inleiding van een formele onderzoeksprocedure als bedoeld in artikel 88, lid 2, EG waren zonder voorwerp. Immers, wanneer een beschikking over de verenigbaarheid van een steunmaatregel van een staat met de gemeenschappelijke markt is gegeven, en niet naar aanleiding van een bij de gemeenschapsrechter ingesteld beroep is nietig verklaard, kan er van inleiding van een dergelijke procedure geen sprake meer zijn. Onder die omstandigheden is de weigering om een formele onderzoeksprocedure in te leiden geen handeling die jegens verzoekster rechtsgevolgen sorteert, daar zij niet meer is dan een bevestiging van beide beschikkingen tot goedkeuring van de steun.
41 Met betrekking tot de subsidiair voorgedragen stelling van verzoekster, dat haar beroep kan worden uitgelegd als een beroep tegen de weigering van de Commissie om de in de artikelen 9 en 13, lid 3, van verordening nr. 659/1999 voorziene herroepingsprocedure in te leiden (zie punt 31 van deze beschikking), moet worden vastgesteld of het onderhavige beroep een dergelijk voorwerp heeft.
42 Zowel uit het verzoekschrift als uit de brieven van verzoekster aan de Commissie en in het bijzonder uit haar gemotiveerde klachten blijkt, dat het voorwerp van haar verzoek aan verweerster niet bestaat in de inleiding van een formele onderzoeksprocedure, voorafgaand aan een herroeping van de beschikkingen betreffende de onderhavige steunmaatregelen, als bedoeld in artikel 9 van verordening nr. 659/1999, aangezien die procedure zich beperkt tot de vraag of de beschikkingen berustten op tijdens de procedure verstrekte onjuiste informatie, die voor de beschikkingen doorslaggevend was.
43 Verzoekster heeft niet gevraagd om herroeping van de beschikkingen van 26 oktober en 10 november 1999 waarin staatssteun ten gunste van Markranstädt en Seehausen verenigbaar werd verklaard met de gemeenschappelijke markt..
44 Zij heeft ook niet tegenover de Commissie aangevoerd, dat de beschikkingen moesten worden herroepen omdat zij berustten op tijdens de procedure verstrekte onjuiste informatie die voor de beschikkingen doorslaggevend was.
45 Verzoekster heeft verweerster daarentegen uitdrukkelijk verzocht om inleiding van de in artikel 88, lid 2, EG bedoelde formele onderzoeksprocedure, waartoe de Commissie moet overgaan alvorens zij met betrekking tot die steunmaatregel een beschikking geeft, indien zij twijfelt aan de verenigbaarheid van deze steunmaatregel van een staat met de gemeenschappelijke markt . Een dergelijke procedure omvat noodzakelijkerwijs een juridisch onderzoek van de betrokken situatie en is, in tegenstelling tot de procedure die aan een eventuele herroepingsbeschikking voorafgaat, niet beperkt tot een vaststelling van de feiten.
46 Onder die omstandigheden kan het beroep niet worden beschouwd als een beroep tegen een gestelde weigering van de Commissie om de in de artikelen 9 en 13, lid 3, van verordening nr. 659/1999 bedoelde herroepingsprocedure in te leiden (zie punt 31 van deze beschikking).
47 De inhoud van de brief van de Commissie van 8 december 1999 ( zie punt 6) kan aan deze conclusie geen afbreuk doen.
48 Ook al valt te betreuren dat de Commissie verzoekster niet juist en volledig over haar rechtspositie heeft ingelicht, die omstandigheid kan geen verandering brengen in de in casu toepasselijke bepalingen betreffende de rechtsmiddelen waarmee beschikkingen van de Commissie betreffende staatssteun kunnen worden aangevochten. Overigens zijn deze bepalingen, zoals zij uit de rechtspraak naar voren komen, hoe dan ook dermate duidelijk, dat zij eraan in de weg staan dat verzoekster zich voor de ontvankelijkheid van haar beroep op de brief van de Commissie van 8 december 1999 kan beroepen.
49 Bijgevolg kan de vordering van verzoekster om haar beroep uit te leggen als een beroep tegen de weigering van de Commissie om de in de artikelen 9 en 13, lid 3, van verordening nr. 659/1999 bedoelde herroepingsprocedure in te leiden, niet worden toegewezen.
50 Op grond van het voorafgaande dient het beroep met toepassing van artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering niet-ontvankelijk te worden verklaard.
51 Onder die omstandigheden hoeft niet meer te worden beslist op het verzoek van de Bondsrepubliek Duitsland om tussenkomst.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
52 Op grond van artikel 87, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht de proceskosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld, en voorts wegens bijzondere redenen.
53 De Commissie valt te verwijten dat zij verzoekster met haar brief van 8 december 1999 in de waan heeft gebracht dat een formele onderzoeksprocedure op grond van artikel 88, lid 2, EG nog mogelijk was, en dat zij pas na afloop van de termijn voor instelling van een beroep tegen de beschikkingen over de verenigbaarheid van de litigieuze steun met de gemeenschappelijke markt, duidelijk heeft gemaakt dat een aanvechting op grond van een juridische of beoordelingsfout enkel langs gerechtelijke weg kan plaatsvinden.
54 Het Gerecht is op grond hiervan van oordeel dat elke partij haar eigen kosten dient te dragen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer - uitgebreid),
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Elke partij draagt haar eigen kosten.
3) Op het verzoek om tussenkomst van de Bondsrepubliek Duitsland behoeft niet te worden beslist.
Full & Egal Universal Law Academy