Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
1. Procedure - Kosten - Begroting - Invorderbare kosten
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 91, sub b)
2. Procedure - Kosten - Begroting - In aanmerking te nemen factoren
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 91)
3. Procedure - Kosten - Begroting - Invorderbare kosten - Begrip - Tussenkomst van meerdere advocaten
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 91, sub b)
Samenvatting
$$1. Uit artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht volgt, dat de invorderbare kosten zijn beperkt tot enerzijds de kosten die in verband met de procedure voor de gemeenschapsrechter zijn gemaakt, en anderzijds de daartoe noodzakelijke kosten.
( cf. punt 33 )
2. Het is niet aan de gemeenschapsrechter om de door de partijen aan hun eigen advocaten verschuldigde honoraria vast te stellen, maar hij dient te bepalen, tot welk bedrag die vergoedingen kunnen worden teruggevorderd van de partij die in de kosten is verwezen. De gemeenschapsrechter behoeft geen rekening te houden met een nationaal tarief van advocatenhonoraria of met een eventuele overeenkomst dienaangaande tussen de belanghebbende partij en haar gemachtigden of raadslieden.
Aangezien een tariefregeling in het gemeenschapsrecht ontbreekt, beoordeelt de rechter de gegevens van de zaak vrijelijk, daarbij rekening houdend met het voorwerp en de aard van het geschil, het belang ervan voor het gemeenschapsrecht, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad, en het economisch belang van het geschil voor de partijen. Daarbij is de gemeenschapsrechter in zijn beoordeling van de waarde van het verrichte werk afhankelijk van de nauwkeurigheid van de verstrekte informatie.
( cf. punten 34-35 )
3. Voor de vaststelling van de invorderbare kosten moet de gemeenschapsrechter vooral rekening houden met het totale aantal arbeidsuren dat objectief gezien nodig lijkt voor de contentieuze procedure, ongeacht het aantal advocaten dat de betrokken diensten heeft verricht.
( cf. punt 44 )
Partijen
In de gevoegde zaken T-226/00 DEP en T-227/00 DEP,
Nan Ya Plastics Corporation, gevestigd te Taipei, Taïwan (China),
Far Eastern Textiles Ltd, gevestigd te Taipei,
vertegenwoordigd door P. De Baere, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoeksters,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door S. Marquardt, als gemachtigde, bijgestaan door G. Berrisch, advocaat,
verweerder,
betreffende een verzoek tot begroting van de door verweerder aan verzoeksters te vergoeden kosten naar aanleiding van de beschikkingen van het Gerecht van 19 september 2001, Nan Ya Plastics/Raad en Far Eastern Textiles/Raad (T-226/00 en T-227/00, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer - uitgebreid),
samengesteld als volgt: R. García-Valdecasas, kamerpresident, P. Lindh, R. M. Moura Ramos, J. D. Cooke en H. Legal, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Feiten en procesverloop
1 Op 8 mei 2000 heeft de Raad bij verordening (EG) nr. 978/2000 een definitief compenserend recht ingesteld op de invoer van polyester stapelvezels uit Australië, Indonesië en Taiwan en besloten tot definitieve inning van het voorlopige recht (PB L 113, blz. 1; hierna: bestreden verordening").
2 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 28 augustus 2000, hebben Nan Ya Plastics Corporation en Far Eastern Textiles Ltd beroepen tot nietigverklaring van de artikelen 1 en 2 van de bestreden verordening ingesteld. Deze beroepen zijn ingeschreven onder de nummers T-226/00 respectievelijk T-227/00.
3 Bij brief van 22 september 2000 heeft de Raad verzocht om verlenging van de termijn voor de indiening van het verweerschrift, met name wegens de complexiteit van de in de verzoekschriften opgeworpen juridische en feitelijke vragen en de omvang van de bijlagen daarbij. Het Gerecht heeft dit verzoek toegewezen.
4 Vóór de indiening van zijn verweerschriften heeft de Raad verzocht om opschorting van de procedure in de twee zaken omdat hij met terugwerkende kracht een verordening tot wijziging van de bestreden verordening wenste vast te stellen. Verzoeksters hebben daartegen geen bezwaren geformuleerd.
5 Bij beschikkingen van 23 november 2000 heeft de president van de Vijfde kamer (uitgebreid) van het Gerecht de procedures in de zaken T-226/00 en T-227/00 geschorst.
6 Op 7 mei 2001 heeft de Raad verordening (EG) nr. 902/2001 tot wijziging van verordening nr. 978/2000 (PB L 127, blz. 20) vastgesteld.
7 Bij beschikkingen van 19 september 2001 (niet gepubliceerd in de Jurisprudentie) heeft het Gerecht op verzoek van de Raad en na instemming van verzoeksters beslist dat de beroepen T-226/00 en T-227/00 zonder beslissing konden worden afgedaan, en heeft het de Raad verwezen in de kosten.
8 Daar partijen geen overeenstemming konden bereiken over het bedrag van de te vergoeden kosten, hebben verzoeksters bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 10 juli 2002, krachtens artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht gezamenlijk verzocht om begroting van de kosten in de twee zaken. Dit verzoek is ter griffie van het Gerecht ingeschreven onder de nummers T-226/00 DEP en T-227/00 DEP.
9 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 11 september 2002, heeft de Raad zijn opmerkingen over dit verzoek ingediend.
Conclusies van partijen
10 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage het bedrag van de door de Raad te vergoeden kosten vast te stellen op 74 368,06 euro.
11 De Raad concludeert dat het het Gerecht behage de invorderbare kosten vast te stellen op het bedrag dat het passend acht, maar ten hoogste op 30 000 euro, daaronder begrepen de kosten in verband met het onderhavige verzoek.
In rechte
Argumenten van partijen
12 Verzoeksters achten het gevraagde kostenbedrag in de eerste plaats gerechtvaardigd wegens het voorwerp en de aard van het geding alsook wegens het belang van de zaak vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht. Het geschil stelde namelijk belangrijke vragen van gemeenschapsrecht aan de orde, waarover de gemeenschapsrechters nog geen uitspraak hebben gedaan. Verzoeksters noemen in dit verband de omvang van de onderzoeksbevoegdheden van de Commissie, de rechten van de verdediging in het kader van een antisubsidieprocedure alsook de toepassing van artikel 3 van verordening (EG) nr. 2026/97 van de Raad van 6 oktober 1997 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn (PB L 288, blz. 1), met name de toepassing van de in dit artikel gestelde voorwaarde van specificiteit.
13 Wat in de tweede plaats de hoeveelheid werk betreft die de zaken meebrachten, signaleren verzoeksters een aantal moeilijkheden. Bij gebreke van communautaire rechtspraak waren zij namelijk gedwongen geweest om zelf naar parallellen met het mededingingsrecht en het antidumpingrecht te zoeken wat de rechten van de verdediging en de omvang van de onderzoeksbevoegdheden van de Commissie betreft, en met het recht van de Verenigde Staten en van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) wat de voorwaarde van specificiteit in de zin van artikel 3 van verordening nr. 2026/97 betreft. De toepassing van de voorwaarde van specificiteit in de betrokken zaken had de analyse van complexe economische en juridische gegevens noodzakelijk gemaakt.
14 Voorts, aldus verzoeksters, blijkt uit het verzoek van de Raad om verlenging van de termijn voor de indiening van het verweerschrift en uit de omstandigheid dat de Raad werd bijgestaan door een advocaat, dat de Raad de moeilijkheid van deze zaken erkent.
15 In de derde plaats bracht de analyse van complexe juridische en economische gegevens veel werk mee.
16 Zij wijzen erop dat de voornaamste onderzoeks- en redactiewerkzaamheden slechts eenmaal in rekening zijn gebracht en dat de kosten, indien slechts één verzoekschrift was ingediend, weliswaar minder hoog waren geweest, maar niet waren gehalveerd. Het tweede beroep vergde extra werk op administratief-organisatorisch vlak wegens de specificiteit van de feiten van die zaak alsook wegens de verschillen tussen de juridische argumenten van elk van verzoeksters, met name wat de proceslegitimatie van Far Eastern Textiles betreft.
17 Ten slotte, aldus verzoeksters, moest als gevolg van de instelling van de beroepen niet alleen het in de administratieve procedure gedane werk worden overgedaan, maar moesten ook argumenten tegen de vaststellingen in de motivering van de bestreden verordening worden ontwikkeld en nieuwe bewijsmiddelen en nieuwe argumenten worden gezocht.
18 In de vierde plaats stonden voor verzoeksters bijzonder grote economische belangen op het spel. In geval van succes van de beroepen zou het definitieve compenserende recht van 1,52 % op de invoer van Nan Ya Plastics en van 1 % op de invoer van Far Eastern Textiles zijn komen te vervallen. Tijdens het administratieve onderzoek zou Nan Ya Plastics voor 454 577 000 nieuwe Taiwan dollar (TWD) in de Gemeenschap hebben ingevoerd en Far Eastern Textiles Ltd voor 841 851 126 TWD. De rechten bedroegen dus 15 328 081 TWD per jaar. Aangezien de compenserende rechten voor vijf jaar zijn ingesteld, bedroegen de geïnde rechten in totaal 76 640 407 TWD, ofwel 2 450 124,52 euro op 1 januari 2002.
19 Derhalve verzoeken verzoeksters om vergoeding van 74 368,06 euro op basis van een afrekening van 74 395,21 euro, te weten 69 060 euro voor honoraria van zeven raadslieden (333 uur en 30 minuten arbeidstijd tegen een uurtarief van 125 tot 275 euro) en 5 335,21 euro voor de kosten van fotokopieën, telecommunicatie en correspondentie.
20 De Raad antwoordt in de eerste plaats dat het belang van het geschil vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht niet mag worden overschat. Ofschoon een aantal algemene vragen betreffende de toepassing van verordening nr. 2026/97 aan de orde was, betroffen de meeste geschilpunten alleen de feiten.
21 Wat in de tweede plaats de moeilijkheid van de zaak betreft, mag niet worden vergeten, aldus de Raad, dat er een voorafgaande administratieve procedure is geweest waaraan de raadsman van verzoeksters heeft deelgenomen.
22 Het ontbreken van rechtspraak terzake maakte de behandeling van het geding niet noodzakelijkerwijs ingewikkelder, aangezien verzoeksters daardoor geen uitgebreide rechtspraak hoefden te onderzoeken en te analyseren. Het onderzoek van het recht van de Verenigde Staten en van de WTO is in handelsrechtelijke zaken niet ongebruikelijk of bijzonder moeilijk.
23 Vervolgens ontkent de Raad niet dat ingewikkelde juridische en economische gegevens alsook verschillende nationale regelingen" moesten worden onderzocht. Verzoeksters en hun raadslieden hadden dit evenwel reeds in de administratieve procedure gedaan, zodat zij bij de voorbereiding van de verzoekschriften vertrouwd waren met deze punten.
24 Ten slotte wijst de Raad erop dat hij al jarenlang de meeste antidumping- en antisubsidiezaken laat behandelen door een advocaat, ongeacht de moeilijkheid en ingewikkeldheid ervan. Zijn verzoek om verlenging van de termijn voor de indiening van het verweerschrift vormt dus geen bewijs van de ingewikkeldheid van de zaken. De reden ervan was dat alle te behandelen vragen volledig nieuw waren voor de advocaat van de Raad, die niet had deelgenomen aan de administratieve procedure.
25 In de derde plaats, aldus de Raad, overschatten verzoeksters de hoeveelheid werk die de zaak meebracht. Het aantal uren dat de twee hoofdadvocaten van verzoeksters voor de voorbereiding van de verzoekschriften en de andere raadslieden voor onderzoekswerk hebben opgegeven, is kennelijk overdreven. De Raad geeft toe dat het gevraagde bedrag betrekking heeft op het werk voor de twee beroepen en dat het onmogelijk is dit op te delen. Zijns inziens is het evenwel zonder belang of de twee beroepen al dan niet volledig overeenkwamen. Bovendien hadden de raadslieden van verzoeksters deelgenomen aan de administratieve procedure, zodat zij de relevante juridische en feitelijke vragen reeds kenden. Alle materiële argumenten in de twee verzoekschriften waren overigens in een of andere vorm al in de administratieve procedure aangevoerd.
26 Vervolgens betwist de Raad de stelling van verzoeksters dat de beroepen niet hebben geresulteerd in nietigverklaring, maar in intrekking van de bestreden verordening, waartoe naar nieuwe argumenten en bewijsmiddelen had moeten worden gezocht dan in de administratieve procedure waren aangevoerd. Indien verzoeksters ter rechtvaardiging van de werklast wensten te stellen dat in de verzoekschriften nieuwe argumenten waren aangevoerd, dan hadden zij deze argumenten moeten opsommen in plaats van slechts aanwijzingen te geven. De stelling van verzoeksters is misleidend, aangezien zij de indruk wekt dat de Raad de bestreden verordening heeft ingetrokken omdat verzoeksters in het kader van hun beroepen nieuwe argumenten hadden aangevoerd, die zij slechts na lang en diepgaand onderzoek naar voren konden brengen. De bestreden verordening is evenwel ingetrokken omdat - bij een latere verordening - een andere methode is vastgesteld voor de berekening van de tot een van de subsidieregelingen van Taiwan behorende subsidiebedragen waarop de compenserende maatregelen betrekking hadden. Daar de subsidie nog slechts gering was wat Taiwan betreft, is besloten de krachtens de bestreden verordening op de invoer uit Taiwan toegepaste maatregelen in te trekken. Dienaangaande ontkent de Raad niet dat verzoeksters de nieuwe berekeningswijze in hun beroep hadden voorgesteld, maar herinnert eraan dat zij dit argument reeds in hun opmerkingen van 10 januari 2000 over de voorafgaande informatiebrief van de Commissie hadden aangevoerd.
27 Ten slotte, aldus de Raad, heeft zijn advocaat ongeveer 80 uur aan de behandeling van deze zaken besteed, ofschoon hij niet had deelgenomen aan de administratieve procedure en dus het gehele dossier moest doornemen. Bovendien was hij reeds begonnen met het opstellen van een verweerschrift dat drie vierde van de stellingen van verzoeksters dekte.
28 In de vierde plaats acht de Raad zich niet in staat opmerkingen te maken over de waardering van de economische belangen, maar wijst erop dat die belangen niet mogen worden overdreven.
29 Ten slotte zijn de kosten volgens de Raad onvoldoende gespecificeerd. Alleen vermeld worden de naam van de ingeschakelde raadslieden, het algemene type werk dat zij hebben verricht (onderzoek, redactie, revisie, contacten met de cliënt) en de tijd die ieder van hen heeft besteed aan de voorbereiding van de beroepen, zonder dat de aard van het verrichte werk, de aan de verschillende soorten werkzaamheden bestede tijd en het tijdstip waarop zij zijn verricht, nauwkeurig worden vermeld.
30 De Raad betwist ook het bedrag van de kosten van fotokopieën, telecommunicatie en correspondentie, dat overdreven is en waarvan de wijze van berekening niet wordt aangegeven.
31 De Raad acht derhalve een bedrag van 30 000 euro passend, daaronder begrepen de kosten van de onderhavige procedure, en vordert verlaging van het gevraagde kostenbedrag met 60 %, conform de beschikking van het Gerecht van 15 juli 1998, Opel Austria/Raad (T-115/94 DEP, Jurispr. blz. II-2739).
Beoordeling door het Gerecht
32 Artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht luidt:
In geval van geschil over de invorderbare kosten beslist het Gerecht op verzoek van de belanghebbende partij bij een niet voor hogere voorziening vatbare beschikking, na kennis te hebben genomen van de opmerkingen van de wederpartij."
33 Volgens artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht worden als invorderbare kosten aangemerkt de door partijen in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten, in het bijzonder de reis- en verblijfkosten en het honorarium van de gemachtigde, raadsman of advocaat". Uit deze bepaling volgt, dat de invorderbare kosten zijn beperkt tot enerzijds de kosten die in verband met de procedure voor het Gerecht zijn gemaakt, en anderzijds de daartoe noodzakelijke kosten (beschikkingen Gerecht van 24 januari 2002, Groupe Origny/Commissie, T-38/95 DEP, Jurispr. blz. II-217, punt 28, en 20 november 2002, Spruyt/Commissie, T-171/00 DEP, Jurispr. blz. II-1127, punt 22).
34 Volgens vaste rechtspraak is het niet aan de gemeenschapsrechter om de door de partijen aan hun eigen advocaten verschuldigde honoraria vast te stellen, maar dient hij te bepalen, tot welk bedrag die vergoedingen kunnen worden teruggevorderd van de partij die in de kosten is verwezen. Bijgevolg behoeft het Gerecht geen rekening te houden met een nationaal tarief van advocatenhonoraria of met een eventuele overeenkomst dienaangaande tussen de belanghebbende partij en haar gemachtigden of raadslieden (beschikkingen Gerecht van 8 november 1996, Stahlwerke Peine-Salzgitter/Commissie, T-120/89 DEP, Jurispr. blz. II-1547, punt 27; Opel Austria/Raad, reeds aangehaald, punt 27, en 19 september 2001, UK Coal/Commissie, T-64/99 DEP, Jurispr. blz. II-2547, punt 26).
35 Het is ook vaste rechtspraak dat, aangezien een tariefregeling in het gemeenschapsrecht ontbreekt, het Gerecht de gegevens van de zaak vrijelijk beoordeelt, daarbij rekening houdend met het voorwerp en de aard van het geschil, het belang ervan voor het gemeenschapsrecht, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad, en het economisch belang van het geschil voor de partijen (beschikkingen Gerecht van 8 maart 1995, Air France/Commissie, T-2/93 DEP, Jurispr. blz. II-533, punt 16; Opel Austria/Raad, reeds aangehaald, punt 28, en UK Coal/Commissie, reeds aangehaald, punt 27). Daarbij is de gemeenschapsrechter in zijn beoordeling van de waarde van het verrichte werk afhankelijk van de nauwkeurigheid van de verstrekte informatie (beschikking Hof van 9 november 1995, Ahlström e.a./Commissie, C-89/95 DEP, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 20, en beschikking Stahlwerke Peine-Salzgitter/Commissie, reeds aangehaald, punt 31).
36 Op basis van deze criteria moet het bedrag van de in casu invorderbare kosten worden vastgesteld.
37 Wat de moeilijkheid van de materie en het belang van de zaken vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht betreft, blijkt dat zij nieuwe en/of moeilijke vraagpunten aan de orde stelden met betrekking tot de rechten van de verdediging van verzoeksters en de omvang van de onderzoeksbevoegdheden van de Commissie in het kader van de antisubsidieprocedures alsook ten aanzien van de uitlegging van de voorwaarde van specificiteit in de zin van artikel 3 van verordening nr. 2026/97. De betrokken materie vereiste, zoals de Raad toegeeft, derhalve de analyse van ingewikkelde economische en juridische vragen, die door de raadslieden van verzoeksters zijn onderzocht.
38 Bovendien heeft de Raad in zijn brief van 22 september 2000, daarmee afwijkend van zijn stellingen, het verzoek om verlenging van de termijn voor de indiening van zijn verweerschrift in het bijzonder gemotiveerd met de complexiteit van de in de verzoekschriften opgeworpen juridische en feitelijke vragen en met de omvang van de bijlagen daarbij.
39 Wat de omvang van het werk aan de procedure voor het Gerecht betreft, volgt uit het voorgaande dat het geschil inderdaad veel werk van de raadslieden van verzoeksters kan hebben gevraagd. Niet kan worden aanvaard, zoals de Raad stelt, dat het ontbreken van rechtspraak over de relevante bepalingen van verordening nr. 2026/97 het werk van de raadslieden van verzoeksters heeft kunnen vergemakkelijken.
40 Voorts is verordening nr. 902/2001 waarbij de bestreden verordening is gewijzigd, blijkens de tweede overweging van de considerans vastgesteld nadat verzoeksters de beroepen T-226/00 en T-227/00 aanhangig hadden gemaakt.
41 Anderzijds zijn in de schriftelijke procedure in de beroepen T-226/00 en T-227/00 slechts de twee inleidende verzoekschriften neergelegd, en is over de schorsing en de afdoening zonder beslissing in deze zaken slechts kort gecorrespondeerd; een mondelinge behandeling heeft niet plaatsgehad. Verder komen de twee verzoekschriften in ruime mate met elkaar overeen, daar deze beroepen verknocht zijn.
42 Bovendien waren de raadslieden van verzoeksters reeds vertrouwd met de zaken, aangezien zij verzoeksters hebben vertegenwoordigd in de administratieve procedure die tot de vaststelling van de bestreden verordening heeft geleid. In de administratieve procedure hadden verzoeksters bepaalde, voor het Gerecht aangevoerde juridische argumenten reeds naar voren gebracht.
43 Dat heeft hun werk gedeeltelijk vergemakkelijkt en de aan de voorbereiding van de verzoekschriften te besteden tijd verkort (beschikking Gerecht van 8 november 2001, Kish Glass/Commissie, T-65/96 DEP, Jurispr. blz. II-3261, punt 25).
44 Voorts moet de rechter vooral rekening houden met het totale aantal arbeidsuren dat objectief gezien nodig lijkt voor de procedure voor het Gerecht, ongeacht het aantal advocaten dat de betrokken diensten heeft verricht (beschikkingen Gerecht van 30 oktober 1998, Kaysersberg/Commissie, T-290/94 DEP, Jurispr. blz. II-4105, punt 20, en 15 maart 2000, Enso-Gutzeit/Commissie, T-337/94 DEP, Jurispr. blz. II-479, punt 20).
45 De Raad betwist niet dat de zaak van groot economisch belang voor verzoeksters was.
46 Uit een en ander volgt dat de aard en het belang van het geschil hoge honoraria rechtvaardigen. Het aantal in rekening gebrachte uren lijkt evenwel overdreven, te meer daar de door verzoeksters overgelegde declaratie onvoldoende gespecificeerd is om te kunnen nagaan of het aantal arbeidsuren gerechtvaardigd is.
47 Het verzoek tot vergoeding van een bedrag van 5 335,21 euro voor de kosten van fotokopieën, telecommunicatie en correspondentie is bij gebreke van nauwkeurige informatie over de verdeling ervan over deze kostenposten onvoldoende onderbouwd.
48 Mitsdien is het billijk de in de zaken T-226/00 en T-227/00 voor verzoeksters invorderbare kosten vast te stellen op 43 000 euro.
49 Daar bij dit bedrag rekening is gehouden met alle omstandigheden van de zaken tot aan de datum van de onderhavige beschikking, behoeft niet afzonderlijk te worden beslist op de kosten die verzoeksters voor de onderhavige procedure tot begroting van de kosten hebben gemaakt (beschikking Groupe Origny/Commissie, reeds aangehaald, punt 44).
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer - uitgebreid)
beschikt:
Het bedrag van de door de Raad aan verzoeksters in de zaken T-226/00 en T-227/00 te vergoeden kosten wordt vastgesteld op 43 000 euro.
Full & Egal Universal Law Academy