Gevoegde zaken T‑228/00, T‑229/00, T‑242/00, T‑243/00, T‑245/00 tot en met T‑248/00, T‑250/00, T‑252/00, T‑256/00 tot en met T‑259/00, T‑265/00, T‑267/00, T‑268/00, T‑271/00, T‑274/00 tot en met T‑276/00, T‑281/00, T‑287/00 en T‑296/00
Gruppo ormeggiatori del porto di Venezia Soc. coop. rl e.a.
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Staatssteun – Beschikking van Commissie houdende vaststelling dat onrechtmatige steunregelingen onverenigbaar zijn met gemeenschappelijke markt en houdende bevel tot terugvordering van onverenigbare steun – Uitsluiting van nationale terugvorderingsprocedure – Beroep tot nietigverklaring – Ontbreken van procesbelang – Niet-ontvankelijkheid”
Beschikking van het Gerecht (Tweede kamer – uitgebreid) van 10 maart 2005
Samenvatting van de beschikking
1. Beroep tot nietigverklaring – Voorwaarden voor ontvankelijkheid – Procesbelang – Ambtshalve onderzoek door rechter
(Art. 230 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 113)
2. Beroep tot nietigverklaring – Procesbelang – Noodzaak van bestaand en daadwerkelijk belang – Beschikking van Commissie houdende vaststelling dat steun onverenigbaar is met gemeenschappelijke markt en houdende bevel tot terugvordering ervan – Steunbegunstigden tegen wie nationale terugvorderingsmaatregelen niet zijn gericht – Belang gebaseerd op toekomstig en onzeker besluit van Commissie – Geen bestaand en daadwerkelijk belang
(Art. 230 EG)
3. Steunmaatregelen van de staten – Beschikking van Commissie houdende vaststelling dat steunregeling onverenigbaar is met gemeenschappelijke markt en houdende bevel tot terugvordering van betaalde steun – Beschikking waartegen door begunstigden van steunregeling niet op basis van artikel 230 EG is opgekomen – Voorwaarde van betwisting van geldigheid van beschikking voor nationale rechter in kader van beroepen tegen nationale maatregelen ter uitvoering ervan – Geen kennelijk belang om beroep in te stellen bij gemeenschapsrechter
(Art. 88, lid 2, EG, en 230, vierde alinea, EG)
4. Gemeenschapsrecht – Beginselen – Aanspraak op doeltreffende bescherming in rechte – Begunstigden van onwettig verklaarde steunregeling tegen wie geen nationale maatregelen tot terugvordering zijn genomen en die dus bij gebrek aan belang gemeenschapsrechter niet om nietigverklaring van beschikking van Commissie kunnen verzoeken – Eigen recht om geldigheid van beschikking van Commissie voor nationale rechter te betwisten in geval van eventuele tegen hen genomen terugvorderingsmaatregelen, ondanks onderzoek door gemeenschapsrechter van beroepen tot nietigverklaring ingesteld door andere begunstigden die procesbelang hebben
(Art. 234 EG)
5. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Beschikking van Commissie houdende vaststelling dat steunregeling onverenigbaar is met gemeenschappelijke markt – Beroep ingesteld door ondernemingen die alleen als potentiële steunbegunstigden handelen – Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230, vierde alinea, EG)
1. Daar het ontbreken aan procesbelang een niet-ontvankelijkheidsgrond van openbare orde is, moet het Gerecht ambtshalve nagaan of een verzoeker belang heeft bij de nietigverklaring van de beschikking die hij aanvecht.
(cf. punt 22)
2. De ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring ingesteld door een natuurlijke of rechtspersoon hangt af van het bewijs van een bestaand en daadwerkelijk belang bij de nietigverklaring van de bestreden handeling. Dit belang moet worden beoordeeld naar de dag waarop het beroep wordt ingesteld. Het kan niet worden beoordeeld naar de maatstaf van een toekomstige en hypothetische gebeurtenis. In het bijzonder wanneer het door een verzoeker aangevoerde belang betrekking heeft op een toekomstige rechtssituatie, moet die verzoeker aantonen dat de aantasting van die situatie nu al zeker is.
Ondernemingen waarvoor de lidstaat op basis van het dispositief van de bestreden beschikking en de aanwijzingen van de Commissie voor de uitvoering ervan heeft besloten de steun niet terug te vorderen, hebben geen bestaand en daadwerkelijk belang bij de nietigverklaring van een beschikking van de Commissie die een onrechtmatige steunregeling onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaart en terugvordering van de onverenigbare steun gelast. Hun rechtspositie zou immers slechts kunnen worden aangetast door een toekomstig en onzeker besluit van de Commissie om het tenuitvoerleggingsbesluit van deze lidstaat aan te vechten.
(cf. punten 23, 25‑26, 29)
3. De nationale rechter moet een exceptie van onwettigheid van de beschikking van de Commissie die een nationale steunregeling onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaart en terugvordering van de betaalde steun gelast, slechts om redenen van rechtszekerheid verwerpen op grond van het definitieve karakter van de beschikking, wanneer de begunstigden van de steun onbetwistbaar bevoegd waren, en hierover waren geïnformeerd, de beschikking van de Commissie krachtens artikel 230, vierde alinea, EG aan te vechten en zij hebben verzuimd deze bevoegdheid binnen de in dit artikel gestelde termijn uit te oefenen. Overigens kan overeenkomstig het beginsel van goede rechtsbedeling de bevoegdheid van de begunstigden van een steunregeling die de beschikking van de Commissie niet binnen de voorgeschreven termijn rechtstreeks hebben aangevochten, om voor de nationale rechter bij wege van exceptie de onwettigheid van deze beschikking aan te voeren, niet worden uitgesloten wanneer, gelet op de bijzondere omstandigheden van de zaak of de complexiteit van de criteria waarvan de beschikking van de Commissie de terugvorderingsverplichting afhankelijk stelt, er aanvankelijk redelijkerwijs bepaalde twijfel over kon bestaan of deze begunstigden krachtens de beschikking van de Commissie al dan niet zijn gehouden de betrokken steun terug te betalen, zodat hun belang om tegen deze beschikking op te komen niet duidelijk was.
(cf. punt 31)
4. De omstandigheid dat tegen een beschikking van de Commissie, die een steunregeling onverenigbaar verklaart en onder bepaalde voorwaarden terugvordering van de betaalde steun gelast, beroepen tot nietigverklaring door begunstigden met een procesbelang zijn ingesteld, doet geen afbreuk aan een effectieve bescherming in rechte van andere begunstigden van deze regeling die een dergelijk belang missen wegens de beslissing van de nationale autoriteiten om op basis van het dispositief van de bestreden beschikking en de aanwijzingen van de Commissie voor de uitvoering ervan niet tot terugvordering over te gaan. Indien deze begunstigden, in het bijzonder als gevolg van een controle van de Commissie, de ontvangen steun toch zouden moeten terugbetalen krachtens een besluit van de nationale autoriteiten, zouden zij in voorkomend geval immers de nationale rechter kunnen verzoeken om dit eventuele nationale besluit nietig te verklaren en bij wege van exceptie de onwettigheid van de beschikking van de Commissie kunnen opwerpen.
In dat geval kan de nationale rechter zijn beslissing aanhouden, hetzij om het Hof krachtens artikel 234 EG een prejudiciële vraag over de geldigheid van de beschikking van de Commissie voor te leggen, hetzij om in het belang van een goede rechtsbedeling de uitspraak van de gemeenschapsrechter over de grond van de zaak af te wachten. Indien de nationale rechter zou vaststellen dat bepaalde door verzoeksters ter ondersteuning van hun exceptie van onwettigheid gestelde belangrijke punten niet zijn aangevoerd in bovengenoemde beroepen tot nietigverklaring voor het Gerecht, kan hij het Hof te allen tijde met betrekking tot deze punten een prejudiciële vraag stellen over de geldigheid van de beschikking, zodat verzoeksters hoe dan ook een volledige bescherming in rechte genieten.
(cf. punten 32‑33)
5. De potentiële begunstigden van een steunregeling kunnen niet alleen in deze hoedanigheid worden beschouwd als individueel geraakt door de beschikking van de Commissie die deze regeling onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaart.
(cf. punt 34)
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Tweede kamer – uitgebreid)
10 maart 2005 (*)
„Staatssteun – Beschikking van Commissie houdende vaststelling dat onrechtmatige steunregelingen onverenigbaar zijn met gemeenschappelijke markt en houdende bevel tot terugvordering van onverenigbare steun – Uitsluiting van nationale terugvorderingsprocedure – Beroep tot nietigverklaring – Ontbreken van procesbelang – Niet-ontvankelijkheid”
In de gevoegde zaken T‑228/00, T‑229/00, T‑242/00, T‑243/00, T‑245/00–T‑248/00, T‑250/00, T‑252/00, T‑256/00–T‑259/00, T‑265/00, T‑267/00, T‑268/00, T‑271/00, T‑274/00–T‑276/00, T‑281/00, T‑287/00 en T‑296/00,
Gruppo ormeggiatori del porto di Venezia Soc. coop. rl, gevestigd te Venetië (Italië), vertegenwoordigd door F. Munari, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T‑228/00,
Gruppo ormeggiatori del porto di Chioggia Piccola Soc. coop. rl, gevestigd te Venetië, vertegenwoordigd door S. Carbone, A. Taramasso en F. Munari, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T‑229/00,
Compagnia lavoratori portuali Soc. coop. rl,
Società cooperativa lavoratori portuali San Marco Venezia Soc. coop. rl,
gevestigd te Venetië, vertegenwoordigd door A. Bortoluzzi en C. Montagner, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoeksters in zaak T‑242/00,
Portabagagli del porto di Venezia Soc. coop. rl, gevestigd te Venetië, vertegenwoordigd door A. Bortoluzzi en C. Montagner, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T‑243/00,
Abibes SpA, gevestigd te Venetië, vertegenwoordigd door G. Orsoni, G. Simeone en A. Schmitt, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T‑245/00,
Fluvio Padana Srl, gevestigd te Venetië, vertegenwoordigd door G. Orsoni, G. Simeone en A. Schmitt, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T‑246/00,
Serenissima motoscafi Srl, gevestigd te Venetië, vertegenwoordigd door G. Orsoni, A. Pavanini en A. Schmitt, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T‑247/00,
Integrated Shipping Co. SpA (ISCO), gevestigd te Venetië, vertegenwoordigd door G. Orsoni, G. Simeone en A. Schmitt, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T‑248/00,
Società cooperativa veneziana motoscafi, Soc. coop. rl,
Cooperativa „San Marco” motoscafi in servizio pubblico Soc. coop. rl,
Cooperativa serenissima taxi Soc. coop. rl,
gevestigd te Venetië, vertegenwoordigd door G. Orsoni, A. Pavanini en A. Schmitt, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoeksters in zaak T‑250/00,
Cooperativa ducale fra gondolieri di Venezia, Soc. coop. rl,
Gondolieri Bauer Soc. coop. rl,
gevestigd te Venetië, vertegenwoordigd door M. Giantin, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoeksters in zaak T‑252/00,
Sacra Srl, gevestigd te Venetië, vertegenwoordigd door M. Marinoni, G. M. Roberti en F. Sciaudone, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T‑256/00,
Fondamente nuove servizio taxi e noleggio Soc. coop. rl,
Bucintoro motoscafi servizio taxi e noleggio Soc. coop. rl,
gevestigd te Venetië, vertegenwoordigd door R. Vianello, A. Bortoluzzi en C. Montagner, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoeksters in zaak T‑257/00,
Multiservice Srl, gevestigd te Venetië, vertegenwoordigd door A. Bortoluzzi en C. Montagner, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T‑258/00,
Veneziana di navigazione SpA, gevestigd te Venetië, vertegenwoordigd door A. Bortoluzzi en C. Montagner, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T‑259/00,
Cooperativa traghetto S. Lucia Soc. coop. rl, gevestigd te Venetië, vertegenwoordigd door A. Bortoluzzi, C. Montagner en F. Stivanello Gussoni, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T‑265/00,
Comitato „Venezia vuole vivere”, gevestigd te Venetië, in de zaken T‑265/00 en T‑267/00 vertegenwoordigd door A. Bortoluzzi, C. Montagner en F. Stivanello Gussoni, en in de zaken T‑274/00–T‑276/00, T‑281/00, T‑287/00 en T‑296/00 door A. Bianchini, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in de zaken T‑265/00, T‑267/00, T‑274/00–T‑276/00, T‑281/00, T‑287/00 en T‑296/00,
Cooperativa Daniele Manin fra gondolieri di Venezia Soc. coop. rl, gevestigd te Venetië, vertegenwoordigd door A. Bortoluzzi, C. Montagner en F. Stivanello Gussoni, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T‑267/00,
Conepo servizi Soc. coop. rl, gevestigd te Venetië, vertegenwoordigd door A. Biagini, S. Scarpa en P. Pettinelli, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T‑268/00,
Ligabue Catering SpA, gevestigd te Venetië, vertegenwoordigd door A. Vianello, M. Merola en A. Sodano, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T‑271/00,
Verde sport SpA, gevestigd te Venetië, vertegenwoordigd door A. Bianchini, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg
verzoekster in zaak T‑274/00,
Cooperativa carico scarico e trasporti scalo fluviale Soc. coop. rl, gevestigd te Venetië, vertegenwoordigd door A. Bianchini, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T‑275/00,
Cipriani SpA, gevestigd te Venetië, vertegenwoordigd door A. Bianchini, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T‑276/00,
Cooperativa trasbagagli Soc. coop. rl, gevestigd te Venetië, vertegenwoordigd door A. Bianchini, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T‑281/00,
Cooperativa fra portabagagli della stazione di Venezia Srl, gevestigd te Venetië, vertegenwoordigd door A. Bianchini, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T‑287/00,
Cooperativa braccianti mercato ittico „Tronchetto” Soc. coop. rl, gevestigd te Venetië, vertegenwoordigd door A. Bianchini, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T‑296/00,
ondersteund in de zaken T‑228/00, T‑229/00, T‑242/00, T‑243/00, T‑247/00, T‑250/00, T‑252/00, T‑256/00–T‑259/00, T‑265/00, T‑267/00, T‑268/00 en T‑271/00, door
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door U. Leanza als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënte,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door V. Di Bucci als gemachtigde, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek om nietigverklaring van beschikking 2000/394/EG van de Commissie van 25 november 1999 betreffende de steunmaatregelen ten behoeve van de ondernemingen op het grondgebied Venetië en Chioggia zoals bedoeld in wetten nr. 30/1997 en nr. 206/1995 houdende verlagingen van sociale bijdragen (PB 2000, L 150, blz. 50),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: J. Pirrung, kamerpresident, A. W. H. Meij, N. J. Forwood, I. Pelikánová en S. S. Papasavvas, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Feiten en procesverloop
1 Bij beschikking 2000/394/EG van de Commissie van 25 november 1999 betreffende de steunmaatregelen ten behoeve van de ondernemingen op het grondgebied Venetië en Chioggia zoals bedoeld in wetten nr. 30/1997 en nr. 206/1995 houdende verlagingen van sociale bijdragen (PB 2000, L 150, blz. 50; hierna: „bestreden beschikking”) heeft de Commissie vastgesteld dat de verlagingen van sociale bijdragen zoals bedoeld in voormelde wetten, waarin verwezen wordt naar artikel 2 van het ministerieel decreet van 5 augustus 1994, een met de gemeenschappelijke markt onverenigbare staatssteun zijn voorzover zij werden toegekend aan aldaar gevestigde ondernemingen die geen kleine en middelgrote ondernemingen (KMO’s) in de zin van de communautaire kaderregeling inzake overheidssteun aan KMO’s zijn, geen ondernemingen zijn die in aanmerking komen voor de afwijking van artikel 87, lid 3, sub c, EG, of ondernemingen die werknemers aanwerven die het bijzonder moeilijk hebben om tot de arbeidsmarkt toe te treden of opnieuw een arbeidsplaats te vinden, overeenkomstig de communautaire richtsnoeren betreffende werkgelegenheidssteun (artikel 1, tweede alinea, van de bestreden beschikking). Volgens dezelfde beschikking vormen ook de aan ondernemingen op het grondgebied van Venetië en Chioggia toegekende verlagingen van sociale bijdragen zoals bedoeld in artikel 1 van het ministerieel decreet van 5 augustus 1994, met uitzondering van de gemeentelijke ondernemingen ASPIV, Consorzio Venezia nuova, ACTV, Panfido SpA en AMAV, een met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steun (artikel 2 van de bestreden beschikking).
2 In artikel 5 van de bestreden beschikking heeft de Commissie de Italiaanse Republiek gelast de in artikel 1, tweede alinea, en artikel 2 van deze beschikking met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar verklaarde steun van de begunstigden terug te vorderen.
3 Volgens de bestreden beschikking werd de Italiaanse Republiek bij schrijven van 17 december 1997 in kennis gesteld van de inleiding door de Commissie van de procedure van artikel 88, lid 2, EG (derde overweging van de considerans) en is de onderzochte steunregeling per 1 december 1997 stopgezet (veertiende overweging van de considerans).
4 De bestreden beschikking is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 23 juni 2000. Bij tussen 30 augustus en 18 september 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschriften hebben verzoeksters de onderhavige beroepen ingesteld.
5 Bij op 19 januari 2001 ter griffie van het Gerecht neergelegde akten heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen deze beroepen opgeworpen.
6 Bij op 7 maart 2001 ter griffie van het Gerecht neergelegde akten heeft de Italiaanse Republiek verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van verzoeksters in de zaken T‑256/00, T‑268/00 en T‑271/00. Bij op 10 april 2001 neergelegde akten heeft zij verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van verzoeksters in de zaken T‑228/00, T‑229/00, T‑242/00, T‑243/00, T‑247/00, T‑250/00, T‑252/00, T‑257/00–T‑259/00, T‑265/00 en T‑267/00. Bij beschikkingen van 19 juni 2001 heeft de president van de Tweede kamer (uitgebreid) krachtens artikel 116, lid 6, van het Reglement van de procesvoering van het Gerecht, na partijen te hebben gehoord, deze interventies toegestaan vanaf de schriftelijke procedure in de zaken T‑256/00, T‑268/00 en T‑271/00 en voor de mondelinge behandeling in de andere zaken.
7 Gelet op de complexiteit van de in de bestreden beschikking toegepaste en hierboven in punt 1 kort weergegeven verenigbaarheidscriteria heeft het Gerecht de Italiaanse Republiek in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang in de zin van artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering uitgenodigd om voor elk van de verzoekende ondernemingen in de onderhavige zaken alsook in de andere 35 zaken waarin ook om nietigverklaring van de bestreden beschikking wordt verzocht, onder meer te preciseren of zij zich volgens artikel 5 van deze beschikking gehouden achtte de toegekende litigieuze steun terug te vorderen. Bij brief, die op 25 september 2003 ter griffie van het Gerecht is ingekomen en op verzoek van het Gerecht is aangevuld met een op 24 maart 2004 ingekomen brief, heeft de Italiaanse Republiek gepreciseerd dat zij van geen van de ondernemingen die de onderhavige beroepen hadden ingesteld, de betrokken steun terugvorderde. Bovendien heeft zij twee brieven van 29 juni en 29 oktober 2001 overgelegd waarin de Commissie haar op haar verzoek in verband met de uitvoering van de bestreden beschikking inlichtingen had verstrekt inzake de kwalificatie als staatssteun van de verlaging van de betrokken sociale bijdragen voor ondernemingen uit bepaalde sectoren.
8 Het Gerecht heeft de Commissie uitgenodigd om met het oog op de toetsing van de ontvankelijkheid van de beroepen van de verzoekende ondernemingen die van de ter uitvoering van de bestreden beschikking ingeleide terugvorderingsprocedure waren uitgesloten, in te gaan op de betekenis van voormelde antwoorden van de Italiaanse regering voor het procesbelang van deze ondernemingen. De Commissie heeft aan dit verzoek voldaan bij op 14 mei 2004 ter griffie van het Gerecht ingekomen brief.
9 Na het antwoord van de Commissie is verzoeksters dezelfde vraag gesteld. Bovendien zijn verzoeksters en de Commissie uitgenodigd opmerkingen te maken over een eventuele voeging van deze zaken. Verzoeksters in de zaken T‑228/00, T‑229/00, T‑245/00–T‑248/00, T‑250/00, T‑252/00, T‑256/00, T‑274/00–T‑276/00, T‑281/00, T‑287/00 en T‑296/00 hebben geantwoord bij tussen 25 juni en 5 juli 2004 ter griffie van het Gerecht ingeschreven brieven. Bij op 5 juli 2004 ter griffie van het Gerecht ingekomen brief heeft de Commissie haar standpunt over een eventuele voeging bepaald.
Conclusies van partijen
10 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:
– de artikelen 1, 2 en 5 van de bestreden beschikking nietig te verklaren voorzover de verlagingen van sociale bijdragen zoals bedoeld in de artikelen 1 en 2 van het ministerieel decreet van 5 augustus 1994 daarbij onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden verklaard en terugvordering ervan wordt gelast;
– verweerster te verwijzen in de kosten.
11 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
– de beroepen niet-ontvankelijk te verklaren;
– verzoeksters te verwijzen in de kosten.
In rechte
12 Gelet op de verknochtheid van de onderhavige zaken acht het Gerecht, na partijen te hebben gehoord, het opportuun de zaken voor de verdere behandeling te voegen krachtens artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering.
13 Volgens artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht in iedere stand van het geding ambtshalve middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn, in behandeling nemen. Het Gerecht beslist met inachtneming van het bepaalde in artikel 114, leden 3 en 4, van dit Reglement.
14 In casu acht het Gerecht zich door de stukken van het dossier voldoende ingelicht en zal bijgevolg – om redenen van proceseconomie in verband met de omstandigheden van de onderhavige zaken en ondanks de door de Commissie opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid – overeenkomstig de in de punten 22 en 38 hierna aangehaalde rechtspraak ambtshalve, zonder mondelinge behandeling, beslissen op niet-ontvankelijkheidsgronden van openbare orde, te weten gebrek aan procesbelang en aanhangigheid.
Het procesbelang van de verzoekende ondernemingen
Argumenten van partijen
15 In casu heeft de Commissie – in antwoord op de vraag van het Gerecht over de betekenis van de inlichtingen van de Italiaanse regering, dat de verzoekende ondernemingen niet betrokken zijn in de procedure van terugvordering van de betrokken steun, voor het procesbelang van deze verzoeksters – om te beginnen opgemerkt dat zij zich binnen de haar gestelde termijn niet kon uitspreken over de juistheid van de desbetreffende beoordelingen van de Italiaanse autoriteiten. Zo nodig zouden de bevoegde diensten van de Commissie hun om aanvullende inlichtingen verzoeken, waarna het college van leden van de Commissie eventueel kon beslissen de zaak krachtens artikel 88, lid 2, EG bij het Hof aanhangig te maken, met het verzoek vast te stellen dat de Italiaanse Republiek de krachtens de bestreden beschikking op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen.
16 Volgens de Commissie missen verzoeksters evenwel procesbelang, zowel voor het verleden, aangezien blijkens de inlichtingen van de Italiaanse autoriteiten geen terugvorderingsprocedure tegen hen is ingeleid, als voor de toekomst, aangezien de betrokken steunregelingen op de datum van de bestreden beschikking niet meer werden toegepast.
17 Volgens verzoeksters daarentegen laat de beslissing van de Italiaanse regering om wat hen betreft niet tot terugvordering van de steun over te gaan na de bestreden beschikking, hun procesbelang onverlet aangezien de Commissie deze nationale uitvoeringsmaatregel kan toetsen en in voorkomend geval beroep tegen de Italiaanse Republiek kan instellen krachtens artikel 88, lid 2, EG.
18 Met name verzoeksters in de zaken T‑228/00 en T‑229/00 stellen dat zij, indien een dergelijke vordering slaagde, de steun zouden moeten terugbetalen zonder over enig rechtsmiddel te beschikken.
19 Verzoeksters in de zaken T‑228/00, T‑229/00, T‑245/00–T‑248/00 en T‑250/00 stellen dat zij slechts bij hun definitieve uitsluiting van de terugvordering van de betrokken steun procesbelang zouden missen. Dat zou het geval zijn indien de Commissie verklaarde, niet voornemens te zijn de beoordelingen van de Italiaanse regering te toetsen. Verzoekster in zaak T‑256/00 stelt dat zij alleen ingeval het Gerecht definitief vaststelde dat de te haren gunste genomen maatregelen geen staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG zijn, procesbelang zou missen.
20 Verzoeksters in zaak T‑252/00 hebben samen met verzoekster in zaak T‑253/00 opmerkingen ingediend. Huns inziens zijn zij, gelet op de informatie van de Commissie in haar brief van 29 juni 2001 aan de Italiaanse Republiek, als ondernemingen die werknemers aanwerven die het bijzonder moeilijk hebben om tot de arbeidsmarkt toe te treden of opnieuw een arbeidsplaats te vinden, uitgesloten van de procedure tot terugvordering van de betrokken steun. Zij betwisten dat deze beslissing van de Italiaanse regering door de Commissie kan worden getoetst. Voorts hebben verzoeksters belang bij de erkenning, dat de steun die is verleend aan de KMO’s op het grondgebied van Venetië verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.
21 Verzoeksters in de zaken T‑274/00–T‑276/00, T‑281/00, T‑287/00 en T‑296/00 stellen dat de antwoorden van de Italiaanse regering op de vragen van het Gerecht, volgens welke zij van de procedure van terugvordering van de betrokken steun zijn uitgesloten, niet definitief of onherroepelijk zijn. De nationale autoriteiten zijn immers toch overgegaan tot terugvordering van de steun van de Società per l’industria alberghiera SpA, verzoekster in zaak T‑286/00.
Beoordeling door het Gerecht
22 Daar het ontbreken aan procesbelang een niet-ontvankelijkheidsgrond van openbare orde is (beschikking Hof van 7 oktober 1987, D.M./Raad en CES, 108/86, Jurispr. blz. 3933, punt 10, en beschikking president Gerecht en 27 maart 2003, Linea GIG/Commissie, T‑398/02 R, Jurispr. blz. II‑1139, punt 45), moet het Gerecht ambtshalve nagaan of verzoeksters belang hebben bij de nietigverklaring van de beschikking.
23 Volgens vaste rechtspraak hangt de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring van een natuurlijke of rechtspersoon af van het bewijs van een reëel en actueel belang bij de nietigverklaring van de bestreden handeling. Dit belang moet worden beoordeeld naar de dag waarop het beroep wordt ingesteld (arrest Gerecht van 30 april 1998, Cityflyer Express/Commissie, T‑16/96, Jurispr. blz. II‑757, punt 30). Het kan niet worden beoordeeld in verband met een toekomstige en hypothetische gebeurtenis. In het bijzonder wanneer het door een verzoeker aangevoerde belang betrekking heeft op een toekomstige rechtssituatie, moet hij aantonen dat de aantasting van die situatie nu al zeker is (arrest Gerecht van 17 september 1992, NBV en NVB/Commissie, T‑138/89, Jurispr. blz. II‑2181, punt 33).
24 In casu blijkt uit de antwoorden van de Italiaanse Republiek op de vragen van het Gerecht dat zij zich niet gehouden acht, ter uitvoering van de bestreden beschikking de steun van de verzoekende ondernemingen terug te vorderen. Dienaangaande stelt de Italiaanse Republiek overigens dat zij zich voor de uitvoering van deze beschikking baseert op de aanwijzingen die de Commissie op haar verzoek heeft verstrekt in de in het dossier opgenomen brieven van 29 juni en 29 oktober 2001 inzake de kwalificatie als staatssteun van de aan ondernemingen uit bepaalde sectoren verleende verlagingen van sociale lasten.
25 Derhalve dient er akte van te worden genomen dat de betrokken lidstaat – die de bestreden beschikking onder het toezicht van de nationale rechter en in voorkomend geval van het Hof krachtens artikel 88, lid 2, EG moet uitvoeren – op basis van het dispositief van de bestreden beschikking en de aanwijzingen van de Commissie voor de uitvoering ervan (zie laatste zin van punt 7 hierboven) heeft besloten de steun niet terug te vorderen van de verzoekende ondernemingen.
26 Gelet op deze juridische en feitelijke context voeren verzoeksters, die zich alleen baseren op de bevoegdheid van de Commissie om de uitvoering van de bestreden beschikking door de betrokken lidstaat te toetsen en zich in voorkomend geval krachtens artikel 88, lid 2, EG tot het Hof te wenden, slechts toekomstige en onzekere gebeurtenissen aan voor het bewijs van hun procesbelang, namelijk de mogelijkheid dat de Commissie uiteindelijk tot een andere beoordeling dan de Italiaanse Republiek komt en haar gelast de steun van de verzoekende ondernemingen terug te vorderen.
27 Voorts ontbreekt ieder bewijs voor de verklaring van verzoeksters in de zaken T‑274/00–T‑276/00, T‑281/00, T‑287/00, T‑288/00 en T‑296/00 dat de nationale autoriteiten – ondanks het antwoord van de Italiaanse regering, dat verzoekster in zaak T‑286/00 van de terugvorderingsprocedure was uitgesloten – deze onderneming toch hebben aangesproken tot terugbetaling. Bovendien is er juist geen sprake van terugvordering wat de partijen in de zaken T‑274/00–T‑276/00, T‑281/00, T‑287/00, T‑288/00 en T‑296/00 betreft, en er blijkt nergens uit dat terugvordering wordt overwogen.
28 Ten slotte is het betoog van verzoeksters in zaak T‑252/00 – die volgens de antwoorden van de Italiaanse regering anders dan verzoekster in zaak T‑253/00 zijn uitgesloten van de terugvordering van de steun – irrelevant voor de beoordeling van het bestaan van een reëel en actueel belang bij de nietigverklaring van de bestreden handeling waarin de Commissie vaststelt dat de aan de KMO’s verleende verlagingen van sociale lasten verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt (zie boven, punt 1).
29 In deze omstandigheden kan in de eerste plaats niet worden aanvaard dat de verzoekende ondernemingen een reëel en actueel belang bij de nietigverklaring van de bestreden handeling hebben. Hun rechtspositie zou in casu immers slechts kunnen worden aangetast door het toekomstige en onzekere besluit van de Commissie om de wijze van tenuitvoerlegging door de Italiaanse Republiek aan te vechten.
30 Bovendien zouden de verzoekende ondernemingen in dat geval, anders dan zij stellen, nog niet elke effectieve rechtsbescherming ontberen. Ook al wordt hun beroep tot nietigverklaring van de bestreden beschikking niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang, deze beslissing kan de nationale rechter in beginsel niet binden wat hen betreft, anders dan het geval was in de zaak die leidde tot het arrest van het Hof van 9 maart 1994, TWD (C‑188/92, Jurispr. blz. I‑833, punten 24‑26), die een individuele steunbeschikking van de Commissie betrof, die de verzoeker dus kennelijk krachtens artikel 230, tweede alinea, EG, kon aanvechten. In casu kunnen verzoeksters in voorkomend geval bij de nationale rechter opkomen tegen de eventuele beschikkingen van de bevoegde autoriteit waarbij terugbetaling van de steun van hen wordt gevorderd, en aldaar bij wege van exceptie de onwettigheid van de bestreden beschikking stellen.
31 Uit de rechtspraak van het Hof (zie in die zin arresten van 12 december 1996, Accrington Beef e.a., C‑241/95, Jurispr. blz. I‑6699, punten 15 en 16, en 11 november 1997, Eurotunnel e.a., C‑408/95, Jurispr. blz. I‑6315, punt 28) volgt namelijk dat de nationale rechter een exceptie van onwettigheid van de Commissiebeschikking die een nationale steunregeling onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaart en terugvordering van de betaalde steun gelast, slechts om redenen van rechtszekerheid zal mogen verwerpen op grond van het definitieve karakter van de beschikking, wanneer de begunstigden van de steun onbetwistbaar bevoegd waren, en hierover waren geïnformeerd, de beschikking van de Commissie krachtens artikel 230, tweede alinea, EG aan te vechten en zij hebben verzuimd deze bevoegdheid binnen de in dit artikel gestelde termijn uit te oefenen. Overigens kan in de lijn van voormelde rechtspraak en overeenkomstig het beginsel van goede rechtsbedeling de bevoegdheid van de begunstigden van een steunregeling die de beschikking van de Commissie niet binnen de voorgeschreven termijn hebben aangevochten, om voor de nationale rechter bij wege van exceptie de onwettigheid van deze beschikking te stellen, niet worden uitgesloten wanneer, gelet op de bijzondere omstandigheden van de zaak of de complexiteit van de criteria waarvan de Commissiebeschikking de terugvorderingsverplichting afhankelijk stelt, aanvankelijk redelijkerwijs bepaalde twijfel kon bestaan over de vraag of deze begunstigden krachtens de beschikking van de Commissie al dan niet zijn gehouden de betrokken steun terug te betalen, zodat hun belang om tegen deze beschikking op te komen niet duidelijk was.
32 Bovendien zou in het bovenbedoelde geval de omstandigheid dat tegen de Commissiebeschikking, die een steunregeling onverenigbaar verklaart en onder bepaalde voorwaarden terugvordering van de betaalde steun gelast, beroep tot nietigverklaring of verschillende onderling samenhangende beroepen tot nietigverklaring bij het Gerecht zijn ingesteld, geen afbreuk doen aan een effectieve rechtsbescherming van begunstigden van deze regeling die, zoals verzoeksters in casu, procesbelang missen wegens de beslissing van de nationale autoriteiten om niet tot terugvordering over te gaan. Indien deze begunstigden, in het bijzonder als gevolg van een controle van de Commissie, de ontvangen steun toch zouden moeten terugbetalen krachtens een besluit van de nationale autoriteiten, zouden zij in voorkomend geval immers de nationale rechter kunnen verzoeken om dit eventuele nationale besluit nietig te verklaren en bij wege van exceptie de onwettigheid van de beschikking van de Commissie kunnen stellen.
33 In dat geval kan de nationale rechter zijn beslissing aanhouden, hetzij om het Hof krachtens artikel 234 EG een prejudiciële vraag over de geldigheid van de beschikking van de Commissie voor te leggen, hetzij om in het belang van een goede rechtsbedeling de uitspraak van de gemeenschapsrechter over de grond van de zaak af te wachten (zie in die zin beschikking president Gerecht van 25 juni 2002, B/Commissie, T‑34/02 R, Jurispr. blz. II‑2803, punt 92). Indien de nationale rechter zou vaststellen dat bepaalde door verzoeksters ter ondersteuning van hun exceptie van onwettigheid gestelde belangrijke punten niet zijn aangevoerd in het of de beroepen tot nietigverklaring voor het Gerecht, kan hij het Hof te allen tijde met betrekking tot deze punten een prejudiciële vraag stellen over de geldigheid van de beschikking, zodat verzoeksters hoe dan ook een volledige rechtsbescherming genieten.
34 In de tweede plaats, wat de toekomstige gevolgen van de bestreden beschikking betreft, voorzover zij de betrokken steunregeling onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaart en aldus de toepassing ervan in de toekomst belet, is het vaste rechtspraak dat de potentiële begunstigden van een steunregeling niet alleen in deze hoedanigheid kunnen worden beschouwd als individueel geraakt door de Commissiebeschikking die deze regeling onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaart (zie in die zin arrest Hof van 2 februari 1988, Van der Kooy e.a./Commissie, 67/85, 68/85 en 70/85, Jurispr. blz. 219, punt 15, en arrest Gerecht van 22 november 2001, Mitteldeutsche Erdöl-Raffinerie/Commissie, T‑9/98, Jurispr. blz. II‑3367, punt 77).
35 In deze context zou een beroep op een eventueel procesbelang op alleen deze grondslag, met het argument dat de bestreden beschikking zich ertegen verzet dat de betrokken steunregelingen, die op 1 december 1997 zijn geschorst, opnieuw worden toegepast, hoe dan ook ongeschikt voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van de onderhavige beroepen, hetgeen verzoeksters overigens niet betwisten.
36 Uit al het voorgaande volgt dat de beroepen in de zaken T‑228/00, T‑229/00, T‑242/00, T‑243/00, T‑245/00–T‑248/00, T‑250/00, T‑252/00, T‑256/00–T‑259/00, T‑268/00 en T‑271/00 bij gebrek aan procesbelang van verzoeksters niet-ontvankelijk zijn.
37 Zo ook zijn de beroepen in de zaken T‑265/00, T‑267/00, T‑274/00–T‑276/00, T‑281/00, T‑287/00 en T‑296/00, die door ondernemingen gezamenlijk met het Comitato „Venezia vuole vivere” zijn ingesteld, gedeeltelijk niet-ontvankelijk voorzover zij zijn ingesteld door de verzoekende ondernemingen die geen procesbelang hebben.
De aanhangigheid
38 Aangezien de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een beroep van openbare orde zijn en de door het Comitato „Venezia vuole vivere” in de zaken T‑265/00, T‑267/00, T‑274/00–T‑276/00, T‑281/00, T‑287/00 en T‑296/00 ingestelde beroepen dezelfde partijen betreffen en strekken tot nietigverklaring van dezelfde beschikking, moet het Gerecht ambtshalve nagaan of de ontvankelijkheid van sommige van deze beroepen niet afstuit op aanhangigheid (arresten Hof van 26 mei 1971, Bode/Commissie, 45/70 en 49/70, Jurispr. blz. 465, punt 11, en 17 mei 1973, Perinciolo/Raad, 58/72 en 75/72, Jurispr. blz. 511, punt 5).
39 In de zaken T‑265/00 en T‑267/00 voert het Comitato „Venezia vuole vivere” dezelfde middelen aan. Voorts voert het dezelfde middelen aan in de zaken T‑274/00–T‑276/00, T‑281/00, T‑287/00 en T‑296/00.
40 In deze omstandigheden moet overeenkomstig vaste rechtspraak (arresten Hof van 19 september 1985, Hoogovens Groep/Commissie, 172/83 en 226/83, Jurispr. blz. 2831, punt 9, en 22 september 1988, Frankrijk/Parlement, 358/85 en 51/86, Jurispr. blz. 4821, punt 12) het beroep in zaak T‑267/00, dat op dezelfde dag als het beroep in zaak T‑265/00 is ingesteld, niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien deze twee beroepen dezelfde partijen betreffen en strekken tot nietigverklaring van dezelfde beschikking op dezelfde gronden.
41 Om dezelfde redenen moeten de beroepen in de zaken T‑275/00, T‑276/00, T‑281/00, T‑287/00 en T‑296/00, die op dezelfde dag als het beroep in zaak T‑274/00 zijn ingesteld, dezelfde partijen betreffen en strekken tot nietigverklaring van dezelfde beschikking op dezelfde gronden, niet-ontvankelijk worden verklaard.
42 Hieruit volgt enerzijds, dat de beroepen in de zaken T‑228/00, T‑229/00, T‑242/00, T‑243/00, T‑245/00–T‑248/00, T‑250/00, T‑252/00, T‑256/00–T‑259/00, T‑267/00, T‑268/00, T‑271/00, T‑275/00, T‑276/00, T‑281/00, T‑287/00 en T‑296/00 niet-ontvankelijk zijn.
43 Anderzijds zijn de beroepen in de zaken T‑265/00 en T‑274/00 gedeeltelijk niet-ontvankelijk voorzover zij door de Cooperativa traghetto S. Lucia, Soc. Coop. rl (zaak T‑265/00) en Verde sport SpA (zaak T‑274/00) zijn ingesteld.
44 Ten slotte acht het Gerecht het niet opportuun reeds in deze fase de procesbevoegdheid van het Comitato „Venezia vuole vivere” in de gevoegde zaken T‑265/00 en T‑274/00 te beoordelen.
Kosten
45 Artikel 87 van het Reglement voor de procesvoering bepaalt in lid 2 dat elke partij die in het ongelijk wordt gesteld, in de kosten wordt verwezen voorzover dit is gevorderd, en in lid 3 dat het Gerecht de proceskosten over de partijen kan verdelen of beslissen dat elke partij wegens uitzonderlijke omstandigheden haar eigen kosten zal dragen. Ingevolge artikel 87, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering dragen de lidstaten die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten.
46 In casu dient in aanmerking te worden genomen dat het ontbrekende procesbelang van de verzoekende ondernemingen die met betrekking tot de ontvankelijkheid van hun beroep in het ongelijk zijn gesteld, eerst na de antwoorden van de Italiaanse Republiek op de vragen van het Gerecht is gebleken. Gelet op de onzekerheid waarin deze ondernemingen aanvankelijk verkeerden wat betreft de invloed van de bestreden beschikking op hun rechtspositie, en het gevaar dat hun later het definitieve karakter van deze beschikking werd tegengeworpen, kan hun niet worden verweten de onderhavige beroepen te hebben ingesteld. Wat deze ondernemingen betreft dienen de kosten dus te worden gecompenseerd. Daarentegen is er geen bijzondere omstandigheid die de instelling van de beroepen van het Comitato „Venezia vuole vivere” in de zaken T‑267/00, T‑275/00, T‑276/00, T‑281/00, T‑287/00 en T‑296/00, die hetzelfde doel hebben en op dezelfde gronden berusten als de eerdere beroepen (zaken T‑265/00 et T‑274/00) van deze partij tegen de Commissie, rechtvaardigt.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer – uitgebreid)
beschikt:
1) De zaken T‑228/00, T‑229/00, T‑242/00, T‑243/00, T‑245/00–T‑248/00, T‑250/00, T‑252/00, T‑256/00–T‑259/00, T‑265/00, T‑267/00, T‑268/00, T‑271/00, T‑274/00–T‑276/00, T‑281/00, T‑287/00 en T‑296/00 worden gevoegd voor de verdere behandeling.
2) De beroepen in de zaken T‑228/00, T‑229/00, T‑242/00, T‑243/00, T‑245/00–T‑248/00, T‑250/00, T‑252/00, T‑256/00–T‑259/00, T‑267/00, T‑268/00, T‑271/00, T‑275/00, T‑276/00, T‑281/00, T‑287/00 en T‑296/00 worden niet-ontvankelijk verklaard.
3) De beroepen in de zaken T‑265/00 en T‑274/00 worden gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard voorzover zij door Cooperativa traghetto S. Lucia Soc. coop. rl (zaak T‑265/00) respectievelijk Verde sport SpA (zaak T‑274/00) zijn ingesteld.
4) In de zaken T‑228/00, T‑229/00, T‑242/00, T‑243/00, T‑245/00–T‑248/00, T‑250/00, T‑252/00, T‑256/00–T‑259/00, T‑268/00 en T‑271/00 zullen verzoeksters enerzijds en de Commissie anderzijds hun eigen kosten dragen.
5) In de zaken T‑267/00, T‑275/00, T‑276/00, T‑281/00, T‑287/00 en T‑296/00 zullen Cooperativa Daniele Manin fra gondolieri di Venezia Soc. coop. rl, Cooperativa carico scarico e trasporti scalo fluviale Soc. coop. rl, Cipriani SpA, Cooperativa trasbagagli Soc. coop. rl, Cooperativa fra portabagagli della stazione di Venezia Srl en Cooperativa braccianti mercato ittico „Tronchetto” Soc. coop. rl hun eigen kosten dragen. In deze zaken zal de Commissie de door haar met betrekking tot deze beroepen gemaakte kosten dragen voorzover zij zijn ingesteld door deze vennootschappen. Het Comitato „Venezia vuole vivere” zal naast zijn eigen kosten de door de Commissie tot dusver voor de beroepen in de zaken T‑267/00, T‑275/00, T‑276/00, T‑281/00, T‑287/00 en T‑296/00 gemaakte kosten dragen voorzover deze zijn ingesteld door het Comitato „Venezia vuole vivere”.
6) Verzoeksters in zaak T‑265/00, Cooperativa traghetto S. Lucia, en in zaak T‑274/00, Verde sport, zullen hun eigen kosten dragen. In deze twee zaken zal de Commissie de kosten dragen die zij tot dusver heeft gemaakt in de door deze twee vennootschappen ingestelde beroepen.
7) De Italiaanse Republiek zal haar eigen kosten dragen in de zaken T‑228/00, T‑229/00, T‑242/00, T‑243/00, T‑247/00, T‑250/00, T‑252/00, T‑256/00–T‑259/00, T‑267/00, T‑268/00 en T‑271/00, alsook de kosten die zij in zaak T‑265/00 voor het beroep van de Cooperativa traghetto S. Lucia heeft gemaakt.
8) Voor het overige wordt de beslissing omtrent de kosten in de zaken T‑265/00 et T‑274/00 aangehouden.
Luxemburg, 10 maart 2005.
De griffier
De president van de Tweede kamer
H. Jung
J. Pirrung
* Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy