Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
1. Kort geding - Opschorting van tenuitvoerlegging - Afwijzing van verzoek tot opschorting van tenuitvoerlegging van kaderakkoord van 5 juli 2000 over betrekkingen tussen Parlement en Commissie - Nieuw verzoek - Nieuw feit of wijziging van omstandigheden - Begrip
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 108 en 109)
Samenvatting
1. Wanneer een eerste verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het kaderakkoord van 5 juli 2000 over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Commissie werd afgewezen omdat de verzoekers geen serieuze elementen naar voren hadden gebracht om aannemelijk te maken dat de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak niet was uitgesloten, en tegen die beschikking bij het Hof geen hogere voorziening krachtens artikel 50, tweede alinea, van het Statuut-EG van het Hof van Justitie werd ingesteld, dan kan, buiten de in de artikelen 108 en 109 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bedoelde gevallen, die beschikking niet meer worden aangevochten. Indien de uitvoering van het kaderakkoord iets nieuws is ten opzichte van de in het eerste verzoek in kort geding vermelde situatie, in die zin dat de bestreden beschikkingen werden gegeven na de uitspraak van voornoemde beschikking, dan kan de toepassing van het kaderakkoord geen wijziging in de omstandigheden of een nieuw feit in de zin van de artikelen 108 en 109 van het Reglement voor de procesvoering vormen, omdat dit geen gebeurtenis is die kan leiden tot wijziging van het oordeel van de kortgedingrechter in voornoemde beschikking dat het beroep in de hoofdzaak op het eerste gezicht niet-ontvankelijk is.
( cf. punten 46, 48-49 )
2. De ontvankelijkheid van een beroep moet worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het verzoekschrift wordt ingediend. Indien op dat moment niet is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van het beroep, is dit dus niet-ontvankelijk, behoudens regularisatie binnen de beroepstermijn.
( cf. punt 49 )
Partijen
In zaak T-236/00 R II,
Gabriele Stauner, wonende te Wolfratshausen (Duitsland),
Freddy Blak, wonende te Næstved (Denemarken),
Heide Rühle, wonende te Stuttgart (Duitsland),
Esko Olavi Seppänen, wonende te Helsinki (Finland),
Bart Staes, wonende te Antwerpen (België),
leden van het Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Sedemund en T. Lübbig, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekers,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door C. Pennera en M. Berger als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
en
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door U. Wölker en X. Lewis als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerders,
betreffende een verzoek krachtens de artikelen 108 en 109 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht om opschorting van de tenuitvoerlegging van de punten 3.2, eerste streepje en 3.3 van bijlage 3 bij het kaderakkoord van 5 juli 2000 over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Commissie (PB 2001, C 121, blz. 122) alsmede om vaststelling van voorlopige maatregelen.
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Rechtskader
1 Sinds 1990 zijn de interinstitutionele betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Commissie geregeld in een gedragscode" (PB 1995, C 89, blz. 69).
2 In september 1999 nam het Parlement een resolutie aan waarin werd aangedrongen op de spoedige totstandkoming van een interinstitutioneel akkoord tussen de Commissie en het Parlement als kader voor een nieuwe gedragscode".
3 Op 5 juli 2000 werd het kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Parlement en de Commissie (PB 2001, C 121, blz. 122) door de meerderheid van de leden van het Parlement goedgekeurd (hierna: kaderakkoord").
4 Punt 1 van het kaderakkoord luidt:
Met het oog op de aanpassing van de in 1990 goedgekeurde en in 1995 gewijzigde gedragscode stellen [het Parlement en de Commissie] de volgende maatregelen vast teneinde de verantwoordelijkheid en de legitimiteit van de Commissie te vergroten, de constructieve dialoog en de politieke samenwerking uit te breiden, de informatieverspreiding te verbeteren en het Europees Parlement te raadplegen en in te lichten over de administratieve hervormingen van de Commissie. Voorts keuren [de beide instellingen] een aantal bijzondere uitvoeringsmaatregelen goed (i) inzake het wetgevingsproces, (ii) inzake internationale overeenkomsten en de uitbreiding en (iii) inzake de overdracht van vertrouwelijke documenten en inlichtingen van de Commissie. Deze gaan als bijlagen bij het onderhavige kaderakkoord."
5 Punt 17 van het kaderakkoord luidt:
Het Europees Parlement en de Commissie komen overeen dat in het kader van de jaarlijkse kwijting overeenkomstig artikel [276 EG] alle gegevens die nodig zijn voor de controle op de uitvoering van de begroting van het desbetreffende jaar, waarom de voorzitter van de parlementaire commissie die is belast met de kwijtingsprocedure overeenkomstig bijlage VI van het Reglement van het Europees Parlement te dien einde heeft verzocht, worden verstrekt.
Wanneer zich nieuwe feiten voordoen met betrekking tot voorgaande jaren waarvoor reeds kwijting is verleend, verstrekt de Commissie alle hierop betrekking hebbende noodzakelijke gegevens teneinde tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen."
6 Volgens punt 29 [zijn] alle bijzondere bepalingen [...] opgenomen in de bijlagen".
7 Bijlage 3 bij de kaderovereenkomst betreft de verstrekking van vertrouwelijke informatie aan het Parlement. De punten 1.1 tot en met 1.5 van deze bijlage luiden als volgt:
1.1. Deze bijlage regelt de verstrekking aan het Europees Parlement en de behandeling van vertrouwelijke informatie van de Commissie in het kader van de uitoefening van de parlementaire bevoegdheden met betrekking tot de wetgevings- en begrotingsprocedure, de kwijtingsprocedure of de algemene uitoefening van de controlebevoegdheden van het Europees Parlement. Beide instellingen handelen met inachtneming van hun wederzijdse verplichtingen tot loyale samenwerking in een sfeer van volledig wederzijds vertrouwen en met strikte inachtneming van de betreffende verdragsbepalingen, met name de artikelen 6 [EU] en 46 [EU] en [276 EG].
1.2. Onder informatie wordt verstaan elke schriftelijke of mondelinge informatie, ongeacht de vorm of de auteur.
1.3. De Commissie zorgt ervoor dat het Europees Parlement overeenkomstig de bepalingen van deze bijlage toegang tot de informatie krijgt, wanneer zij van een van de in punt 1.4 genoemde parlementaire instanties een verzoek ontvangt betreffende de verstrekking van vertrouwelijke informatie.
1.4. In het kader van deze bijlage kunnen de Commissie om vertrouwelijke informatie vragen: de voorzitter van het Europees Parlement, de voorzitters van de betrokken parlementaire commissies, het Bureau en de Conferentie van voorzitters.
1.5. Informatie over inbreukprocedures en procedures op het gebied van de mededinging is van deze bijlage uitgezonderd, voorzover de Commissie hierover op het moment van het verzoek van een van de parlementaire instanties nog geen definitief besluit heeft genomen."
8 De algemene regels en de regels betreffende de toegang tot en de behandeling van vertrouwelijke informatie zijn vervat in respectievelijk punt 2 en punt 3 van bijlage 3.
9 De punten 2.2 en 2.3 van bijlage 3 luiden als volgt:
2.2. Bij twijfel over het vertrouwelijke karakter van informatie of wanneer de passende modaliteiten voor verstrekking ervan overeenkomstig de mogelijkheden als bedoeld in punt 3.2 moeten worden vastgesteld, vindt onverwijld overleg plaats tussen de voorzitter van de bevoegde parlementaire commissie, eventueel vergezeld van de rapporteur, en het verantwoordelijke lid van de Commissie.
Bij gebrek aan overeenstemming wordt de zaak ter beslechting aan de voorzitters van beide instellingen voorgelegd.
2.3. Wanneer aan het einde van de in punt 2.2. bedoelde procedure geen overeenstemming wordt bereikt, verzoekt de Voorzitter van het Europees Parlement, op met redenen omkleed verzoek van de bevoegde commissie, de Commissie de betreffende vertrouwelijke informatie binnen de passende en naar behoren aangegeven termijn te verstrekken, met vermelding van de in afdeling 3 gekozen mogelijkheden. De Commissie stelt het Europees Parlement vóór het verstrijken van deze termijn schriftelijk in kennis van haar definitieve standpunt; in dit verband behoudt het Europees Parlement zich het recht voor eventueel gebruik te maken van zijn recht van beroep."
10 De punten 3.2. en 3.3. van dezelfde bijlage luiden als volgt:
3.2. Onverminderd het bepaalde in punt 2.3. worden de toegang en de regeling ter waarborging van het vertrouwelijke karakter van de informatie in gemeenschappelijk overleg vastgesteld tussen de betrokken parlementaire instantie, die naar behoren door zijn voorzitter wordt vertegenwoordigd, en het terzake bevoegde lid van de Commissie, waarbij uit de volgende mogelijkheden wordt gekozen:
- informatie bestemd voor de voorzitter en de rapporteur van de bevoegde commissie;
- beperkte toegang tot de informatie voor alle leden van de bevoegde commissie volgens de passende modaliteiten, eventueel met terugname van de documenten na inzage en een verbod om kopieën te maken;
- discussie in de bevoegde commissie met gesloten deuren op een wijze die verschilt naar gelang de mate van vertrouwelijkheid en met inachtneming van de beginselen als bedoeld in bijlage VII van het Reglement van het Europees Parlement [zoals aangenomen bij besluit van het Europees Parlement van 15 februari 1989];
- overlegging van anoniem gemaakte stukken;
- in gevallen waarin dit om absoluut uitzonderlijke redenen gerechtvaardigd is, informatie alleen bestemd voor de Voorzitter van het Europees Parlement.
De betrokken informatie mag niet openbaar worden gemaakt noch aan enige andere geadresseerde worden verstrekt.
3.3. Bij niet-naleving van deze regeling zijn de in bijlage VII van het Reglement van het Europees Parlement opgenomen sanctiebepalingen van toepassing."
11 Verder bepaalt art. 197, derde alinea, EG dat de Commissie [...] mondeling of schriftelijk op de haar door het Europees Parlement of door de leden daarvan gestelde vragen [antwoordt]".
Het procesverloop en de voorgeschiedenis van het geding
12 Bij verzoekschrift, op 7 september 2000 neergelegd ter griffie van het Gerecht, hebben G. Stauner en 21 andere leden van het Europees Parlement (hierna: verzoekers") krachtens artikel 230, vierde alinea, EG beroep tot nietigverklaring van het kaderakkoord ingesteld.
13 Bij op 22 september 2000 ter griffie van het Gerecht ingeschreven afzonderlijke akte hebben zij krachtens artikel 242 EG tevens verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van de punten 17 en 29 van het kaderakkoord en van bijlage 3 bij dat akkoord.
14 Bij beschikking van 15 januari 2001, Stauner e.a./Parlement en Commissie (T-236/00 R, Jurispr. blz. II-15), heeft de president van het Gerecht dit verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging niet-ontvankelijk verklaard en de beslissing omtrent de kosten aangehouden.
15 Bij brief van 9 februari 2001 hebben N. Kinnock en M. Schreyer, leden van de Commissie, op verzoek van de voorzitter van de Commissie begrotingscontrole van het Parlement de rapporten toegezonden van het externe onderzoek betreffende de administratieve moeilijkheden die zich in het kader van de renovatie van het Berlaymont-gebouw te Brussel hebben voorgedaan en via de pers bekend zijn geworden. De toezending van deze rapporten vond plaats onder de voorwaarden van punt 3.2, eerste streepje, van bijlage 3, zodat enkel de voorzitter van de Commissie begrotingscontrole en de betrokken rapporteur, F. Blak, toegang tot deze documenten hebben gehad.
16 In een op 19 februari 2001 aan de Commissie gestelde schriftelijke vraag hebben H. Rühle en G. Stauner de aandacht gevestigd op de tegenstrijdigheid tussen de gedraging van deze instelling en bijlage VII van het Reglement van het Parlement (PB L 1999, L 202, blz. 1), waarin wordt bepaald dat alle leden van de Commissie begrotingscontrole toegang tot vertrouwelijke documenten hebben. In haar schriftelijk antwoord van 24 april 2001 heeft de Commissie gezegd dat zij deze uitlegging niet deelt.
17 Bij brief van 26 februari 2001 aan de voorzitter van het Parlement, N. Fontaine, heeft de voorzitter van de Commissie begrotingscontrole krachtens artikel 180 van het Reglement van het Parlement verzocht om een toelichting op de kennelijke tegenstrijdigheid tussen punt 3.2, eerste streepje, van bijlage 3 en bijlage VII bij het Reglement van het Parlement. De voorzitter van het Parlement heeft de zaak echter niet vóór de zomerpauze aan de bevoegde commissie voorgelegd.
18 Bij brief van 9 maart 2001 heeft M. Schreyer aan de voorzitter van de Commissie begrotingscontrole in antwoord op haar verzoek een lijst toegezonden van verdachte gevallen die in 1999 naar aanleiding van controles van de Commissie aan het Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) zijn overgedragen. In die brief wordt eveneens vermeld dat een rapport betreffende de CLONG (verbindingscomité voor samenwerking met niet-gouvernementele organisaties op het gebied van de ontwikkelingshulp) reeds door P. Nielson, lid van de Commissie, aan de voorzitter van de Commissie begrotingscontrole was gezonden. Er wordt gepreciseerd dat deze documenten enkel ter beschikking van de voorzitter van die commissie en van de betrokken rapporteur, H. Rühle, zijn gesteld.
19 Op 4 april 2001 heeft het Parlement een resolutie aangenomen die de opmerkingen bevat die integraal deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 1999, en waarvan punt 1 luidt als volgt:
[Het Parlement] betreurt dat de Commissie ook na de sluiting van het kaderakkoord bepaalde door de kwijtingsautoriteit gevraagde informatie en documenten niet ter beschikking heeft gesteld;
[...]
verzoekt derhalve in het licht van deze ervaringen om herziening van het kaderakkoord, waarbij de volgende basisbeginselen gelden:
a) bevestiging van het recht van ieder lid van het Parlement om van de Commissie in overeenstemming met artikel 197 van het EG-verdrag in voorkomende gevallen ook vertrouwelijke informatie te verlangen en te ontvangen;
b) onbeperkt gebruik van de bepalingen in Bijlage VII van het Reglement ten behoeve van het onderzoeken van vertrouwelijke documenten, met inbegrip van het recht van ieder Commissielid om vertrouwelijke documenten te onderzoeken;
c) beschikbaarstelling van alle originele documenten zonder voorafgaande wijzigingen of doorhalingen."
20 In een op 31 mei 2001 aan de voorzitter van het Parlement gestelde schriftelijke vraag heeft G. Stauner verzocht om een toelichting op de maatregelen die zijn genomen om de door het Parlement verzochte hervorming van het kaderakkoord te bewerkstelligen. Op de datum van de indiening van dit verzoek in kort geding was deze vraag nog steeds niet beantwoord.
21 Op 3 augustus 2001 hebben G. Stauner en vier andere leden, verzoekers in het hoofdgeding, krachtens de artikelen 108 en 109 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een verzoek ingediend om opschorting van de tenuitvoerlegging van de punten 3.2, eerste streepje en 3.3 van bijlage 3, alsmede om toezending aan alle leden van de Commissie begrotingscontrole van de informatie in de documenten die de Commissie op 9 februari en 9 maart 2001 aan het Parlement heeft gezonden.
22 De vijf leden behoren tot de indieners van het verzoek in kort geding dat bij de reeds genoemde beschikking Stauner e.a./Parlement en Commissie is afgewezen. Deze vijf leden zijn benoemde leden van de Commissie begrotingscontrole.
23 De Commissie en het Parlement hebben hun opmerkingen over dit nieuwe verzoek op 14 respectievelijk 27 augustus 2001 ingediend.
In rechte
24 Ingevolge het bepaalde in de artikelen 242 EG en 243 EG juncto artikel 4 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB L 319, blz. 1), zoals gewijzigd bij besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 (PB L 144, blz. 21), kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden het vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling of de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.
25 In de reeds aangehaalde beschikking Stauner e.a./Parlement en Commissie was de president van het Gerecht in het kader van het onderzoek van het middel van niet-ontvankelijkheid, dat berustte op de niet-ontvankelijkheid van het beroep in het hoofdgeding, van oordeel dat [het kaderakkoord] niet tot doel heeft het recht van de afgevaardigden om individueel vragen te stellen, te beperken, maar enkel om het Parlement in staat te stellen ruimere controle uit te oefenen op de werkzaamheid van de Commissie door van deze vertrouwelijke informatie te verkrijgen waarvan de verstrekking voordien niet was geregeld" (punt 48).
26 Vervolgens was hij van oordeel:
49 De bepaling van het kaderakkoord, dat bepaalde informatie enkel aan de in punt 1.4 van bijlage 3 genoemde parlementaire instanties kan worden verstrekt - te weten de voorzitter van het Parlement, de voorzitters van de betrokken parlementaire commissies, het Bureau en de Conferentie van voorzitters -, betekent niet dat individueel optredende parlementsleden geen recht meer zouden hebben de Commissie vragen te stellen en van haar antwoord te krijgen, in voorkomend geval vergezeld van vertrouwelijke informatie, zoals dat vóór de vaststelling van het kaderakkoord het geval was. Hierbij zij opgemerkt, dat door het kaderakkoord zelfs niet indirect wordt geraakt aan de beoordelingsvrijheid van de Commissie om al dan niet vertrouwelijke informatie te verstrekken, wanneer zij een door een individueel parlementslid krachtens artikel 197, derde alinea, EG en overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Reglement van het Parlement gestelde vraag beantwoordt.
50 Wanneer echter een verzoek om vertrouwelijke informatie door het Parlement, dat wil zeggen door een van de in punt 1.4 van bijlage 3 bedoelde parlementaire instanties wordt gedaan, valt de verstrekking van die informatie door de Commissie thans onder de regeling van het kaderakkoord.
51 Op het eerste gezicht wordt door het kaderakkoord, dat enkel de betrekkingen tussen de Commissie en het Parlement regelt, dus geen wijziging gebracht in de rechtssituatie van individueel optredende afgevaardigden waar het hun in artikel 197, derde alinea, EG bedoeld recht betreft, wordt op het door die bepaling gewaarborgde recht geen inbreuk gemaakt, en heeft dat akkoord derhalve geen rechtsgevolgen ten aanzien van individueel optredende afgevaardigden."
27 In punt 53 kwam hij tot de slotsom: Waar bijgevolg geen serieuze steun kan worden gevonden voor de mening dat de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak niet uitgesloten is, moet het verzoek in kort geding niet-ontvankelijk worden verklaard".
28 Het onderhavige verzoek is ingediend krachtens de artikelen 108 en 109 van het Reglement voor de procesvoering.
29 Artikel 108 van het Reglement voor de procesvoering luidt:
Op verzoek van een van de partijen kan de beschikking te allen tijde op grond van een wijziging in de omstandigheden worden ingetrokken of gewijzigd."
30 Artikel 109 van hetzelfde Reglement bepaalt:
De afwijzing van een verzoek tot verkrijging van een voorlopige maatregel belet geenszins, dat de verzoeker andermaal een verzoek indient op grond van nieuwe feiten."
31 Gezien de stand van het dossier is de kortgedingrechter van mening dat hij over alle noodzakelijke elementen beschikt om te beslissen over de ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek om voorlopige maatregelen zonder dat partijen behoeven te worden gehoord.
Argumenten van partijen
32 Onder verwijzing naar de beschikking Stauner e.a./Parlement en Commissie, stelt het Parlement dat het verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging moet worden afgewezen, omdat het beroep waarop het berust kennelijk niet-ontvankelijk is.
33 De vaststelling van de president van het Gerecht dat de handeling waarvan de nietigverklaring wordt verzocht op het eerste gezicht in feite geen rechtsgevolg voor verzoekers meebrengt, is absoluut niet gewijzigd. De vermeende wijzigingen in de omstandigheden en nieuwe feiten in de zin van de artikelen 108 en 109 van het Reglement voor de procesvoering hebben strikt genomen geen enkele invloed op die vaststelling. Deze nieuwe feiten betreffen immers enkel de toepassing van punt 3.2, eerste streepje, van bijlage 3. Op grond daarvan zijn aan de leden Stauner, Seppänen en Staes geen vertrouwelijke documenten toegezonden, omdat zij geen commissievoorzitter of rapporteur zijn.
34 Volgens het Parlement kunnen de gestelde nieuwe feiten, die slechts het resultaat zijn van de normale toepassing van het kaderakkoord en van bijlage 3 hierbij, er niet toe leiden dat de in het kader van het hoofdgeding betwiste handeling meer rechtsgevolgen teweegbrengt dan die welke daaruit op 15 januari 2001 voortvloeiden.
35 Wat de voorlopige maatregelen betreft, waarmee wordt beoogd dat alle leden van de Commissie begrotingscontrole - dat wil zeggen niet alleen de vijf verzoekers, maar ook de zeven verzoekers in het hoofdgeding die zich niet bij dit nieuwe verzoek hebben aangesloten en de dertig andere leden van deze commissie die geen beroep bij het Gerecht hebben ingesteld - toegang krijgen tot de op 9 februari en 9 maart 2001 krachtens punt 3.2, eerste streepje, van bijlage 3 aan het Parlement gezonden documenten, stelt het Parlement dat artikel 104 van het Reglement voor de procesvoering niet van toepassing is. Bovendien beklemtoont het dat er tussen de toezending van die documenten en de indiening van dit verzoek veel tijd is verstreken.
36 De Commissie betoogt in de eerste plaats dat de verzoeken kennelijk niet-ontvankelijk zijn, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de artikelen 108 en 109 van het Reglement voor de procesvoering. De vermeende wijziging in de omstandigheden of de nieuwe feiten die zich sinds 15 januari 2001 zouden hebben voorgedaan, bestaan hierin dat de Commissie in twee gevallen met toepassing van punt 3.2, eerste streepje, van bijlage 3 alleen aan de voorzitter van de Commissie begrotingscontrole en aan de rapporteur documenten heeft gezonden. De Commissie begrijpt niet waarom die gebeurtenissen nieuwe feiten" in de zin van artikel 109 van het Reglement voor de procesvoering zouden moeten vormen, omdat zij slechts een toepassing inhouden van het kaderakkoord, waarvan de tenuitvoerlegging niet is opgeschort. Met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van dit kaderakkoord wijst zij erop, dat de punten 2.2 en 2.3 van bijlage 3 voorzien in een specifieke geschillenregeling.
37 In de tweede plaats komt zij op grond van de beschikking Stauner e.a./Parlement en Commissie tot de slotsom dat dit verzoek moet worden afgewezen, omdat het beroep waarop het berust kennelijk niet-ontvankelijk is.
38 In de derde plaats stelt de Commissie dat het verzoek om toezending van bepaalde documenten aan alle leden van de begrotingscommissie in strijd is met het kaderakkoord. Wanneer punt 3.2, eerste streepje, van bijlage 3 voorlopig niet van toepassing is, zou dat niet tot gevolg hebben dat alle leden van de betrokken commissie onbeperkt toegang tot de documenten krijgen, omdat de overige streepjes van punt 3.2 van toepassing blijven. Bovendien zou haars inziens de toegang niet kunnen worden bevolen voor leden van deze commissie die geen partij in de kortgedingprocedure of in de hoofdzaak zijn.
39 Verzoekers betogen dat zich sinds de beschikking Stauner e.a./Parlement en Commissie wijzigingen in de omstandigheden en/of nieuwe feiten in de zin van de artikelen 108 en 109 van het Reglement voor de procesvoering hebben voorgedaan. Die wijzigingen in de omstandigheden en/of nieuwe feiten, die hierboven in de punten 15 tot en met 21 zijn vermeld, maken een nieuwe kortgedingbeschikking van het Gerecht noodzakelijk.
40 Het verzoek in kort geding is volgens verzoekers ontvankelijk, omdat het beroep in het hoofdgeding waarop het berust eveneens ontvankelijk is.
41 De tussen de instellingen van de Unie overeengekomen gedragsregels vormen door verweerders vastgestelde handelingen in de zin van artikel 230 EG. In hun hoedanigheid van leden van het Parlement worden verzoekers rechtstreeks en individueel door het kaderakkoord geraakt, in het bijzonder omdat het hun recht om krachtens artikel 197, derde alinea, EG vragen te stellen en controle uit te oefenen aantast.
42 De bepalingen van het kaderakkoord zijn ingevolge artikel 186, sub c, van het Reglement van het Parlement van toepassing in het Parlement en derhalve bindend voor verzoekers. Krachtens die bepalingen zijn verzoekers verplicht zich op een bepaalde wijze te gedragen en kunnen er sancties aan hen worden opgelegd indien zij zich niet aan die bepalingen houden (punt 3.3 van bijlage 3).
43 Aan de bij artikel 230 EG vastgestelde voorwaarden voor ontvankelijkheid is voldaan, omdat het kaderakkoord is bestemd om voor derden rechtsgevolgen teweeg te brengen. In dit verband raakt de uitvoering van punt 3.2, eerste streepje, van bijlage 3 verzoekers rechtstreeks en individueel in hun rechten als leden van het Parlement en van de Commissie begrotingscontrole, aangezien bijlage VII bij het Reglement van het Parlement alle leden van een dergelijke commissie toegang tot vertrouwelijke documenten waarborgt. Volgens verzoekers heeft de praktijk van de Commissie tot gevolg dat de verzoekers, die geen rapporteur zijn, van die toegang zijn uitgesloten.
44 Het gedrag van de Commissie schendt eveneens het recht op gelijke behandeling van Parlementsleden die in dezelfde commissie zitting hebben, omdat sommige leden wel toegang tot gevoelige documenten hebben en anderen niet.
45 De handelwijze van de Commissie maakt bovendien inbreuk op het oorspronkelijk recht van elk lid op toegang tot vertrouwelijke documenten krachtens artikel 197, derde alinea, EG, terwijl dit recht volgens de conclusie van advocaat-generaal Léger in de zaak Raad/Hautala (C-353/99 P, Jurispr. blz. I-09565, punten 52 e.v., zie ook punt 92) de status van grondrecht heeft. Verzoekers worden dus eveneens individueel en rechtstreeks geraakt in hun grondrecht op toegang tot documenten.
Beoordeling door de kortgedingrechter
46 Bij de beschikking Stauner e.a./Parlement en Commissie is het verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van het kaderakkoord afgewezen, omdat de verzoekers geen serieuze elementen naar voren hadden gebracht om aannemelijk te maken dat de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak niet was uitgesloten. Tegen die beschikking is bij het Hof geen hogere voorziening krachtens artikel 50, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG ingesteld. Hieruit volgt dat buiten de in de artikelen 108 en 109 van het Reglement voor de procesvoering bedoelde gevallen, de beschikking niet meer kan worden aangevochten.
47 Met hun argumenten willen de vijf verzoekers in wezen aantonen dat zich sinds de beschikking Stauner e.a./Parlement en Commissie wijzigingen in de omstandigheden in de zin van artikel 108 van het Reglement voor de procesvoering en/of nieuwe feiten in de zin van artikel 109 van dit Reglement hebben voorgedaan. Blijkens het verzoek bestaan die vermeende wijzigingen in de omstandigheden en/of nieuwe feiten hoofdzakelijk uit de toepassing van het kaderakkoord door de Commissie. De wijze waarop de Commissie het kaderakkoord heeft uitgevoerd zou de vijf verzoekers, in hun hoedanigheid van benoemde leden van de Commissie begrotingscontrole, schaden en de gevraagde voorlopige maatregelen rechtvaardigen.
48 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat de beslissingen van de Commissie om documenten met vertrouwelijke informatie alleen toe te zenden aan bepaalde leden van het Parlement, in casu de voorzitter van de Commissie begrotingscontrole en de betrokken rapporteur van die commissie, zijn genomen met toepassing van het kaderakkoord na de op 15 januari 2001 gegeven beschikking Stauner e.a./Parlement en Commissie. De uitvoering van het kaderakkoord is dus iets nieuws ten opzichte van de in het eerste verzoek in kort geding vermelde situatie.
49 De toepassing van het kaderakkoord kan evenwel geen wijziging in de omstandigheden of een nieuw feit in de zin van de artikelen 108 en 109 van het Reglement voor de procesvoering vormen, omdat dit geen gebeurtenis is die kan leiden tot wijziging van het oordeel van de kortgedingrechter in de beschikking Stauner e.a./Parlement en Commissie, dat het beroep in de hoofdzaak op het eerste gezicht niet-ontvankelijk is. De ontvankelijkheid van een beroep moet immers worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het verzoekschrift wordt ingediend. Indien op dat moment niet is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van beroep, is het beroep dus niet-ontvankelijk, behoudens regularisering binnen de beroepstermijn (arrest Hof van 27 november 1984, Bensider e.a./Commissie, 50/84, Jurispr. blz. 3991, punt 8).
50 Zoals reeds in de beschikking Stauner e.a./Parlement en Commissie is vastgesteld, regelt het kaderakkoord enkel de betrekkingen tussen de Commissie en het Parlement. Het wijzigt niet de rechtssituatie van individueel optredende leden met betrekking tot het hun in artikel 197, derde alinea, EG bedoelde recht, maakt geen inbreuk op het door die bepaling gewaarborgde recht, en brengt dus geen rechtsgevolgen teweeg voor individueel optredende leden. Het enkele feit dat de Commissie sinds 15 januari 2001 heeft besloten tot toezending van vertrouwelijke informatie met inachtneming van de bepalingen van het kaderakkoord, doet geen afbreuk aan deze vaststelling. Alleen op grond van de uitvoering van dit kaderakkoord kan niet worden aangenomen dat hierdoor meer rechtsgevolgen voor individueel optredende leden worden teweeggebracht dan ten tijde van het eerste verzoek in kort geding. In dit verband moet eraan worden herinnerd dat het kaderakkoord bepaalt dat enkel de in punt 1.4 van bijlage 3 genoemde parlementaire instanties de Commissie om vertrouwelijke informatie kunnen verzoeken en dat de toegang en de wijze waarop de informatie vertrouwelijk wordt gehouden, kunnen worden vastgesteld aan de hand van een aantal in punt 3.2 van die bijlage genoemde keuzemogelijkheden.
51 Aangezien het kaderakkoord alleen beoogt de betrekkingen tussen de Commissie en het Parlement te regelen, staat het aan laatstgenoemde instelling om de vermeende tegenstrijdigheid tussen punt 3.2, eerste streepje, van bijlage 3 en bijlage VII van het Reglement van het Parlement op te lossen. Gesteld dat er, zoals verzoekers betogen, een werkelijke tegenstrijdigheid tussen de genoemde bepalingen bestaat, dan nog moet worden beklemtoond dat de rechtsgevolgen van het kaderakkoord binnen het kader van de interne organisatie van de werkzaamheden van het Parlement blijven en de vermeende tegenstrijdigheid aan de in zijn Reglement vastgestelde verificatieprocedures kan worden onderworpen (beschikkingen Hof van 4 juni 1986, Groupe des droites européennes/Parlement, 78/85, Jurispr. blz. 1753, punt 11 en 22 mei 1990, Blot et Front national/Parlement, C-68/90, Jurispr. blz. I-2101, punt 12; arrest Hof van 23 maart 1993, Weber/Parlement, C-314/91, Jurispr. blz. I-1093, punt 10).
52 Hieruit volgt dat het oordeel van de kortgedingrechter in de beschikking Stauner e.a./Parlement en Commissie, dat verzoekers geen serieuze elementen hebben aangevoerd om aannemelijk te maken dat de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak niet is uitgesloten, moet worden gehandhaafd.
53 Deze bevindingen zijn voldoende om op het eerste gezicht vast te stellen dat het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk is en dat bijgevolg ook het onderhavige verzoek in kort geding in zijn geheel niet-ontvankelijk is (beschikking president van het Hof van 27 januari 1988, Distrivet/Raad, 376/87 R, Jurispr. blz. 209, punten 2 en 26; beschikking president van het Gerecht van 12 oktober 2000, Costacurta/Commissie, T-202/00 R, JurAmbt blz. I-A-205 en II-931, punten 9, 29 en 30).
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
beschikt:
1) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Full & Egal Universal Law Academy