Zaak T‑251/00 DEP
Lagardère SCA en Canal+ SA
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Begroting van kosten”
Beschikking van het Gerecht (Derde kamer – uitgebreid) van 7 december 2004
Samenvatting van de beschikking
1. Procedure – Kosten – Begroting – Invorderbare kosten – Begrip – Kosten door partijen gemaakt in aan instelling van beroep voorafgaande fase – Daarvan uitgesloten
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 91, sub b)
2. Procedure – Kosten – Begroting – In aanmerking te nemen factoren
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 91, sub b)
3. Procedure – Kosten – Begroting – In aanmerking te nemen factoren – Analyse van nieuwe en belangrijke rechtsvraag
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 91, sub b)
4. Procedure – Kosten – Begroting – In aanmerking te nemen factoren – Vragen die reeds tijdens administratieve procedure zijn gerezen – Samenwerking van verzoekers
5. Procedure – Kosten – Begroting – Invorderbare kosten – Door partijen gemaakte noodzakelijke kosten – Kosten voor bezorging van processtukken – Voorwaarden
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 43, lid 6, art. 91, sub b, en 102, lid 2)
1. Uit artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht vloeit voort dat de invorderbare kosten beperkt zijn tot enerzijds de kosten die in verband met de procedure voor het Gerecht zijn gemaakt, en anderzijds de daartoe noodzakelijke kosten.
Dienaangaande moeten de door verzoeksters in rekening gebrachte kosten van de contacten die na de vaststelling van de in de hoofdzaak bestreden beschikking en vóór de instelling van het beroep met de diensten van de Commissie hebben plaatsgehad, als niet-invorderbare kosten worden aangemerkt. Met „procedure” in artikel 91 van het Reglement voor procesvoering is namelijk alleen de procedure voor het Gerecht bedoeld met uitsluiting van de eraan voorafgaande fase, ongeacht of een vergadering met de diensten van de Commissie tot doel had, een procedure voor het Gerecht te voorkomen.
(cf. punten 21‑22)
2. Het staat niet aan de gemeenschapsrechter, de door de partijen aan hun eigen advocaten verschuldigde honoraria vast te stellen, maar hij dient te bepalen tot welk bedrag die vergoedingen kunnen worden teruggevorderd van de partij die in de kosten is verwezen. Bij de beslissing op een verzoek tot begroting van de kosten behoeft het Gerecht geen rekening te houden met een nationaal tarief van advocatenhonoraria of met een eventuele overeenkomst dienaangaande tussen de belanghebbende partij en haar gemachtigden of raadslieden.
Aangezien een tariefregeling in het gemeenschapsrecht ontbreekt, beoordeelt de gemeenschapsrechter vrijelijk de gegevens van de zaak, daarbij rekening houdend met het voorwerp en de aard van het geschil, het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad, en het economisch belang van het geschil voor de partijen.
(cf. punten 23‑24)
3. Wat het voorwerp en de aard van het geschil in de hoofdzaak alsook het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht betreft, kan de analyse van een nieuwe en belangrijke rechtsvraag, die niet werd behandeld in de administratieve procedure voor de Commissie en die verband houdt met een materie waarin de Commissie eerst in de loop van de procedure in de hoofdzaak haar nieuwe beleid heeft ontwikkeld en gepubliceerd, de inschakeling van zeer gespecialiseerde advocaten en een groot aantal arbeidsuren tegen zeer hoge tarieven rechtvaardigen, alsook de omstandigheid dat verzoeksters zich door meerdere advocaten lieten vertegenwoordigen.
(cf. punt 26)
4. Wat de hoeveelheid werk in het kader van de hoofdzaak betreft, kan de gemeenschapsrechter er rekening mee houden dat een aantal van de door verzoeksters aangevoerde middelen reeds ter sprake waren gekomen tijdens de administratieve procedure voor de Commissie en de advocaten van deze partijen als gevolg van hun deelneming aan deze andere procedure dus noodzakelijkerwijs een grondige kennis van de aan de orde zijnde vragen hadden.
Voorts kan de gemeenschapsrechter in aanmerking nemen dat verzoeksters het beroep en de andere memories gezamenlijk hebben voorbereid en gezamenlijk en niet bij afzonderlijke akten hebben ingediend, ook al werd elke verzoekster vertegenwoordigd door eigen advocaten en was er blijkbaar geen formele overeenkomst over de taakverdeling tussen hen, en er dus van uitgaan dat door de gezamenlijke indiening van de verzoekschriften minder tijd diende te worden besteed aan de voorbereiding en de opstelling van de memories door de advocaten van elk van verzoeksters. De gemeenschapsrechter kan evenwel ook in aanmerking nemen dat verzoeksters, door samen te werken, de arbeidskosten voor de tegenpartij en ook overigens voor de gemeenschapsrechter aanzienlijk hebben verminderd.
(cf. punten 29‑30)
5. Bij zijn beoordeling of de kosten voor bezorging van de memories en andere documenten aan het Gerecht noodzakelijk zijn, neemt het Gerecht in de eerste plaats in aanmerking dat er veilige en goedkope manieren zijn om deze documenten te bezorgen, in de tweede plaats dat artikel 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voorziet in een termijn wegens afstand om toezending langs conventionelere en goedkopere weg mogelijk te maken en ten slotte dat artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering voorziet in de mogelijkheid van toezending van memories via moderne communicatiemiddelen, namelijk telefax, mits het ondertekende origineel van het stuk uiterlijk tien dagen later ter griffie wordt neergelegd.
(cf. punt 34)
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid)
7 december 2004 (*)
„Begroting van kosten”
In zaak T‑251/00 DEP,
Lagardère SCA, gevestigd te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door A. Winckler, advocaat,
Canal+ SA, gevestigd te Parijs, vertegenwoordigd door J.‑P. de La Laurencie, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door F. Lelièvre en W. Wils, later door É. Gippini Fournier, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende verzoeken tot begroting van de kosten na het arrest van het Gerecht van 20 november 2002, Lagardère en Canal+/Commissie (T‑251/00, Jurispr. blz. II‑4825),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: M. Jaeger, kamerpresident, V. Tiili, J. Azizi, E. Cremona en O. Czúcz, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Feiten, procesverloop en conclusies van partijen
1 Bij arrest van 20 november 2002, Lagardère en Canal+/Commissie (T‑251/00, Jurispr. blz. II‑4825, hierna: „hoofdzaak”) heeft het Gerecht de beschikking van de Commissie van 10 juli 2000 tot wijziging van de beschikking van de Commissie van 22 juni 2000 waarbij concentraties verenigbaar met de gemeenschappelijke markt en met de werking van de EER-Overeenkomst worden verklaard (zaken COMP/JV40 – Canal+/Lagardère en COMP/JV47 – Canal+/Lagardère/Liberty Media) nietig verklaard en de Commissie verwezen in de kosten.
2 Bij brief van 6 januari 2003 heeft Lagardère de Commissie verzocht haar ter zake van haar kosten in de hoofdzaak 179 160,44 EUR te betalen. Op 16 januari 2003 heeft de Commissie Lagardère uitgenodigd haar verzoek toe te lichten. Bij brief van 12 februari 2003 heeft Lagardère een nauwkeuriger opgave van de gemaakte kosten verstrekt en haar verzoek volledig gehandhaafd. Op 10 maart 2003 heeft de Commissie geweigerd de gevraagde kosten te vergoeden en Lagardère voorgesteld haar een bedrag van 20 000 EUR te betalen.
3 Bij brief van 5 maart 2003 heeft Canal+ de Commissie verzocht haar 225 863,24 EUR te betalen ter zake van haar kosten in de hoofdzaak. Op 12 maart 2003 heeft de Commissie Canal+ uitgenodigd haar verzoek toe te lichten. Bij brief van 4 juni 2003 heeft Canal+ een nauwkeuriger opgave van de gemaakte kosten verstrekt en haar verzoek volledig gehandhaafd. Op 17 juni 2003 heeft de Commissie geweigerd de gevraagde kosten te vergoeden en Canal+ voorgesteld haar een bedrag van 20 000 EUR te vergoeden. Op 29 oktober 2003 heeft Canal+ nogmaals haar verzoek van 5 maart 2003 bij de Commissie ingediend.
4 Bij op 2 juli 2003 respectievelijk 20 april 2004 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschriften hebben Lagardère en Canal+ krachtens artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verzocht de kosten te begroten.
5 Lagardère concludeert dat het het Gerecht behage, het bedrag van de door de Commissie te vergoeden kosten vast te stellen op 179 160,44 EUR.
6 Canal+ concludeert dat het het Gerecht behage, het bedrag van de door de Commissie te vergoeden kosten vast te stellen op 228 463,24 EUR.
7 Bij op 18 augustus 2003 en 23 juli 2004 ter griffie van het Gerecht neergelegde memories heeft de Commissie haar opmerkingen over de respectieve verzoeken van Lagardère en Canal+ ingediend. De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage, de invorderbare kosten voor de twee verzoeksters vast te stellen op een tussen deze twee partijen te verdelen bedrag van 43 250 EUR.
Argumenten van partijen
Argumenten van Lagardère
8 In haar brieven van 6 januari en 12 februari 2003, waarnaar Lagardère in haar verzoek om begroting van de kosten verwijst, heeft Lagardère de Commissie verzocht om vergoeding van de als volgt gespecificeerde kosten:
– advocatenhonoraria: 407,5 uur, waarvan 72,75 uur voor een partner tegen een uurtarief van 550 tot 765 USD, 246 uur voor een ervaren advocaat tegen een uurtarief van 360 tot 480 USD en 88,75 uur voor stagiairs tegen een uurtarief van 120 tot 190 USD, dus in totaal ongeveer 167 000 EUR aan advocatenhonoraria, nader gespecificeerd in vier declaraties betreffende in wezen de kosten van 1) een vergadering met de diensten van de Commissie op 27 juli 2000 alsook de voorbereiding en de opstelling van het verzoekschrift in de hoofdzaak, 2) de opstelling van opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid, 3) de voorbereiding en de opstelling van de repliek alsook de analyse van het verweerschrift en de dupliek en 4) de voorbereiding van de opmerkingen over de maatregelen tot organisatie van de procesgang van het Gerecht en de terechtzitting;
– telecommunicatiekosten (telefoon en telefax): ongeveer 1 819 EUR;
– kosten van de aanmaak van documenten (kopiëren en brocheren, extra secretariaatswerk): ongeveer 4 254 EUR;
– bezorgingskosten (expresbrieven, zegels, persoonlijke overhandiging): ongeveer 360 EUR;
– taxikosten voor de indiening van processtukken bij het Gerecht en reiskosten: ongeveer 3 985 EUR.
9 Volgens Lagardère is de tijd die de advocaten aan het geschil hebben besteed, niet overdreven gelet op het voorwerp en de aard van het geschil, het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht, en de economische belangen van het geschil voor partijen. In de hoofdzaak waren complexe en nieuwe rechtsvragen aan de orde en was dus zeer omvangrijk opzoekings‑ en uitleggingswerk noodzakelijk. Met name als gevolg van de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid moest in casu een groot aantal memories worden ingediend. In het belang van de proceseconomie en om de arbeidstijd voor de zaak te verminderen moest bij de opstelling van de memories het werk tussen de advocaten van de drie verzoeksters bovendien worden gecoördineerd daar het beroep door drie verzoeksters was ingesteld, waarvan één na het einde van de schriftelijke procedure afstand van instantie deed. Lagardère wijst erop dat de advocaten van verzoeksters bij de voorbereiding van het verzoekschrift en van de andere memories, die gezamenlijk en niet afzonderlijk zijn ingediend, hebben samengewerkt; een formele overeenkomst over de taakverdeling tussen deze advocaten was echter niet gesloten.
10 Lagardère stelt dat de zaak van invloed is geweest op haar economische belangen omdat, zoals het Gerecht in punt 111 van het arrest in de hoofdzaak heeft vastgesteld, de bestreden beschikking bij haar rechtsonzekerheid over de geldigheid van een aantal contractbepaling veroorzaakte. Volgens Lagardère is het aantal uren van de betrokken advocaten en het uurtarief van hun honoraria redelijk gezien de rechtspraak van het Gerecht. De verwijzing naar het gemiddelde uurtarief van de honoraria van advocaten in andere zaken is niet terzake dienend, aangezien het bedrag van de uitgaven per geval moet worden vastgesteld.
11 Lagardère stelt dat de „taxikosten” hoofdzakelijk de kosten omvatten van de neerlegging van de processtukken ter griffie van het Gerecht. Wat de kosten voor de vergadering van 27 juli 2000 betreft, wijst Lagardère er voorts op dat deze vergadering tot doel had de intrekking van de beschikking van 10 juli 2000 te verkrijgen en aldus een beroep bij het Gerecht te voorkomen.
Argumenten van Canal+
12 In haar brieven van 5 maart en 4 juni 2003, waarnaar Canal+ in haar verzoek om begroting van de kosten verwijst, heeft Canal+ de Commissie verzocht om vergoeding van de als volgt gespecificeerde kosten:
– advocatenhonoraria: 594 uur tegen een uurtarief van 414 tot 572 USD voor partners en ervaren advocaten en van 120 tot 150 USD voor stagiairs, dus in totaal ongeveer 216 662 EUR aan advocatenhonoraria, gespecificeerd in zes declaraties betreffende in wezen 1) contacten met de diensten van de Commissie na de vaststelling van de in de hoofdzaak bestreden beschikking, en de voorbereiding en opstelling van het verzoekschrift in de hoofdzaak, 2) de opstelling van opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid, 3) de opstelling van de repliek, 4) de opstelling van de opmerkingen over de dupliek, 5) de opstelling van opmerkingen over de maatregelen tot organisatie van de procesgang van het Gerecht, en 6) de terechtzitting;
– overige diverse kosten (reiskosten, bezorgingskosten, kopieën, telefoon en telefax): 9 201 EUR;
– kosten van de voorbereiding en indiening van het onderhavige verzoek om begroting van de kosten: 2 600 EUR.
13 De kosten van de contacten met de diensten van de Commissie na de vaststelling van de in de hoofdzaak bestreden beschikking houden volgens Canal+ rechtstreeks verband met aan de procedure. Na de vaststelling van de in de hoofdzaak bestreden beschikking moest Canal+ zich namelijk beraden op haar toekomstige gedragslijn gelet op de door deze beschikking veroorzaakte onzekerheid, en nagaan of beroep ertegen opportuun was.
14 Volgens Canal+ waren alle overige kosten noodzakelijk in verband met de procedure voor het Gerecht. Het bedrag van de advocatenhonoraria is volgens Canal+ gerechtvaardigd wegens de complexiteit van de zaak, waarin rechtsvragen rezen die de gemeenschapsrechter nog niet had onderzocht. Bovendien, aldus Canal+, heeft zij gedeeltelijk door de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid een ongebruikelijk groot aantal memories moeten indienen. Door deze complexiteit van de zaak waren ook verschillende advocaten noodzakelijk die een groot aantal uren hebben moeten presteren. Het uurtarief komt overigens overeen met het gewoonlijk door gespecialiseerde advocaten toegepaste tarief. Voorts, aldus Canal+, was het geschil in de hoofdzaak niet alleen voor haar van groot economisch belang, maar rezen er ook zeer belangrijke vragen vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht.
15 Ten slotte, aldus Canal+, dienen in het onderhavige verzoek tevens de specifiek voor de procedure van begroting van de kosten gemaakte kosten namelijk 2 600 EUR te worden meegerekend, aangezien het Gerecht bij de vaststelling van de invorderbare kosten rekening houdt met alle omstandigheden van de zaak tot zijn uitspraak en niet afzonderlijk beslist op de door partijen voor deze fase van de procedure gemaakte kosten.
Argumenten van de Commissie
16 Volgens de Commissie was de hoofdzaak alleen op het punt van de ontvankelijkheid van het beroep relatief complex. Daarentegen was er, anders dan in de gewoonlijk bij het Gerecht aanhangig gemaakte mededingingszaken, geen enkele complexiteit wat de feiten betrof. Derhalve behoefde de opstelling van de memories volgens de Commissie slechts een derde tot de helft van het gewoonlijk voor een mededingingszaak vereiste werk te vergen. Bijgevolg acht zij het door de twee verzoeksters gedeclareerde aantal uren kennelijk overdreven. De Commissie betwist dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid meer tijd van de advocaten van verzoeksters vereiste dan zij hoe dan ook nodig hadden voor de opstelling van het verzoekschrift en de repliek in de hoofdzaak.
17 Voorts kon de zaak haars inziens de inschakeling van zeven partners en vier medewerkers van de verschillende betrokken advocatenkantoren vereisen. Bovendien kunnen sommige van de berekende arbeidsuren duidelijk niet als noodzakelijk in verband met de procedure voor het Gerecht worden beschouwd. Voorzover verzoeksters stellen dat de activiteiten van al hun advocaten in de hoofdzaak moesten worden gecoördineerd, is volgens de Commissie geen enkele nuttige weerslag van deze coördinatie op het bedrag van de hier te begroten kosten te vinden.
18 Volgens de Commissie ligt het uurtarief van de advocaten van verzoeksters duidelijk hoger dan het door gespecialiseerde advocaten gewoonlijk toegepaste tarief. Ook al erkent de rechtspraak geen referentiehonoraria zodat per geval moet worden beoordeeld of de gemaakte kosten redelijk zijn, zijn precedenten en enige vergelijkingspunten nuttig om willekeur en onbillijkheid te beperken. Dienaangaande verwijst zij naar de beschikking van 10 januari 2002, Starway/Raad (T‑80/97 DEP, Jurispr. blz. II‑1, punt 36) waarin het Gerecht een uurtarief van 285,05 EUR bij de berekening van de invorderbare kosten in aanmerking nam.
19 De kosten in verband met de vergadering van 27 juli 2000 betreffen volgens de Commissie de precontentieuze fase. Bovendien acht zij de post diverse kosten van Lagardère overdreven. Met name kan voor kopieën van documenten redelijkerwijs geen 0,16 EUR per bladzijde worden gerekend, wanneer de handelsprijs voor deze diensten minder dan 0,02 EUR per bladzijde is. Ook betwist de Commissie, wat de „taxikosten” betreft, dat het in de zin van artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering noodzakelijk was in verband met de procedure voor het Gerecht om processtukken geregeld per taxi bij het Gerecht te bezorgen.
20 Ten slotte betwist de Commissie dat de zaak van bijzonder economisch belang voor Lagardère of van fundamenteel belang uit het oogpunt van het gemeenschapsrecht was.
Beoordeling door het Gerecht
21 Volgens artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering worden als invorderbare kosten aangemerkt „de door partijen in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten, in het bijzonder de reis‑ en verblijfkosten en het honorarium van de gemachtigde, raadsman of advocaat”. Uit deze bepaling vloeit voort dat de invorderbare kosten beperkt zijn tot enerzijds de kosten die in verband met de procedure voor het Gerecht zijn gemaakt, en anderzijds de daartoe noodzakelijke kosten.
22 Om te beginnen moeten de door verzoeksters in rekening gebrachte kosten van de contacten die met de diensten van de Commissie na de vaststelling van de in de hoofdzaak bestreden beschikking en vóór de instelling van het beroep hebben plaats gehad, als niet-invorderbare kosten worden aangemerkt. Met „procedure” in artikel 91 van het Reglement voor procesvoering is namelijk enkel de procedure voor het Gerecht bedoeld met uitsluiting van de eraan voorafgaande fase (zie beschikking Starway/Raad, reeds aangehaald, punt 25, en de aldaar vermelde rechtspraak), ongeacht of de betrokken vergadering, zoals Lagardère stelt, tot doel had een procedure voor het Gerecht te voorkomen.
23 Wat de kosten in verband met de procedure voor het Gerecht betreft, is het vaste rechtspraak dat, aangezien een tariefregeling in het gemeenschapsrecht ontbreekt, het Gerecht de gegevens van de zaak vrijelijk beoordeelt, daarbij rekening houdend met het onderwerp en de aard van het geschil, het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad, en het economisch belang van het geschil voor de partijen (zie beschikking Starway/Raad, reeds aangehaald, punt 27, en de aldaar vermelde rechtspraak).
24 In het bijzonder staat het volgens vaste rechtspraak niet aan de gemeenschapsrechter om de door de partijen aan hun eigen advocaten verschuldigde honoraria vast te stellen, maar dient hij te bepalen tot welk bedrag die vergoedingen kunnen worden teruggevorderd van de partij die in de kosten is verwezen. Bij de beslissing op een verzoek tot begroting van de kosten behoeft het Gerecht geen rekening te houden met een nationaal tarief van advocatenhonoraria of met een eventuele overeenkomst dienaangaande tussen de belanghebbende partij en haar gemachtigden of raadslieden (zie beschikkingen Gerecht van 24 januari 2002, Groupe Origny/Commissie, T‑38/95 DEP, Jurispr. blz. II‑217, punt 32, en Starway/Raad, reeds aangehaald, punt 26, en de aldaar vermelde rechtspraak).
25 Op basis van deze criteria dient in casu het bedrag van de invorderbare kosten te worden vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de volgende beoordelingsfactoren.
26 Wat om te beginnen het onderwerp en de aard van het geschil alsook het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht betreft, is in de zaak een nieuwe en belangrijke rechtsvraag gerezen. Daar de Commissie in haar exceptie van niet-ontvankelijkheid in wezen had gesteld dat de in de hoofdzaak bestreden beschikking geen bezwarende handeling vormde, diende de omvang te worden geanalyseerd van de verplichtingen van de Commissie bij de beoordeling van aangemelde bijkomende beperkingen in het kader van een concentratie krachtens verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 395, blz. 1). Deze vraag was niet behandeld in de administratieve procedure voor de Commissie. Bovendien had de Commissie eerst in de loop van de procedure in de hoofdzaak haar nieuwe beleid inzake de behandeling van bijkomende beperkingen in het kader van de concentratieprocedures ontwikkeld en gepubliceerd. De analyse van deze vraag, met name in het kader van de opmerkingen van partijen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid, rechtvaardigde dan ook de inschakeling van zeer gespecialiseerde advocaten en een groot aantal arbeidsuren tegen zeer hoge tarieven, alsook de omstandigheid dat verzoeksters zich door meerdere advocaten lieten vertegenwoordigen (zie in die zin beschikking Starway/Raad, reeds aangehaald, punt 31, en de aldaar vermelde rechtspraak).
27 Evenzo heeft de voorbereiding van de memories in de hoofdzaak over deze vraag zeker aanzienlijk opzoekwerk noodzakelijk gemaakt en andere kosten zoals de reproductie van documenten veroorzaakt.
28 Wat de honoraria voor de opstelling van de andere memories dan de voormelde opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid betreft, dient evenwel in aanmerking te worden genomen dat de zaak, met uitzondering van deze specifieke rechtsvraag, in juridisch of feitelijk opzicht niet bijzonder complex was. Evenmin was het dossier in de hoofdzaak buitengewoon omvangrijk.
29 Bovendien was een aantal van de door verzoeksters in de hoofdzaak aangevoerde middelen reeds ter sprake gekomen tijdens de administratieve procedure voor de Commissie en hadden de advocaten van deze partijen als gevolg van hun deelneming aan deze andere procedure dus noodzakelijkerwijs een grondige kennis van de aan de orde zijnde vragen.
30 Voorts neemt het Gerecht in aanmerking dat verzoeksters het beroepschrift en de andere memories gezamenlijk hebben voorbereid en gezamenlijk en niet bij afzonderlijke akten hebben ingediend, ook al werd elke verzoekster vertegenwoordigd door eigen advocaten en was er blijkbaar geen formele overeenkomst over de taakverdeling tussen hen. In een dergelijke situatie behoefde, ook al moest elke partij alle in de loop van de procedure voor het Gerecht opgeworpen vragen zelf beoordelen en moesten de advocaten van de verschillende partijen hun werk coördineren, zoals Lagardère stelt, door de gezamenlijke indiening van de verzoekschriften toch enigszins minder tijd te worden besteed aan de voorbereiding en de opstelling van de memories door de advocaten van elk van verzoeksters in de hoofdzaak. Het Gerecht neemt evenwel ook in aanmerking dat verzoeksters in de hoofdzaak, doordat zij het beroepschrift en de overige memories gezamenlijk en niet bij afzonderlijke akten hebben ingediend, de arbeidskosten voor de tegenpartij en ook overigens voor het Gerecht aanzienlijk hebben verminderd.
31 Ten slotte stonden in de zaak de economische belangen van verzoeksters op het spel, omdat de geldigheid van de concentratie door de in de hoofdzaak bestreden beschikking in zekere zin op losse schroeven werd gezet. Vergeleken met de gebruikelijke concentratiezaken kan hier evenwel niet worden gesproken van uitzonderlijke economische belangen voor deze partijen.
32 Gelet op de voorgaande beoordelingsfactoren acht het Gerecht in het kader van de kostenbegroting om te beginnen het voor het geding in rekening gebrachte aantal uren van de advocaten van verzoeksters (namelijk 407,5 uur voor Lagardère en 594 uur voor Canal+) overdreven en acht het billijk het bedrag van de invorderbare kosten voor de advocatenhonoraria, met inachtneming van de kosten voor de onderhavige procedure van begroting van de kosten, vast te stellen op 40 000 EUR per verzoekster, dus op 80 000 EUR voor de honoraria van de advocaten van de twee verzoeksters samen.
33 Wat de door Lagardère voor het geding in rekening gebrachte overige kosten betreft, is het Gerecht van oordeel dat deze partij niet heeft aangetoond dat deze kosten, namelijk voor telecommunicatie (1 819 EUR), de aanmaak van documenten (4 254 EUR), bijzondere bezorgingsdiensten en postzegels (360 EUR) en de reiskosten (3 985 EUR) in hun geheel genomen noodzakelijk waren in verband met de procedure voor het Gerecht.
34 In het bijzonder kan het in beginsel niet als in verband met de procedure voor het Gerecht noodzakelijk worden beschouwd, dat memories en andere documenten per taxi bij het Gerecht worden bezorgd. In de eerste plaats zijn er andere veilige en onmiskenbaar goedkopere manieren om documenten bij het Gerecht te bezorgen. In de tweede plaats voorziet artikel 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering in een termijn wegens afstand om toezending langs conventionelere en minder dure weg mogelijk te maken. Ten slotte voorziet artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering sinds 1 februari 2001, dat wil zeggen sinds een tijdstip gelegen in de loop van de schriftelijke procedure in de hoofdzaak, in de mogelijkheid van toezending van memories via moderne communicatiemiddelen, namelijk telefax, mits het ondertekende origineel van het stuk uiterlijk tien dagen later ter griffie wordt neergelegd. Gelet op de taxikosten die Lagardère in rekening brengt voor de bezorging van de memories en andere stukken, lijken de kosten van telecommunicatie, met name van telefax, in het kader van de kostenbegroting eveneens ruimschoots overdreven.
35 Aangezien Lagardère de bestemming van deze verschillende kosten niet nauwkeurig specificeert, acht het Gerecht het redelijk de invorderbare kosten ter zake vast te stellen op 6 000 EUR.
36 Canal+ heeft de voor het geding in rekening gebrachte overige kosten zeer nauwkeurig gespecificeerd. Gelet hierop en op het feit dat de kosten voor telecommunicatie en telefax in het kader van de kostenbegroting ruimschoots overdreven lijken, acht het Gerecht het redelijk de ter zake daarvoor invorderbare kosten voor Canal+ op 8 500 EUR vast te stellen.
37 Derhalve acht het Gerecht het billijk de invorderbare kosten voor Lagardère op 46 000 EUR en voor Canal+ op 48 500 EUR vast te stellen.
38 Daar het Gerecht bij de vaststelling van de invorderbare kosten rekening houdt met alle omstandigheden van de zaak tot het tijdstip van zijn uitspraak, behoeft niet afzonderlijk te worden beslist over de kosten die partijen voor de onderhavige kostenbegrotingsprocedure hebben gemaakt (zie in die zin beschikking Starway/Raad, reeds aangehaald, punt 39).
HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid)
beschikt:
1) De door de Commissie aan Lagardère in zaak T‑251/00 te vergoeden kosten worden vastgesteld op 46 000 EUR.
2) De door de Commissie aan Canal+ in zaak T‑251/00 te vergoeden kosten worden vastgesteld op 48 500 EUR.
Luxemburg, 7 december 2004.
De griffier
De president van de Derde kamer
H. Jung
M. Jaeger
* Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy