Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
1. Kort geding - Voorwaarden voor ontvankelijkheid - Verband van gevraagde maatregel met in hoofdzaak gevorderde - Voorlopig en geen definitief karakter
(Art. 242 EG en 243 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
2. Kort geding - Voorwaarden voor ontvankelijkheid - Toepasselijkheid van voorwaarden voor beroep tot nietigverklaring op vorderingen in kort geding - Voorlopige maatregelen die positie van verzoeker niet kunnen wijzigen, of niet beperkt zijn tot diens bijzondere situatie - Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230 EG, 242 EG en 243 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
3. Procedure - Rechten en verplichtingen van gemachtigden, raadslieden en advocaten - Instellen door advocaat van aantal kennelijk niet-ontvankelijke en/of ongegronde vorderingen betreffende zelfde feiten - Misbruik van procedure - Gedrag dat onverenigbaar is met waardigheid van Gerecht - Toepassing van artikel 41, lid 1, van Reglement voor procesvoering
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 41, lid 1)
Samenvatting
1. De rechter in kort geding is niet bevoegd een voorlopige maatregel te gelasten die geen verband houdt met de vorderingen van verzoeker in de hoofdzaak. Bovendien moeten de in kort geding gevraagde maatregelen een voorlopig en niet-definitief karakter hebben en mogen zij derhalve niet prejudiciëren op de uitslag van de hoofdzaak.
( cf. punten 24-25 )
2. De redenering dat een particulier op grond van artikel 230, vierde alinea, EG geen maatregelen met werking erga omnes kan verkrijgen, doch alleen recht heeft op een maatregel voorzover de handeling waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd, zijn eigen rechtspositie aanmerkelijk kan wijzigen, is van toepassing op vorderingen in kort geding. Verzoeken om voorlopige maatregelen die ofwel niet specifiek de eigen rechtspositie van verzoeker kunnen wijzigen, ofwel niet beperkt zijn tot diens eigen bijzondere situatie, zijn kennelijk niet-ontvankelijk.
( cf. punt 26 )
3. Het gedrag van een advocaat die volhardt in het indienen, respectievelijk instellen van kennelijk niet-ontvankelijke en/of ongegronde verzoeken en beroepen die nagenoeg steeds betrekking hebben op dezelfde feiten, en telkens weer zijn gebaseerd op ongegronde beweringen betreffende de kennelijke onwettigheid van de bestreden beschikkingen van de betrokken gemeenschapsinstelling, dan wel betreffende kwade trouw of plichtsverzuim van die instelling, levert een duidelijk misbruik van procedure op.
In geval van een dergelijk misbruik kan het Gerecht overwegen gebruik te maken van zijn bevoegdheid ex artikel 41, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering tegen de advocaat die zich gedraagt op een wijze die met de waardigheid van het Gerecht onverenigbaar is, of die van de hem met het oog op zijn functie toegekende rechten een ander gebruik maakt dan waartoe die rechten hem zijn verleend.
( cf. punten 40-41 )
Partijen
In zaak T-302/00 R,
Anthony Goldstein, wonende te Harrow, Middlesex (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door R. St. John Murphy, solicitor,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Oliver en R. Lyal als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek om voorlopige maatregelen in het kader van een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG van de beschikking van de Commissie van 7 juli 2000 tot afwijzing van verzoekers klacht betreffende een gestelde schending van de artikelen 81 EG en 82 EG door de General Medical Council,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Feiten en procesverloop
1 Verzoeker is een Brits onderdaan, woonachtig in het Verenigd Koninkrijk van Groot Brittannië en Noord-Ierland. Hij is een gekwalificeerd arts die in het Verenigd Koninkrijk een opleiding heeft gevolgd in de reumatologie. In januari 1990 ontving hij een Certificate of Specialist Training (specialistendiploma reumatologie) van de General Medical Council (hierna: GMC"), het wettelijk lichaam dat regels opstelt, dokters inschrijft en tuchtrechtelijk toezicht op hen uitoefent in het Verenigd Koninkrijk.
2 Op 10 augustus 1993 diende verzoeker bij de Commissie op basis van artikel 3 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag (thans de artikelen 81 EG en 82 EG) (PB 1962, 13, blz. 204), een klacht in wegens beweerdelijk mededingingsbeperkende regels die werden toegepast door de GMC.
3 Bij brief van 7 juli 2000 deelde de Commissie verzoeker overeenkomstig artikel 3, lid 2, van verordening nr. 17 haar eindbeschikking mee, waarbij zij diens klacht inzake de beweerdelijke schendingen van de artikelen 81 EG en 82 EG door de GMC afwees (hierna: bestreden beschikking").
4 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 september 2000, heeft verzoeker beroep ingesteld tot nietigverklaring van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de Commissie in de kosten.
5 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 31 januari 2001, heeft verzoeker overeenkomstig de artikelen 242 EG en 243 EG het onderhavige verzoek om voorlopige maatregelen ingediend. Hij verzoekt de president van het Gerecht:
- te verklaren dat de toepassing van de communautaire mededingingsregels op het bij richtlijn 93/16/EEG van de Raad ingevoerde regelgevend kader, berust op een verplichting tot loyale samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties enerzijds en de Commissie en de communautaire rechterlijke instanties anderzijds, binnen welke context elk handelt overeenkomstig de rol die haar bij het Verdrag is toebedeeld;
- te verklaren dat de bestreden beschikking de handhaving goedkeurt van een onwettige economische sector op de markt voor gespecialiseerde medische dienstverrichtingen in heel het Verenigd Koninkrijk;
- te verklaren dat de bestreden beschikking de bevoegdheden van de nationale mededingingsautoriteiten en de nationale rechterlijke instanties in de hele Gemeenschap aanzienlijk inperkt, en aldus leidt tot een verbod op de opheffing van de onwettige economische sector en het verbod op de vorming van een wettige economische sector in de relevante markt;
- te verklaren dat de bestreden beschikking een maatregel lijkt te zijn die zelfs de schijn van wettigheid ontbeert, aangezien de Commissie, wanneer zij de uitoefening beoordeelt van een recht dat voortvloeit uit een bepaling van gemeenschapsrecht, namelijk een richtlijn van de Raad, de werkingssfeer van deze bepaling niet kan wijzigen of het door deze bepaling nagestreefde doel niet in gevaar mag brengen;
- te gelasten dat de bestreden beschikking met onmiddellijke ingang wordt opgeschort, totdat het Gerecht uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak, voorzover de Commissie de communautaire aard en gevolgen verhult van het specifieke wettelijke kader dat het beroep van medicus regelt, teneinde richtlijn 84/450/EEG van 10 september 1984 zinledig te maken met betrekking tot misleidende reclame in de gespecialiseerde medische dienstverlening, voorzover de lidstaten geen maatregelen meer kunnen treffen ter bestrijding van dergelijke misleidende reclame door de General Medical Council, zulks in tegenspraak met de uitdrukkelijke bedoeling van de gemeenschapswetgever;
- de Commissie te verwijzen in de kosten".
6 Het verzoek is aan de Commissie betekend. Op 21 februari 2001 heeft laatstgenoemde schriftelijke opmerkingen ingediend, waarin zij concludeert tot afwijzing van het verzoek en verwijzing van verzoeker in de kosten.
7 Na de kennisgeving van het onderhavige verzoek aan de Commissie, maar vóór de ontvangst van haar opmerkingen, diende verzoeker op 14 februari 2001 ter griffie van het Gerecht een verzoek in om nadere voorlopige maatregelen in de hoofdzaak waarop ook het onderhavige verzoek betrekking heeft. Dit aanvullende verzoek, dat niet aan de Commissie is betekend, werd ingeschreven onder nummer T-302/00 R II en vormt het voorwerp van een afzonderlijke beschikking van heden.
8 Tijdens de hoorzitting voor de president van het Gerecht op 8 maart 2001 zijn door verzoeker en de Commissie opmerkingen ingediend met betrekking tot het onderhavige verzoek. Verzoeker werd vertegenwoordigd door P. Marks, barrister, die door verzoekers solicitor, R. St. John Murphy, was aangewezen om verzoeker tijdens de hoorzitting te vertegenwoordigen. De gemachtigden van partijen hebben tijdens de hoorzitting vragen beantwoord van de president, die verzoekers raadsman uitdrukkelijk wees op de verplichtingen die op hem en, met name, op R. St. John Murphy rustten ingevolge artikel 41, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
In rechte
9 Ingevolge de artikelen 242 EG en 243 EG juncto artikel 4 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB L 319, blz. 1), zoals gewijzigd bij besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 (PB L 144, blz. 21), kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling of de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.
10 Artikel 104, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling slechts kan worden ontvangen indien de verzoeker tegen die handeling beroep heeft ingesteld bij het Gerecht. Artikel 104, lid 2, van dat Reglement schrijft voor dat verzoeken tot het verkrijgen van voorlopige maatregelen een duidelijke omschrijving moeten bevatten van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter van het verzoek blijkt, alsmede van de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt. De gevraagde maatregelen moeten overeenkomstig artikel 107, leden 3 en 4, van het Reglement voor de procesvoering voorlopig zijn, aangezien zij niet mogen prejudiciëren op de rechtspunten of feitelijke punten in geding, en evenmin de gevolgen van de later in de hoofdzaak te nemen beslissing bij voorbaat ongedaan mogen maken [zie onder meer beschikking president van het Hof van 19 juli 1995, Commissie/Atlantic Container Line e.a., C-149/95 P(R), Jurispr. blz. I-2165, punt 22, en beschikking president van het Gerecht van 12 december 2000, Goldstein/Commissie, T-335/00 R, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 11, bevestigd in hogere voorziening bij beschikking president van het Hof van 14 februari 2001, Goldstein/Commissie, C-32/01 P(R), niet gepubliceerd in de Jurisprudentie]. Zij mogen niet buiten het kader vallen van de definitieve uitspraak die het Gerecht op het beroep in de hoofdzaak kan doen [zie onder meer beschikking president van het Gerecht van 27 oktober 1998, Goldstein/Commissie, T-100/98 R, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 15, en beschikking president van het Hof van 11 februari 1999, Goldstein/Commissie, C-4/99 P(R), niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 11].
11 Artikel 41, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt, onder meer, dat advocaten die zich voor het Gerecht gedragen op een wijze die met de waardigheid van het Gerecht onverenigbaar is, bij beschikking van de procedure kunnen worden uitgesloten.
Argumenten van verzoeker
12 Wat het vereiste betreft, dat verzoeken om voorlopige maatregelen de middelen rechtens dienen te bevatten op grond waarvan de voorlopige maatregel waarom is verzocht, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt, betoogt verzoeker in wezen dat de bestreden beschikking kennelijk onwettig is. Ten eerste voldoet zij volgens hem niet aan de bij verordening nr. 17 gestelde juridische voorwaarden, aangezien zij een verkeerde voorstelling geeft van de duidelijke doelstelling van richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels (PB L 165, blz. 1). Ten tweede kent de Commissie zichzelf ten onrechte de bevoegdheid toe hem een doeltreffend rechtsmiddel te weigeren voor een nationale rechterlijke instantie.
13 Met betrekking tot de beweerdelijk verkeerde voorstelling van richtlijn 93/16 voert verzoeker aan dat deze richtlijn de nationale wetten inzake de relatie tussen dokters en hun patiënten harmoniseert, en dat de gemeenschapswetgever daarmee beoogde in de gehele Gemeenschap gelijke voorwaarden te scheppen voor hen die het beroep van specialist uitoefenen. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 1 februari 1996, Aranitis (C-164/94, Jurispr. blz. I-135), en de conclusie van advocaat-generaal Léger bij dit arrest, stelt verzoeker dat de bestreden beschikking onvoldoende rekening houdt met het door richtlijn 93/16 tot regeling van het beroep van medicus gecreëerde wettelijk kader, in het bijzonder wat de voorwaarden betreft waaraan moet worden voldaan voor de verlening van de beroepstitel van dokter en specialist, en de gemeenschapsrechtelijke aard en gevolgen van deze titel. Door de markt voor gespecialiseerde medische dienstverrichtingen zo af te bakenen dat deze twee categorieën van ondernemingen omvat, namelijk enerzijds specialist doctors" en anderzijds specialist consultants", past de bestreden beschikking de mededingingsregels toe op een wijze die onverenigbaar is met het door richtlijn 93/16 gecreëerde regelgevend kader.
14 Aangaande de weigering van een doeltreffend rechtsmiddel stelt verzoeker in wezen, dat de bestreden beschikking de nationale rechter, die bevoegd is de communautaire mededingingsregels toe te passen, de mogelijkheid ontneemt om nationale voorschriften die een - ook al is het slechts tijdelijke - belemmering kunnen vormen voor de toepassing van het gemeenschapsrecht, buiten toepassing te laten.
15 Wat de spoedeisendheid van zijn verzoek betreft, betoogt verzoeker, onder verwijzing naar de beschikking van de president van het Hof van 7 juli 1981, IBM/Commissie (60/81 R en 190/81 R, Jurispr. blz. 1857), dat indien de beschikking dermate duidelijke en serieuze gebreken vertoont dat deze kennelijk elke wettelijke grondslag ontbeert, de aard en de ernst van deze onwettigheid op zich reeds volstaan om te voldoen aan het vereiste van spoedeisendheid met betrekking tot voorlopige maatregelen. Onder aanhaling van de beschikking van de president van het Hof van 26 maart 1987, Hoechst/Commissie (46/87 R, Jurispr. blz. 1549), stelt verzoeker dat zulks a fortiori het geval is wanneer, zoals in casu, de bestreden beschikking niet slechts onwettig, doch ook ongrondwettig is. De kennelijke onwettigheid van de bestreden beschikking volgt uit het feit dat de Commissie niet te goeder trouw heeft samengewerkt met de permanente vertegenwoordiger van het Verenigd Koninkrijk bij de Europese Gemeenschappen, terwijl de ongrondwettigheid het gevolg is van het feit dat zij zijn grondrecht op een eerlijk proces schendt.
Argumenten van de Commissie
16 De Commissie betwijfelt of verzoeker belang heeft bij de uitslag van de hoofdzaak, aangezien hij zijn inschrijving als medisch beroepsbeoefenaar heeft laten verlopen.
17 Volgens de Commissie is het verzoek wat de eerste vier door verzoeker gevraagde voorlopige maatregelen betreft kennelijk niet-ontvankelijk. Zo komen de tweede en de derde verklaring waarom wordt verzocht, neer op conclusies die enkel kunnen worden getrokken indien de bestreden beschikking in de hoofdzaak nietig wordt verklaard. De vierde verklaring waarom wordt verzocht, komt neer op de vaststelling dat de bestreden beschikking kennelijk ongegrond is; in feite wordt om nietigverklaring van deze beschikking verzocht middels een voorlopige maatregel, hetgeen buiten de reikwijdte van een kort geding valt, aangezien dit duidelijk zou prejudiciëren op de hoofdzaak. Bij de eerste verklaring waarom wordt verzocht, gaat het om een simpele en in wezen onomstreden juridische verklaring, die als zodanig geen verband houdt met het voorwerp van de hoofdzaak.
18 Tijdens de hoorzitting heeft de Commissie ook bestreden dat het vijfde verzoek, betreffende de opschorting van de bestreden beschikking ontvankelijk was, daar de rechter in kort geding niet bevoegd is om de uitvoering van een negatieve handeling, zijnde de in de bestreden beschikking vervatte afwijzing van verzoekers klacht van 10 augustus 1993, op te schorten.
19 Subsidiair betoogt de Commissie, dat voorzover het verzoek tot opschorting van de bestreden beschikking toch ontvankelijk mocht worden verklaard, het kennelijk ongegrond is.
20 Met betrekking tot de voorwaarde dat het beroep in de hoofdzaak aanvankelijk gerechtvaardigd moet voorkomen, merkt de Commissie op dat verzoekers zaak geheel steunt op het standpunt, op verschillende wijzen verwoord, dat de bestreden beschikking uitgaat van een verkeerde uitlegging van richtlijn 93/16, en daarmee indruist tegen de rechten die hij hieraan ontleent. Zij stelt dat verzoekers uitlegging van richtlijn 93/16 volkomen onjuist is, en de gevraagde opschorting derhalve niet aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt.
21 Wat het vereiste van spoedeisendheid betreft, merkt de Commissie op dat verzoeker niet heeft geprobeerd aan te tonen dat hij ernstige, onherstelbare schade zal lijden indien de gevraagde maatregelen niet worden toegekend. Zijn zaak steunt geheel op de bewering dat in gevallen waarin de bestreden beschikking kennelijk onwettig is, in feite een uitzondering moet worden gemaakt op de regel dat degene die om voorlopige maatregelen verzoekt, de spoedeisendheid ervan dient aan te tonen. De Commissie ontkent het bestaan van een dergelijke uitzondering. Mocht een dergelijke uitzondering toch bestaan, dan zou de onwettigheid van de bestreden beschikking boven alle twijfel verheven moeten zijn. In de onderhavige zaak is het daarentegen verzoekers uitlegging van richtlijn 93/16, volgens welke de richtlijn de opleidingsvereisten harmoniseert voor medische beroepsbeoefenaren in de hele Gemeenschap, die kennelijk onjuist is. Ook al zou zijn opvatting aangaande de betekenis van de richtlijn juist zijn, dan zou daarmee nog geen afbreuk worden gedaan aan de constatering in de bestreden beschikking dat de regel van de GMC op grond waarvan patiënten naar een specialist moeten worden verwezen door een huisarts, niet onverenigbaar is met artikel 81 EG.
22 Tijdens de hoorzitting heeft de Commissie, die erkent dat artikel 41, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van toepassing is op het optreden van verzoekers solicitor, het Gerecht evenwel uitdrukkelijk verzocht te onderzoeken of hij zich als officer of the court" heeft gekweten van zijn verplichting om met de nodige toewijding en zorgvuldigheid jegens zowel het Gerecht als verzoeker te handelen - een verplichting die volgens de Commissie geldt jegens zowel de communautaire als de nationale rechter. De Commissie wees op de 14 beroepen die verzoeker vóór het beroep waarop het onderhavige verzoek betrekking heeft, heeft ingesteld en die door het Gerecht stuk voor stuk als kennelijk niet-ontvankelijk of ongegrond zijn verworpen, op zijn talrijke, eveneens stuk voor stuk door de president van het Gerecht afgewezen vorderingen in kort geding in het kader van elk beroep, en op zijn welhaast systematisch, maar even onsuccesvol, instellen van hogere voorziening bij het Hof tegen elke beschikking van het Gerecht of diens president. Alles bij elkaar hebben de communautaire rechterlijke instanties, nadat de High Court of England and Wales op 12 december 1995 krachtens section 42 van de Supreme Court Act 1981 een vexatious-litigant order (beschikking inzake vexatoire aanwending van rechtsmiddelen) tot verzoeker had gericht, sinds 27 februari 1996 in het kader van diens diverse beroepen, verzoeken in kort geding en hogere voorzieningen 36 beschikkingen gegeven, die alle in verzoekers nadeel zijn uitgevallen. De Commissie is van mening dat de aanhoudende ondersteuning door verzoekers solicitor van dergelijke lichtzinnige en vexatoire verzoeken neerkomt op minachting voor de communautaire rechter.
Beoordeling door de president van het Gerecht
23 Het onderhavige verzoek, strekkende tot de vier verklaringen (zie punt 5 hierboven), is zonder twijfel niet-ontvankelijk.
24 Volgens vaste rechtspraak is de rechter in kort geding niet bevoegd een voorlopige maatregel te gelasten die geen verband houdt met het beroep in de hoofdzaak. De hoofdzaak waarmee het onderhavige verzoek verband houdt, betreft een beroep tot nietigverklaring van een beschikking van de Commissie tot afwijzing van een klacht van verzoeker dat bepaalde regels van de GMC inbreuk maken op de artikelen 81 EG of 82 EG. De vier verklaringen die verzoeker vordert, houden slechts indirect verband met het in de hoofdzaak gevorderde, zo er al sprake is van een verband.
25 Eveneens volgens vaste rechtspraak moeten de gevraagde voorlopige maatregelen een voorlopig en geen definitief karakter hebben. Zij mogen derhalve niet prejudiciëren op de uitslag van de hoofdzaak. Het verzoek strekkende tot het afgeven van de tweede, de derde en de vierde verklaring voldoet zonder meer niet aan dit vereiste.
26 Bovendien heeft het Gerecht reeds eerder in zijn beschikking waarbij het eerste door verzoeker tegen de Commissie ingestelde beroep werd verworpen, uitgemaakt dat een particulier op grond van artikel 230, vierde alinea, EG geen maatregelen met werking erga omnes kan verkrijgen, doch alleen recht heeft op een maatregel voorzover de handeling waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd, zijn eigen rechtspositie aanmerkelijk kan wijzigen (zie beschikking Gerecht van 16 maart 1998, Goldstein/Commissie, T-235/95, Jurispr. blz. II-523, punt 37; in hogere voorziening bevestigd bij beschikking Hof van 8 juli 1999, Goldstein/Commissie, C-199/98 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie). Deze overwegingen gelden ook voor voorlopige maatregelen. Aangezien de eerste drie verklaringen die bij wege van voorlopige voorziening worden gevorderd, ofwel niet specifiek de eigen rechtspositie van verzoeker kunnen wijzigen, ofwel niet beperkt zijn tot diens eigen bijzondere situatie, zijn zij ook om deze reden kennelijk niet-ontvankelijk.
27 Bijgevolg is het onderhavige verzoek, wat de vier door verzoeker gevraagde verklaringen betreft, kennelijk niet-ontvankelijk. Hoewel niet behoeft te worden nagegaan of het verzoek wat dit betreft in die mate niet-ontvankelijk is, dat het als vexatoir moet worden bestempeld, in de zin dat het er enkel toe strekt verweerster lastig te vallen, lijdt het geen twijfel dat het verzoek lichtzinnig is.
28 Derhalve behoeft het verzoek alleen nader te worden onderzocht voorzover het strekt tot opschorting van de bestreden beschikking.
29 De ontvankelijkheid van dit onderdeel van het verzoek wordt evenwel door de Commissie betwist, daar zij betwijfelt of verzoeker nog wel belang heeft bij een dergelijke maatregel. Aangezien verzoeker kennelijk zijn inschrijving als medisch beroepsbeoefenaar heeft laten verlopen, is het twijfelachtig of hij nog wel belang heeft bij voortzetting van de hoofdzaak.
30 Het dossier bevat geen informatie omtrent de exacte status van verzoekers inschrijving bij de GMC. In de context van het onderhavige kort geding kan hieromtrent dan ook geen standpunt worden ingenomen, aangezien dit alleen doeltreffend kan worden beoordeeld door het Gerecht, in het kader van de hoofdzaak. Het feit dat verzoeker zijn inschrijving heeft laten verlopen, indien dit het geval is, kan zeer wel direct verband houden met zijn weigering om de geldigheid te erkennen van de verwijzingsregel die het voorwerp vormt van de klacht waarvan de afwijzing aanleiding heeft gegeven tot de procedure in de hoofdzaak.
31 De ontvankelijkheid van het verzoek om opschorting van de bestreden beschikking kan derhalve niet worden uitgesloten.
32 Wat het verzoek om opschorting betreft, dient allereerst te worden nagegaan of het onderhavige verzoek voldoet aan het vereiste van spoedeisendheid.
33 Verzoeker heeft geen bijzondere materiële schade gesteld en geen gegevens verstrekt op grond waarvan het Gerecht kan bepalen of hij, indien de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking niet hangende de hoofdzaak wordt opgeschort, ernstige, onherstelbare schade zal lijden. In het bijzonder heeft verzoeker geweigerd, zijn raadsman toestemming te verlenen tijdens de hoorzitting vragen te beantwoorden aangaande zijn huidige bronnen van beroepsinkomsten, en in welke mate deze door de bestreden beschikking zijn aangetast, zo zulks al het geval is.
34 Uit hetgeen verzoeker aanvoert, blijkt dat hij de rechtvaardiging van de spoedeisendheid van de gevraagde opschorting enkel doet steunen op de niet-materiële schade die hij beweert te lijden als gevolg van de kennelijke onwettigheid van de bestreden beschikking.
35 Hetgeen verzoeker in dit verband aanvoert, is gebaseerd op een herhaling, mutatis mutandis, van bepaalde argumenten die naar voren zijn gebracht voor de president van het Hof in de reeds aangehaalde zaken IBM/Commissie en Hoechst/Commissie. In deze zaken is evenwel geen beschikking houdende voorlopige maatregelen gegeven, en de president van het Hof oordeelde, zonder zich uit te spreken over de juridische juistheid van de argumenten van verzoeksters, dat geen duidelijke onwettigheid of ongrondwettigheid was aangetoond (beschikking IBM/Commissie, punt 7, en beschikking Hoechst/Commissie, punt 31).
36 Verzoekers apodictische bewering, in het onderhavige verzoekschrift, dat hier sprake is van kennelijke onwettigheid, wordt praktisch door niets gestaafd. Zij berust op een bijzondere opvatting over de werkingssfeer van richtlijn 93/16, die niet door de Commissie wordt gedeeld. De in het verzoekschrift gegeven informatie biedt geen enkele steun voor de boude bewering van verzoeker dat de uitlegging van de Commissie van deze richtlijnen flagrant onjuist is, dan wel is ingegeven door kwade trouw, in die mate dat dit de bestreden beschikking kennelijk onwettig maakt. Op het eerste gezicht reeds blijkt de bestreden beschikking evenwel helemaal niet op enigerlei uitlegging te berusten, maar op een beoordeling van de vraag of de artikelen 81 EG en 82 EG van toepassing kunnen zijn op het gewraakte gedrag van de GMC.
37 Verzoekers uitlegging van richtlijn 93/16 is vrijwel uitsluitend gebaseerd op een citaat uit de conclusie van advocaat-generaal Léger bij het arrest van het Hof van 9 november 2000, Ingmar (C-381/98, Jurispr. blz. I-9035, I-9307). In zijn aanhaling van met name punt 33 van deze conclusie vervangt verzoeker - echter zonder het Gerecht op deze verandering te attenderen - het woord handelsagent" door specialist" en de richtlijn" door richtlijn 93/16". De richtlijn waarover de advocaat-generaal in zijn conclusie sprak, was evenwel richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten (PB L 382, blz. 17). Zoals het Hof in het arrest Ingmar heeft bevestigd, blijkt met name uit de tweede overweging van de considerans van richtlijn 86/653 duidelijk, dat de harmonisatiemaatregelen van de richtlijn onder meer tot doel hebben de beperkingen van de uitoefening van het beroep van handelsagent op te heffen, de mededingingsvoorwaarden binnen de Gemeenschap te uniformeren en de zekerheid van de handelstransacties te vergroten" (punt 23). De verwijzing naar het arrest Ingmar biedt derhalve geen steun voor het standpunt dat de beperktere uitlegging door de Commissie van de werkingssfeer van richtlijn 93/16 dusdanig onjuist is, dat zij een kennelijke fout oplevert.
38 Zonder dat behoeft te worden ingegaan op de vraag of verzoeker terecht heeft aangevoerd dat in gevallen van evidente onwettigheid er een uitzondering geldt op de normale regel dat in procedures in kort geding de spoedeisendheid moet worden aangetoond met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, is het dan ook duidelijk dat de in de hoofdzaak bestreden beschikking niet kennelijk onwettig of ongrondwettig is.
39 Aangezien verzoeker geen ernstige of onherstelbare schade heeft gesteld die hij persoonlijk als gevolg van de handhaving van de bestreden beschikking hangende de behandeling van de hoofdzaak zou lijden, dient het onderhavige verzoek te worden afgewezen, zonder dat behoeft te worden nagegaan of wordt voldaan aan het nadere vereiste van een fumus boni juris van de nietigverklaring van de bestreden beschikking, welke in het beroep in de hoofdzaak wordt gevorderd. Bijgevolg behoeft niet te worden ingegaan op de stelling van de Commissie dat het Gerecht, zelfs indien zou zijn voldaan aan het vereiste dat het beroep aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt, niet bevoegd zou zijn om de uitvoering op te schorten van een negatieve handeling, zoals vervat in de bestreden beschikking.
40 Wat de stelling van de Commissie betreft dat het Gerecht de impliciete bevoegdheid heeft om advocaten te bestraffen die volharden in het instellen van lichtzinnige en vexatoire beroepen, behoeft niet te worden onderzocht of een dergelijke bevoegdheid met betrekking tot het onderhavige verzoek bestaat. Hoe lichtzinnig, of zelfs vexatoir, het onderhavige verzoek betreffende de vier gevorderde verklaringen, ook moge zijn, dat verzoeker echt belang heeft bij de opschorting van de bestreden beschikking kan niet zonder meer worden betwijfeld. Niettemin moet worden opgemerkt dat het gedrag van een advocaat die volhardt in het indienen, respectievelijk instellen van kennelijk niet-ontvankelijke en/of ongegronde verzoeken en beroepen die nagenoeg steeds betrekking hebben op dezelfde feiten, en telkens weer zijn gebaseerd op ongegronde beweringen betreffende de onwettigheid van de bestreden beschikkingen van de betrokken gemeenschapsinstelling, dan wel betreffende kwade trouw of plichtsverzuim van die instelling, een duidelijk misbruik van procedure oplevert. In dit verband wijst het Gerecht uitdrukkelijk op artikel 41, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat bepaalt:
De raadsman of advocaat die zich voor het Gerecht, de president, een rechter of de griffier gedraagt op een wijze die met de waardigheid van het Gerecht onverenigbaar is, of die van de hem met het oog op zijn functie toegekende rechten een ander gebruik maakt dan waartoe die rechten hem zijn verleend, kan te allen tijde bij beschikking van het Gerecht van de procedure worden uitgesloten, na in de gelegenheid te zijn gesteld verweer te voeren.
Deze beschikking is onmiddellijk uitvoerbaar."
41 Hoewel voor de afwijzing van het onderhavige verzoek geen beroep behoeft te worden gedaan op artikel 41, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, zal het Gerecht, wanneer namens verzoeker met betrekking tot het voorwerp van de hoofdzaak nog meer lichtzinnige of vexatoire verzoeken om voorlopige maatregelen zullen worden ingediend, of verzoeken die apodictische, doch ongefundeerde beweringen van kennelijke onwettigheid, kwade trouw of vergelijkbare lasterlijke aanklachten bevatten, overwegen van zijn bevoegdheid ex artikel 41, lid 1, gebruik te maken.
42 Uit een en ander volgt dat het onderhavige verzoek om voorlopige maatregelen in zijn geheel moet worden afgewezen.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
beschikt:
1) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Full & Egal Universal Law Academy