Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
1. Kort geding - Voorwaarden voor ontvankelijkheid - Ontvankelijkheid van beroep in hoofdzaak - Irrelevant - Grenzen
(Art. 242 EG en 243 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 1)
2. Kort geding - Opschorting van tenuitvoerlegging - Opschorting van tenuitvoerlegging van verordening van Commissie inzake eerste fase van werkprogramma betreffende op markt brengen van biociden - Voorwaarden - Spoedeisendheid - Ernstige en onherstelbare schade - Afweging van alle betrokken belangen
(Art. 242 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2; verordening nr. 1896/2000 van de Commissie)
Samenvatting
1. Weliswaar dient de vraag of het beroep in de hoofdzaak ontvankelijk is, in beginsel niet in het kader van een kort geding te worden onderzocht, teneinde de zaak ten gronde niet te prejudiciëren, maar wanneer wordt gesteld dat het beroep in de hoofdzaak waarmee het verzoek in kort geding verband houdt, kennelijk niet-ontvankelijk is, kan het niettemin noodzakelijk blijken, vast te stellen of er bepaalde elementen bestaan waardoor aannemelijk wordt dat dat beroep op het eerste gezicht ontvankelijk is.
( cf. punt 73 )
2. De doelstelling van het kort geding is, de volle werking van het in de hoofdzaak te wijzen arrest te verzekeren. Daartoe dienen de gevraagde maatregelen spoedeisend te zijn in die zin dat zij, om een ernstige en onherstelbare aantasting van de belangen van de verzoeker te voorkomen, moeten worden getroffen en effect moeten sorteren vóór de uitspraak van de beslissing in de hoofdzaak. Uitzonderingen daargelaten, kan financiële schade niet als onherstelbaar of zelfs maar moeilijk herstelbaar worden beschouwd, aangezien er later steeds een geldelijke vergoeding kan worden geboden. Op grond van deze beginselen kan de opschorting van de tenuitvoerlegging van verordening nr. 1896/2000 inzake de eerste fase van het in artikel 16, lid 2, van richtlijn 98/8 betreffende biociden bedoelde programma slechts gerechtvaardigd zijn, indien verzoekster zonder een dergelijke maatregel in een situatie zou geraken waarin haar voortbestaan zelf in gevaar kwam of waarin zij definitief marktaandeel verloor. Of een voorlopige maatregel spoedeisend is, kan overigens niet afhangen van de gedraging van degene die erom verzoekt, doch uitsluitend van de gevolgen die de bestreden handeling heeft.
Maar ook indien verzoekster voldoende aannemelijk had gemaakt dat zij zonder opschorting van de tenuitvoerlegging van deze verordening ernstige en onherstelbare schade zou lijden, moet een dergelijk verzoek worden afgewezen op grond van de afweging van de in het geding zijnde belangen, te weten, enerzijds, verzoeksters belang bij het verkrijgen van de gevraagde voorlopige maatregel, en anderzijds, het openbaar belang bij de tenuitvoerlegging van een normatieve handeling en de belangen van derden die door een eventuele opschorting van de in geding zijnde verordening rechtstreeks zouden worden geraakt.
( cf. punten 92, 94-95, 101, 111 )
Partijen
In zaak T-339/00 R,
Bactria Industriehygiene-Service GmbH, gevestigd te Kirchheimbolanden (Duitsland), vertegenwoordigd door K. Van Maldegem en C. Mereu, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Wainwright en L. Ström als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van de artikelen 6, leden 2 en 3, en 7, lid 1, van verordening (EG) nr. 1896/2000 van de Commissie van 7 september 2000 inzake de eerste fase van het in artikel 16, lid 2, van richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende biociden bedoelde programma (PB L 228, blz. 6),
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De regeling in geding
1 Op 16 februari 1998 hebben het Europees Parlement en de Raad richtlijn 98/8/EG betreffende het op de markt brengen van biociden vastgesteld (PB L 123, blz. 1; hierna: richtlijn 98/8" of richtlijn"). Doel van de richtlijn is het invoeren van een communautaire regeling voor de toelating en het op de markt brengen van biociden met het oog op het gebruik ervan.
2 De in de richtlijn geregelde toelatingsprocedures zijn afgestemd op de bijzondere aard van biociden en de aan het gebruik ervan verbonden gevaren.
3 Volgens punt 12 van de considerans van de richtlijn moet er een gemeenschappelijke lijst worden opgesteld van werkzame stoffen die in biociden mogen worden gebruikt, moet er een gemeenschappelijke procedure komen om te beoordelen of een werkzame stof al dan niet op die lijst kan worden geplaatst, en moet worden aangegeven, welke informatie belanghebbenden moeten indienen met het oog op de plaatsing van een stof op de lijst. Voorts dient die lijst volgens genoemd punt 12 regelmatig te worden herzien en moeten de erop geplaatste stoffen zo nodig onder bepaalde voorwaarden met elkaar worden vergeleken om met wetenschappelijke en technische ontwikkelingen rekening te kunnen houden.
4 Artikel 5, lid 1, sub a, van de richtlijn bepaalt, dat de lidstaten een biocide slechts toelaten, indien de daarin aanwezige werkzame stof(fen) in bijlage I of I A is (zijn) vermeld en aan de eisen van die bijlagen is voldaan". Bijlage I bij de richtlijn moet een lijst van werkzame stoffen met op gemeenschapsniveau overeengekomen eisen voor opneming in biociden" bevatten; bijlage I A en I B betreffen, respectievelijk, biociden met een gering risico" en basisstoffen".
5 Ingevolge artikel 9 van de richtlijn moeten de lidstaten bepalen, dat een stof die als werkzame stof in biociden wordt gebruikt, slechts voor die toepassing op de markt mag worden gebracht, indien, onder meer, aan een lidstaat een dossier is gezonden dat aan de eisen van artikel 11, lid 1, voldoet, vergezeld van een verklaring, dat de werkzame stof voor gebruik in een biocide is bedoeld.
6 Artikel 11 van de richtlijn bepaalt de procedure voor het opnemen van een werkzame stof in bijlage I, I A of I B. Die opneming en latere wijzigingen daarin geschieden enkel op aanvraag. Volgens artikel 11, lid 1, sub a, moet de aanvrager de bevoegde autoriteit van een van de lidstaten een dossier betreffende de werkzame stof voorleggen, dat aan de eisen van de toepasselijke bijlage - II A, III A of IV A - voldoet, alsmede een dossier betreffende ten minste één biocide dat de werkzame stof bevat en dat aan de eisen van artikel 8 van de richtlijn voldoet. Nadat bepaalde formaliteiten zijn vervuld, wordt het dossier aan, onder anderen, de Commissie gezonden en wordt overeenkomstig de procedure van artikel 28 van de richtlijn beslist over de opneming van de werkzame stof in bijlage I, I A of I B.
7 Artikel 12 van de richtlijn, met het opschrift Gebruik ten behoeve van andere aanvragers van gegevens waarover de bevoegde autoriteiten beschikken", bepaalt:
1. De lidstaten maken geen gebruik van de in artikel 8 bedoelde informatie [toelatingseisen] ten behoeve van een tweede of volgende aanvrager:
[...]
c) voor een werkzame stof die op de in artikel 34, lid 1, bedoelde datum reeds op de markt was:
i) gedurende een periode van tien jaar vanaf de in artikel 34, lid 1, bedoelde datum voor informatie die voor de doeleinden van deze richtlijn wordt ingediend, tenzij die informatie reeds krachtens nationale voorschriften inzake biociden wordt beschermd; in dat geval blijft de informatie in die lidstaat beschermd, totdat de resterende periode van gegevensbescherming krachtens de nationale voorschriften is verstreken, doch ten hoogste gedurende tien jaar vanaf de in artikel 34, lid 1, genoemde datum;
[...]"
8 Ingevolge artikel 16, lid 1, van de richtlijn kunnen de lidstaten gedurende een periode van tien jaar vanaf 14 mei 2000 afwijken van de volgende vereisten: dat elk biocide overeenkomstig de richtlijn moet zijn toegelaten (artikel 3, lid 1), dat de werkzame stoffen in bijlage I of I A moeten zijn opgenomen (artikel 5, lid 1), en dat aanvragers bepaalde informatie moeten verstrekken (artikel 8, leden 2 en 4), alsook van het vereiste van artikel 8, lid 1. Artikel 16, lid 1, bepaalt voorts, dat een lidstaat [m]et name [...] overeenkomstig zijn nationale voorschriften [mag] toelaten dat op zijn grondgebied een biocide op de markt wordt gebracht dat [bestaande] werkzame stoffen bevat die voor dat productsoort niet in bijlage I of I A zijn opgenomen". Voor deze afwijkingsmogelijkheid van de lidstaten gelden de overeenkomstig artikel 16, leden 2 en 3, vastgestelde beperkingen of grenzen.
9 Artikel 16, lid 2, van de richtlijn luidt:
Na de aanneming van deze richtlijn start de Commissie een tienjarig werkprogramma voor een systematisch onderzoek van alle werkzame stoffen die op de in artikel 34, lid 1, bedoelde datum reeds op de markt zijn als werkzame stoffen van een biocide, bestemd voor andere doeleinden dan de in artikel 2, lid 2, onder c en d, gedefinieerde. In een volgens de procedure van artikel 28, lid 3, vastgestelde verordening worden alle bepalingen opgenomen die voor de opstelling en uitvoering van het programma noodzakelijk zijn, met inbegrip van prioriteiten voor de beoordeling van de verschillende werkzame stoffen en een tijdschema. Uiterlijk twee jaar voor de voltooiing van het werkprogramma dient de Commissie bij de Raad en het Europees Parlement een rapport over de vordering van het programma in.
Tijdens die periode van tien jaar kan vanaf de in artikel 34, lid 1, bedoelde datum volgens de procedure van artikel 28, lid 3, worden besloten dat een werkzame stof in bijlage I, I A of I B wordt opgenomen en onder welke voorwaarden, of, in gevallen waarin niet wordt voldaan aan de voorschriften van artikel 10 of waarin de vereiste informatie en gegevens niet binnen de voorgeschreven periode zijn verstrekt, dat de bewuste werkzame stof niet in bijlage I, I A of I B wordt opgenomen."
10 Op 7 september 2000 stelde de Commissie verordening (EG) nr. 1896/2000 vast, betreffende de eerste fase van het in artikel 16, lid 2, van richtlijn 98/8 bedoelde programma (PB L 228, blz. 6; hierna: bestreden verordening"). Deze verordening beoogt de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma voor de beoordeling van alle werkzame stoffen van biociden, die op 14 mei 2000 al op de markt waren (hierna: beoordelingsprogramma"). Volgens punt 2 van de considerans van de verordening is de eerste fase van het beoordelingsprogramma [...] bedoeld om de Commissie in staat te stellen bestaande werkzame stoffen van biociden te identificeren en daarbij te vermelden, welke moeten worden geëvalueerd met het oog op een eventuele opneming in bijlage I, bijlage I A of bijlage I B bij [richtlijn 98/8]".
11 De term bestaande werkzame stof wordt gedefinieerd als een werkzame stof die vóór 14 mei 2000 als werkzame stof voor een biocide voor andere doeleinden dan bedoeld in artikel 2, lid 2, onder c en d, van de richtlijn op de markt is gebracht".
12 Ingevolge de bestreden verordening moet elke producent van een bestaande werkzame stof deze stof identificeren" door de in bijlage I bij de verordening bedoelde informatie over de stof aan de Commissie mee te delen, terwijl iedere formuleerder, dat wil zeggen de fabrikant of zijn vertegenwoordiger in de Gemeenschap, een bestaande werkzame stof kan identificeren (punt 4 van de considerans en artikel 3). Ter aanvulling van de lijst van alle geïdentificeerde werkzame stoffen kunnen de lidstaten andere werkzame stoffen identificeren (artikel 5, leden 1 en 2).
13 Volgens de eerste alinea van artikel 4, lid 1, van de bestreden verordening [dienen] de producenten, formuleerders en combinaties daarvan, die de opneming van een bestaande werkzame stof voor een of meer productsoorten in bijlage I of bijlage I A [van richtlijn 98/8] willen aanvragen,. [...] voor deze werkzame stof een kennisgeving bij de Commissie in door de in bijlage II bij deze verordening bedoelde informatie in te dienen".
14 De bestreden verordening bepaalt, dat op basis van de kennisgevingen en volgens de procedure van artikel 28 van de richtlijn een verordening wordt vastgesteld met een volledige lijst van bestaande werkzame stoffen die tijdens de tweede fase van het beoordelingsprogramma zullen worden beoordeeld (hierna: beoordelingslijst"). De lijst moet onder meer bevatten de bestaande werkzame stoffen waarvoor de kennisgeving is aanvaard of die de lidstaten hebben aangemeld (artikel 6, lid 1, sub b).
15 Verder bepaalt artikel 6:
2. Onverminderd artikel 16, leden 1 tot en met 3, van de richtlijn kunnen alle producenten van een werkzame stof die is opgenomen in de in lid 1, onder b, bedoelde lijst, en alle formuleerders van biociden die deze werkzame stof bevatten, beginnen of doorgaan met het op de markt brengen van de werkzame stof, als zodanig of in biociden, in de productsoort of -soorten waarvoor de Commissie ten minste één kennisgeving heeft aanvaard.
3. De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 28, lid 3, van de richtlijn tot de lidstaten gerichte besluiten vast waarbij wordt bepaald dat de volgende werkzame stoffen niet krachtens het beoordelingsprogramma in bijlage I, bijlage I A of bijlage I B van de richtlijn worden opgenomen en dat deze werkzame stoffen, als zodanig of in biociden, niet langer op de markt mogen worden gebracht om als biocide te worden gebruikt:
a) niet in de in lid 1, onder b, bedoelde lijst opgenomen werkzame stoffen;
b) in de in lid 1, onder b, bedoelde lijst opgenomen werkzame stoffen in productsoorten waarvoor de Commissie niet ten minste één kennisgeving heeft aanvaard.
Wanneer de werkzame stof echter in de in lid 1, onder a, bedoelde lijst van bestaande werkzame stoffen wordt opgenomen, wordt een redelijke periode voor geleidelijke eliminatie toegestaan van niet meer dan drie jaar, gerekend vanaf de datum waarop het in de eerste alinea bedoelde besluit in werking treedt."
16 Ten slotte bepaalt artikel 7, lid 1, van de bestreden verordening, dat bestaande werkzame stoffen voor biociden die volgens bijlage V bij richtlijn 98/8 tot de productsoorten 8 (houtconserveringsmiddelen) en 14 (rodenticiden) behoren en die op de in artikel 6, lid 1, sub b, bedoelde lijst zijn geplaatst, in de eerste lijst van te beoordelen bestaande werkzame stoffen worden opgenomen. Kennisgevers wier kennisgeving overeenkomstig artikel 4, lid 2, van de bestreden verordening door de Commissie is aanvaard, moeten overeenkomstig artikel 11, lid 1, sub a, van de richtlijn volledige dossiers indienen voor de opneming van werkzame stoffen voor die productsoorten in bijlage I, I A of I B bij de richtlijn. De in artikel 11, lid 1, sub a-ii, van de richtlijn bedoelde dossiers moeten betrekking hebben op representatieve toepassingen, met name ten aanzien van de blootstelling van mens en milieu aan de werkzame stof.
De feiten en het procesverloop
17 Verzoekster, een vennootschap naar Duits recht, produceert en verkoopt perazijnzuur, dat als werkzame stof voor bepaalde biociden wordt gebruikt.
18 Bij op 8 november 2000 ter griffie van het Gerecht ingediend verzoekschrift heeft verzoekster krachtens artikel 230, vierde alinea, EG beroep ingesteld tot nietigverklaring van de bestreden verordening.
19 Bij afzonderlijke akte, op 12 januari 2001 neergelegd ter griffie van het Gerecht, heeft zij krachtens artikel 242 EG tevens verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van die verordening tot de uitspraak van het Gerecht in de hoofdzaak.
20 Op 18 januari 2001 heeft de Commissie krachtens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen het beroep tot nietigverklaring opgeworpen.
21 Haar opmerkingen over het verzoek in kort geding heeft de Commissie op 14 februari 2001 ingediend.
22 Partijen hebben hun standpunt op 9 maart 2001 mondeling toegelicht. Tijdens de hoorzitting heeft verzoekster een nieuwe versie van het verzoek in kort geding overgelegd, die enkele aanvullingen op het oorspronkelijke verzoekschrift bevat, en voorts verzocht om vertrouwelijke behandeling van bepaalde gegevens. De Commissie heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt.
23 Aan het eind van de zitting heeft de kortgedingrechter verzoekster gevraagd om binnen twee weken bepaalde informatie over haar financiële situatie mee te delen. Deze informatie is op 23 maart 2001 verstrekt in de vorm van een memorandum, tezamen met een verklaring van de heer Gutknecht en 25 bijlagen.
24 De opmerkingen waarom de Commissie was gevraagd over de tijdens de hoorzitting neergelegde nieuwe versie van het verzoek in kort geding en de door verzoekster nadien verstrekte informatie, heeft zij op 29 maart respectievelijk 2 april 2001 ingediend.
Het voorwerp van het verzoek
25 In haar verzoekschrift in kort geding vordert verzoekster opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden verordening.
26 Tijdens de hoorzitting heeft zij evenwel gepreciseerd, dat het haar enkel gaat om opschorting van de tenuitvoerlegging van de artikelen 6, leden 2 en 3, en 7, lid 1, van de bestreden verordening.
In rechte
27 Ingevolge het bepaalde in de artikelen 242 EG en 243 EG juncto artikel 4 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB L 319, blz. 1), zoals gewijzigd bij besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 (PB L 144, blz. 21), kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden dat vereisen, opschorting van de tenuitvoeringlegging van de bestreden handeling of de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.
28 Ingevolge het bepaalde in artikel 104, lid 1, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering is een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling slechts ontvankelijk, indien de verzoeker bij het Gerecht beroep tegen die handeling heeft ingesteld. Het gaat bij deze bepaling niet om een simpele formaliteit; zij onderstelt integendeel, dat het beroep ten gronde, waarop het verzoek in kort geding is gebaseerd, daadwerkelijk door het Gerecht kan worden onderzocht.
29 Volgens artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moeten verzoeken tot verkrijging van een voorlopige maatregel een duidelijke omschrijving bevatten van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt (fumus boni juris). Deze voorwaarden zijn cumulatief, zodat het verzoek tot opschorting van tenuitvoerlegging moet worden afgewezen, wanneer aan een ervan niet wordt voldaan [beschikking president Hof van 14 oktober 1996, SCK en FNK/Commissie, C-268/96 P(R), Jurispr. blz. I-4971, punt 30]. In voorkomend geval gaat de kortgedingrechter voorts over tot afweging van de op het spel staande belangen (beschikking president Hof van 29 juni 1999, Italië/Commissie, C-107/99 R, Jurispr. blz. I-4011, punt 59).
30 Bij dit algemene onderzoek beschikt de kortgedingrechter over een ruime beoordelingsvrijheid en kan hij, met inachtneming van de bijzonderheden van de zaak, vrij bepalen hoe en in welke volgorde die verschillende voorwaarden moeten worden onderzocht, aangezien geen enkele gemeenschapsrechtelijke regel hem voor de beoordeling van de noodzaak van voorlopige maatregelen een vooraf vastgesteld onderzoeksschema voorschrijft [beschikking president Hof van 17 december 1998, Emesa Sugar/Raad, C-363/98 P(R), Jurispr. blz. I-8787, punt 50].
Argumenten van partijen
De ontvankelijkheid
31 Verzoekster stelt, dat de bestreden verordening in werkelijkheid een beschikking is, gericht tot een bepaalde groep van personen waaronder zijzelf, namelijk die van de producenten van bestaande - dat wil zeggen op 14 mei 2000 op de markt zijnde - werkzame stoffen en van de formuleerders die die stoffen gebruiken.
32 Doordat zij zich van alle andere marktdeelnemers onderscheidt, moet zij bovendien als individueel door de bestreden verordening geraakt worden beschouwd (arresten Hof van 18 november 1975, CAM/Commissie, 100/74, Jurispr. blz. 1393, en 18 mei 1994, Codorniú/Raad, C-309/89, Jurispr. blz. I-1853). Tevens noemt zij een aantal kenmerken die haar individualiseren (arrest Hof van 14 juli 1983, Spijker Kwasten/Commissie, 231/82, Jurispr. blz. 2559, punt 8; arrest Gerecht van 22 oktober 1996, Skibsværftforeningen e.a./Commissie, T-266/94, Jurispr. blz. II-1399, punt 46).
33 Op uitnodiging van de Commissie, aldus verzoekster, was zij bovendien wegens het bijzondere belang dat zij bij de vaststelling van de verordening had, via de European Chemical Industry Council actief betrokken bij de opstelling ervan. Zij verwijst hier in het bijzonder naar de considerans van richtlijn 98/8, waar melding wordt gemaakt van de samenwerking tussen de Commissie en de betrokken bedrijfstak.
34 Om deze redenen meent zij door de bestreden verordening individueel te worden geraakt.
35 Daar de verordening rechtstreeks toepasselijk is, wordt zij door de bepalingen ervan ook rechtstreeks geraakt.
36 Volgens de Commissie moet het verzoek in kort geding worden afgewezen, aangezien het beroep in de hoofdzaak waarmee het samenhangt, kennelijk niet ontvankelijk is.
37 In de eerste plaats heeft de bestreden verordening een algemene strekking, wat blijkt uit het feit dat zij van toepassing is op alle producenten, formuleerders, importeurs of combinaties daarvan, alsmede op de lidstaten die bestaande werkzame stoffen willen identificeren of aanmelden. Aan de algemene strekking en, bijgevolg, de normatieve aard van een handeling wordt niet afgedaan door de omstandigheid, dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten waarop zij op een gegeven moment van toepassing is, meer of minder nauwkeurig kan worden bepaald (arrest Codorniú/Raad, reeds aangehaald, en beschikking Gerecht van 15 december 2000, Galileo en Galileo International/Raad, T-113/99, Jurispr. blz. II-414).
38 In de tweede plaats heeft verzoekster niet aangetoond, dat zij geïndividualiseerd is ten opzichte van andere producenten van werkzame stoffen. Met name bestaat er geen gesloten kring van producenten, daar iedere producent te allen tijde kan beginnen met het op de markt brengen van werkzame stoffen die op 14 mei 2000 al bestonden, en iedere formuleerder dergelijke stoffen te allen tijde in biociden kan gaan gebruiken. Wat verzoeksters deelneming aan de opstelling van de bestreden verordening betreft, kan er zeker niet worden gesproken van actieve betrokkenheid" en bovendien was het geen deelneming op grond van een bepaling van gemeenschapsrecht.
39 Ten slotte wordt verzoekster door de bestreden verordening niet rechtstreeks geraakt. Het oorzakelijk verband tussen de handeling en de betwiste rechtsgevolgen is immers niet voor alle bepalingen van de bestreden verordening aangetoond.
De fumus boni juris
40 Om aan te tonen dat er een fumus boni juris bestaat, stelt verzoekster in de eerste plaats, dat de Commissie niet bevoegd is een verordening vast te stellen die inbreuk maakt op de bepalingen van richtlijn 98/8 inzake de gegevensbescherming. De bestreden verordening ontneemt de kennisgevers de wettelijke bescherming die ingevolge artikel 12, lid 1, sub c-i, van de richtlijn voor de gehele periode van 14 mei 2000 tot 14 mei 2010 of voor de resterende periode van nationale bescherming geldt voor bestaande informatie" over bestaande werkzame stoffen zoals perazijnzuur.
41 In de tweede plaats is de bestreden verordening volgens haar onverenigbaar met het Verdrag, want zij vervalst de mededinging en maakt inbreuk op het communautaire mededingingsrecht. Zij stelt ondernemingen die niet aan de aanmeldingsprocedure deelnemen, immers in staat te profiteren van de kennisgevingen van degenen die er wel aan deelnemen, zij voorziet in een veel te lange uitloopperiode - tot maximaal drie jaar - voor niet of niet correct aangemelde bestaande werkzame stoffen, en zij moedigt gezamenlijke kennisgevingen" aan.
42 De bestreden verordening maakt, ten slotte, inbreuk op het eigendomsrecht op informatie, alsmede op het evenredigheids- en rechtszekerheidsbeginsel, het beginsel inzake bescherming van gewettigd vertrouwen, van eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht en van voorrang van internationale akkoorden.
43 De Commissie is van oordeel, dat dit betoog iedere grond ontbeert. Waar verzoekster in werkelijkheid bezwaar tegen heeft, is het ontbreken van een verbod voor producenten of formuleerders die niet aan de kennisgevings- en identificatieprocedure hebben deelgenomen, om een stof of product op de markt te brengen.
44 Wat haars inziens in het bijzonder niet kan worden aanvaard, is het argument van verzoekster, dat de bestreden verordening de door artikel 12, lid 1, sub c-i, van richtlijn 98/8 geregelde gegevensbescherming elimineert. Door de bestreden verordening verliest artikel 12 van de richtlijn zijn werking niet. De in de bijlagen I en II bij de bestreden verordening bedoelde informatie moet aan de Commissie worden verstrekt. De informatie die een kennisgever" op grond van de artikelen 3, lid 1, vierde alinea, en 4, lid 1, vierde alinea, van die verordening tegelijkertijd aan een lidstaat verstrekt, is krachtens artikel 12 van de richtlijn beschermd.
45 Dat een producent van een werkzame stof of de formuleerder van een biocide waarin die werkzame stof is verwerkt, ook zonder aan de identificatie- of kennisgevingsprocedure te hebben deelgenomen die werkzame stof of dat product op de markt of in de handel kan brengen, vormt geen schending van de bepalingen van de richtlijn betreffende de gegevensbescherming.
46 In de eerste plaats mogen de lidstaten ingevolge artikel 12 van de richtlijn de in artikel 8 bedoelde informatie die bij een aanvraag om toelating is verstrekt, niet ten behoeve van een tweede of latere aanvrager gebruiken. Gedurende de periode waarin die informatie beschermd is, hebben laatstbedoelde aanvragers er voor hun eigen aanvraag geen toegang toe. Artikel 6, lid 2, van de bestreden verordening betreft iets anders, namelijk het recht van iedere producent of formuleerder om een stof of product op de markt te brengen in de productsoort of -soorten" waarvoor de Commissie een kennisgeving heeft aanvaard.
47 In de tweede plaats wijst de Commissie erop, dat de voor de onderhavige zaak relevante wettelijke regeling te vinden is in artikel 16, lid 1, van de richtlijn, waarin de overgangsmaatregelen" zijn neergelegd. Volgens dit artikel mogen de lidstaten gedurende een periode van tien jaar vanaf 14 mei 2000 hun huidige systeem of praktijk met betrekking tot het op de markt brengen van biociden blijven toepassen, mits die producten een werkzame stof bevatten die op die datum al op de markt was en nog niet overeenkomstig de procedures van de richtlijn in bijlage I of I A is opgenomen.
48 In de derde plaats geeft artikel 6, lid 2, van de bestreden verordening slechts een bevestiging van de uit die overgangsregeling voortvloeiende situatie, te weten dat de lidstaten de producten en werkzame stoffen behorende tot de voor eventuele opneming in genoemde bijlagen aangemelde productsoorten tot hun markt moeten toelaten. De Commissie merkt hierbij op, dat volgens haar gegevens er acht producenten-importeurs van perazijnzuur zijn ingeschreven voor hoeveelheden van meer dan tien ton per jaar. Indien een van hen die stof voor opneming in de desbetreffende bijlage bij richtlijn 98/8 aanmeldt, mogen de andere producenten-importeurs, inclusief verzoekster, perazijnzuur gedurende de overgangsperiode desgewenst op de gemeenschappelijke markt blijven brengen.
49 In de vierde plaats is voor een biocide met perazijnzuur, dat in een lidstaat al op de markt is, gedurende de overgangsperiode in de regel, afhankelijk van de praktijk in die lidstaat, geen nieuwe toelating nodig. Als dat wel het geval is, omdat de betrokken lidstaat dat voorschrijft of wanneer een nieuwe producent-importeur gedurende die periode een biocide met perazijnzuur op de markt wil brengen, verbiedt artikel 12 van de richtlijn de autoriteiten van die lidstaat, gebruik te maken van de informatie die de aanvrager/kennisgever met het oog op het verkrijgen van die toelating heeft verstrekt.
Spoedeisendheid
50 Verzoekster stelt, dat zo de tenuitvoerlegging van de bestreden verordening niet wordt opgeschort, zij ernstige en onherstelbare schade zal lijden.
51 Die opschorting is spoedeisend, in de eerste plaats omdat zij ingevolge artikel 4 van de bestreden verordening verplicht is, de in bijlage II bedoelde informatie, die voor de kennisgeving van het door haar geproduceerde perazijnzuur vereist is, vóór 28 maart 2002 in te dienen. Sommige van de studies die voor het verzamelen van de verlangde gegevens nodig zijn, nemen een periode van verscheidene maanden in beslag; de kosten van het voorbereiden en indienen van het kennisgevingsdossier zijn voorts geraamd op ongeveer 180 000 euro.
52 De kosten van de voorbereiding van het kennisgevingsdossier zullen onvermijdelijk tot een prijsverhoging voor het door verzoekster verkochte perazijnzuur leiden met als gevolg, dat contracten zullen worden opgezegd. Dit betekent, dat verzoekster een aanzienlijk financieel verlies zal lijden en haar marktaandeel in de Gemeenschap zal zien krimpen.
53 Bij het begin van de jaren negentig was verzoeksters aandeel in de markt van perazijnzuur in de Gemeenschap ongeveer [... %], maar door het komende beoordelingsprogramma zal het waarschijnlijk terugvallen tot [... %] in 2001. Wegens de door het beoordelingsprogramma veroorzaakte kosten heeft haar belangrijkste afnemer in 1999 het leveringscontract met verzoekster tegen eind 2000 opgezegd. Ook [...] heeft eind 1998 de contracten met verzoekster opgezegd. In 1997 waren deze twee afnemers goed voor [... %] van verzoeksters totale verkoop van perazijnzuur.Dit komt neer op een geschat totaal verlies over de jaren 1999-2001 van [...] DEM.
54 In het zeer gespecialiseerde marktsegment van desinfecterende middelen kan het omzetverlies van [... %] ten opzicht van 1998, dat verzoekster thans reeds heeft geleden, niet meer worden goedgemaakt. Bovendien hebben bepaalde ondernemingen in Centraal-Europa aanwijzing gekregen niet meer bij verzoekster te kopen, en enkele van haar afnemers in de Gemeenschap hebben verklaard lichte prijsstijgingen niet te accepteren.
55 Als gevolg van een en ander was verzoekster gedwongen haar personeelsbestand te verkleinen: van dertien personen in 1997 en 1998 tot negen in 1999, zeven in 2000 en vijf in 2001 (zie bijlage 23 bij de tijdens de hoorzitting ingediende opmerkingen).
56 Op de lange termijn zou de door verzoekster verrichte kennisgeving ertoe kunnen leiden, dat zij haar gehele aandeel in de perazijnzuurmarkt verliest aan ondernemingen die, dankzij haar kennisgeving, gratis profiteren van de opneming van die stof in bijlage I bij de richtlijn. Het is ook zeer waarschijnlijk, dat zij door het verlies van marktaandeel gedwongen zal zijn de markt geheel te verlaten, wat haar faillissement zou betekenen.
57 De kennisgeving brengt ten slotte mee, dat later een volledig dossier met het oog op de tweede beoordelingsfase moet worden ingediend, waarvan de kosten tussen 2 miljoen en 5 miljoen euro zouden kunnen liggen.
58 In de tweede plaats maakt de bestreden verordening een einde aan de bij richtlijn 98/8 geregelde bescherming van bestaande gegevens" over bestaande werkzame stoffen gedurende de beoordelingsperiode. Terwijl artikel 12, lid 1, sub c-i, van de richtlijn de gegevensbescherming gedurende de gehele eerste beoordelingsperiode - 14 mei 2000-14 mei 2010 - of gedurende de resterende periode van nationale bescherming waarborgt, wordt de kennisgevers een dergelijke bescherming door de bestreden verordening ontnomen.
59 In de derde plaats, zo vervolgt verzoekster, kunnen concurrerende ondernemingen tot de opneming van perazijnzuur in bijlage I bij de richtlijn, zonder de kosten van de kennisgeving te moeten dragen, goedkopere en minder veilige producten met dezelfde werkzame stof blijven verkopen. Bovendien mogen met perazijnzuur concurrerende andere werkzame stoffen, waarvan men het niet nodig vindt ze in het communautaire register op te nemen, nog gedurende onredelijk lange overgangsperiodes verder worden verkocht.
60 In de vierde plaats is door het ontbreken van de nochtans in artikel 33 van richtlijn 98/8 in het vooruitzicht gestelde technische toelichtingen rechtsonzekerheid ontstaan, die verzoekster heeft belet de dossiers voor te bereiden en de noodzakelijke kostenraming op te stellen. Er bestaat ook geen systeem om de bedrijven te identificeren die in een gezamenlijke kennisgeving van de werkzame stof geïnteresseerd kunnen zijn, noch zijn er aanwijzingen over hoe een dergelijke gezamenlijke kennisgeving dient te gebeuren.
61 Ten slotte stelt verzoekster in haar tijdens de hoorzitting ingediende opmerkingen, dat zij niet de enige is die door genoemde lacunes in de bestreden verordening wordt geraakt. De vier verzoekers tot interventie in de hoofdzaak en, meer in het algemeen, de ondernemingen in de biocidensector in Europa verkeren in onzekerheid over de vraag, of er een passende bescherming is voor de investeringen die zij met het oog op de kennisgeving moeten doen.
62 De Commissie is van oordeel, dat niet aan de voorwaarde van spoedeisendheid is voldaan.
63 Om te beginnen, is de gestelde schade voor een groot deel niet het gevolg van de bestreden verordening, maar van het bij richtlijn 98/8 ingestelde beoordelingsprogramma.
64 In de tweede plaats heeft verzoekster geen bewijs geleverd voor haar beweringen over de kosten van de voor de kennisgeving vereiste gegevens en de vermindering van haar marktaandeel. De Commissie herinnert eraan, dat volgens vaste rechtspraak economische schade alleen niet als bewijs van spoedeisendheid volstaat, indien zij later financieel kan worden gecompenseerd. Van dit beginsel kan slechts worden afgeweken, wanneer de gestelde financiële schade met het oog op de vergoeding ervan moeilijk kan worden gekwantificeerd of wanneer de marktontwikkeling na de onmiddellijke uitvoering van de bestreden handeling moeilijk kan worden teruggedraaid (zie beschikking president Gerecht van 7 juli 1998, Van den Bergh Foods/Commissie, T-65/98 R, Jurispr. blz. II-2641, punten 65 en 66).
65 In de onderhavige zaak bedraagt de schade die tot de afdoening van de hoofdzaak zou ontstaan, 180 000 euro, plus het verlies van het met [...] gesloten contract met ingang van november 2000. De situatie is dus anders dan in de aangehaalde zaak Van den Bergh Foods/Commissie.
66 Ten slotte zal het oneerlijke voordeel" voor verzoeksters concurrenten volgens de Commissie eerst ontstaan na de vaststelling van de in artikel 6, lid 1, sub b, van de bestreden verordening bedoelde lijst van werkzame stoffen, dat wil zeggen enige tijd na de einddatum - 28 maart 2002 - voor de kennisgeving met het oog op opneming van perazijnzuur in bijlage I of I A bij richtlijn 98/8.
Belangenafweging
67 Verzoekster is van oordeel, dat haar belang bij opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden verordening zwaarder weegt dan alle andere in het geding zijnde belangen. Zij wijst daartoe met name op haar bijdrage tot de ontwikkeling van milieuvriendelijke biociden en op haar bedrijfs- en zakenethiek.
68 Aan het met de richtlijn beoogde hoge niveau van bescherming van mens en milieu wordt volgens verzoekster tijdens de beoordelingsperiode - 14 mei 2000-14 mei 2010 - en waarschijnlijk nog langer afbreuk gedaan, doordat de bestreden verordening het op de markt brengen van gevaarlijke biociden toelaat en zelfs begunstigt. Indien de tenuitvoerlegging van de verordening niet wordt opgeschort, zal dat leiden tot grotere verkoop van chlorine, een stof die goedkoper is dan perazijnzuur, maar ecologisch veel gevaarlijker.
69 Om dezelfde reden gaat de bestreden verordening in tegen de hogere belangen van milieubescherming en volksgezondheid, die centraal staan in het Responsible Care"-programma van de chemische industrie, waar verzoekster actief bij betrokken is.
70 De Commissie betoogt dat, aangenomen dat verzoekster in afwachting van de uitspraak op het beroep in de hoofdzaak inderdaad marktaandeel verliest, dit verlies naar haar eigen zeggen ten goede zal komen aan andere producenten-importeurs van perazijnzuur, die profiteren" van het feit dat zij zich de moeite van een kennisgeving getroost. Er is dus geen reden om aan te nemen, dat de gebruikers zich tijdens de beoordelingsperiode van perazijnzuur zullen afkeren om andere, volgens verzoekster goedkopere, maar gevaarlijker stoffen te gaan gebruiken. Dat zou volgens verzoeksters eigen betoog enkel waarschijnlijk zijn, indien niet slechts zijzelf, maar ook alle andere belanghebbenden zich door de aan het indienen van een dossier verbonden kosten ervan zouden laten weerhouden, een verzoek om opneming van perazijnzuur in de beoordelingslijst" in te dienen. Dan zou het na de in artikel 6, lid 3, tweede alinea, van de bestreden verordening bedoelde periode van geleidelijke eliminatie" noodzakelijkerwijs tot een omschakeling op andere stoffen komen - maar eer het zover is, zal er in de hoofdzaak stellig uitspraak zijn gedaan.
71 Wat de belangen van andere producenten-formuleerders betreft, schat de Commissie, dat er omstreeks 2 000 actieve stoffen voor gebruik in biociden op de markt zijn, afkomstig van ongeveer 50 ondernemingen. Die stoffen worden gebruikt in 10 000 à 20 000 biociden, die door een zeer groot aantal ondernemingen worden gefabriceerd. Al heel wat van die ondernemingen, aldus de Commissie, hebben - juist zoals verzoekster met betrekking tot perazijnzuur - de nodige eerste stappen gezet om de in bijlage II bedoelde informatie tegen 28 maart 2002 te verstrekken. Indien de tenuitvoerlegging van de verordening werd opgeschort, zouden hun inspanningen en de daaraan verbonden kosten althans op de middellange termijn tevergeefs zijn geweest.
72 Ten slotte wijst de Commissie op het algemeen belang bij de uitvoering van het in de bestreden verordening bedoelde beoordelingsprogramma. Zoals blijkt uit artikel 6, lid 1, betreft de bestreden verordening de eerste fase van het beoordelingsprogramma en zal zij nog worden gevolgd door een tweede verordening en door alle besluiten over de opneming van actieve stoffen in een van de bijlagen bij de richtlijn. Opschorting zou het tijdschema en het vlotte verloop van het onderzoek, die voor de gemeenschapswetgever onmisbare elementen waren van zijn beleid tot bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu, in gevaar brengen.
Beoordeling door de kortgedingrechter
De ontvankelijkheid van het verzoek in kort geding
73 Volgens vaste rechtspraak dient de vraag, of het beroep in de hoofdzaak ontvankelijk is, in principe niet in het kader van een kort geding te worden onderzocht, ten einde de zaak ten gronde niet te prejudiciëren. Wanneer echter, zoals in casu, wordt gesteld dat het beroep in de hoofdzaak waarmee het verzoek in kort geding verband houdt, kennelijk niet-ontvankelijk is, kan het noodzakelijk zijn het bestaan van bepaalde elementen vast te stellen die aannemelijk maken dat dat beroep ontvankelijk is (beschikkingen president Hof van 27 januari 1988, Distrivet/Raad, 376/87 R, Jurispr. blz. 209, punt 21, en 12 oktober 2000, Federación de Cofradías de Pescadores de Guipúzcoa e.a./Raad, C-300/00 P(R), Jurispr. blz. I-8797, punt 34; beschikking president Gerecht van 30 juni 1999, Pfizer Animal Health/Raad, T-13/99 R, Jurispr. blz. II-1961, punt 121).
74 In casu meent de kortgedingrechter dat moet worden nagegaan, of het beroep tot nietigverklaring inderdaad kennelijk niet-ontvankelijk is.
75 Ingevolge artikel 230, vierde alinea, EG is een beroep van een natuurlijke of rechtspersoon tot nietigverklaring van een verordening slechts ontvankelijk, indien de bestreden verordening in werkelijkheid een beschikking is die die persoon rechtstreeks en individueel raakt. Volgens vaste rechtspraak moet het criterium om een verordening van een beschikking te onderscheiden, worden gezocht in de al dan niet algemene strekking van de betrokken handeling (beschikkingen Hof van 23 november 1995, Asocarne/Raad, C-10/95 P, Jurispr. blz. I-4149, punt 28, en 24 april 1996, CNPAAP/Raad, C-87/95 P, Jurispr. blz. I-2003, punt 33; beschikking Gerecht van 26 maart 1999, Biscuiterie-confiserie LOR e.a./Commissie, T-114/96, Jurispr. blz. II-913, punt 26). Een handeling heeft algemene strekking, wanneer zij op objectief bepaalde situaties van toepassing is en rechtsgevolgen heeft ten aanzien van op algemene en abstracte wijze omschreven categorieën van personen (arrest Gerecht van 10 juli 1996, Weber/Commissie, T-482/93, Jurispr. blz. II-609, punt 55).
76 De bestreden verordening bevat de nodige bepalingen voor de opstelling en uitvoering van de eerste fase van het in artikel 16, lid 2, van richtlijn 98/8 bedoelde beoordelingsprogramma. In die eerste fase moet een volledige lijst van alle bestaande werkzame stoffen worden opgesteld. Ingevolge de voorschriften van de identificatieprocedure moeten producenten, en kunnen formuleerders, de Commissie informatie verstrekken over bestaande werkzame stoffen voor biociden. Voorts geeft de bestreden verordening een procedure volgens welke producenten en formuleerders de Commissie ervan in kennis kunnen stellen, dat zij een bestaande werkzame stof voor een of meer productsoorten wensen te zien opgenomen in bijlage I, I A of I B bij richtlijn 98/8, waarbij zij zich verbinden alle informatie te zullen verstrekken die voor een juiste beoordeling van die stof en voor een beslissing erover vereist is.
77 De bestreden verordening is dus van toepassing op objectief bepaalde situaties en heeft rechtsgevolgen ten aanzien van op algemene en abstracte wijze omschreven categorieën van personen, te weten alle producenten en formuleerders die bestaande werkzame stoffen kunnen identificeren, en alle producenten, formuleerders en combinaties daarvan die een bestaande werkzame stof voor een of meer productsoorten opgenomen wensen te zien in een van de bijlagen van richtlijn 98/8. Deze regeling dient zich derhalve aan als een maatregel van algemene strekking in de zin van artikel 249, tweede alinea, EG.
78 Het is echter niet uitgesloten, dat een natuurlijke of rechtspersoon individueel wordt geraakt door een bepaling die naar haar aard en strekking een normatief karakter heeft, namelijk wanneer zij hem raakt uit hoofde van een bijzondere hoedanigheid of van een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert (arresten Hof van 16 mei 1991, Extramet Industrie/Raad, C-358/89, Jurispr. blz. I-2501, punt 13, en Codorniú/Raad, reeds aangehaald, punt 19; beschikking Biscuiterie-confiserie LOR e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 30, en arrest Gerecht van 8 juli 1999, Eridania e.a./Raad, T-158/95, Jurispr. blz. II-2219, punt 56).
79 In het licht van deze rechtspraak moet worden nagegaan, of de onderhavige zaak aspecten vertoont die aannemelijk maken dat verzoekster wegens bepaalde bijzondere eigenschappen door de bestreden verordening wordt geraakt, of dat er een feitelijke situatie bestaat die haar, wat die verordening betreft, ten opzicht van ieder ander karakteriseert.
80 In de eerste plaats doet de omstandigheid dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten waarop een handeling op een bepaald moment van toepassing is, meer of minder nauwkeurig kan worden bepaald, op zich niet af aan de algemene strekking en, bijgevolg, de normatieve aard van die handeling en betekent het geenszins, dat die rechtssubjecten moeten worden beschouwd als individueel door de handeling te worden geraakt, zolang maar vaststaat dat die toepassing voortvloeit uit een in de betrokken handeling in samenhang met haar doelstelling omschreven objectieve feitelijke of rechtssituatie (beschikking Hof van 24 mei 1993, Arnaud e.a./Raad, C-131/92, Jurispr. blz. I-2573, punt 13, en beschikking Gerecht van 15 september 1998, Michailidis e.a./Commissie, T-100/94, Jurispr. blz. II-3115, punt 58). Dienaangaande kan worden volstaan met vast te stellen, dat de thans bestreden verordening niet specifiek verzoekster op het oog heeft.
81 In de tweede plaats moet worden vastgesteld, dat de bestreden verordening door de gevolgen die zij teweegbrengt, de economische situatie van verzoekster weliswaar ongunstig beïnvloedt, maar dat dit niet voldoende is om haar ten opzichte van ieder ander te karakteriseren. De verordening raakt haar immers slechts wegens haar objectieve hoedanigheid van onderneming die perazijnzuur produceert en verkoopt, juist zoals iedere andere marktdeelnemer die zich in de Europese Gemeenschap in een gelijke situatie bevindt (beschikking Gerecht van 25 juni 1998, Sofivo e.a./Raad, T-14/97 en T-15/97, Jurispr. blz. II-2601, punt 37).
82 Dat een normatieve handeling in concreto verschillende gevolgen kan hebben voor de diverse rechtssubjecten waarop zij van toepassing is, is voorts geen omstandigheid die hen ten opzichte van alle andere betrokken marktdeelnemers karakteriseert, wanneer de toepassing van die handeling op grond van een objectief bepaalde situatie plaatsvindt (beschikking Hof van 18 december 1997, Sveriges Betodlares e.a./Commissie, C-409/96 P, Jurispr. blz. I-7531, punt 37).
83 Ten slotte, in zoverre verzoekster stelt, dat zij deel uitmaakt van een gesloten kring van marktdeelnemers, gevormd door alle producenten van op 14 mei 2000 bestaande werkzame stoffen, zij eraan herinnerd, dat een particulier slechts kan worden geacht individueel te zijn geraakt als lid van een beperkte kring van marktdeelnemers, indien de instelling die de handeling heeft verricht, verplicht was bij de vaststelling van die handeling met de bijzondere situatie van die marktdeelnemers rekening te houden (beschikking Federación de Cofradías de Pescadores de Guipúzcoa e.a./Raad, reeds aangehaald, punt 46).
84 De bestreden verordening beoogt juist de identificatie van bestaande werkzame stoffen mogelijk te maken, met het oog op een systematisch onderzoek ervan op basis van informatie te verstrekken door verscheidene categorieën van marktdeelnemers, waaronder de producenten van bestaande werkzame stoffen.
85 De verordening bevat immers de noodzakelijke bepalingen voor de opstelling en uitvoering van het in artikel 16, lid 1, van de richtlijn bedoelde programma. In punt 23 van de considerans van de richtlijn wordt overwogen
dat de uitvoering van deze richtlijn, de aanpassing van de bijlagen aan de ontwikkeling van wetenschap en techniek en de opneming van werkzame stoffen in de passende bijlagen een nauwe samenwerking tussen de Commissie, de lidstaten en de aanvragers vergen [...]".
86 De kennisgevingsprocedure met betrekking tot werkzame stoffen onderstelt de medewerking van, met name, de producenten van die stoffen; wanneer zij wensen dat een bestaande actieve stof voor een of meer productgroepen in bijlage I, I A of I B van de richtlijn wordt opgenomen, moeten zij zich verbinden alle informatie te verstrekken die voor een correcte beoordeling van die stof en voor een beslissing erover nodig is (punt 5 van de considerans; artikelen 4 en 7, lid 1, van de bestreden verordening).
87 Voorzover verzoekster, wat de bestreden verordening betreft, tot een gesloten kring blijkt te behoren, is het derhalve aannemelijk, dat zij door die verordening individueel wordt geraakt als lid van een categorie van marktdeelnemers met wier bijzondere belangen de Commissie rekening had moeten houden bij de vaststelling van de bestreden verordening, die hen bepaalde verplichtingen oplegt.
88 Bovendien wordt verzoekster door de bestreden verordening rechtstreeks geraakt, daar deze rechtstreeks een door verzoekster geproduceerde werkzame stof betreft, waarvoor de verordening de vervulling van bepaalde formaliteiten verlangt.
89 Het is derhalve niet volstrekt uitgesloten, dat verzoekster rechtstreeks en individueel door de bestreden verordening wordt geraakt en, bijgevolg, kan worden ontvangen in een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230, vierde alinea, EG. Het verzoek in kort geding moet derhalve ontvankelijk worden verklaard.
90 In de omstandigheden van de zaak acht de kortgedingrechter termen aanwezig om eerst te onderzoeken, of aan de voorwaarde van spoedeisendheid is voldaan.
De spoedeisendheid
91 Om te beginnen zij erop gewezen, dat de schade die derden volgens verzoeker zouden hebben geleden (zie punt 61 supra), slechts bij de afweging van de in geding zijnde belangen in aanmerking kan worden genomen (beschikking Pfizer Animal Health/Raad, reeds aangehaald, punt 136).
92 Volgens vaste rechtspraak bestaat de doelstelling van het kort geding erin, de volle werking van het in de hoofdzaak te wijzen arrest te verzekeren. Daartoe dienen de gevraagde maatregelen spoedeisend te zijn in die zin, dat zij, om een ernstige en onherstelbare aantasting van de belangen van de verzoeker te voorkomen, moeten worden getroffen en effect moeten sorteren vóór de uitspraak van het arrest in de hoofdzaak. Verzoekster betoogt in wezen, dat zij geen enkele zekerheid heeft, dat de investeringen die zij met het oog op de indiening van het kennisgevingsdossier moet doen, passend worden beschermd, en dat door de kosten die de samenstelling van dat dossier meebrengt, haar positie op de gemeenschappelijke markt van perazijnzuur wordt verzwakt.
93 Meer bepaald zouden de financiële consequenties van de toepassing van de bestreden verordening ertoe leiden, dat kopers van perazijnzuuur hun contracten met verzoekster zullen opzeggen, en dat ondernemingen die de werkzame stof niet bij de Commissie hebben aangemeld, in staat worden gesteld verzoekster op oneerlijke wijze te beconcurreren.
94 Het is echter vaste rechtspraak dat, uitzonderingen daargelaten, financiële schade niet als onherstelbaar of zelfs maar moeilijk herstelbaar kan worden beschouwd, aangezien er later steeds een geldelijke vergoeding kan worden geboden (beschikking president Hof van 18 oktober 1991, Abertal e.a./Commissie, C-213/91 R, Jurispr. blz. I-5109, punt 24, en beschikking president Gerecht van 7 november 1995, Eridania e.a./Raad, T-168/95 R, Jurispr. blz. II-2871, punt 42).
95 Overeenkomstig deze beginselen zou de gevorderde opschorting van tenuitvoerlegging in de omstandigheden van deze zaak slechts gerechtvaardigd zijn, indien verzoekster zonder een dergelijke maatregel in een situatie zou geraken waarin haar voortbestaan zelf in gevaar kwam of waarin zij voorgoed marktaandeel verloor.
96 In casu kan uit haar betoog betreffende de kosten van het voor de kennisgeving vereiste dossier, de daarmee samenhangende opzegging van contracten en het verlies van marktaandeel niet worden geconcludeerd, dat verzoeksters voortbestaan op het spel staat of dat het verloren marktaandeel later niet kan worden teruggewonnen.
97 Weliswaar hebben, volgens verzoekster, twee grote afnemers, [...] en [...], hun aankopen beëindigd, maar zelfs indien het - van vóór de vaststelling van de bestreden verordening daterende - besluit om de contracten met verzoekster op te zeggen, uitsluitend door het vooruitzicht van een prijsverhoging voor perazijnzuur was ingegeven, volstaat dit niet als bewijs, dat verzoekster haar activiteit op de betrokken markt niet kan voortzetten zolang het Gerecht zich niet over de wettigheid van de bestreden verordening heeft uitgesproken.
98 Om de financiële gevolgen van de bestreden verordening voor haar activiteit duidelijk te maken, heeft verzoekster een overzicht overgelegd van de ontwikkeling van haar verkopen in de jaren 1997-2000 en de verkoopprognose voor 2001. Daaruit blijkt, dat de verkopen van perazijnzuur in 2000 hebben geleid tot een omzet van [...] DEM, waarvan [...] dankzij [...]. Er blijkt vooral uit, dat verzoekster voor 2001 een omzet verwacht van [...] DEM, waarvan [...] uit de verkoop aan de twee bovenbedoelde afnemers. Het is dus niet aannemelijk, dat verzoekster haar economische activiteit zonder die twee afnemers niet kan voortzetten. Voorts springt in het oog, dat de voor 2001 verwachte omzet uit verkoop aan andere afnemers zelfs een lichte stijging vertoont [(...DEM)]. Dit bewijst, dat de gestelde oneerlijke concurrentie van ondernemers die de betrokken werkzame stof niet bij de Commissie hebben aangemeld, anders dan verzoeksters accountant in zijn korte verklaring zegt te verwachten, slechts een beperkt effect heeft. Die verklaring is overigens in zeer algemene termen gesteld en gaat uit van de veronderstelling, dat verzoekster marktaandeel zal blijven verliezen.
99 De nadruk waarmee verzoekster zich beroept op de moeilijkheden bij de financiering van het voor de kennisgeving vereiste informatiedossier, is bovendien geen bewijs voor het bestaan van die moeilijkheden. In het bijzonder heeft verzoekster geen enkele brief of verklaring van een bank overgelegd, waarin, bijvoorbeeld, een krediet of lening voor dat doel werd geweigerd.
100 Naar tijdens de hoorzitting werd verklaard, is het voorts niet zeker, dat verzoekster de enige onderneming zal zijn die de door haar vervaardigde werkzame stof bij de Commissie aanmeldt. Zij sluit zelfs de mogelijkheid niet uit van een gezamenlijke kennisgeving, zoals geregeld in de bestreden verordening, door de leden van de European Chemical Industry Council die perazijnzuur verkopen; zij stelt ook pogingen in het werk om tot zo een gezamenlijke kennisgeving te komen, en heeft daartoe een task-force ingesteld.
101 Ten slotte, indien een andere ondernemer de werkzame stof bij de Commissie zou aanmelden, zou verzoekster daar de vruchten van kunnen plukken. Om redenen van beroeps- en zakenethiek heeft zij echter besloten zelf die aanmelding te verrichten, en daarin kunnen haar mededingers op de markt aanleiding hebben gevonden, van kennisgeving van de werkzame stof af te zien. Met andere woorden, verzoekster heeft wellicht zelf meegewerkt aan het ontstaan van de schade waarover zij zich beklaagt. Of een voorlopige maatregel al dan niet spoedeisend is, kan echter niet afhangen van de gedraging van degene die erom verzoekt, doch uitsluitend van de gevolgen die de bestreden handeling heeft.
102 Verzoekster beroept zich ook op andere dan zuiver geldelijke schade, ontstaan door de rechtsonzekerheid als gevolg van, met name, het ontbreken van de door richtlijn 98/8 in het vooruitzicht gestelde toelichtingen en het opheffen van de gegevensbescherming, die door artikel 12, lid 1, sub c-i, van de richtlijn werd toegekend aan bestaande informatie" betreffende bestaande werkzame stoffen.
103 Wat de gestelde rechtsonzekerheid betreft, maakt verzoekster niet duidelijk, in welk opzicht deze rechtsonzekerheid op zich ernstige schade zou opleveren. Het is immers geenszins aangetoond, dat de bepalingen van de bestreden verordening zo onduidelijk zijn, dat verzoekster niet in staat is de door haar gefabriceerde werkzame stof op de juiste wijze voor registratie aan te melden. De omstandigheid dat de Commissie de technische toelichtingen, bestemd om de dagelijkse uitvoering van deze richtlijn te vergemakkelijken" (artikel 33 van richtlijn 98/8), nog niet heeft opgesteld, is in zoverre irrelevant, omdat de spoedeisendheid naar de gevolgen van de bestreden handeling moet worden beoordeeld.
104 Bovendien kan verzoekster niet staande houden, dat zij niet in staat is het dossier voor te bereiden en de kosten ervan te begroten. Op haar verzoek is er immers door de Scientific Consulting Company - Chemisch-Wissenschaftliche Beratung GmbH een globale kostenraming opgesteld met betrekking tot het verzamelen van de benodigde gegevens en de voorbereiding van het dossier, tezamen met aanwijzingen omtrent de vereiste informatie.
105 Ten slotte, de schade bestaande in het ontbreken van de door artikel 12, lid 1, sub c-i, van de richtlijn aan bestaande informatie" betreffende bestaande werkzame stoffen toegekende gegevensbescherming, zou zich slechts voordoen, indien de bestreden verordening geen rekening hield met genoemde bepaling van de richtlijn. Dit punt moet worden onderzocht bij de beoordeling van de voorwaarde inzake fumus boni juris, in zoverre verzoekster een middel aanvoert dat in wezen is ontleend aan schending van artikel 12, lid 1, sub c-i, van richtlijn 98/8 (zie punten 107-110 infra).
106 Onder voorbehoud van de uitkomst van laatstbedoeld onderzoek, volgt uit het voorgaande, dat verzoekster niet heeft weten aan te tonen, dat zij zonder de gevorderde voorlopige maatregelen ernstige en onherstelbare schade zal lijden.
De mogelijke schending van artikel 12, lid 1, sub c-i, van richtlijn 98/8
107 In het kader van de beoordeling van de fumus boni juris van verzoeken om opschorting van tenuitvoerlegging, dient de kortgedingrechter geen definitieve uitspraak te doen over de uitlegging van de in het geding toepasselijke bepalingen [beschikking president Hof van 11 april 2001, Commissie/Roussel e.a., C-478/00 P(R), Jurispr. blz. I-3079, punt 76].
108 Zoals verzoekster tijdens de zitting heeft toegelicht, houdt haar middel in, dat artikel 6, lid 2, van de bestreden verordening, dat de producenten van een werkzame stof en de formuleerders van biociden die die werkzame stof bevatten, toestaat te beginnen of door te gaan met het op de markt brengen van die stof of die biociden, in de productsoort of -soorten waarvoor de Commissie ten minste één kennisgeving heeft aanvaard, in strijd is met artikel 12, lid 1, sub c-i, van richtlijn 98/8, bepalende dat de lidstaten geen gebruik mogen maken van informatie over bestaande werkzame stoffen, waarover zij tijdens de periode van beoordeling van die stoffen beschikken.
109 Opgemerkt zij, dat de in artikel 6, lid 2, van de bestreden verordening beschreven consequenties van de kennisgeving niet verward moeten worden met het gebruik van de aan de bevoegde autoriteiten verstrekte informatie ten behoeve van andere aanvragers, waarover het in artikel 12 van richtlijn 98/8 gaat. De twee bepalingen betreffen immers verschillende situaties. Dat marktdeelnemers die een bestaande werkzame stof niet bij de Commissie hebben aangemeld, toch met de verhandeling ervan mogen beginnen of doorgaan, doet niet af aan de werking van de bepaling inzake de bescherming van de door de vergunningaanvrager verstrekte informatie.
110 Zonder vooruit te lopen op het antwoord dat in de hoofdzaak zal worden gegeven op de vraag, of de bestreden verordening al dan niet onwettig is, moet worden vastgesteld, dat de elementen die verzoekster in het kortgeding heeft aangevoerd, de gegrondheid van de hier besproken grief niet aannemelijk kunnen maken.
111 Maar ook indien verzoekster voldoende aannemelijk had gemaakt, dat zij zonder opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden verordening ernstige en onherstelbare schade zou lijden, moet het verzoek in kort geding worden afgewezen op grond van de afweging van de in het geding zijnde belangen, te weten, enerzijds, verzoeksters belang bij het verkrijgen van de gevraagde voorlopige maatregel, en anderzijds, het openbaar belang bij tenuitvoerlegging van een normatieve handeling en de belangen van derden die door een eventuele opschorting van de in geding zijnde verordening rechtstreeks zouden worden getroffen (in die zin, beschikkingen president Gerecht van 15 december 1992, CCE des Grandes sources e.a./Commissie, T-96/92 R, Jurispr. blz. II-2579, punt 39; 10 mei 1994, Société commerciale des potasses et de l'azote e.a./Commissie, T-88/94 R, Jurispr. blz. II-263, punt 44; 2 december 1994, Union Carbide/Commissie, T-322/94 R, Jurispr. blz. II-1159, punt 36, en 17 januari 2001, Petrolessence e.a./Commissie, T-342/00 R, Jurispr. blz. II-67, punt 51).
112 De bestreden verordening strekt tot uitvoering van de eerste fase van het beoordelingsprogramma. Met name uit punt 8 van de considerans van richtlijn 98/8 volgt, dat bij de toelating van biociden moet worden gewaarborgd, dat deze, volgens de laatste stand van de wetenschappelijke en technische kennis, geen onaanvaardbare gevolgen voor het natuurlijk milieu en, in het bijzonder, voor de gezondheid van mens en dier hebben. Het is vaste rechtspraak, dat de vereisten van bescherming van de volksgezondheid in beginsel voorrang moeten hebben boven overwegingen van economische aard [beschikking Hof van 12 juli 1996, Verenigd Koninkrijk/Commissie, C-180/96, Jurispr. blz. I-3903, punt 93, en beschikking president Hof van 18 november 1999, Pfizer Animal Health/Raad, C-329/99 P(R), Jurispr. blz. I-8343, punt 102].
113 In een situatie als de onderhavige, waarin de gevorderde voorlopige maatregel de rechten en belangen van derden ernstig kan beïnvloeden, in het bijzonder die van producenten van bestaande werkzame stoffen, die al zijn begonnen met de studies die voor de kennisgeving overeenkomstig artikel 4 van de bestreden verordening noodzakelijk zijn, en die, daar zij geen partij bij de procedure zijn, niet konden worden gehoord, kan een dergelijke maatregel bovendien enkel gerechtvaardigd zijn indien verzoekster anders in een situatie zou komen die haar voortbestaan zou bedreigen (beschikking president Gerecht van 6 juli 1993, CCE Vittel e.a., T-12/93 R, Jurispr. blz. II-785, punt 20).
114 Zoals uiteengezet in punt 98 supra, verkeert verzoekster in deze zaak duidelijk niet in een dergelijk situatie.
115 Uit het voorgaande volgt, dat in casu niet is voldaan aan de voorwaarden voor opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden verordening. Mitsdien moet het verzoek in kort geding worden afgewezen.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
beschikt:
1) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Full & Egal Universal Law Academy