Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1. Met het onderhavige beroep tot nietigverklaring komt het Koninkrijk België op tegen beschikking 2001/198/EGKS van de Commissie van 15 november 2000 betreffende de steunmaatregel van België ten gunste van het staalbedrijf Cockerill Sambre SA (hierna: bestreden beschikking"). Het gaat hierbij in het bijzonder om de vraag of door de staat gefinancierde betalingen aan werknemers van een staalbedrijf, ter compensatie van de loonsverlagingen als gevolg van de bij een CAO overeengekomen verkorting van de wekelijkse arbeidsduur, een ingevolge artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag verboden steunmaatregel vormen.
II - Rechtskader
2. Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (hierna: EGKS-Verdrag") verbiedt staatssteun aan ijzer- en staalbedrijven. Artikel 4, sub c, van dat Verdrag bepaalt dat door de staten verleende subsidies of hulp, of door deze opgelegde bijzondere lasten, in welke vorm ook", als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal zijn verboden.
3. Artikel 95, eerste en tweede alinea, EGKS-Verdrag luidt als volgt:
In de gevallen, niet in dit Verdrag voorzien, waarin een beschikking of aanbeveling van de Commissie noodzakelijk blijkt tot het verwerkelijken, in de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal en overeenkomstig de bepalingen van artikel 5, van een der doelstellingen van de Gemeenschap zoals deze zijn omschreven in de artikelen 2, 3 en 4, kan zij een dergelijke beschikking geven of aanbeveling doen met instemming van de Raad, bij eenstemmigheid bepaald en na raadpleging van het Raadgevend comité.
Dezelfde beschikking of aanbeveling, gegeven of gedaan volgens het hierboven gestelde, bepaalt de eventueel op te leggen straffen."
4. Op basis van voornoemde bepalingen van artikel 95 EGKS-Verdrag heeft de Commissie vanaf de jaren tachtig een communautaire steunregeling voor de ijzer- en staalindustrie in limitatief opgesomde gevallen ingevoerd. De communautaire regeling voor steun aan de ijzer- en staalindustrie die in de betrokken periode van kracht was, is die van beschikking nr. 2496/96/EGKS van de Commissie (hierna: steuncode").
5. Artikel 1, lid 1, van de steuncode luidt: Al dan niet specifieke steun aan de ijzer- en staalindustrie die door lidstaten, door regionale of door lokale autoriteiten of met staatsmiddelen, in ongeacht welke vorm wordt gefinancierd, kan slechts als communautaire steun en derhalve als verenigbaar met de goede werking van de gemeenschappelijke markt worden aangemerkt, indien deze aan het bepaalde in de artikelen 2 tot en met 5 voldoet." Artikel 1, lid 2, bepaalt: Onder het begrip ,steun vallen ook steunelementen die zijn begrepen in de overdracht van staatsmiddelen door lidstaten, door regionale of door lokale autoriteiten of door andere lichamen ten gunste van ijzer- en staalondernemingen, in de vorm van deelnemingen, kapitaalinbreng of soortgelijke financieringsmaatregelen [...] die volgens de normale investeringspraktijk in een markteconomie niet als een echte inbreng van risicodragend kapitaal kunnen worden aangemerkt."
6. In artikel 6, lid 5, van de steuncode is met betrekking tot de procedure het volgende geregeld:
Indien de Commissie van oordeel is dat een bepaalde financiële maatregel staatssteun kan vormen in de zin van artikel 1, of betwijfelt of een bepaalde steunmaatregel verenigbaar is met de bepalingen van deze beschikking, stelt zij de betrokken lidstaat daarvan in kennis en maant zij de andere belanghebbenden en de overige lidstaten aan hun opmerkingen kenbaar te maken. Indien de Commissie, na ontvangst van deze opmerkingen en na de betrokken lidstaat in de gelegenheid te hebben gesteld te reageren, vaststelt dat de maatregel in het betrokken geval steun vormt die met de bepalingen van deze beschikking onverenigbaar is, geeft zij dienaangaande een beschikking uiterlijk drie maanden na ontvangst van de informatie, die nodig is om de voorgenomen maatregel te beoordelen. [...]"
III - Feiten en achtergrond van de litigieuze maatregelen
7. Cockerill Sambre SA (hierna: Cockerill Sambre") is een geïntegreerde staalonderneming, gevestigd in het Waalse Gewest. Tot begin 1999, toen het bedrijf door de Franse staalgroep Usinor werd overgenomen, was het een overheidsonderneming waarvan het kapitaal grotendeels in handen was van het Waalse Gewest.
8. Als gevolg van de crisis in de staalindustrie in Europa, die de Waalse staalindustrie in het bijzonder in 1996 trof en tot een aanzienlijke stijging van de werkloosheid leidde, kreeg de eis van de werknemersvertegenwoordigers tot verkorting van de arbeidsduur, zodat het aantal werknemers zou kunnen toenemen of op zijn minst gelijk blijven, een nieuwe impuls. Zoals blijkt uit het verzoekschrift en de daarbij gevoegde documenten, in het bijzonder de bij brief van 30 juni 1999 van de Belgische autoriteiten aan de Commissie gezonden nota, had de president van Cockerill Sambre in januari 1996 ingestemd met arbeidsduurverkorting, op voorwaarde dat daardoor extra arbeidsplaatsen zouden ontstaan, zonder meerkosten voor de onderneming. In de CAO van 1996 is overeengekomen, een paritaire overleggroep in te stellen om de mogelijkheid van een verkorting van de arbeidsduur te onderzoeken die aan de genoemde voorwaarden zou voldoen. De op basis daarvan ingestelde overleggroepen zijn tot de conclusie gekomen dat het personeelsbestand niet kostenneutraal, dus zonder verhoging van de (sociale) lasten voor de onderneming, gelijk kon blijven of kon toenemen.
9. Tijdens de CAO-onderhandelingen in 1997/1998 hebben de volgens loonschalen bezoldigde werknemers (employés barémisés) desondanks verkorting van de wekelijks arbeidsduur van 37 tot 34 uren geëist opdat het aantal arbeidsplaatsen aanzienlijk zou kunnen toenemen. De onderneming moest deze eis vanwege de hoge kosten verwerpen, hetgeen tot een prikstaking van alle volgens loonschalen bezoldigde werknemers heeft geleid.
10. De onderhandelingen leidden op 17 april 1998 uiteindelijk tot de sluiting van een CAO tussen Cockerill Sambre en de vertegenwoordigers van de betrokken werknemers (hierna: CAO van 1998"), waarbij een verkorting van de wekelijkse arbeidsduur van 37 tot 34 uren werd overeengekomen. Met de CAO werd een tweeledig doel nagestreefd: geen daling van het reële inkomen van de werknemers en geen extra kosten voor de onderneming. Dit kon worden gerealiseerd doordat de onderneming een beroep zou doen op overheidssteun.
11. De CAO van 1998 voorziet dienovereenkomstig in wezen in het volgende:
- de wekelijkse arbeidsduur wordt per 1 januari 1999 voor onbepaalde tijd verkort van 37 tot 34 uren;
- het is de bedoeling dat door handhaving van het totale aantal werkuren voor alle volgens loonschalen bezoldigde werknemers 150 nieuwe arbeidsplaatsen worden gecreëerd;
- de totale loonsom die Cockerill Sambre betaalt aan de volgens loonschalen bezoldigde werknemers blijft gelijk. De onderneming betaalt slechts - met jaarlijkse indexering - het deel van de bezoldiging dat overeenkomt met een arbeidsduur van 34 uren;
- ter compensatie van de inkomstendaling van de volgens loonschalen bezoldigde werknemers wordt een stelsel van (degressieve) compensatiebetalingen ingevoerd.
12. Volgens de CAO van 1998 worden deze compensatiebetalingen aan de betrokken werknemers gedeeltelijk door de werknemers zelf gefinancierd, doordat zij afzien van de loonsverhoging waarop zij in 1997 en 1998 recht hadden. Daarnaast is in de CAO echter uitdrukkelijk bepaald dat de partijen gezamenlijk alle steun zullen aanvragen die aan Cockerill Sambre kan worden verleend, teneinde de in de CAO overeengekomen arbeidsduurverkorting te financieren.
13. Tenslotte bevat de CAO van 1998 de volgende clausule:
De onderhavige CAO is structureel afhankelijk van de verkrijging van overheidssteun ten belope van de paritair vastgestelde bedragen. Indien deze steun uitblijft, zullen de sociale partners gezamenlijk de situatie en de mogelijkheid tot uitvoering van deze overeenkomst opnieuw bezien."
14. In feite werd vervolgens van de compensatiebetalingen voor in totaal 1 852 volgens loonschalen bezoldigde werknemers slechts een klein deel, namelijk 0,7 miljoen euro, door de werknemers zelf bekostigd; het overgrote deel werd gefinancierd door maatregelen van de Belgische resp. Waalse autoriteiten.
IV - De litigieuze maatregelen
15. De litigieuze maatregelen omvatten steun van in totaal 13,7 miljoen euro en bestaan uit twee onderdelen.
16. In de eerste plaats verleent de Belgische regering een vermindering van de door de werkgever te betalen socialezekerheidsbijdragen (hierna: socialezekerheidsbijdragen"), voor een bedrag van 10,36 miljoen euro in de periode van 1999 tot en met 2005. Deze maatregel is vastgesteld op basis van het Koninklijk Besluit van 24 december 1993, dat een plan tot verlaging van bepaalde socialezekerheidsbijdragen met het oog op de herverdeling van arbeid omvat. Voor ondernemingen in moeilijkheden of in herstructurering is dit besluit bij het Koninklijk Besluit van 24 februari 1997 aangevuld met nog gunstigere voorwaarden. Deze voorwaarden hebben in het bijzonder betrekking op het aantal te scheppen arbeidsplaatsen en de duur van de vermindering van de socialezekerheidsbijdragen.
17. Op 28 juli 1997 heeft de Belgische regering Cockerill Sambre als onderneming in herstructurering aangemerkt en vanaf 19 mei 1998 mocht de onderneming op basis van het Koninklijk Besluit van 24 december 1993 haar socialezekerheidsbijdragen verminderen onder de nog gunstigere voorwaarden van het Koninklijk Besluit van 24 februari 1997. De maatregel van de Belgische regering was afhankelijk van het scheppen en het behoud van extra arbeidsplaatsen.
18. In de tweede plaats heeft de regering van het Waalse Gewest op 19 november 1998 de maatregel van de Belgische regering aangevuld met een subsidie van 3,35 miljoen euro. Deze maatregel is genomen in het kader van het beleid van de Waalse Gewestregering om proefprojecten inzake arbeidsduurverkorting op vrijwillige basis in het kader van sectorale overeenkomsten en zogenoemde ondernemingsplan"-overeenkomsten te stimuleren. Dit beleid is een uitvloeisel van een gezamenlijke verklaring van de regering van het Waalse Gewest en de sociale partners. De gedetailleerde uitwerking hiervan is op 16 december 1998 vastgelegd in een overeenkomst tussen Cockerill Sambre en het Waalse Gewest. Volgens deze overeenkomst is de subsidie van het Waalse Gewest uitsluitend bedoeld ter dekking van een deel van de door de volgens loonschalen bezoldigde werknemers van Cockerill Sambre aanvaarde inkomstendaling, in de vorm van degressieve betalingen aan de betrokken werknemers in de periode 1999-2005.
19. Terwijl de uitgespaarde bedragen als gevolg van de vermindering van de socialezekerheidsbijdragen op basis van de maatregel van de Belgische regering door de onderneming rechtstreeks worden uitbetaald aan de werknemers, wordt de subsidie van de Waalse regering aan de werknemers betaald via een speciaal daartoe opgerichte vereniging zonder winstoogmerk.
V - Procedure voor de Commissie en bestreden beschikking
20. Naar aanleiding van berichten in de Belgische pers vroeg de Commissie de Belgische autoriteiten op 23 november 1998 schriftelijk om inlichtingen over de steun die aan de staalonderneming Cockerill Sambre zou zijn verleend in het kader van een verkorting van de arbeidsduur. Bij schrijven van 11 december 1998 bevestigden de Belgische autoriteiten dat zij deze maatregel hadden genomen, maar gaven zij te kennen dat het volgens hen geen staatssteun betrof.
21. Bij brief van 25 januari 2000 heeft de Commissie de Belgische regering in kennis gesteld van haar besluit tot inleiding van de procedure van artikel 6, lid 5, van de steuncode.
22. De Commissie heeft opmerkingen ontvangen en deze op 23 mei 2000 voor reactie doorgegeven aan de Belgische regering. De opmerkingen hierop van België heeft de Commissie per brief van 9 juni 2000 ontvangen.
23. In haar beschikking van 15 november 2000 over de staatssteun van België ten gunste van de staalonderneming Cockerill Sambre heeft de Commissie de litigieuze maatregelen gekwalificeerd als staatssteun in de zin van artikel 1 van de staalsteuncode, die onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. Bovendien stelde zij vast dat België hiermee in strijd had gehandeld met artikel 6, leden 1 en 2, van de staalsteuncode.
VI - Het beroep
24. Bij verzoekschrift van 8 januari 2001, ingeschreven ter griffie van het Hof op 9 januari 2001, heeft de Belgische regering beroep tot nietigverklaring tegen deze beschikking ingesteld overeenkomstig artikel 230 EG.
25. Het Koninkrijk België verzoekt:
- de bestreden beschikking nietig te verklaren;
- de Commissie in de kosten te verwijzen.
26. De Commissie verzoekt:
- het beroep als ongegrond te verwerpen;
- het Koninkrijk België in de kosten te verwijzen.
27. De Belgische regering baseert haar beroep op vijf middelen, waarvan het laatste slechts subsidiair wordt aangevoerd.
28. Met het eerste middel voert zij aan dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door de litigieuze maatregelen als staatssteun te kwalificeren; zij heeft daardoor het begrip steunbegrip van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag resp. van de steuncode geschonden. Met het tweede middel betoogt verzoekster dat de Commissie het begrip begunstigde heeft miskend, daar de overheidssteun de volgens loonschalen bezoldigde werknemers van Cockerill Sambre en niet Cockerill Sambre zelf heeft begunstigd. Het derde middel klaagt over schending van de procedure van de steuncode en onbevoegdheid van de Commissie. Het vierde middel klaagt over schending van de motiveringsplicht door de Commissie. Tenslotte voert verzoeker met het vijfde middel subsidiair, aan dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt doordat zij de litigieuze maatregelen voor het geval deze toch staatssteun zouden zijn, niet bij wijze van uitzondering krachtens artikel 95 EGKS-Verdrag heeft goedgekeurd.
29. De eerste twee middelen hebben betrekking op verschillende aspecten van dezelfde vraag, namelijk of de litigieuze maatregelen onder het begrip staatssteun vallen. Op grond van de inhoudelijke samenhang daarvan behandel ik deze middelen daarom gezamenlijk, zoals ook verzoekster in repliek en tijdens de terechtzitting heeft gedaan.
VII - Het eerste en het tweede middel: Vervullen de litigieuze maatregelen de voorwaarden voor staatssteun in de zin van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag?
Argumenten van partijen
30. Met de eerste twee middelen voert verzoeker aan dat de Commissie in haar beschikking de litigieuze maatregelen door een kennelijke beoordelingsfout ten onrechte als staatssteun in de zin van artikel 4, sub c, van het EGKS-Verdrag resp. de staalsteuncode heeft aangemerkt.
31. In het kader van het eerste middel voert hij in wezen twee argumenten aan voor zijn stelling dat er voor Cockerill Sambre geen economisch voordeel is ontstaan.
32. In de eerste plaats betoogt hij dat het bij de compensatiebetaling" niet om kosten voor de onderneming gaat. Deze was niet wettelijk verplicht de 34 werkuren als 37 werkuren te betalen, terwijl in de CAO van 1998 evenmin een dergelijke verplichting was opgenomen. In deze CAO was daarentegen voorzien in financiering van de compensatiebetalingen met staatsmiddelen en door de werknemers zelf.
33. In de tweede plaats wijst verzoeker erop dat de arbeidsduurverkorting voor Cockerill Sambre economisch neutraal was. De onderneming heeft namelijk geen economisch voordeel behaald uit de vermindering van de socialezekerheidsbijdragen, want de daardoor uitgespaarde bedragen zijn door Cockerill Sambre volledig aan de betrokken werknemers uitbetaald, zodat de openbare middelen slechts via de onderneming liepen, zonder haar kosten te verlagen. De subsidie van het Waalse Gewest is rechtstreeks ten goede gekomen aan de werknemers. De litigieuze maatregelen kunnen daarom gelijk worden gesteld met aan individuele werknemers verleende steun.
34. Voorts voert verzoeker met betrekking tot de economische neutraliteit aan dat het aantal werkuren van de volgens loonschalen bezoldigde werknemers onveranderd is gebleven, zonder extra wettelijke of contractuele kosten voor Cockerill Sambre, zodat met de vertegenwoordigers van de werknemers geen loonsverhoging is overeengekomen. Niettemin waren er een aantal bijkomende kosten voor de onderneming als gevolg van de arbeidsduurverkorting, namelijk kosten voor de opleiding van nieuwe werknemers, kosten als gevolg van de verminderde beschikbaarheid van ervaren en gekwalificeerde werknemers, alsmede administratie- en organisatiekosten. Overigens is de economische neutraliteit van de operatie voor Cockerill Sambre door een accountantsrapport bevestigd.
35. De Commissie wijst erop dat het begrip steun volgens vaste rechtspraak geen onderscheid maakt tussen de vrijwillige of verplichte aard van de lasten. Volgens haar wordt niet betwist dat het in het onderhavige geval om overheidsmaatregelen gaat; betwist wordt slechts of er sprake is van een economisch voordeel ten gunste van Cockerill Sambre in de zin van het begrip staatssteun.
36. De Commissie gaat tevens in op de ontstaansgeschiedenis van de CAO van 1998. Het gaat daarbij in feite om een driepartijen-constructie, want de onderhandelingen liepen uit op een patstelling tussen de onderneming en de vertegenwoordigers van de werknemers, die alleen kon worden doorbroken door een derde partij, de overheid.
37. De lonen van de werknemers vormen een van de belangrijkste elementen van de exploitatie- en productiekosten van een onderneming, zodat de staat, door een deel van de loonkosten voor zijn rekening te nemen, bijdraagt aan de exploitatiekosten en daardoor de onderneming een voordeel verschaft ten opzichte van andere ondernemingen die een dergelijke subsidie niet ontvangen.
38. Volgens de Commissie dienen de ondernemingen de uit een CAO voortvloeiende kosten te dragen. Los van de vraag wie het initiatief tot de onderhandelingen neemt en in welke onderhandelingsfase de staat ingrijpt om de lasten op zich te nemen, gaat het om staatssteun aan de onderneming.
39. Met gedeeltelijk dezelfde argumenten als die betreffende het punt van het economisch voordeel betoogt verzoekster in het kader van het tweede middel dat de werknemers de enige begunstigden van de litigieuze maatregelen zijn. De arbeidsduurverkorting is er alleen op hun instigatie en in hun belang gekomen en de onderneming heeft slechts als administratieve en financiële bemiddelaar gefungeerd, zonder zelf van de maatregelen te profiteren. De compensatiebetalingen hadden een louter sociaal karakter en zijn specifiek ten goede gekomen aan de betrokken werknemers. Bij de litigieuze maatregelen gaat het dus om steun aan individuele personen en niet aan de onderneming als zodanig.
40. De Commissie wijst er daarentegen op dat volgens vaste rechtspraak staatssteun naar de gevolgen ervan en niet naar de oorzaken of doeleinden ervan moet worden beoordeeld. Het feit dat de werknemers rechtstreeks door de compensatiebetalingen zijn begunstigd, sluit daarom niet uit dat de onderneming indirect is begunstigd.
Beoordeling
41. Wat de eerste twee middelen betreft, moet worden onderzocht of in een CAO vastgelegde loonsuppleties voor werknemers, die de loonsverlaging als gevolg van een overeengekomen arbeidsduurverkorting moeten compenseren, de voorwaarden voor hulp" in de zin van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag vervullen. Dat deze compensatiebetalingen, voorzover zij niet door de werknemers zelf worden gefinancierd, door de staat of met staatsmiddelen worden verleend, wordt niet betwist.
42. Volgens vaste rechtspraak heeft het begrip steun een algemenere strekking dan het begrip subsidie, daar het niet alleen rechtstreekse financiële voordelen aan de onderneming omvat, maar ook in algemene zin de door overheidsinstellingen toegekende voordelen die in verschillende vormen de lasten verlichten die normaliter op het budget van een onderneming drukken.
43. De Commissie heeft terecht opgemerkt dat niet de oorzaken of doeleinden van dergelijke overheidsmaatregelen beslissend zijn, maar wel de gevolgen ervan. Het steunbegrip is dan ook, in de woorden van het Gerecht, een objectief begrip, dat uitsluitend afhankelijk is van de vraag of een maatregel van de staat al dan niet één of meer ondernemingen [economisch] begunstigt".
44. Vanuit het oogpunt van de economische gevolgen bezien is het reeds duidelijk dat enkele argumenten van verzoekster tegen de kwalificatie van de litigieuze maatregelen als staatssteun niet steekhoudend zijn.
45. Om te beginnen brengt dit mee dat een sociaal karakter van overheidsmaatregelen op zichzelf niet volstaat om ze niet als steunmaatregelen te kunnen aanmerken. Het betoog van verzoekster dat de litigieuze maatregelen zijn bedoeld om arbeidsplaatsen te creëren en om, uitsluitend in het belang van de werknemers, de nadelen van de arbeidsduurverkorting te verminderen, is derhalve irrelevant voor de kwalificatie als staatssteun.
46. In dit verband wijs ik er echter op dat dit niet betekent dat het EGKS-recht inzake staatssteun overheidsmaatregelen met een sociaal karakter of voor het scheppen van arbeidsplaatsen in algemene zin uitsluit. Zij moeten dan echter wel als algemene maatregelen zijn opgezet, die niet enkel bepaalde ondernemingen of sectoren begunstigen. Dergelijke algemene maatregelen voldoen bij voorbaat niet aan de voorwaarde van specificiteit, een van de kenmerken van het steunbegrip, in tegenstelling tot selectieve maatregelen met een sociale doelstelling als de bovengenoemde, die wegens hun steunkarakter slechts op grond van een algemene of individuele uitzonderingsregeling van de Commissie krachtens artikel 95 EGKS-Verdrag verenigbaar kunnen zijn met dat Verdrag.
47. Nu aan de hand van de gevolgen van de litigieuze maatregelen de vraag is beantwoord of Cockerill Sambre een economisch voordeel heeft verkregen, kan aldus tevens de vraag van het tweede middel inzake de economisch begunstigde van die maatregelen worden beantwoord.
48. Of Cockerill Sambre door de litigieuze maatregelen een (specifiek) economisch voordeel heeft verkregen, valt namelijk samen met de vraag of deze onderneming begunstigde is. Want het is niet van belang of de onderneming al dan niet rechtstreeks is bevoordeeld en, in het algemeen, welke vorm de steunmaatregel heeft.
49. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, heeft ook advocaat-generaal Lenz in deze zin uiteengezet: Bij het onderzoek van de begunstigden van staatssteun moet niet alleen worden gelet op degene die de steun rechtstreeks ontvangt, doch ook op de gevolgen van de steun die deze verhouding te buiten gaan."
50. Dat de litigieuze maatregelen uiteindelijk rechtstreeks ten goede zijn gekomen aan de werknemers, doordat dezen rechtstreeks van de Waalse regering suppleties hebben ontvangen en Cockerill Sambre de bedragen die zij uitspaarde als gevolg van de door de Belgische regering verleende vermindering van de socialezekerheidsbijdragen, volledig aan hen heeft uitbetaald, wordt niet betwist.
51. Dat betekent echter nog niet dat Cockerill Sambre niet indirect economisch begunstigd is, doordat haar lasten zijn verlicht ten gevolge van de financiering van de compensatiebetalingen door de staat.
52. Daarmee kom ik op de centrale vraag die moet worden beantwoord voor de beslechting van deze zaak, namelijk wat onder lasten" of kosten" van de onderneming moet worden verstaan.
53. Dit is precies het onderwerp van de eerste grief van verzoekster, die aanvoert dat de compensatiebetalingen geen last" van Cockerill Sambre vormen.
54. Vooraf merk ik op dat, zoals de Commissie gedeeltelijk heeft gedaan, de lastenvermindering, althans wat de maatregel van de Belgische regering betreft, ook vanuit een andere invalshoek kan worden onderzocht. De financiering van de compensatiebetalingen, voorzover de Belgische regering die op zich heeft genomen, heeft technisch namelijk plaatsgevonden in de vorm van een vermindering van de door de werkgever te betalen socialezekerheidsbijdragen; de daardoor bespaarde bedragen heeft de werkgever vervolgens uitbetaald aan de werknemers.
55. Zo gezien zou het voor de hand liggen om uit te gaan van de socialezekerheidsbijdragen en niet van de compensatiebetalingen. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is namelijk een maatregel die bestemd is de ondernemingen van een bepaalde industriesector ten dele vrij te stellen van geldelijke lasten die voortvloeien uit de normale toepassing van het algemene stelsel van sociale voorzieningen, zonder dat deze vrijstelling gerechtvaardigd is door de aard of de opzet van dit stelsel, als staatssteun aan te merken.
56. Anderzijds dient een steunmaatregel van de staat, zoals gezegd, naar zijn gevolgen en in zijn bredere context te worden beoordeeld. In casu zijn de bespaarde bedragen ten gevolge van de vermindering van de socialezekerheidsbijdragen, en daardoor het rechtstreekse financiële voordeel van deze maatregel, door de onderneming volledig omgeleid" naar de werknemers. Onder deze omstandigheden kan de onderneming slechts een economisch voordeel hebben verkregen, wanneer de compensatiebetalingen aan de werknemers tot de kosten voor de onderneming zijn. Derhalve verplaatst het probleem van de economische bevoordeling zich, ook met betrekking tot de maatregelen van de Belgische regering, naar de compensatiebetalingen.
57. Daarom zal ik nu onderzoeken of de compensatiebetalingen dergelijke lasten" van de onderneming zijn die de overheid op zich heeft genomen, zonder daarbij de specifieke vorm van overheidsfinanciering in de bovenbeschreven zin in aanmerking te nemen.
58. Om te beginnen is Cockerill Sambre de compensatiebetalingen tegelijk met de arbeidsduurverkorting overeengekomen met de werknemers in de CAO van 1998.
59. Bij het steunbegrip als omschreven in de aangehaalde rechtspraak gaat het om lasten die normaliter op het budget van een onderneming drukken". Deze formulering verwijst naar een norm en gaat uit van een bepaald idee over het wezen" van een onderneming en over de vraag welke kosten normaliter" op haar budget drukken.
60. Het recht inzake staatssteun gaat in het algemeen uit van een onderneming die economisch opereert, dus op basis van de werkelijke kosten en volgens de wetmatigheden en krachten van de markt. Dit houdt met name in dat zij haar productiekosten in beginsel uit eigen middelen bestrijdt. Daarom zijn steunmaatregelen, die uiteindelijk niets anders dan kunstmatige verminderingen" van de productiekosten zijn, verboden.
61. Het Hof baseert zijn uitspraken op het gebied van het recht inzake staatssteun regelmatig op de idee van een marktdeelnemer die economisch rationeel en marktgeoriënteerd handelt.
62. Zo is het Hof in verband met de vaststelling van een tarief voor een energiebron ervan uitgegaan dat een normale marktdeelnemer niet afziet van winst die hij normalerwijze zou kunnen maken. Zo ook in de arresten inzake overheidsparticipaties in het kapitaal van privaatrechtelijke ondernemingen, waarin als uitgangspunt wordt genomen dat een particuliere aandeelhouder slechts kapitaal inbrengt wanneer dat op zijn minst op lange termijn winstkansen biedt.
63. De hypothetische marktdeelnemer waarvan hier wordt uitgegaan, is dus iemand die in een markteconomie handelt en - hoewel hij dat theoretisch zou kunnen doen - zich niet verplicht tot een grotere prestatie dan die welke overeenkomt met de marktwaarde.
64. Tegen deze achtergrond kan in beginsel ook worden aangenomen dat een onderneming tegenover haar werknemers niet bereid is tot grotere concessies dan noodzakelijk is om over hun arbeidskracht te kunnen beschikken. Anders gezegd, men moet ervan uitgaan dat een onderneming de productiefactor arbeid verkrijgt tegen de (gereguleerde) marktprijs" als tot uitdrukking komend in de CAO.
65. Niets in het dossier van de onderhavige zaak duidt erop dat deze aanname niet ook gerechtvaardigd is met betrekking tot de CAO van 1998.
66. Zoals de Commissie namelijk terecht heeft opgemerkt, blijkt uit het dossier dat de vertegenwoordigers van de volgens loonschalen bezoldigde werknemers een arbeidsduurverkorting van 37 tot 34 uren hebben geëist, zonder reële daling van het inkomen van de werknemers.
67. Omdat de onderneming de eis aanvankelijk juist heeft afgewezen vanwege de kostenstijging waartoe de inwilliging ervan onvermijdelijk had geleid, hebben de werknemers een prikstaking gehouden.
68. Tenslotte kon de CAO van 1998 slechts worden afgesloten omdat voorzien werd in een compensatieregeling voor de betrokken werknemers. Dat deze voor de werknemers een conditio sine qua non was voor de totstandkoming van de CAO, is ook af te leiden uit de daarin opgenomen clausule dat de sociale partners gezamenlijk de situatie en de mogelijkheid van de uitvoering zullen herzien, wanneer de compensatie niet wordt betaald.
69. In het licht van het voorgaande dient derhalve te worden vastgesteld dat de compensatiebetalingen in casu onderdeel van de marktprijs" van de factor arbeid zijn.
70. Het feit dat bij de totstandkoming van een CAO diverse overwegingen een rol spelen en dat de uitkomst van de onderhandelingen een compromis vormt tussen de uiteenlopende, niet noodzakelijkerwijs onderling verband houdende eisen van de partijen, onderscheidt het sociaal akkoord overigens niet van andere processen inzake de prijsvorming op de markt.
71. Wanneer de in de CAO overeengekomen compensatiebetalingen voor de betrokken werknemers dus als onderdeel van de prijs van de productiefactor arbeid moeten worden beschouwd, heeft de staat door de financiering daarvan Cockerill Sambre bevrijd van lasten die het bedrijf normaal gesproken zelf had moeten dragen. De kosten van de factor arbeid vormen immers een deel van de productiekosten die de onderneming, zoals gezegd, in beginsel uit eigen middelen moet bestrijden.
72. Anders dan verzoeker betoogt, is het niet van belang dat de compensatiebetalingen niet op een wettelijke verplichting zijn gebaseerd. De productiekosten van een onderneming vloeien in de regel niet primair voort uit wettelijke verplichtingen - waaronder vooral fiscale lasten - maar vertegenwoordigen de kosten van de noodzakelijke productiemiddelen op basis van de marktsituatie. In die zin heeft het Hof overigens reeds in de zaak Frankrijk/Commissie vastgesteld dat de kosten die voortvloeien uit collectieve overeenkomsten naar hun aard" op het budget van de ondernemingen drukken.
73. Wat vervolgens de grief van verzoeker betreft, dat Cockerill Sambre zich bij de CAO van 1998 helemaal niet heeft verbonden om zelf de compensatiebetalingen te dragen, maar dat uitdrukkelijk is bepaald dat, naast de werknemers, de overheid daarvoor moet opkomen, meen ik met de Commissie dat dit geen steekhoudend argument is.
74. Een onderneming kan de betaling van productiekosten - in casu kosten van haar werknemers - door de overheid niet aan de steunregels onttrekken door te stellen dat de CAO van meet af aan is afgesloten op basis van de premisse dat de overheid de kosten draagt.
75. Tenslotte voert verzoeker nog aan dat de regeling van de arbeidsduurverkorting economisch neutraal was voor Cockerill Sambre. Om te beginnen stelt hij daartoe dat de openbare middelen in totaliteit zijn gebruikt voor de compensatiebetalingen. In dit verband kan worden volstaan met de vaststelling dat de compensatiebetalingen tot de kosten van de onderneming behoren. Ook het argument dat in de CAO is voorzien in het behoud van het totaal aantal werkuren op basis van hetzelfde uurloon als voorheen, berust op het onjuiste uitgangspunt dat de compensatiebetalingen geen last van de onderneming zijn. Immers, wanneer men de compensatiebetalingen verdisconteert in de loonkosten, zoals juist is, zijn deze vanuit het standpunt van de onderneming alleen daarom (economisch) gelijk gebleven, omdat de staat de compensatiebetalingen op zich heeft genomen. Verzoeker heeft overigens wel melding gemaakt van betrekkelijk aanzienlijke" meerkosten als gevolg van de arbeidsduurverkorting, maar heeft niet verklaard dat het voordeel, bestaande in de financiering door de staat van de compensatiebetalingen, volledig is gecompenseerd door deze kosten. Derhalve dient ook het argument inzake de economische neutraliteit te worden afgewezen.
76. Ik concludeer dus dat de compensatiebetalingen, voorzover die niet door de werknemers zelf worden opgebracht, lasten zijn die normaal gesproken op het budget van Cockerill Sambre zouden hebben gedrukt. Door de financiering van de compensatiebetalingen in de vorm van de litigieuze maatregelen hebben de Belgische resp. Waalse autoriteiten dus lasten van deze onderneming op zich genomen en haar dus een economisch voordeel van overeenkomstige omvang verschaft. Derhalve is Cockerill Sambre ook economisch begunstigde in de zin van het steunbegrip.
77. De eerste twee middelen falen derhalve.
VIII - Het derde middel: schending van de procedure van de steuncode - onbevoegdheid van de Commissie
Argumenten van partijen
78. Verzoeker voert aan dat de Commissie niet bevoegd was tot het geven van de bestreden beschikking, omdat op het tijdstip van de bestreden beschikking de in artikel 6, lid 5, van de steuncode gestelde beslistermijn van drie maanden reeds was verstreken.
79. Naar haar mening is deze termijn een fatale termijn; de overschrijding daarvan vormt schending van een wezenlijk vormvoorschrift.
80. Dit volgt volgens verzoeker uit een vergelijking met de in artikel 6, lid 1, van de vijfde staalsteuncode gestelde aanmeldingstermijn, die het Hof eveneens als fatale termijn heeft aangemerkt. Het dwingende karakter van de termijn wordt ook bevestigd door het verschil in formulering tussen de betrokken bepaling en artikel 7, lid 5, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen over de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (hierna: verordening nr. 659/1999"). Bovendien draagt de dwingende termijn bij tot de rechtszekerheid, daar de marktdeelnemers niet tot in het oneindige in het onzekere worden gelaten over de uitkomst van de procedure.
81. De Commissie betwist niet dat zij de bestreden beschikking pas na afloop van de in artikel 6, lid 5, van de staalsteuncode gestelde termijn van drie maanden heeft gegeven; naar haar mening is daarmee echter geen wezenlijk vormvoorschrift geschonden.
82. Zij bestrijdt de opvatting dat deze termijn een fatale termijn is. De kwalificatie van de termijn van artikel 6, lid 1, van de staalsteuncode is niet zonder meer toepasbaar op die van artikel 6, lid 5, want, zoals advocaat-generaal Jacobs in zijn conclusie in de zaak Salzgitter/Commissie heeft gesteld, dient de aard van een termijn per geval te worden beoordeeld aan de hand van een aantal criteria, zoals het doel van de termijn in het licht van de systematiek van de regeling.
83. De Commissie wijst erop dat de steuncode voorziet in uitzonderingen op het algemene steunverbod en daarom restrictief moet worden uitgelegd. Steunmaatregelen mogen slechts ten uitvoer worden gelegd na uitdrukkelijke goedkeuring door de Commissie, behoudens de regeling van artikel 6, lid 6, die bepaalt dat een lidstaat na voorafgaande kennisgeving aan de Commissie de voorgenomen maatregelen mag uitvoeren wanneer de Commissie niet binnen twee maanden na de aanmelding heeft gereageerd.
84. De Commissie is van mening dat, anders dan in die bepaling, uit de tekst en de systematiek van artikel 6, lid 5, van de steuncode niet blijkt dat de lidstaat bevoegd is om na afloop van de daarin gestelde termijn de steunmaatregelen uit te voeren. Indien men deze termijn daarom als een absolute fatale termijn beschouwt, zou dit tot een blokkade van de procedure leiden. Wanneer men anderzijds het dwingende karakter van de termijn opvat als uitsluitend betrekking te hebben op de lopende procedure, zou de Commissie de procedure slechts kunnen beëindigen door een nieuwe procedure in te leiden. Beide benaderingen zouden dus in het licht van de rechtszekerheid en de proceseconomie tot een onbevredigend resultaat leiden.
85. Wat de vergelijking van artikel 6, lid 5, van de steuncode met artikel 7, lid 5, van verordening nr. 659/1999 in het kader van de Europese Gemeenschap betreft, duidt de gelijkaardige systematiek van de twee regelingen er volgens de Commissie juist op dat het om twee gelijksoortige termijnen gaat.
86. Verzoeker bestrijdt in repliek en tijdens de terechtzitting niet dat voorgenomen steunmaatregelen slechts met goedkeuring van de Commissie mogen worden uitgevoerd. Hij erkent tevens dat de Commissie na afloop van de in artikel 6, lid 5, gestelde termijn gedwongen zou kunnen zijn een nieuwe procedure in te leiden om een eindbeschikking te kunnen geven. Verzoeker wijst er echter op dat hij, ondanks het principiële steunverbod, in elk geval een belang heeft om de onbevoegdheid van de Commissie geldend te maken, omdat in geval van onbevoegdheid tevens de rechtsgrondslag van de bestreden beschikking wegvalt voor de terugvordering van de steun vermeerderd met rente.
Beoordeling
87. In het onderhavige geval wordt niet betwist dat de Commissie de bestreden beschikking pas na afloop van de in artikel 6, lid 5, van de steuncode gestelde termijn van drie maanden heeft gegeven. De vraag is echter wat het karakter is van de termijn en welke juridische consequenties uit de overschrijding van de termijn moeten worden getrokken.
88. Niet-inachtneming van de betrokken termijn brengt volgens verzoeker onbevoegdheid van de Commissie met zich en vormt schending van een wezenlijk vormvoorschrift. Verzoeker gaat er daarbij van uit dat deze termijn een fatale termijn is.
89. Uit de rechtspraak van het Hof is inderdaad af te leiden dat overschrijding van een fatale termijn onbevoegdheid van de Commissie met zich kan brengen. Termijnen van orde moeten weliswaar ook in acht worden genomen, maar de Commissie overschrijdt haar discretionaire bevoegdheid niet door die te verlengen, zodat haar beslissingsbevoegdheid in dat geval niet wordt aangetast.
90. Onderzocht moet dus worden of de in artikel 6, lid 5, van de steuncode gestelde termijn van drie maanden als fatale termijn moet worden aangemerkt. Wanneer dit het geval is, was de Commissie op het tijdstip waarop zij de beschikking gaf, daartoe niet meer bevoegd en treft het derde middel doel. In het midden kan blijven of de betrokken termijn daarnaast een wezenlijk vormvoorschrift is - hetgeen de Commissie bestrijdt. Want in de eerste plaats is in casu niet de vraag aan de orde of de gemeenschapsrechter het in het kader van dit middel naar voren gebrachte punt ambtshalve kan of moet toetsen, en in de tweede plaats is ook de klacht inzake schending van wezenlijke vormvoorschriften door de termijnoverschrijding gebaseerd op de premisse dat de betrokken termijn een fatale termijn is.
91. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, dient het karakter van een termijnregeling niet op basis van de tekst daarvan, maar op grond van de algemene context van de regeling waarin de betrokken bepaling is opgenomen en naar de doeleinden daarvan te worden bepaald.
92. Om te beginnen behandel ik daarom de algemene context van de steuncode.
93. Artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag bepaalt dat door de staten verleende subsidies of hulp, in welke vorm ook, als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal worden afgeschaft en zijn verboden binnen de Gemeenschap. In tegenstelling tot de steunregeling van het EG-Verdrag bevat artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag zelf geen uitzonderingen op dit verbod. De steuncode, die de Commissie op basis van artikel 95 EGKS-Verdrag heeft vastgesteld, staat daarentegen verlening van steun ten gunste van de ijzer- en staalindustrie in bepaalde, limitatief opgesomde gevallen toe.
94. De bepalingen inzake de verlening van steun conform de steuncode hebben ten opzichte van het algemene verbod van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag dus een uitzonderingskarakter en dienen derhalve in beginsel strikt te worden uitgelegd. Een dergelijke uitlegging is ook in overeenstemming met het in deel I van de considerans van de steuncode genoemde beginsel van een strikte discipline op het gebied van staatssteun.
95. Wat de betekenis van de betrokken termijnbepaling binnen de steuncode betreft, merk ik om te beginnen op dat steun slechts mag worden toegekend nadat de procedure van artikel 6 van de code is gevolgd.
96. Volgens deze procedure - ik wijs in dit verband met name op artikel 6, lid 4 - mogen voorgenomen maatregelen slechts na uitdrukkelijke goedkeuring door de Commissie ten uitvoer worden gelegd, behoudens de regeling van artikel 6, lid 6, op grond waarvan de uitvoering ook zonder goedkeuring mogelijk is, indien de Commissie niet binnen twee maanden de procedure van lid 5 inleidt of haar standpunt kenbaar maakt.
97. Wanneer de Commissie dus vóór het verstrijken van de in artikel 6, lid 5, gestelde termijn besluit de procedure van artikel 6, lid 5, in te leiden, moeten de voorgenomen maatregelen in elk geval achterwege blijven.
98. De onderhavige termijnbepaling maakt deel uit van deze procedure van artikel 6, lid 5. In deze fase van de procedure verkeert de lidstaat, zoals gezegd, in de situatie dat uitvoering van de voorgenomen maatregel al verboden is.
99. Anders dan in artikel 6, lid 6, wordt in lid 5 van dit artikel aan het verstrijken van de daarin gestelde termijn niet de consequentie verbonden dat de maatregelen mogen worden uitgevoerd, noch ook een ander rechtsgevolg. Er staat slechts dat de Commissie uiterlijk drie maanden na ontvangst van de informatie die nodig is om de voorgenomen maatregel te beoordelen een beschikking geeft. De beschreven context van deze regeling, met name de strikte discipline op het gebied van steun in het kader van het EGKS-Verdrag, verbiedt tevens daarin een impliciete goedkeuring voor uitvoering te lezen.
100. Voor de kwalificatie van een termijn als fatale termijn acht het Hof onder meer van belang of aan de niet-inachtneming van een termijn een bepaalde sanctie of een automatisch gevolg is verbonden. De verklaring hiervoor is dat de Commissie in een dergelijk geval geen beoordelingsvrijheid heeft ten aanzien van de toepassing van die sanctie en dus niet naar eigen goeddunken de einddatum kan uitstellen of de termijn kan verlengen, zodat het niet slechts om een termijn van orde kan gaan.
101. Bovendien, aangenomen dat de termijn dwingend is, dan zou de lidstaat, zoals gezegd, na afloop van de termijn de voorgenomen maatregelen nog steeds niet mogen uitvoeren en tegelijkertijd zou de eindbeschikking over de verenigbaarheid van de steunmaatregelen nog moeten worden genomen. De betrokken termijn van artikel 6, lid 5, dient dus ook vanuit het oogpunt van de goede werking van de steunregeling eerder als een termijn van orde dan als een fatale termijn te worden opgevat.
102. Tenslotte is het argument van verzoeker dat een fatale termijn in dit verband speciaal met het oog op economische beslissingen bijdraagt aan de rechtszekerheid, evenmin overtuigend.
103. In de eerste plaats dient een proceduretermijn uiteindelijk altijd de rechtszekerheid, namelijk door het besluitvormingsproces in een temporeel kader te zetten. Dit geldt ook voor termijnen van orde. De Commissie moet daarom niet in de laatste plaats in het belang van de rechtszekerheid ook dergelijke termijnen naleven.
104. In de tweede plaats zou het in het onderhavige geval juist niet bijdragen aan de rechtszekerheid, wanneer de Commissie na afloop van de termijn van artikel 6, lid 5, niet toch nog tijdens de lopende procedure haar beschikking zou kunnen geven. Deze procedure zou dan namelijk ofwel in de beschreven onzekere situatie blijven hangen, ofwel - in het door verzoeker voorgestelde scenario - pas na inleiding van een nieuwe procedure met een beschikking kunnen worden afgesloten.
105. Gezien de doelstelling en de context van de regeling kan de termijn van artikel 6, lid 5, van de steuncode dus geen fatale termijn zijn. De Commissie was dan ook niet onbevoegd om de bestreden beschikking te geven. Het derde middel faalt dus eveneens.
IX - Het vierde middel: schending van de motiveringsplicht
106. Verzoeker verwijt de Commissie dat zij in de bestreden beschikking meermalen de motiveringsplicht van artikel 15 EGKS-Verdrag heeft geschonden.
107. Als eerste punt van kritiek betoogt hij dat de bestreden beschikking geen antwoord geeft op de in zijn opmerkingen van 5 april 2000 aangevoerde argumenten, waarmee hij de aandacht heeft gevestigd op het belang van werkgelegenheidsmaatregelen in het kader van het EG-Verdrag - daarbij in het bijzonder ook refererend aan de richtsnoeren van de Commissie betreffende werkgelegenheidssteun - en op het gevaar van incoherenties in het Europese werkgelegenheidsbeleid wanneer in het kader van de EGKS een afwijkend beleid zou worden gevoerd.
108. In de tweede plaats bekritiseert verzoeker de bestreden beschikking voorzover de Commissie daarin niet is ingegaan op haar argumentatie inzake het begrip begunstigde, die hij ook in het kader van het tweede middel heeft aangevoerd.
109. In de derde plaats mist hij in de bestreden beschikking uitleg over de economische gevolgen van de litigieuze maatregelen voor de gemeenschappelijke markt en de mededinging.
110. De Commissie is daarentegen van mening dat zij aan alle eisen heeft voldaan die in de rechtspraak van het Hof voor de motivering van een beschikking zijn geformuleerd. Haar redenering komt in de bestreden beschikking duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking, zodat de Belgische regering haar rechten van de verdediging kan uitoefenen en de gemeenschapsrechter zijn toezicht kan uitoefenen.
111. Wat het eerste punt van kritiek van verzoeker in dit verband betreft, voert de Commissie aan dat zij in de litigieuze beschikking uitdrukkelijk is ingegaan op de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid. Wat betreft het verwijt dat zij zich niet heeft uitgesproken over het begrip begunstigde, verwijst de Commissie naar haar uiteenzetting in het kader van het tweede middel. Tegen de derde grief van verzoeker in dit verband brengt zij tenslotte in, dat het voor de kwalificatie van een overheidsmaatregel als steun in de zin van artikel 4, sub c, van het EGKS-Verdrag niet zoals in artikel 81, lid 1, EG relevant is of de handel tussen de lidstaten of de mededinging ongunstig wordt beïnvloed.
Beoordeling
112. Krachtens artikel 15, eerste alinea, EGKS-Verdrag dienen de beschikkingen van de Commissie met redenen te worden omkleed. Volgens vaste rechtspraak moet de motivering de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking brengen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen teneinde hun rechten te verdedigen, en de gemeenschapsrechter zijn toezicht kan uitoefenen.
113. Het is echter niet noodzakelijk, dat alle relevante gegevens, feitelijk en rechtens, in de motivering worden gespecificeerd, daar bij de beoordeling van de motivering niet alleen acht moet worden geslagen op de tekst ervan, maar ook op haar context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen.
114. Zo gezien is dus niet doorslaggevend of de Commissie in haar beschikking uitdrukkelijk op alle standpunten en argumenten van de adressaat van de beschikking is ingegaan. Veeleer is van belang dat de beschikking, gelet op haar context en de toegepaste rechtsregels, door de vermelde gronden wordt gedragen.
115. In de onderhavige beschikking zijn overheidsmaatregelen als steun in de zin van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag en de staalsteuncode gekwalificeerd en onverenigbaar verklaard met de gemeenschappelijke markt. Of de motiveringsplicht in acht is genomen, dient dus te worden beoordeeld aan de hand van de vraag of de redenen waarom de litigieuze maatregelen volgens de Commissie binnen de werkingssfeer van deze steunregeling vallen, uit de beschikking kunnen worden afgeleid.
116. Volgens de eerste grief van verzoeker wordt in de motivering van de beschikking geen rekening gehouden met de argumentatie dat, wanneer de Commissie de betrokken maatregelen als steun of als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt aanmerkt, gevaar bestaat voor incoherenties in het Europese werkgelegenheidsbeleid.
117. Dit is geen punt dat bij de kwalificatie van een maatregel krachtens artikel 4, sub c, van het EGKS-Verdrag in aanmerking zou moeten worden genomen. Dat de Commissie hierover geen standpunt heeft ingenomen, kan daarom geen motiveringsgebrek vormen.
118. Voorzover verzoeker vervolgens de Commissie verwijt dat zij niet is ingegaan op het begrip begunstigde, volstaat de vaststelling dat de bestreden beschikking op verschillende plaatsen aandacht hieraan besteedt.
119. Zo heeft de Commissie in punt 20, sub 2, van de beschikking uiteengezet dat het feit dat de overdracht van staatsmiddelen slechts via de onderneming, of zelfs buiten de onderneming om, plaatsvindt, en dat zij uiteindelijk voor de werknemers bestemd zijn", niets afdoet aan het steunkarakter daarvan. Voorts is de Commissie in de punten 21 en 22 van de beschikking op de argumentatie van België ingegaan, dat het bij de litigieuze maatregelen om steun aan individuele personen, althans een sociale maatregel ten gunste van de betrokken groep werknemers gaat.
120. Tenslotte concludeert de Commissie in punt 23 van de beschikking dat de steun geen steun ten behoeve van personen, maar aan een onderneming is, waarmee kosten van Cockerill Sambre worden gefinancierd.
121. Wat tot slot het derde verwijt betreft, namelijk dat de Commissie niet is ingegaan op de gevolgen van de litigieuze maatregelen voor de gemeenschappelijke markt en de mededinging, kan worden vastgesteld dat artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag steunmaatregelen van de staten, die - in welke vorm ook - lasten verlichten die normaliter op het budget van een onderneming drukken, zonder meer verbiedt. Anders dan artikel 87, lid 1, EG onderstelt het verbod van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag niet dat de steunmaatregelen de handel tussen lidstaten nadelig beïnvloeden en de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen. De Commissie hoefde dan ook niet in te gaan op de economische gevolgen van de litigieuze maatregelen voor de gemeenschappelijke markt of de mededinging.
122. Verzoeker is er dus niet in geslaagd gebreken in de motivering van de bestreden beschikking aan te tonen, zodat ook het vierde middel als ongegrond moet worden verworpen.
X - Het vijfde middel: schending van artikel 95 EGKS-Verdrag
Argumenten van partijen
123. Verzoeker voert aan dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt doordat zij de litigieuze maatregelen niet bij wijze van uitzondering - ervan uitgaande dat deze als staatssteun aan Cockerill Sambre kunnen worden aangemerkt, quod non - krachtens artikel 95 EGKS-Verdrag heeft goedgekeurd. De Commissie had zich, na te hebben overwogen dat de artikelen 2 tot en met 5 van de steuncode niet toepasselijk waren, uit eigen beweging tot de Raad moeten wenden ter verkrijging van instemming met de goedkeuring van de maatregelen krachtens artikel 95 EGKS-Verdrag. De litigieuze maatregelen hebben immers een sociaal doel, namelijk stijging van de werkgelegenheid door herverdeling van het werk, en dienen derhalve ook de doelstellingen van het EGKS-Verdrag, met name de verbetering van het levenspeil en van de arbeidsvoorwaarden volgens artikel 3, sub e, van het EGKS-Verdrag.
124. Volgens de Commissie moet het Hof dit middel niet-ontvankelijk verklaren. Zij voert hiertoe aan dat de Belgische regering pas na de bekendmaking van de vaststelling van de bestreden beschikking - zij het nog vóór de formele betekening- heeft besloten de Commissie om toepassing van artikel 95 EGKS-Verdrag te verzoeken. Dit verzoek is vervat in een brief van de Belgische regering van 30 november 2000. Onder deze omstandigheden is het onderhavige middel, dat geformuleerd is in een op 8 januari 2001 neergelegd verzoekschrift, niet-ontvankelijk. De Commissie betoogt bovendien dat dit middel kennelijk niet tegen de bestreden beschikking als zodanig is gericht, maar tegen het feit dat de Commissie zich niet tot de Raad en het Raadgevend Comité van de EGKS heeft gewend ten behoeve van de vaststelling van een individuele beschikking krachtens artikel 95, eerste alinea, EGKS-Verdrag. De voorwaarden voor een beroep wegens nalaten volgens artikel 35 EGKS-Verdrag zijn met betrekking tot de bestreden beschikking echter niet vervuld.
125. Verzoeker brengt tegen de gestelde niet-ontvankelijkheid in dat de op artikel 95 EGKS-Verdrag gebaseerde bezwaren tegen de beschikking in het kader van het onderhavige beroep kunnen worden aangevoerd ongeacht de specifieke, in dit artikel geregelde procedure, ook wanneer die reeds met een negatieve beschikking is afgesloten.
126. Subsidiair voert de Commissie aan, dat het vijfde middel tevens ongegrond is. Zij verwijst naar de rechtspraak van het Hof en het Gerecht, op grond waarvan artikel 95 EGKS-Verdrag een discretionaire bevoegdheid en niet een verplichting schept voor de Commissie om staatssteun bij uitzondering toe te staan ter verwezenlijking van de doelstellingen van het EGKS-Verdrag, en schending van het Verdrag wegens onjuiste beoordeling van een situatie die voortvloeit uit economische feiten of omstandigheden, enkel kan worden vastgesteld wanneer wordt aangetoond dat de Commissie haar bevoegdheden heeft misbruikt of de economische situatie met het oog waarop de beschikking is gegeven, klaarblijkelijk verkeerd heeft beoordeeld.
127. In het onderhavige geval had verzoeker dus tot staving van de beoordelingsfout moeten aantonen dat goedkeuring van de steun bij wijze van uitzondering noodzakelijk was voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het EGKS-Verdrag, hetgeen hij heeft nagelaten.
Beoordeling
128. Wat de bezwaren van de Commissie tegen de ontvankelijkheid van dit middel betreft, merk ik op dat verzoeker hier aanvoert dat de bestreden beschikking tot stand is gekomen met schending van artikel 95 EGKS-Verdrag resp. op basis van een kennelijke beoordelingsfout van de Commissie. Uit het feit dat de grief van verzoeker inhoudt dat de Commissie niet (mede) op basis van artikel 95 EGKS-Verdrag heeft gehandeld, is niet af te leiden, zoals de Commissie stelt, dat het beroep in zoverre niet tegen de bestreden beschikking zelf is gericht, maar tegen een verzuim van de Commissie in de zin van artikel 35 EGKS-Verdrag. Zoals het Hof in de zaken 5/62 tot en met 11/62 en 13/62 tot en met 15/62 namelijk heeft vastgesteld, is artikel 35 slechts van toepassing, wanneer de Commissie geen enkele beschikking had genomen in de aangelegenheid waarop de vragen van verzoeksters betrekking hadden". In casu lag er op het tijdstip van de vaststelling van de beschikking geen uitdrukkelijk goedkeuringsverzoek van verzoeker op basis van artikel 95 EGKS-Verdrag; verzoeker voert echter aan dat de Commissie deze procedure ambtshalve had moeten volgen. Zo gezien heeft de Commissie met de bestreden beschikking, in de zin van het aangehaalde arrest, ook indirect over deze goedkeuring beslist - en wel in afwijzende zin.
129. De aangevoerde gebreken betreffen derhalve de rechtmatigheid van de bestreden beschikking zelf en vormen derhalve een middel waarop een beroep uit hoofde van artikel 33 EGKS-Verdrag kan worden gebaseerd.
130. Onderzocht moet worden of de verwijten van verzoeker gegrond zijn, want in dat geval zou de beschikking onrechtmatig zijn - ongeacht de uitvoering van andere procedures of de vaststelling van andere besluiten. Het enkele feit dat pas na de vaststelling van de bestreden beschikking op verzoek van de Belgische regering een procedure op basis van artikel 95 EGKS-Verdrag is ingeleid en met een beschikking is beëindigd, vormt daarom op zichzelf nog geen grond voor niet-ontvankelijkheid van het op schending van dit artikel gebaseerde middel.
131. Het vijfde middel moet dus inhoudelijk worden onderzocht.
132. Volgens artikel 95 EGKS-Verdrag kan de Commissie in alle niet in dit Verdrag voorziene gevallen waarin een beschikking of aanbeveling noodzakelijk blijkt tot het verwerkelijken, in de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal en overeenkomstig de bepalingen van artikel 5, van een der doelstellingen van de gemeenschap zoals deze zijn omschreven in de artikelen 2, 3 en 4 EGKS-Verdrag, een dergelijke beschikking geven of aanbeveling doen met instemming van de Raad, bij eenstemmigheid bepaald en na raadpleging van het Raadgevend Comité van de EGKS.
133. Daardoor krijgt de Commissie de bevoegdheid om in afwijking van het algemene verbod van artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag staatssteun bij wijze van uitzondering goed te keuren.
134. Haar beoordelingsvrijheid is daarbij in zoverre beperkt, dat zij op basis van artikel 95 EGKS-Verdrag in geen geval [kan] toestaan, dat staatssteun wordt verleend die niet onontbeerlijk is voor het bereiken van de in het Verdrag gestelde doelen [...]".
135. De Commissie heeft in casu echter geen procedure op basis van dit artikel ingeleid, laat staan een goedkeuring verleend.
136. Wat artikel 95 betreft kan de Commissie dus slechts een beoordelingsfout hebben gemaakt voorzover zij kennelijk niet de procedure van dit artikel heeft gevolgd.
137. Dat zij dit niet heeft gedaan, lijkt echter wel gerechtvaardigd te zijn, daar artikel 95 EGKS-Verdrag een bevoegdheid verleent, maar geen verplichting oplegt. De rechtspraak van het Hof bevestigt dat artikel 95, eerste alinea, EGKS-Verdrag slechts een bijzondere mogelijkheid" tot afwijking van het Verdrag beoogt te voorzien teneinde de Commissie in staat te stellen" aan onvoorziene omstandigheden het hoofd te bieden.
138. Zoals het Gerecht bovendien in zaak T-89/96 heeft vastgesteld, onderstelt dit systeem van goedkeuring van steunmaatregelen - overeenkomstig de logica ervan - in het geval van individuele beschikkingen, dat de lidstaat de Commissie verzoekt om toepassing van de procedure van artikel 95 EGKS-Verdrag. De Belgische regering heeft een dergelijk verzoek pas per brief van 30 november 2000 ingediend, dus na de vaststelling van de bestreden beschikking op 15 november 2000. Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet de wettigheid van een steunbeschikking worden beoordeeld aan de hand van de gegevens waarover de Commissie beschikte op het ogenblik waarop zij de beschikking gaf. Derhalve had de Commissie op het voor de beoordeling van de bestreden beschikking beslissende tijdstip geen verzoek ontvangen tot goedkeuring van de betrokken steun op basis van artikel 95 EGKS-Verdrag.
139. Concluderend heeft de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door de procedure van artikel 95 EGKS-Verdrag niet in te leiden en de litigieuze maatregelen niet goed te keuren.
140. Ook het laatste middel moet dus worden afgewezen.
XI - Conclusie
141. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
1. het beroep te verwerpen;
2. het Koninkrijk België in de kosten te verwijzen.
Full & Egal Universal Law Academy