CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. TIZZANO
22 januari 2004(1)
Zaak C-42/01
Portugese Republiek
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Controle op concentraties – Artikel 22, lid 3, van verordening (EEG) nr. 4064/89 – Bescherming van gewettigde belangen door lidstaten”
1. De onderhavige zaak betreft het beroep dat de Portugese Republiek krachtens artikel 230 EG heeft ingesteld tot nietigverklaring van beschikking C (2000) 3543 def. van 22 november 2000, die de Commissie heeft gegeven op basis van artikel 21 van verordening nr. 4064/89 [verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (2) ; hierna ook: „concentratieverordening”]. Met de bestreden beschikking heeft de Commissie in het bijzonder in strijd met het gemeenschapsrecht verklaard de belangen die worden beschermd door twee besluiten waarbij de Portugese minister van Financiën heeft geweigerd de vergunning te verlenen die noodzakelijk was voor de verwerving van aandelen van een te privatiseren vennootschap, en heeft zij de Portugese autoriteiten de verplichting opgelegd om deze besluiten in te trekken.
I – Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapswetgeving
2. Zoals bekend, is bij verordening nr. 4064/89 een preventieve controle op concentraties van communautaire dimensie (3) ingesteld, teneinde bij te dragen tot de totstandbrenging van „een regime waardoor wordt verzekerd dat de mededinging binnen de interne markt niet wordt vervalst” (art. 3, sub g, EG). Daartoe is in het bijzonder bepaald dat deze concentraties tijdig bij de Commissie moeten worden aangemeld en niet tot stand mogen worden gebracht zonder haar expliciete of impliciete toestemming. (4) Deze gemeenschapsinstelling beschikt bijgevolg over korte en dwingende termijnen om vast te stellen of de betrokken concentraties „verenigbaar [...] met de gemeenschappelijke markt” zijn en dus „geen machtspositie in het leven roepen of versterken die tot gevolg heeft dat een daadwerkelijke mededinging op de gemeenschappelijke markt of een wezenlijk deel daarvan wordt belemmerd”. (5)
3. Dienaangaande bepaalt artikel 21 van de verordening:
„1. Onder voorbehoud van het toezicht door het Hof van Justitie is uitsluitend de Commissie bevoegd de in deze verordening bedoelde beschikkingen te geven.
2. De lidstaten passen hun nationale mededingingswetgeving niet toe op concentraties van communautaire dimensie.
(…)
3. Onverminderd de leden 1 en 2 kunnen de lidstaten maatregelen nemen ter bescherming van andere gewettigde belangen dan die waarop deze verordening betrekking heeft, en die met de algemene beginselen en de overige bepalingen van het gemeenschapsrecht verenigbaar zijn.
Als gewettigde belangen in de zin van de eerste alinea worden beschouwd de openbare veiligheid, de pluraliteit van de media en de toezichtsregels.
Alvorens bovengenoemde maatregelen kunnen worden genomen moet elk ander openbaar belang door de betrokken lidstaat aan de Commissie worden medegedeeld en door haar worden erkend nadat zij de verenigbaarheid ervan met de algemene beginselen en de overige bepalingen van het gemeenschapsrecht heeft onderzocht. De Commissie stelt de betrokken lidstaat binnen een maand na deze mededeling van haar beschikking in kennis.”
Nationale wetgeving
4. Wat de toepasselijke nationale wetgeving betreft, moet wetsbesluit nr. 380/93 van 15 november 1993 (hierna: „wetsbesluit nr. 380/93” (6) ) worden vermeld, dat is vastgesteld ter uitvoering van kaderwet nr. 11 van 5 april 1990 inzake privatiseringen (hierna: „kaderwet inzake privatiseringen” of „wet nr. 11/90”). (7) Ten behoeve van deze zaak zij in het bijzonder artikel 1 van dit wetsbesluit vermeld, dat luidt:
„1. De verwerving bij leven, onder bezwarende titel of om niet, door één natuurlijke of rechtspersoon, van aandelen die meer dan 10 % van het stemgerechtigde kapitaal vertegenwoordigen, evenals de verwerving van aandelen die, samen met de aandelen die de betrokkene reeds bezit, dat maximum overschrijden, in geherprivatiseerde ondernemingen is aan voorafgaande vergunning door de minister van Financiën onderworpen.
2. Onverminderd hetgeen voor elke concrete privatisering kan worden bepaald, zijn de bepalingen van lid 1 alleen van toepassing op de verwerving van aandelen na privatisering.”
II – Feiten en procedure
De verwerving van Cimpor
5. Het onderhavige geschil spruit voort uit de voorgenomen verwerving van de Portugese vennootschap Cimpor-Cimentos de Portugal SGPS (hierna: „Cimpor”) door de Portugese vennootschap Secil-Companhia Geral de Cal e Cimento SA (hierna: „Secil”) en de Zwitserse vennootschap Holderbank Financière Glaris SA (hierna: „Holderbank”). Deze verwerving had moeten plaatsvinden door bemiddeling van de Spaanse vennootschap Secilpar SL (hierna: „Secilpar”), voor 100 % eigendom van Secil, en had moeten leiden tot de verdeling van de activiteiten van Cimpor tussen Secil en Holderbank: eerstgenoemde zou de activiteiten in Spanje en Egypte alsmede een gedeelte van de activiteiten in Brazilië overnemen; laatstgenoemde zou de activiteiten in Portugal, Marokko, Tunesië en Mozambique en het andere gedeelte van de activiteiten in Brazilië overnemen.
6. Op het ogenblik van de voorgenomen verwerving bevond Cimpor ? een onderneming die lange tijd volledig staatseigendom was geweest ? zich midden in een privatiseringsproces, waardoor de Portugese autoriteiten vanaf 1994 geleidelijk hun deelneming (die ten tijde van de in geding zijnde feiten was gedaald tot 12,7 % van het vennootschappelijk kapitaal) hadden verminderd en de vennootschap uiteindelijk op de beurs van Lissabon genoteerd stond. Ondanks dit privatiseringsproces waren ingevolge artikel 22 van de statuten van de vennootschap aan de aandelen van de staat (de zogenoemde „golden shares”) bijzondere rechten verbonden, waardoor de Portugese regering het vetorecht bezat in strategische besluiten en besluiten inzake wijzigingen van de statuten. Ingevolge artikel 7 van de statuten kon voorts geen enkele andere aandeelhouder dan de staat of andere overheidsinstanties meer dan 10 % van alle stemmen uitbrengen.
7. Op 15 juni 2000 deed Secilpar een openbaar aanbod op de aandelen van Cimpor (hierna: „openbaar aanbod”), dat onder meer aan de volgende voorwaarden was gebonden: i) aanvaarding van het aanbod door aandeelhouders die ten minste 67 % van het vennootschappelijk kapitaal bezaten, ii) overdracht van de bijzondere rechten van de Portugese regering, eventueel ook door aanvaarding van het openbaar aanbod, iii) opheffing door de vergadering van aandeelhouders van de in artikel 7 van de statuten bedoelde beperkingen van de uitoefening van het stemrecht.
De besluiten van de Portugese autoriteiten
8. Nog vóór de aanmelding bij de Commissie krachtens de concentratieverordening (zie infra) is deze concentratie op 16 juni 2000 aangemeld bij de Portugese minister van Financiën teneinde de in artikel 1 van wetsbesluit nr. 380/93 bedoelde vergunning (8) te verkrijgen.
9. Bij besluit van 5 juli 2000 heeft de minister de vergunning echter geweigerd met de mededeling dat de Portugese regering niet voornemens was af te zien van de bijzondere rechten die haar in de statuten van de vennootschap waren verleend, en zich verzette tegen de opheffing van de hierin voorziene beperkingen van het stemrecht.
10. Op 7 juli 2000 hebben Secilpar en Holderbank bij de minister van Financiën een nieuw verzoek om vergunning ingediend, waarin zij verklaarden het openbaar aanbod niet meer afhankelijk te stellen van: i) de overdracht van de bijzondere rechten van de Portugese staat in Cimpor; ii) de verkoop van de openbare participatie zonder toepassing van de in de kaderwet inzake privatiseringen vastgestelde procedures.
11. De minister heeft zich over dit nieuwe verzoek uitgesproken op 11 augustus 2000.
12. In dit besluit vermeldde hij in de eerste plaats dat de algemene vergadering van Cimpor het voorstel tot opheffing van de beperkingen van het stemrecht had afgewezen, zodat het openbaar aanbod geen uitwerking bleek te hebben. Wat vervolgens de grond van de zaak betrof, weigerde de minister de gevraagde vergunning hoe dan ook te verlenen, op grond dat de bedoelingen van de aanvragers in strijd waren met de doelstellingen van de privatisering. Deze onderlinge strijd bleek in het bijzonder uit: i) het feit dat de verwerving zou leiden tot de terugtrekking van Cimpor uit de Portugese kapitaalmarkt; ii) de onverenigbaarheid van het industrieel project van de aanvragers met de strategieën van de Portugese regering met betrekking tot de herstructurering van de sector; iii) het feit dat de verwerving de overdracht van de openbare participatie in Cimpor in optimale financieel-economisch omstandigheden in de weg stond, en iv) het feit dat de verwerving het beginsel van gelijkheid in de laatste fase van het privatiseringsproces schond.
13. Na het afwijzende besluit van de minister heeft de Comissão do Mercado de Valores Mobiliários (Commissie voor de effectenmarkt) Secilpar nog op 11 augustus 2000 meegedeeld dat zij intrekking van het openbaar aanbod gelastte.
De aanmelding van de concentratie bij de Commissie en de opmerkingen van deze laatste ten aanzien van de Portugese besluiten
14. Zoals reeds vermeld, is de voorgenomen verwerving van Cimpor, na de aanmelding daarvan bij de minister van Financiën, overeenkomstig de concentratieverordening aangemeld bij de Commissie. De Commissie achtte de aanmelding van de concentratie op 4 juli 2000 onvolledig en verzocht de partijen derhalve deze te vervolledigen vóór 28 augustus 2000, een termijn die vervolgens tot 15 september is verlengd. Aangezien de gevraagde informatie ook op die datum nog niet was binnengezonden, heeft de Commissie besloten het onderzoek van de concentratie op te schorten. Op 11 januari 2001 is de aanmelding van de concentratie uiteindelijk ingetrokken.
15. Inmiddels had de kabinetschef van de Portugese minister van Financiën de kabinetschef van de commissaris voor mededingingsbeleid op 16 augustus 2000 „onofficieel” in kennis gesteld van genoemd besluit van 11 augustus, waarbij de vergunning tot verwerving van een deelneming van meer dan 10 % van het vennootschappelijk kapitaal in Cimpor voor de tweede maal aan Secilpar en Holderbank was geweigerd.
16. Daarop heeft de commissaris voor mededingingsbeleid bij brief van 21 september 2000 de Portugese minister van Financiën ingelicht over de aanmelding van de concentratie bij de Commissie en heeft hij hem te kennen gegeven dat de Commissie twijfels had over de verenigbaarheid van de twee besluiten van 5 juli en 11 augustus 2000 met artikel 21 van de concentratieverordening.
17. In de brief werd in het bijzonder opgemerkt dat deze besluiten niet bedoeld leken om een van de in artikel 21, lid 3, tweede alinea, van de concentratieverordening als „gewettigd” aangemerkte belangen (de openbare veiligheid, de pluraliteit van de media en de toezichtregels; hierna: „op zich gewettigde belangen”) te beschermen. De Commissie had bijgevolg de indruk dat de Portugese regering de verplichtingen niet was nagekomen die voortvloeiden uit artikel 21, lid 3, derde alinea, op grond waarvan deze regering de diverse beschermde openbare belangen aan de Commissie had moeten meedelen om haar in staat te stellen de verenigbaarheid daarvan met het gemeenschapsrecht te beoordelen, en de goedkeuring daarvan had moeten afwachten.
18. Voorts merkte de Commissie op dat, indien zij tot de conclusie zou komen dat met de besluiten van 5 juli en 11 augustus 2000 daadwerkelijk andere belangen werden beschermd dat die welke op zich gewettigd waren, zij passende maatregelen zou nemen. Daarnaast zouden ook passende maatregelen worden getroffen ingeval de daadwerkelijk beschermde belangen (andere dan de op zich gewettigde belangen) niet verenigbaar met het gemeenschapsrecht zouden blijken te zijn. Ten slotte verzocht de Commissie de Portugese regering om vóór 5 oktober 2000 opmerkingen over deze vragen in te dienen.
19. De Portugese minister beantwoordde de kritiek van de Commissie bij brief van 3 oktober 2000. Hierin merkte hij in de eerste plaats op dat hij op de zaak niet de nationale mededingingswetgeving had toegepast, maar enkel de regeling inzake privatiseringen van wetsbesluit nr. 380/93. Voorts zou volgens de minister kort nadien de laatste fase van de privatisering van Cimpor ingaan en zouden na afloop daarvan de aan de Portugese staat verleende bijzondere rechten verdwijnen en zou wetsbesluit nr. 380/93 niet meer worden toegepast.
De bestreden beschikking
20. Niet overtuigd door dit antwoord heeft de Commissie op 22 november 2000 de bestreden beschikking gegeven, waarin zij „de belangen die ten grondslag liggen aan het besluit van de Portugese minister van Financiën van [5] juli 2000, zoals geherformuleerd op 11 augustus 2000, welke in strijd met het bepaalde in artikel 21 van verordening nr. 4064/89 niet aan de Commissie zijn meegedeeld, niet verenigbaar met het gemeenschapsrecht” heeft verklaard (art. 1). (9)
21. Om tot deze conclusie te komen heeft de Commissie in de eerste plaats vastgesteld dat de aangemelde operatie aanleiding zou geven tot twee concentraties, waardoor Secil en Holderbank elk hun deel van de activiteiten van Cimpor zouden verwerven (zie supra, punt 5). (10) De Commissie heeft vervolgens de communautaire dimensie van deze concentratie erkend aangezien de verwerving door Holderbank van de voor haar bestemde activiteiten van Cimpor zou voldoen aan de daartoe vastgestelde criteria van artikel 1, lid 2, van verordening nr. 4064/89. (11)
22. Nadat was vastgesteld dat de aangemelde concentratie binnen de werkingssfeer van verordening nr. 4064/89 viel, heeft de Commissie onderzocht of de Portugese besluiten van 5 juli en 11 augustus 2000, waarmee de aangemelde concentratie was geblokkeerd, in overeenstemming waren met de bepalingen van artikel 21 van de verordening.
23. Daartoe heeft de Commissie om te beginnen verduidelijkt dat deze besluiten blijkens de bewoordingen ervan bedoeld waren ter bescherming van het belang met betrekking tot „de ontwikkeling van de structuren van het aandeelhouderschap in de vennootschappen die worden geprivatiseerd, met het oog op de versterking van de ondernemingszin en de efficiëntie van het nationale productieapparaat op een wijze die verenigbaar is met de streefdoelen van de Portugese economische politiek”. (12)
24. Nadat zij het door de twee besluiten beschermde openbare belang aldus had omschreven, heeft de Commissie vervolgens opgemerkt dat dit niet in verband kon worden gebracht met een van de op zich gewettigde belangen (openbare veiligheid, pluraliteit van de media en toezichtregels). (13) Hieruit volgde naar mening van de Commissie dat de Portugese autoriteiten de concentratie niet konden blokkeren zonder haar eerst mee te delen welk ander openbaar belang zij wensten te beschermen en de desbetreffende beschikking af te wachten. Op grond daarvan heeft zij dus geoordeeld dat „de Portugese regering, door dit belang niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens artikel 21 van verordening nr. 4064/89 op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen”. (14)
25. Zonder deze mededeling te hebben ontvangen en ondanks het feit dat de Portugese autoriteiten zelfs niet in hun brief van 21 september hadden toegelicht welk openbaar belang zij wensten te beschermen, meende de Commissie dat zij dit belang kon afleiden uit de tekst van de besluiten (zoals zij overigens reeds had gedaan om te beoordelen of dit belang in verband kon worden gebracht met een van de op zich gewettigde belangen) en de verenigbaarheid daarvan met het gemeenschapsrecht kon beoordelen. (15)
26. Na er dus aan te hebben herinnerd dat het aan de twee besluiten ten grondslag liggende belang bestond in de bescherming van „de ontwikkeling van de structuren van het aandeelhouderschap in de vennootschappen die worden geprivatiseerd, met het oog op de versterking van de ondernemingszin en de efficiëntie van het nationale productieapparaat op een wijze die verenigbaar is met de streefdoelen van de Portugese economische politiek”, heeft de Commissie de verenigbaarheid van dit belang (of veeleer van de besluiten die dit belang beoogden te beschermen) met het gemeenschapsrecht beoordeeld en daarover het volgende verklaard:
„De twee besluiten vormen belemmeringen van de vrijheid van vestiging en het vrije kapitaalverkeer en kunnen niet worden geacht gerechtvaardigd te zijn door enige in de rechtspraak van het Hof van Justitie erkende dwingende reden van openbaar belang; de Portugese regering heeft hoe dan ook geen enkele reden van die aard aangevoerd. Bovendien voegt het gelijkheidsbeginsel, waarop de Portugese regering haar eerste besluit heeft gebaseerd, niets relevants toe aan bovengenoemde argumentering.
Afgezien van het feit dat de Portugese regering de motieven voor haar twee besluiten niet tijdig aan de Commissie heeft meegedeeld overeenkomstig artikel 21, lid 3, van de verordening, zal de Commissie moeten weigeren de wettigheid daarvan te erkennen.”16 –Punten 58 en 59.
27. In de laatste punten van de beschikking, waarin de Commissie haar conclusie formuleert, wordt vervolgens verklaard:
„Er moet worden geconcludeerd dat de maatregelen van de Portugese autoriteiten met betrekking tot de aangemelde concentratie en met name het besluit van de Portugese minister van Financiën van [5] juli 2000, zoals geherformuleerd in het besluit van 11 augustus 2000, niet kunnen worden beschouwd als maatregelen ter bescherming van gewettigde belangen die verenigbaar zijn met de algemene beginselen en de overige bepalingen van gemeenschapsrecht. Deze maatregelen zijn bijgevolg in strijd met het gemeenschapsrecht, in het bijzonder met artikel 21 van verordening nr. 4064/89.
De Portugese Republiek moet derhalve de nodige maatregelen treffen om te voldoen aan het gemeenschapsrecht, door de betrokken besluiten in te trekken.”17 –Punten 64 en 65.
De procedure bij het Hof
28. Bij akte neergelegd ter griffie van het Hof op 1 februari 2001, is de Portugese regering opgekomen tegen de beschikking van de Commissie en heeft zij verzocht om nietigverklaring daarvan krachtens artikel 230 EG. Tegen dit beroep heeft de Commissie zich uiteraard verzet met de indiening van een verweerschrift, waarop een repliek en een dupliek zijn gevolgd. Na sluiting van de schriftelijke behandeling zijn partijen gehoord ter terechtzitting van 9 september 2003.
III – Juridische analyse
Inleiding
29. Na de voorafgaande opmerking dat de bestreden beschikking „vervallen” is ten gevolge van de intrekking van de aanmelding door Secil en Holderbank, formuleert de Portugese regering zes grieven tegen deze beschikking. Zij beroept zich in het bijzonder op:
i) schending van artikel 253 EG wegens gebrek aan een duidelijke en toereikende rechtsgrondslag van de handeling;
ii) schending van artikel 253 EG wegens gebrek aan motivering van de onverenigbaarheid van de nationale maatregelen met het gemeenschapsrecht;
iii) schending van artikel 7 EG en artikel 21, leden 1 en 3, van de concentratieverordening aangezien de Commissie niet bevoegd was om de bestreden beschikking vast te stellen omdat Portugal geen mededeling had gedaan van de belangen die door zijn besluiten moesten worden beschermd;
iv) schending van artikel 220 EG en artikel 21, lid 1, van de concentratieverordening omdat de Commissie, door de bestreden beschikking te hebben vastgesteld zonder dat bovengenoemde mededeling is verricht, bij de toetsing van de wettigheid van de Portugese besluiten in de plaats van het Hof van Justitie is getreden;
v) schending van het evenredigheidsbeginsel doordat de Commissie haar onderzoek niet heeft beperkt tot de concentratie van communautaire dimensie (Holderbank/Cimpor) alsmede omdat zij de procedure niet heeft geschorst ondanks het feit dat de partijen er geen belang meer bij hadden;
vi) misbruik van procedure en schending van artikel 226 EG aangezien de Commissie, hoewel de Portugese autoriteiten bovengenoemde mededeling niet hebben verricht, de bestreden beschikking heeft vastgesteld in plaats van een niet-nakomingsprocedure in te leiden.
30. Zoals kan worden vastgesteld, hebben drie middelen (het derde, het vierde en het zesde) betrekking op de bevoegdheid van de Commissie om de bestreden beschikking vast te stellen zonder dat Portugal de beschermde belangen had meegedeeld, terwijl de andere middelen betrekking hebben op formele of inhoudelijke gebreken van de beschikking. Ter wille van de duidelijkheid en de volgorde van uiteenzetting moeten, na een korte bespreking van het beweerde „verval” van de bestreden beschikking, eerst de middelen inzake onbevoegdheid van de Commissie worden behandeld, waarna de formele en inhoudelijke gebreken van de beschikking aan bod zullen komen.
De voorafgaande opmerking betreffende het „verval” van de bestreden beschikking
31. De Portugese regering merkt vooraf op dat de bestreden beschikking is gegeven in het kader van de procedure die is gevolgd op de aanmelding bij de Commissie van de voorgenomen concentratie Secil/Holderbank/Cimpor. Aangezien deze aanmelding na de vaststelling van de bestreden beschikking is ingetrokken, is deze beschikking volgens de verzoekende regering hoe dan ook „vervallen”. Het is evenwel niet duidelijk met welke bedoeling deze voorafgaande opmerking is geformuleerd, aangezien in het petitum van het verzoekschrift daarvan geen sprake is, maar het Hof enkel wordt verzocht de beschikking nietig te verklaren en de Commissie te verwijzen in de kosten.
32. Ik denk niet dat ik lang bij dit punt hoef stil te staan. Ik vermeld enkel dat, indien deze opmerking van de Portugese regering bedoeld was om het verzoek tot nietigverklaring van de beschikking te ondersteunen, zij kennelijk irrelevant zou zijn. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, is het immers vaste rechtspraak dat „in het kader van een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 173 van het Verdrag [thans artikel 230 EG] de wettigheid van een gemeenschapshandeling moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en de juridische situatie op de datum waarop die handeling werd vastgesteld”. (18) De intrekking van de aanmelding na de vaststelling van de bestreden beschikking kan dus geen invloed hebben op de wettigheid daarvan.
33. Voorts zou de betrokken opmerking evenmin anders worden beoordeeld indien de Portugese regering het Hof daarmee wilde voorstellen te verklaren, dat dit beroep geen voorwerp heeft omdat de bestreden beschikking „vervallen” is nog voordat het beroep is ingesteld. Het is immers duidelijk dat de intrekking van de aanmelding door Secil en Holderbank niet kan hebben geleid tot nietigverklaring noch tot intrekking van de bestreden beschikking, die derhalve nog bestaat en nog steeds het voorwerp vormt van het door de Portugese regering ingestelde beroep.
De middelen betreffende de bevoegdheid van de Commissie om de bestreden beschikking vast te stellen bij gebreke van een voorafgaande mededeling door Portugal
Argumenten van partijen
34. Met het derde, het vierde en het zesde middel, die hierna samen worden besproken, betoogt de Portugese regering in wezen dat, voorzover de Portugese autoriteiten de door de besluiten van 5 juli en 11 augustus 2000 beschermde belangen niet hebben meegedeeld, de Commissie niet bevoegd was om de bestreden beschikking vast te stellen.
35. De verzoekende regering erkent dienaangaande dat deze besluiten geen enkele van de op zich gewettigde belangen beoogden te beschermen en dat zij krachtens artikel 21, lid 3, derde alinea, van de concentratieverordening de Commissie de verschillende beschermde openbare belangen had moeten meedelen en de goedkeuring daarvan door deze gemeenschapsinstelling had moeten afwachten. Indien deze mededeling niet is verricht, machtigt bovengenoemde bepaling de Commissie evenwel niet om zich bij beschikking uit te spreken over de verenigbaarheid van de beschermde belangen met het gemeenschapsrecht.
36. In dergelijke zin pleiten volgens deze regering in de eerste plaats de bewoordingen van de bepaling. Daarvoor pleit echter ook het feit dat de Commissie in een dergelijke situatie geen zekerheid kan hebben over de door de betrokken staat daadwerkelijk beschermde belangen en zich aldus kan uitspreken over belangen die in werkelijkheid niet aan de in geding zijnde nationale besluiten ten grondslag liggen.
37. De noodzaak om het nuttig effect van artikel 21, lid 3, derde alinea, van de verordening te verzekeren, zoals de Commissie verklaart, kan een dergelijke conclusie evenmin in de weg staan. Om de communautaire toetsing van de wettigheid van de nationale besluiten te verzekeren, is het volgens de Portugese regering immers niet nodig de betrokken bepaling een andere strekking te geven, aangezien hetzelfde resultaat kan worden verkregen via de gewone niet-nakomingsprocedure krachtens artikel 226 EG.
38. De Commissie had volgens de Portugese regering juist deze laatste procedure moeten gebruiken en de zaak bij het Hof van Justitie aanhangig maken, in plaats van een beschikking vast te stellen in een geval waarin niet is voldaan aan de voorwaarden voor de uitoefening van haar bevoegdheid. Door niet deze correcte rechtsgang te kiezen heeft verweerster dus niet alleen de bij artikel 220 EG en artikel 21, lid 1, van de concentratieverordening aan het Hof van Justitie toegekende bevoegdheidssfeer overschreden (19) , maar heeft zij ook artikel 226 EG geschonden en de procedure misbruikt.
39. Wat het eerste middel betreft, merkt de verzoekende regering verder op dat de bestreden beschikking, door zich uit te spreken over de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de doelstellingen van wetsbesluit nr. 380/93, in wezen is vooruitgelopen op het oordeel dat het Hof krachtens artikel 226 EG moet uitspreken over de wettigheid van de Portugese regeling inzake privatiseringen (zaak C‑367/98). (20) Wat het misbruik van de procedure betreft, vraagt verzoekster zich vervolgens af of de Commissie de bestreden beschikking in werkelijkheid niet heeft vastgesteld met het uitsluitende doel haar eigen visie over de strekking van de uit artikel 21 van verordening nr. 4064/89 voortvloeiende bevoegdheden ingang te doen vinden.
40. De Commissie anderzijds betoogt om te beginnen dat i) de besluiten van 5 juli en 11 augustus 2000, naar de verzoekende regering uitdrukkelijk toegeeft, niet bedoeld waren om op zich gewettigde belangen te beschermen, en dat ii) deze regering de Commissie niet heeft meegedeeld welke andere openbare belangen zij wenste te beschermen, ondanks het verzoek van de gemeenschapsinstelling om dienaangaande opmerkingen in te dienen.
41. Bijgevolg stelt de Commissie dat, ingeval de nationale besluiten andere belangen beschermen dan die welke op zich gewettigd zijn, zij krachtens artikel 21, lid 3, derde alinea, van de verordening bevoegd is om zich bij beschikking uit te spreken over de verenigbaarheid van die belangen met het gemeenschapsrecht, ongeacht of deze haar door de betrokken lidstaat al dan niet zijn meegedeeld.
42. Deze regeling zou volgens de Commissie voorts elk nuttig effect missen en zou in gebreke blijvende lidstaten ten onrechte bevoordelen, ingeval haar bevoegdheid zou worden beperkt enkel doordat de betrokken lidstaten de mededeling niet hebben gedaan. Een dergelijke oplossing zou bovendien kennelijk in strijd zijn met de doelstelling van verordening nr. 4064/89 om op het niveau van de Gemeenschap een stelsel voor controle van concentraties in te voeren dat gebaseerd is op het beginsel van „één loket”.
43. Wat betreft het verwijt dat zij op het oordeel van het Hof van Justitie in zaak C‑367/98 is vooruitgelopen, verklaart de Commissie dat in de bestreden beschikking niet meer de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht wordt betwist van de Portugese regeling inzake privatiseringen, in het bijzonder wet 11/90 en wetsbesluit nr. 380/93, maar die van de belangen die ten grondslag liggen aan de besluiten waarmee de Portugese minister van Financiën heeft geweigerd de verwerving van de deelneming in Cimpor toe te staan.
Beoordeling
44. Bij de beoordeling van de onderhavige grieven zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat, zoals het Hof onlangs heeft geoordeeld, „de concentratieverordening berust op het beginsel van een precieze verdeling van bevoegdheden tussen de nationale en de communautaire controlerende autoriteiten”. Krachtens dit beginsel behoren „concentraties waarop deze verordening niet van toepassing is, in beginsel tot de bevoegdheid van de lidstaten” terwijl „de Commissie als enige bevoegd [is] om alle beschikkingen te geven betreffende concentraties met een communautaire dimensie”. (21)
45. Dit beginsel van bevoegdheidsverdeling wordt zeer nauwkeurig verwoord in artikel 21, leden 1 en 2, van verordening nr. 4064/89, krachtens hetwelk de Commissie uitsluitend bevoegd is om de in deze verordening bedoelde beschikkingen te geven (lid 1) en de lidstaten hun nationale mededingingswetgeving niet toepassen op concentraties van communautaire dimensie (lid 2).
46. Onverminderd deze bepalingen schrijft lid 3 van dit artikel voor dat de lidstaten, zoals reeds opgemerkt, maatregelen kunnen nemen ter bescherming van andere gewettigde belangen dan die waarop de verordening betrekking heeft en die met het gemeenschapsrecht verenigbaar zijn (eerste alinea), waarbij wordt gepreciseerd welke belangen op zich gewettigd zijn (tweede alinea) en de lidstaten worden verplicht elk ander openbaar belang ter beoordeling voor te leggen aan de Commissie, die de betrokken lidstaat binnen een maand na de mededeling in kennis moet stellen van haar beschikking (derde alinea).
47. Zoals gezegd, is de onderzochte grief op deze laatste alinea gebaseerd. Volgens de verzoekende regering volgt immers uit deze bepaling dat indien de door de besluiten van 5 juli en 11 augustus 2000 beschermde belangen niet waren meegedeeld, de Commissie zich niet bij beschikking kon uitspreken over de verenigbaarheid van deze belangen met het gemeenschapsrecht.
48. Het komt mij echter voor dat deze grief gebaseerd is op een benadering die minder aandacht heeft voor de inhoud, de doelstellingen en de systematische context van de betrokken bepaling en daarvan veeleer een formalistische lezing geeft.
49. Ik wil er immers aan herinneren dat deze bepaling „ter wille van de rechtszekerheid en in het belang van de betrokken ondernemingen” (22) beoogt te verzekeren dat de Commissie snel en efficiënt kan controleren of de belangen (andere dan de op zich gewettigde belangen (23) ) die door nationale besluiten met betrekking tot concentraties van communautaire dimensie worden beschermd, verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht.
50. Met dit doel moeten de lidstaten krachtens deze bepaling de Commissie vooraf de (andere dan de op zich gewettigde) belangen meedelen die zij wensen te beschermen, en wordt deze instelling vervolgens een korte termijn (van één maand) verleend om een beschikking vast te stellen over de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht, in overeenstemming met de doelstelling van verordening nr. 4064/89 om „een controle van concentraties (…) (te) verzekeren binnen termijnen die zowel verenigbaar zijn met de vereisten van behoorlijk bestuur als met die van het zakenleven”. (24)
51. De duidelijke wil van de wetgever om een snel en efficiënt toezicht van de Commissie te verzekeren is echter moeilijk te verzoenen met de stelling van de verzoekende regering dat de Commissie, ingeval de betrokken lidstaat geen mededeling heeft gedaan, niet bevoegd is om een beschikking te geven over de verenigbaarheid van de door haar beschermde belangen met het gemeenschapsrecht maar enkel een niet-nakomingsprocedure krachtens artikel 226 EG kan instellen. In dat geval zou de Gemeenschap, gelet op de technische termijnen van een dergelijke procesgang, zich onmogelijk kunnen uitspreken binnen de korte termijnen die door verordening nr. 4064/89 „ter wille van de rechtszekerheid en in het belang van de betrokken ondernemingen” zijn ingesteld, en bestaat het gevaar dat het Hof uitspraak doet wanneer in de nationale besluiten reeds definitief over de concentratie van communautaire dimensie is geprejudicieerd.
52. Voorts brengt de stelling van de Portugese regering in de praktijk mee, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, dat de onderzochte bepaling haar doeltreffendheid verliest omdat de lidstaten zich gemakkelijk aan het hierin ingestelde toezicht zouden kunnen onttrekken, eenvoudig door de door hun besluiten beschermde belangen niet mee te delen. Het paradoxale gevolg daarvan zou nadien zijn dat de Commissie snel en efficiënt kan optreden ten aanzien van lidstaten die zich houden aan de mededelingsverplichting, en zelfs de betrokken besluiten zou kunnen blokkeren, terwijl haar de mogelijkheid zou worden ontnomen om op vergelijkbare wijze op te treden tegen in gebreke blijvende lidstaten. Deze laatste zouden met andere woorden uiteindelijk voordeel halen uit hun eigen onrechtmatig gedrag, hetgeen kennelijk in strijd is met het beginsel nemo auditur propriam turpitudinem allegans. (25)
53. Volgens mij sluit dus beter aan bij het bij verordening nr. 4064/89 ingevoerde bijzondere stelsel van toezicht op concentraties en bij de ratio van de onderzochte bepaling, de door de Commissie voorgestelde uitlegging, namelijk dat zij zich bij beschikking kan uitspreken over de vraag of de door de lidstaten beschermde (andere dan de op zich gewettigde) belangen verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht, ook indien deze belangen haar niet zijn meegedeeld.
54. In dat opzicht acht ik het immers aannemelijker dat de betrokken bepaling betrekking heeft op beschikkingen die ten gevolge van de „mededeling” van de lidstaten zijn vastgesteld, gewoon omdat wordt vermoed dat de lidstaten de hun door deze bepaling opgelegde verplichting om deze mededeling te verrichten nakomen. Het zou daarentegen niet erg geloofwaardig zijn dat de verordening de bevoegdheid van de Commissie zou laten afhangen van … de goede wil van de lidstaten en nog minder dat zij lidstaten die zich aan de mededelingsverplichting onttrekken, zou willen belonen.
55. Zoals de Portugese regering heeft opgemerkt, is het juist dat de niet-mededeling door de lidstaten de taak van de Commissie onzekerder en ingewikkelder kan maken en dat deze moeilijkheden kan ondervinden om uit te maken welke belangen door de nationale besluiten worden beschermd. Om dergelijke moeilijkheden te overkomen kan de Commissie toch altijd informatie vragen aan de betrokken lidstaten, zoals zij in het onderhavige geval heeft gedaan. Indien de lidstaten daarna zouden blijven weigeren de gevraagde informatie te verstrekken, moet de Commissie zich zonder meer bevoegd achten ? analoog met haar bevoegdheid inzake bij voorbeeld staatssteun (26) ? om enkel op basis van de beschikbare gegevens een beschikking te geven.
56. Nu duidelijk is dat de Commissie zich bij beschikking kan uitspreken over de verenigbaarheid van de (andere dan de op zich gewettigde) belangen die door de lidstaten worden beschermd, ook wanneer deze haar niet zijn meegedeeld, is eveneens duidelijk dat door de vaststelling van een dergelijke beschikking noch de krachtens artikel 226 EG aan het Hof toegekende bevoegdheid is geschonden, noch de procedure is misbruikt.
57. Gelet op het voorgaande moeten de aangevoerde middelen worden afgewezen.
Schending van artikel 253 EG wegens gebrek aan een duidelijke en toereikende rechtsgrondslag van de handeling
58. Met het eerste middel komt de Portugese regering op tegen de gebrekkige motivering van de bestreden beschikking doordat de rechtsgrondslag van de handeling niet of onvoldoende wordt aangeduid. Meer in het bijzonder merkt deze regering op dat de Commissie in het opschrift en in de overwegingen van de considerans van de beschikking enkel in algemene bewoordingen heeft verwezen naar artikel 21 van de concentratieverordening, zonder te preciseren, zoals zij had moeten doen, dat haar bevoegdheid gebaseerd is op het bepaalde in lid 3, derde alinea, van dit artikel.
59. Ik ben het eens met de Commissie dat uit de tekst van de beschikking duidelijk blijkt dat deze is vastgesteld op basis van artikel 21, lid 3, derde alinea, van de concentratieverordening. In dit opzicht heeft de motivering van de beschikking volgens mij dus overeenkomstig het vereiste van de rechtspraak „tot doel, het Hof in staat te stellen de wettigheid van de beschikking te toetsen, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid ervan kan worden betwist. (27)
60. Ik voeg daar overigens aan toe dat de motivering van de bestreden beschikking de Portugese regering in casu zonder twijfel in staat heeft gesteld na te gaan op welke bepaling de Commissie haar bevoegdheid heeft gebaseerd en deze bevoegdheid bij het Hof aan te vechten.
61. Daarom moet volgens mij ook dit middel worden afgewezen.
De schending van artikel 253 EG wegens gebrek aan motivering van de onverenigbaarheid van de nationale maatregelen met het gemeenschapsrecht
62. Met het tweede middel betoogt de Portugese regering dat de bestreden beschikking gebrekkig is wegens onvoldoende motivering van de onverenigbaarheid van de nationale maatregelen met het gemeenschapsrecht.
63. Meer in het bijzonder heeft de Commissie volgens deze regering in de bestreden beschikking enkel het door de besluiten van 5 juli en 11 augustus 2000 beschermde belang aangeduid, de mogelijkheid uitgesloten dat dit belang in verband kon worden gebracht met een van de op zich gewettigde belangen, en op lapidaire wijze verklaard dat de twee besluiten ongerechtvaardigde belemmeringen van de vrijheid van vestiging en het vrije kapitaalverkeer vormen. Volgens haar is deze motivering volkomen ontoereikend omdat zij geen enkele specifieke en inhoudelijke beoordeling, feitelijk en rechtens, van het door de nationale besluiten beschermde belang in het licht van de relevante bepalingen van gemeenschapsrecht bevat.
64. Om de gebreken van deze motivering aan te tonen behandelt de verzoekende regering vervolgens uitvoerig de nationale regeling inzake privatiseringen en in het bijzonder het in artikel 1 van wetsbesluit nr. 380/93 voorziene stelsel van voorafgaande vergunning, waarbij zij uitlegt om welke redenen dit stelsel niet onverenigbaar is met de gemeenschapsbepalingen inzake het recht van vestiging en het vrije kapitaalverkeer.
65. Op deze grieven antwoordt de Commissie bondig dat in de beschikking wordt onderzocht welke belangen aan de betwiste nationale besluiten ten grondslag liggen en dat is aangegeven om welke redenen deze niet behoren tot de op zich gewettigde belangen en niet verenigbaar met het gemeenschapsrecht kunnen worden geacht.
66. Ik wens hierover op te merken dat de Commissie, na te hebben nagegaan welk belang door de nationale besluiten wordt beschermd en te hebben uitgesloten dat dit in verband kan worden gebracht met de op zich gewettigde belangen, de onverenigbaarheid van dit belang met het gemeenschapsrecht uiterst summier heeft gemotiveerd. Aangezien het om een gevoelige kwestie gaat, ware volgens mij zonder meer een uitvoeriger en meer gerichte motivering aangewezen geweest.
67. Met deze weliswaar uiterst summiere motivering kan toch worden nagegaan op welke passages de juridische redenering van de Commissie is gebaseerd. Blijkens punt 58 van de bestreden beschikking immers heeft de Commissie aangenomen dat „de twee besluiten [van de Portugese minister van Financiën] belemmeringen van de vrijheid van vestiging en het vrije kapitaalverkeer vormen”; dat deze „niet kunnen worden geacht gerechtvaardigd te zijn door enige in de rechtspraak van het Hof van Justitie erkende dwingende reden van openbaar belang”; dat „de Portugese regering hoe dan ook geen enkele reden van dien aard heeft aangevoerd”, en dat „het algemene gelijkheidsbeginsel, waarop de Portugese regering haar eerste besluit heeft gebaseerd, niets relevants toevoegt aan bovengenoemde argumentering”. (28)
68. Ik meen daarom dat deze motivering het door de rechtspraak vereiste minimumniveau bereikt (zie supra, punt 59), in het bijzonder rekening houdend met het feit dat de Portugese autoriteiten de Commissie geen aanwijzingen hebben verstrekt over de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de door hun besluiten beschermde belangen, ook niet in antwoord op de brief van 21 september 2000, en voorts ook met het feit dat de bestreden beschikking is vastgesteld in een voor de Portugese regering welbekende context, aangezien de Commissie in het kader van de niet-nakomingsprocedure die tot de genoemde zaak C‑367/98 heeft geleid, uitvoerig heeft gemotiveerd om welke redenen het in artikel 1 van wetsbesluit nr. 380/93 bedoelde stelsel van voorafgaande vergunning niet verenigbaar is met de gemeenschapsregeling inzake recht van vestiging en vrij kapitaalverkeer. (29)
69. Daarom moet volgens mij ook het onderhavige middel worden afgewezen.
Schending van het evenredigheidsbeginsel
70. Met het vijfde middel formuleert de Portugese regering ten slotte twee grieven met betrekking tot de schending van het evenredigheidsbeginsel. Zij verwijt de Commissie i) haar onderzoek niet te hebben beperkt tot de concentratie van communautaire dimensie, en ii) de procedure niet te hebben geschorst, ondanks het feit dat de partijen er geen belang meer bij hadden.
71. Wat de eerste grief betreft, blijkt volgens de verzoekende regering uit de bestreden beschikking dat de aangemelde operatie aanleiding zou geven tot twee concentraties (Secil/Cimpor en Holderbank/Cimpor) en dat enkel de tweede een communautaire dimensie zou hebben en dus binnen de werkingssfeer van verordening nr. 4064/89 zou vallen (zie supra, punt 21). Door de volledige intrekking te gelasten van de twee betwiste Portugese besluiten en niet enkel van het gedeelte ervan dat betrekking had op de concentratie Holderbank/Cimpor, was de Commissie derhalve verder gegaan dan noodzakelijk was om het gemeenschapsrecht te doen naleven, en heeft zij bijgevolg het evenredigheidsbeginsel geschonden.
72. Ik ben het echter eens met de Commissie dat zij haar optreden niet kon beperken tot enkel de verwerving van bepaalde activiteiten van Cimpor door Holderbank (de concentratie van communautaire dimensie), aangezien de betwiste nationale besluiten op onlosmakelijk verbonden wijze betrekking hadden op beide concentraties. Zoals gezegd, behandelden deze besluiten de twee concentraties niet afzonderlijk, maar blokkeerden zij het aanbod dat door Secilpar op de aandelen van Cimpor was gedaan, waardoor de verwerving van deze vennootschap en de latere verdeling van haar activiteiten tussen Secil en Holderbank reeds in dat stadium is verhinderd. Enkel het bevel om de besluiten in hun geheel in te trekken was evenwel gepast om het onrechtmatige verzet van de Portugese regering tegen de concentratie van communautaire dimensie af te weren.
73. Wat de tweede grief betreft, merkt de verzoekende regering evenwel op dat de Commissie kort voor de vaststelling van de bestreden beschikking de procedure met betrekking tot de aangemelde concentratie had geschorst omdat de belanghebbende ondernemingen niet de informatie hadden verstrekt die zij had gevraagd ter aanvulling van de volgens haar onvolledige aanmelding (zie supra, punt 14). Uitgaande van de gedachte dat het gebrek aan reactie van de aanmeldende vennootschappen het vermoeden kon wekken dat de procedure zou worden stopgezet, had de Commissie volgens de Portugese regering zorgvuldiger moeten zijn en er zich van moeten onthouden een definitieve en onomkeerbare maatregel, zoals de intrekking van de betwiste nationale besluiten, te bevelen.
74. Ook op dit punt lijkt het verweer van de Commissie mij meer te overtuigen, wanneer zij tegenwerpt dat de Portugese regering volstrekt niet heeft uitgelegd waarom in de bijzondere omstandigheden van deze zaak op basis van het gebrek aan reactie van de partijen moest worden aangenomen dat de procedure zou worden stopgezet. Volgens mij kon de Commissie het waarschijnlijk achten dat het gebrek aan reactie van de partijen hoe dan ook te maken had met de vaststelling van de betwiste besluiten, zodat zij heeft kunnen oordelen dat zij zeer dringend moest optreden.
75. Bijgevolg moet ook dit middel worden afgewezen.
IV – Kosten
76. Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie veroordeling van verzoekster in de kosten heeft gevorderd, moet deze vordering gelet op hetgeen hiervoor is gezegd over de uitkomst van dit beroep, worden toegewezen.
V – Conclusie
77. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
„1) het beroep te verwerpen;
2) de Portugese Republiek te verwijzen in de kosten.”
1 – Oorspronkelijke taal: Italiaans.
2 – PB L 395, blz. 1 (een gerectificeerde versie is nadien gepubliceerd in PB L 257 van 21 september 1990, blz. 13). Verordening nr. 4064/89 is nadien gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1310/97 van de Raad van 30 juni 1997 (PB L 180, blz. 1).
3 – Artikel 3 van de verordening bepaalt wat moet worden verstaan onder „concentratie”, terwijl artikel 1, leden 2 en 3, preciseert wanneer een concentratie „van communautaire dimensie” is.
4 – Artikel 3 van de verordening bepaalt wat moet worden verstaan onder „concentratie”, terwijl artikel 1, leden 2 en 3, preciseert wanneer een concentratie „van communautaire dimensie” is.
5 – Artikel 2, lid 2. Omgekeerd bepaalt lid 3 van dit artikel, wanneer concentraties „onverenigbaar [...] met de gemeenschappelijke markt” moeten worden verklaard.
6 – Diário da República, I, serie A, nr. 267 van 15 november 1993, blz. 6362.
7 – Diário da República, I, serie A, nr. 80 van 5 april 1990, blz. 1664.
8 – Zoals is gebleken in punt 4, voorziet deze bepaling in een bijzondere vergunning van de Portugese minister van Financiën voor de verwerving van een deelneming van meer dan 10 % van het stemgerechtigde kapitaal in een te privatiseren vennootschap.
9 – De vertaling van de bestreden beschikking is niet officieel aangezien enkel de Portugese versie authentiek is.
10 – Punt 11.
11 – Punt 12.
12 – Punt 50.
13 – Punten 52-54.
14 – Punt 56.
15 – Punten 57 en 62.
16 – Punten 58 en 59.
17 – Punten 64 en 65.
18 – Arrest van 17 mei 2001, IECC/Commissie (C‑449/98 P, Jurispr. blz. I‑3875, punt 87).
19 – Dienaangaande merkt de Portugese regering op dat de aangehaalde bepaling luidt als volgt: „Onder voorbehoud van het toezicht door het Hof van Justitie is uitsluitend de Commissie bevoegd de in deze verordening bedoelde beschikkingen te geven.” (gecursiveerd door mij).
20 – Zaak C‑367/98, die ten tijde van de vaststelling van de bestreden beschikking aanhangig was, betrof „een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Portugese Republiek, door wet 11/90 van 5 april 1990, kaderwet inzake privatiseringen (…), de later krachtens die wet aangenomen wetsbesluiten houdende privatisering van ondernemingen, alsmede de wetsbesluiten 380/93 van 15 november 1993 (…) en 65/94 van 28 februari 1994 (…) goed te keuren en te handhaven, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens het EG-Verdrag, met name de artikelen 52 (thans, na wijziging, artikel 43 EG), 56 (thans, na wijziging, artikel 46 EG), 58 (thans artikel 48 EG), 73 B (thans artikel 56 EG) en volgende, evenals artikel 221 daarvan (thans, na wijziging, artikel 294 EG), en de artikelen 221 tot en met 231 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen”. In die zaak heeft het Hof vervolgens uitspraak gedaan op 4 juni 2002 (Jurispr. blz. I‑4731) en het beroep van de Commissie toegewezen met betrekking tot de verweten schending van artikel 73 B EG (thans artikel 56 EG).
21 – Arrest van 25 september 2003, Schlüsselverlag J.S. Moser e.a./Commissie (C‑170/02 P, Jurispr. blz. I‑9889, punt 32), waarin voorts wordt gepreciseerd dat de Commissie uitsluitend bevoegd is, krachtens artikel 9 van de verordening, om te beslissen „het dossier van bepaalde concentraties die zich met name afspelen op een ‚markt binnen deze lidstaat die alle kenmerken vertoont van een afzonderlijke markt’, naar de bevoegde autoriteiten van een lidstaat te verwijzen”.
22 – Dit citaat is afkomstig van het arrest Schlüsselverlag J.S. Moser e.a., reeds aangehaald, waarin wordt onderstreept dat „de concentratieverordening (…) bepalingen [bevat] die tot doel hebben, ter wille van de rechtszekerheid en in het belang van de betrokken ondernemingen de duur te beperken van de verificatieprocedures van concentraties die tot de verantwoordelijkheid van de Commissie behoren” (punt 33).
23 – De Commissie hoeft geen toezicht uit te oefenen op deze belangen omdat de gemeenschapswetgever zich daarover reeds positief uitgesproken.
24 – Arrest Schlüsselverlag J.S. Moser e.a., reeds aangehaald, punt 34.
25 – Zie dienaangaande de conclusie van advocaat-generaal Mischo in de zaak Courage (C‑453/99, Jurispr. 2001, blz. I‑6297, punten 39 en 68).
26 – Dienaangaande kan naar analogie worden verwezen naar de rechtspraak van het Hof inzake staatssteun, volgens welke „[indien] de lidstaat niettegenstaande het bevel van de Commissie na[laat], de gevraagde inlichtingen te verstrekken, […] de Commissie bevoegd [is] de procedure te beëindigen en op basis van de haar ter beschikking staande gegevens vast te stellen, of de steunmaatregel al dan niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt” (arrest van 14 februari 1990, Frankrijk/Commissie, C‑301/87, Jurispr. blz. I‑307, punt 22).
27 – Arrest van het Hof van 2 oktober 2003, Salzgitter/Commissie (C‑182/99 P, Jurispr. blz. I‑10761, punt 71).
28 – Punt 58 van de bestreden beschikking.
29 – Wat dit laatste aspect betreft, merk ik op dat het Hof reeds heeft verduidelijkt dat „bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context” (arrest van 30 september 2003, Duitsland/Commissie, C‑301/96, Jurispr. blz. I-9919, punt 87). In dat geval heeft het Hof in het bijzonder geoordeeld dat aangezien „de bestreden beschikking is vastgesteld in een voor de Duitse regering welbekende context”, „de bestreden beschikking summier [mocht] worden gemotiveerd” (punten 89 en 92).
Full & Egal Universal Law Academy