Conclusie van de advocaat generaal
1. Campogrande, ambtenaar bij de Commissie in de rang A 4, stelt slachtoffer te zijn geweest van seksuele intimidatie door haar directeur, A.
2. Op 27 juni 1997 heeft Campogrande, na verschillende informele stappen, overeenkomstig artikel 24 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: Statuut") bij de Commissie een verzoek om bijstand ingediend, dat tevens als verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut gold. Rekwirante heeft van de Commissie vergoeding van de geleden morele en materiële schade en herstel van haar loopbaan gevorderd.
3. De Commissie heeft niet gereageerd op dit verzoek. Derhalve heeft Campogrande op 21 januari 1998 overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het stilzwijgend besluit tot afwijzing van haar verzoek.
4. Een week later, op 28 januari 1998, heeft de Commissie een administratief onderzoek ingesteld tegen A. In de loop van dat onderzoek zijn Campogrande en A, alsmede verschillende ambtenaren die informatie zouden kunnen verschaffen over het gedrag dat klaagster haar directeur verweet, gehoord.
5. Campogrande werd evenwel niet uitdrukkelijk medegedeeld welk gevolg de administratie aan haar klacht dacht te geven.
6. Geconfronteerd met dit stilzwijgen, heeft klaagster op 20 augustus 1998 beroep ingesteld bij het Gerecht van eerste aanleg, dat is ingeschreven onder nummer T-136/98.
7. Op 29 oktober 1998 ontving zij de resultaten van het administratief onderzoek, waarin werd geconcludeerd dat van seksuele intimidatie geen sprake was.
8. Campogrande heeft het Gerecht verzocht haar beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het stilzwijgend besluit tot afwijzing van haar klacht van 21 januari 1998 nietig te verklaren en de Commissie te veroordelen tot vergoeding van de door haar als gevolg van het bestreden besluit geleden morele schade.
9. In zijn arrest van 5 december 2000, Campogrande/Commissie, heeft het Gerecht het stilzwijgend genomen besluit van de Commissie tot afwijzing van het door rekwirante op 27 juni 1997 ingediende verzoek om bijstand nietig verklaard, doch het beroep voor het overige verworpen. Dit stoelt volgens de punten 66 tot en met 72 van het bestreden arrest op de volgende overwegingen:
66 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat voorzover zij betrekking heeft op de vergoeding van geleden schade als gevolg van de gestelde represailles tegen verzoekster na de indiening van haar klacht, de schadevordering niet-ontvankelijk is bij gebreke van een regelmatige voorafgaande precontentieuze procedure (arrest Gerecht van 15 juli 1993, Camara Alloisio e.a./Commissie, T-17/90, T-28/91 en T-17/92, Jurispr. blz. II-841). Verzoekster heeft immers pas in haar verzoekschrift voor de eerste maal melding gemaakt van de door haar superieuren na het vertrek van A tegen haar getroffen vergeldingsmaatregelen. Bovendien kan, zelfs bij een uitlegging met openheid van geest, nergens uit de bewoordingen van de klacht door verweerster worden afgeleid dat tegen verzoekster wegens haar klacht represaillemaatregelen zijn genomen.
67 Voorzover de schadevordering beoogt dat het Gerecht verweerster gelast de loopbaan van verzoekster te herstellen, overschrijdt zij de bevoegdheden van de gemeenschapsrechter, die volgens vaste rechtspraak de instellingen geen bevelen kan geven (arrest Gerecht van 9 juni 1998, Al e.a. en Becker e.a./Commissie, T-171/95 en T-191/95, JurAmbt. blz. I-A-257 en II-803, punt 37).
68 Wat de morele schade betreft die verzoekster heeft geleden als gevolg van de onzekerheid waarin de Commissie haar heeft gelaten omtrent het aan haar verzoek om bijstand gegeven gevolg en omtrent het resultaat van het administratief onderzoek, zulks in strijd met de verplichting om klachten inzake seksuele intimidatie zorgvuldig, snel en spoedig te onderzoeken, dient te worden opgemerkt dat in de onderhavige omstandigheden de nietigverklaring van het bestreden besluit op zich een passende vergoeding van deze schade vormt.
69 Ten slotte heeft verzoekster niet genoegzaam aangetoond morele schade te hebben geleden doordat zij, terwijl de Commissie onverschillig bleef, de gevolgen heeft ondervonden van de seksuele intimidatie die zij in haar verzoek om bijstand aan de kaak heeft gesteld. Daartoe zou zij tenminste bewijzen hebben moeten aandragen die aannemelijk maken dat zij inderdaad de genoemde handelingen heeft moeten verduren.
70 Vastgesteld moet worden dat verzoekster dat bewijs niet heeft geleverd. Het administratieve onderzoek heeft integendeel de inconsistentie van de beschuldigingen in het verzoek om bijstand aangetoond. De feiten die zich hebben afgespeeld vóór het voorval van 27 februari 1997 en door Campogrande zijn omschreven als ,opmerkingen over [haar] persoon en herhaalde, ongepaste toenaderingspogingen die volledig buiten het kader van een normale professionele relatie vielen, blijken vervolgens loutere uitingen van vriendschap of een louter toevallige samenloop van omstandigheden, die het zelfs niet verdienen om ,voorval te worden genoemd (zie met name de uiteenzetting van deze feiten in het door Campogrande zelf opgestelde verslag van de hoorzittingen van 13 mei en 10 juni 1998, dat bij het onderzoeksrapport is gevoegd). Wat betreft het voorval van 27 februari 1997 (zie hierboven, punt 12) heeft geen van de andere deelnemers aan de vergadering de feiten in het verzoek om bijstand kunnen bevestigen.
71 Met betrekking tot de in dat verzoek beschreven moeilijkheden in haar beroepsleven, toont een analyse van haar personeelsdossier aan dat verzoekster gedurende haar gehele loopbaan bij de Commissie altijd heeft gemeend dat haar bekwaamheden onvoldoende werden erkend (zie de opmerkingen van verzoekster over haar beoordelingsrapporten over de referentieperioden 1966/1967 en 1981/1983). Weliswaar bevatten de beoordelingsrapporten van verzoekster over de perioden 1987/1989, 1989/1991, 1991/1993 en 1993/1995 zeer gunstige beoordelingen over haar bekwaamheden, doch dezelfde beoordelingsrapporten maken ook melding van problemen van Campogrande in de relationele sfeer, terwijl de beoordelingsrapporten over de perioden van 1966 tot en met 1985 evenmin lovend zijn over verzoekster.
72 In die omstandigheden dient de schadevordering te worden afgewezen."
10. Aangezien Campogrande deze overwegingen onjuist acht, heeft zij op 12 februari 2001 krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld, ingeschreven onder nummer C-62/01 P, strekkende tot gedeeltelijke vernietiging van het bestreden arrest.
11. Zij verzoekt het Hof het bestreden arrest te vernietigen voorzover daarbij haar schadevordering is afgewezen, te erkennen dat seksuele intimidatie heeft plaatsgevonden en dat zij daardoor morele schade heeft geleden, de Commissie te veroordelen tot vergoeding van de schade en, ten slotte, de Commissie te verwijzen in de kosten.
12. Zij voert daartoe vier middelen aan: schending van de motiveringsplicht wegens een tegenstrijdigheid in de rechtsoverwegingen, schending van het gemeenschapsrecht en van de rechtspraak van het Hof inzake nieuwe middelen, rechtsweigering ten aanzien van de aansprakelijkheid, en schending van de rechten van de verdediging.
13. De Commissie, verweerster in hogere voorziening, verzoekt het Hof de hogere voorziening niet-ontvankelijk, althans ongegrond te verklaren, en voor het geval dat het Hof het bestreden arrest zou vernietigen, de zaak te verwijzen naar het Gerecht, en concludeert tevens tot verwijzing van rekwirante in de kosten.
14. Ik zal de vier middelen tegen het bestreden arrest in de door rekwirante aangehouden volgorde bespreken.
Eerste middel: schending van de motiveringsplicht wegens kennelijke tegenstrijdigheid in de rechtsoverwegingen en ontoereikende motivering
15. Rekwirantes eerste middel bestaat uit vijf onderdelen, die elk een andere grief bevatten tegen de argumentatie en de conclusies van het Gerecht, maar allemaal samenhangen met de schending van de motiveringsplicht.
16. Volgens verweerster is deze voorstelling van zaken in zoverre misleidend dat rekwirante onder het mom van kritiek op de motivering van het bestreden arrest, welke kritiek deel kan uitmaken van de middelen die overeenkomstig artikel 225 EG en artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG in hogere voorziening zijn toegelaten, een uitspraak van het Hof wenst over de vaststelling en de waardering van de feiten, die in het kader van een hogere voorziening niet ter discussie kunnen worden gesteld.
17. Met andere woorden: de wijze waarop rekwirante het middel heeft ingekleed kan de intrinsieke niet-ontvankelijkheid ervan niet opheffen en, om zeer nauwkeurig de woorden van de Commissie te citeren, iedere betwisting in hogere voorziening van de feitelijke beoordeling door het Gerecht dient niet-ontvankelijk te worden verklaard".
18. Ik stem volledig in met deze stelling. Ik denk echter niet dat het eerste middel van rekwirante op voorhand niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Door de motivering van het Gerecht als ontoereikend voor te stellen, wil rekwirante inderdaad het oordeel van het Gerecht, te weten dat Campogrande niet meer kan vorderen dan de nietigverklaring van het stilzwijgend besluit tot afwijzing van haar verzoek om bijstand van 27 juni 1997, ter discussie stellen.
19. Dat oordeel berust inderdaad op feitelijke vaststellingen, die voor het Hof, behoudens kennelijke onjuistheden, niet opnieuw ter discussie kunnen worden gesteld.
20. Dit betekent echter naar mijn mening niet dat rekwirante niet zou mogen trachten om in hogere voorziening aan te tonen dat het Gerecht aan zijn soevereine vaststellingen conclusies heeft verbonden die strikt logisch gezien zo onverenigbaar zijn met die vaststellingen, dat er sprake is van een tegenstrijdigheid, wat een aanwijzing is voor een onjuiste toepassing van het recht.
21. Ik geef het Hof derhalve in overweging, de strikte weg te volgen en aandachtig de door rekwirante aangevoerde grieven tegen de motivering van de afwijzing van iedere vorm van schadevergoeding te onderzoeken en daarbij alle argumenten te elimineren die neerkomen op het ter discussie stellen van feitelijke vaststellingen of op een ontkenning van de aan het Gerecht voorbehouden beoordelingsbevoegdheid.
22. Een aaneenschakeling van feitelijke vaststellingen vormt immers nog geen redenering en voor een juridisch gefundeerde conclusie is het noodzakelijk dat die vaststellingen onderling worden verbonden door overwegingen die in juridisch opzicht geldig zijn. Het Hof kan, wanneer een rekwirant daarom vraagt, wat dit betreft niet van de uitoefening van zijn toezicht afzien.
23. Met het eerste onderdeel van haar eerste middel betoogt rekwirante dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen punt 68 van het bestreden arrest, dat in de onderhavige omstandigheden de nietigverklaring van het bestreden besluit op zich een passende vergoeding [...] vormt" voor de door rekwirante geleden morele schade als gevolg van de onzekerheid waarin de Commissie haar heeft gelaten omtrent het aan haar verzoek om bijstand gegeven gevolg en omtrent het resultaat van het administratief onderzoek, en de rechtsoverwegingen in de punten 41 tot en met 59 van hetzelfde arrest, waarmee de nietigverklaring van het stilzwijgend besluit tot afwijzing van het verzoek om bijstand van rekwirante wordt gemotiveerd.
24. Naar haar mening kon het Gerecht niet vaststellen zoals het heeft gedaan in punt 53 van het bestreden arrest, dat de handelwijze van de Commissie niet in overeenstemming was met het uit de bijstandsplicht voortvloeiende vereiste om zorgvuldig, snel en spoedig een onderzoek te verrichten, en tegelijkertijd oordelen dat de nietigverklaring een passende vergoeding vormde, temeer daar in punt 55 van het arrest wordt opgemerkt dat ter zake van seksuele intimidatie de onzekerheid omtrent het gevolg dat de administratie aan een klacht zal geven, de waardigheid van zowel klager als verdachte aantast en steeds moet worden vermeden.
25. Door de nietigverklaring als passende vergoeding te kwalificeren, heeft het Gerecht de mate van ernst van de aan de Commissie verweten tekortkomingen anders beoordeeld.
26. Ik zie niet waarin de tegenstrijdigheid bestaat.
27. Van een tegenstrijdigheid zou sprake zijn wanneer het Gerecht in het onderhavige geval eerst het bestaan van een morele schade - als gevolg van een handelwijze van de Commissie die in strijd is met haar verplichtingen - zou hebben erkend om vervolgens het bestaan van een recht op schadevergoeding bij rekwirante te ontkennen.
28. Dit is evenwel niet het geval. Het Gerecht ontkent het recht op schadevergoeding namelijk niet, maar stelt vast, inderdaad zeer ten nadele van Campogrande, echter binnen de kaders van zijn beoordelingsbevoegdheid, dat dit recht door de nietigverklaring is bevredigd.
29. Uit de rechtspraak van het Gerecht ter zake van de vergoeding van door een ambtenaar geleden morele schade als gevolg van een onrechtmatige handeling blijkt dat het Gerecht niet alleen zeer herhaaldelijk heeft geoordeeld dat nietigverklaring van de bestreden handeling een passende vergoeding vormt, doch dat er ook zaken zijn waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat nietigverklaring geen passende vergoeding vormde, als gevolg van het feit dat de onrechtmatige handeling een negatief oordeel over het gedrag of de bekwaamheden van de ambtenaar inhield, die dit als kwetsend kon ervaren.
30. Deze rechtspraak van het Gerecht ligt overigens in de lijn van de rechtspraak van het Hof, dat in het arrest Culin/Commissie heeft geoordeeld dat de vergoeding van de morele schade in bepaalde bijzondere gevallen meer vergt dan een nietigverklaring.
31. Het is duidelijk dat Campogrande het Hof verzoekt om een tegenstrijdigheid in de rechtsoverwegingen van het bestreden arrest vast te stellen, omdat zij meent aan deze rechtspraak rechten te kunnen ontlenen, gezien de beoordeling door het Gerecht van de handelwijze van de Commissie in het onderdeel van zijn arrest dat handelt over het verzoek om nietigverklaring.
32. Ik kan echter slechts vaststellen dat in het onderhavige geval het Gerecht nergens in de rechtsoverwegingen van zijn arrest stelt dat rekwirante zich in de onderhavige omstandigheden terecht persoonlijk gekwetst mocht voelen. Bovendien gaat het Hof blijkens zijn rechtspraak niet in op de vraag of een door het Gerecht vastgestelde schadevergoeding passend is.
33. Dit blijkt duidelijk uit het arrest Commissie/Brazzelli Lualdi e.a.:
Zodra het Gerecht heeft vastgesteld dat er schade is, is het [...] bij uitsluiting bevoegd om binnen de grenzen van het petitum te beoordelen, hoe zij het best kan worden vergoed."
34. Ik wil het Hof niet in overweging geven van deze rechtspraak terug te komen. Desalniettemin zou ik, indien ik mij had moeten uitspreken over de vraag of de schadevergoeding passend is, naar voren hebben gebracht dat de strengheid waarmee het Gerecht de handelwijze van de Commissie heeft beoordeeld en waar rekwirante de aandacht op vestigt, door haar als een volkomen passende vergoeding van haar morele schade zou moeten worden beschouwd, aangezien volgens vaste rechtspraak het dictum van een arrest altijd moet worden gelezen in het licht van de motivering ervan, en dat in het onderhavige geval de Commissie niet alleen ongelijk heeft gekregen, maar eveneens scherp is bekritiseerd.
35. Aangezien geen enkele tegenstrijdigheid kan worden vastgesteld en het waarderingen betreft die tot de uitsluitende bevoegdheid van het Gerecht behoren, moet het eerste onderdeel van het eerste middel worden verworpen.
36. Dit brengt mij bij het tweede onderdeel van het eerste middel, waarin rekwirante het Gerecht verwijt te stellen dat zij niet genoegzaam heeft aangetoond morele schade te hebben geleden als gevolg van het feit dat zij door de onverschilligheid van de Commissie blootgesteld is geweest aan de gevolgen van de in haar verzoek om bijstand genoemde seksuele intimidatie, terwijl de daad en de opmerking die A worden verweten, niet worden bestreden en, gezien de criteria die worden genoemd in de in het onderhavige geval toepasselijke regelgeving met betrekking tot seksuele intimidatie, een dergelijk gedrag opleveren.
37. Deze kritiek vloeit voort, zoals de Commissie zeer terecht betoogt, uit een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het Gerecht heeft immers nergens vastgesteld dat Campogrande daadwerkelijk slachtoffer is geweest van seksuele intimidatie. Het Gerecht heeft uitsluitend vastgesteld, en dat is iets geheel anders, dat de Commissie op grond van de elementen in de klacht van rekwirante verplicht was haar bijstand te verlenen door een onderzoek in te stellen.
38. Uit het onderzoek dat uiteindelijk is verricht, kan volgens de ambtenaar die het heeft geleid, noch worden geconcludeerd dat het gedrag van A tijdens de vergadering van 27 februari 1997 werkelijk neerkwam op seksuele intimidatie, noch dat A zich in het verleden bij andere gelegenheden op een dergelijke wijze zou hebben gedragen.
39. Het was derhalve logischerwijze aan Campogrande om voor het Gerecht aan te tonen dat de conclusies van het onderzoek onjuist waren.
40. Immers, de eisen die bij het instellen van het onderzoek worden gesteld aan de geloofwaardigheid van de klager zijn absoluut niet gelijk aan die in geval van betwisting van de negatieve resultaten ervan.
41. Het Gerecht heeft, zonder zichzelf ook maar enigszins tegen te spreken, kunnen oordelen dat een onderzoek moest worden ingesteld, maar dat na de afronding ervan geen seksuele intimidatie en bijgevolg geen uit dien hoofde door rekwirante geleden schade zijn vastgesteld.
42. Bij afwezigheid van elke tegenstrijdigheid of ontoereikendheid van de motivering lijkt de kritiek van rekwirante niet meer dan een - per definitie niet-ontvankelijke - poging om vaststellingen waarover het Gerecht, met inachtneming van de regels inzake de bewijslast, soeverein heeft geoordeeld, opnieuw ter discussie te stellen. Zij treft derhalve geen doel.
43. Met het derde onderdeel van het eerste middel verwijt rekwirante het Gerecht dat er tussen de rechtsoverwegingen van zijn arrest een tegenstrijdigheid bestaat die zelfs neerkomt op een rechtsweigering. Deze is gelegen in het feit dat in punt 70 van het bestreden arrest wordt gesteld dat rekwirante geen bewijs van seksuele intimidatie heeft geleverd en dat het administratieve onderzoek de inconsistentie van de beschuldigingen in het verzoek om bijstand heeft aangetoond, terwijl in het onderdeel van het arrest dat is gewijd aan het verzoek tot nietigverklaring ernstige kritiek wordt geleverd op de omstandigheden waaronder genoemd onderzoek is verricht.
44. Ik ben van mening dat hier wederom sprake is van een poging tot het opnieuw ter discussie stellen van de beoordeling door het Gerecht van het realiteitsgehalte van bepaalde door rekwirante gestelde feiten, welke poging niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
45. Ik kan namelijk niet inzien waar de tegenstrijdigheid uit zou bestaan, want hoewel het Gerecht kritiek heeft geleverd op het onderzoek, is deze niet gericht op de resultaten (die Campogrande niet heeft kunnen weerleggen), maar uitsluitend op de late instelling en de traagheid ervan, die zeker zijn te betreuren maar de resultaten ervan niet kunnen ondergraven.
46. De in het vierde onderdeel van het eerste middel ontwikkelde grief is eveneens niet-ontvankelijk. Daarin wordt gesteld dat de motivering in punt 71 van het bestreden arrest ontoereikend en onjuist is. Campogrande betoogt dat het Gerecht had moeten onderzoeken of de oorsprong van de moeilijkheden in haar beroepsleven niet was gelegen in de door het Gerecht in punt 12 van zijn arrest vastgestelde seksuele intimidatie waaraan zij was blootgesteld.
47. Wij bevinden ons hier op de grens van de kwade trouw, want punt 12 van het bestreden arrest beperkt zich tot een weergave van de stellingen van rekwirante en geeft geenszins de mening van het Gerecht weer. Feitelijk stelt het Gerecht in punt 71 van zijn arrest, na in het voorgaande punt te hebben uiteengezet dat de seksuele intimidatie niet rechtsgeldig is bewezen, binnen het kader van zijn bevoegdheden vast dat de analyse van het personeelsdossier van Campogrande een indruk geeft van rekwirante die niet precies overeenkomt met die uit het onderzoek. Deze beoordeling kan in hogere voorziening geen onderwerp van discussie zijn.
48. Dit brengt mij bij het vijfde en laatste onderdeel van het eerste middel.
49. In dit onderdeel verwijt rekwirante het Gerecht - in bewoordingen die refereren aan zowel de rechten van de verdediging, het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen als rechtsweigering - wanneer ik het goed heb begrepen, dat het op het eigenlijke voorwerp van haar verzoek, dus de seksuele intimidatie en de betrouwbaarheid van de resultaten van het onderzoek, niet heeft geantwoord.
50. Een dergelijk verwijt is ongegrond, aangezien, zoals wij hierboven hebben gezien, het Gerecht heeft geoordeeld dat de door rekwirante aangevoerde bewijzen onvoldoende waren om de uitkomst van het onderzoek, te weten dat de klachten van Campogrande ter zake van seksuele intimidatie door A van alle grond ontbloot zijn, ter discussie te stellen. Het is eveneens niet-ontvankelijk, aangezien het leidt tot een opnieuw aan de orde stellen van de vaststellingen en beoordelingen van het Gerecht.
51. Na onderzoek van de verschillende onderdelen van het eerste middel in hogere voorziening, ben ik van mening dat het middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk is en gedeeltelijk ongegrond, zodat het in ieder geval moet worden afgewezen.
Tweede middel: schending van het gemeenschapsrecht en van de rechtspraak inzake nieuwe middelen
52. Het tweede middel richt zich tegen punt 66 van het bestreden arrest, dat luidt:
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat voorzover zij betrekking heeft op de vergoeding van geleden schade als gevolg van de gestelde represailles tegen verzoekster na de indiening van haar klacht, de schadevordering niet-ontvankelijk is bij gebreke van een regelmatige voorafgaande precontentieuze procedure (arrest Gerecht van 15 juli 1993, Camara Alloisio e.a./Commissie, T-17/90, T-28/91 en T-17/92, Jurispr. blz. II-841). Verzoekster heeft immers pas in haar verzoekschrift voor de eerste maal melding gemaakt van de door haar superieuren na het vertrek van A tegen haar getroffen vergeldingsmaatregelen. Bovendien kan, zelfs bij een uitlegging met openheid van geest, nergens uit de bewoordingen van de klacht door verweerster worden afgeleid dat tegen verzoekster wegens haar klacht represaillemaatregelen zijn genomen."
53. Volgens rekwirante heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat sprake is van een nieuw middel dat ingevolge het Reglement voor de procesvoering in de loop van het geding niet mag worden voorgedragen, hoewel het hier gaat om een nieuw argument tot staving van de reeds in het verzoekschrift aangevoerde middelen.
54. Rekwirante heeft vanaf het begin verzocht om vergoeding van alle schade die zij heeft geleden als gevolg van het gekonkel van A en het stilzitten van de Commissie, zodat de gevraagde vergoeding voor de vermeende represailles na de indiening van de klacht zonder meer binnen die totale vergoeding past. Subsidiair voert zij aan dat in de rechtspraak van het Hof is erkend dat, hoewel de klacht een conditio sine qua non is om een minnelijke regeling van het geschil mogelijk te maken of te bevorderen, [hij] er niet toe strekt de omvang van een eventueel beroep in rechte nauwkeurig en definitief af te bakenen, zolang de grond of het voorwerp van de klacht in dat stadium maar geen wijziging ondergaat." Zij wijst ten slotte op het arrest van 26 januari 1989, volgens welk:
[...] het vaste rechtspraak van het Hof [is], dat een ambtenaar voor het Hof alleen maar conclusies kan indienen die hetzelfde voorwerp hebben als de conclusies van zijn klacht, en alleen maar bezwaren kan doen gelden die op dezelfde grond berusten als de in die klacht geformuleerde bezwaren. Voor het Hof kunnen ter nadere precisering van die bezwaren middelen en argumenten worden aangevoerd die niet in de klacht waren vermeld, doch er wel nauw bij aansluiten (arrest van 20 mei 1987, zaak 242/85, Geist, Jurispr. 1987, blz. 2181). [...]"
55. Voor haar heeft het verzoek om vergoeding van de schade die is veroorzaakt door de represailles dezelfde grond en hetzelfde voorwerp als het eerste verzoek om vergoeding van de geleden schade". Weigeren het middel" met betrekking tot de represailles te onderzoeken op de grond dat het niet is aangevoerd in de klacht, heeft veel weg van rechtsweigering aangezien het duidelijk is dat deze represailles, die een gevolg zijn van het door rekwirante ingestelde beroep, bij de formulering van de klacht niet voorzienbaar waren".
56. Naar mijn mening berust deze gehele redenering op een misvatting, die ik zonder aarzelen fundamenteel zou willen noemen, namelijk de verwarring van verzoek met middel en van voorwerp met grond. Door om vergoeding te verzoeken voor de tegen haar gerichte represailles als gevolg van de indiening van haar klacht, formuleert Campogrande een verzoek dat niets te maken heeft met het verzoek om vergoeding van de schade die is veroorzaakt door het stilzwijgend besluit tot afwijzing van haar verzoek om bijstand en de seksuele intimidatie door A.
57. Er is geen sprake van een verzoek dat slechts een verlengstuk is van het oorspronkelijke en dat mogelijkerwijs zou kunnen worden onderzocht als impliciet onderdeel daarvan; het gaat onbetwistbaar om een nieuw en volledig verschillend verzoek.
58. Aangezien het gaat om represailles die, voorzover zij werkelijk hebben plaatsgevonden, zich pas na de indiening van de klacht hebben voorgedaan, gaat het hier om een handelwijze die chronologisch gezien niet samenvalt met de vermeende seksuele intimidatie en het stilzitten van de Commissie na het verzoek om bijstand.
59. Bovendien gaat het hier om gedragingen die niet afkomstig kunnen zijn van de persoon die de seksuele intimidatie zou hebben gepleegd, aangezien vaststaat dat A vanaf half juni 1997, dat wil zeggen nog vóór de indiening van het verzoek om bijstand, een verlof om persoonlijke redenen genoot en derhalve ten opzichte van rekwirante geen hiërarchische positie meer innam, die het hem mogelijk maakte represailles te nemen. De klacht had echter uitsluitend betrekking op pesterijen en beledigingen als represaille" en destabiliserende handelingen" door haar directeur A", waarvan rekwirante het slachtoffer was geworden. Een verzoek om schadevergoeding wegens represailles die na zijn vertrek hebben plaatsgevonden, kan derhalve niet op dezelfde grond berusten.
60. Aangezien het om twee verschillende verzoeken gaat, kan rekwirante niet profiteren van de door haar aangevoerde gunstige rechtspraak. Zij kan evenmin de analoge toepassing eisen van de toepasselijke regels inzake het tijdens de schriftelijke behandeling bekend worden van feiten die bij de indiening van het verzoekschrift aan rekwirante niet bekend waren. De beginselen die ten grondslag liggen aan de beslechting van geschillen binnen de communautaire overheidsdienst vereisen dat de administratie altijd de mogelijkheid heeft de gang naar de rechter te voorkomen door de voorafgaand voorgelegde klacht te accepteren. Het staat vast dat Campogrande bij de administratie geen klacht heeft ingediend tegen de afwijzing van een verzoek tot vergoeding van schade die zij zou hebben geleden als gevolg van tegen haar genomen represailles na haar klacht tegen de impliciete afwijzing om haar bijstand te verlenen in verband met seksuele intimidatie waarvan zij zich het slachtoffer voelde.
61. Het Gerecht heeft derhalve het verzoek om vergoeding van de geleden schade als gevolg van de represailles die zijn veroorzaakt door de indiening van de klacht, terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het tweede middel moet derhalve worden afgewezen.
Derde middel: rechtsweigering inzake de aansprakelijkheid
62. Met haar derde middel bekritiseert rekwirante punt 67 van het bestreden arrest, dat luidt:
Voorzover de schadevordering beoogt dat het Gerecht verweerster gelast de loopbaan van verzoekster te herstellen, overschrijdt zij de bevoegdheden van de gemeenschapsrechter, die volgens vaste rechtspraak de instellingen geen bevelen kan geven (arrest Gerecht van 9 juni 1998, Al e.a. en Becker e.a./Commissie, T-171/95 en T-191/95, JurAmbt. blz. I-A-257 en II-803, punt 37)."
63. Zij voert aan dat zij nooit heeft verzocht om een rechterlijk bevel aan de Commissie, maar een morele schadevergoeding wenste, welke is afgewezen door het Gerecht, omdat in de onderhavige omstandigheden het kwetsende gedrag van de Commissie uitsluit dat de nietigverklaring, zoals het Gerecht stelt, een passende vergoeding kan vormen.
64. Ik zal hier niet herhalen wat ik reeds bij de bespreking van het eerste onderdeel van het eerste middel heb opgemerkt over de onmogelijkheid, behoudens kennelijke onjuistheden, om in hogere voorziening de vraag naar de gepastheid van een door het Gerecht vastgestelde schadevergoeding ter discussie te stellen.
65. Ik volsta met de vaststelling dat rekwirante wordt geconfronteerd met een niet-ontvankelijkheid omdat zij, onder het mom van het aan de kaak stellen van een rechtsweigering, de gegrondheid van het bestreden arrest betwist met betrekking tot de vergoeding waarop zij aanspraak kan maken.
Vierde middel: schending van de rechten van de verdediging
66. Met haar vierde middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het conclusies heeft getrokken uit het door de Commissie verrichte administratieve onderzoek, hoewel zij kritiek heeft geleverd op de naar haar mening onaanvaardbare omstandigheden waaronder het, zowel wat betreft de rechten van de verdediging als wat betreft het voorwerp - mogelijke seksuele intimidatie - tot stand is gekomen. Daarom stelt zij dat het Gerecht, door deze schending van de rechten van de verdediging te accepteren, zelf deze rechten heeft geschonden.
67. Ook dit middel kan niet slagen. Om het Gerecht een schending van de rechten van de verdediging aan te kunnen rekenen, zou het rekwirante niet in de gelegenheid moeten hebben gesteld bewijs te leveren van de in haar bijstandsverzoek aangevoerde feiten en van de onjuistheid van de conclusies van het uiteindelijk door de Commissie verrichte onderzoek.
68. Het is niet juist om de indruk te wekken, zoals rekwirante doet, dat het Gerecht de resultaten van het onderzoek zonder meer heeft overgenomen, zonder aan rekwirante de mogelijkheid te bieden om ze te weerleggen. Het heeft integendeel de door Campogrande aangevoerde elementen bijzonder welwillend onderzocht, zoals bij een onderzoek van klachten over seksuele intimidatie vereist is, aangezien het in punt 69 van het bestreden arrest verklaart dat het bereid is bewijzen [...] die aannemelijk maken dat zij inderdaad de genoemde handelingen heeft moeten verduren" in overweging te nemen.
69. Het Gerecht heeft echter vervolgens moeten vaststellen, op grond van de in punt 70 van het bestreden arrest genoemde redenen, dat deze bewijzen niet zijn geleverd. Daarom heeft het, gebruik makend van zijn onbetwistbare beoordelingsbevoegdheid, waarde toegekend aan de resultaten van het onderzoek. Het middel dient derhalve als ongegrond te worden afgewezen.
Conclusie
70. Aan het slot van mijn bespreking van de door rekwirante aangevoerde middelen tot staving van haar hogere voorziening, en na te hebben vastgesteld dat genoemde middelen zonder uitzondering ofwel niet-ontvankelijk, ofwel ongegrond zijn, kan ik het Hof slechts in overweging geven:
- de hogere voorziening af te wijzen;
- rekwirante in de kosten te verwijzen.
Full & Egal Universal Law Academy