Conclusie van de advocaat generaal
1. Op 11 juni 1998 gaf de Commissie beschikking 98/513/EG in een procedure betreffende de toepassing van artikel 86 van het EG-Verdrag (IV/35.613 - Alpha Flight Services/Aéroports de Paris) (hierna: bestreden beschikking"), waarvan het dispositief luidt als volgt:
Artikel 1
Aéroports de Paris heeft inbreuk gemaakt op de bepalingen van artikel 86 van het Verdrag door van haar machtspositie als exploitant van de Parijse luchthavens gebruik te maken om de dienstverrichters of de gebruikers die gronddiensten of zelfafhandelingsactiviteiten verrichten op gebied van de catering (met inbegrip van het inladen in en het uitladen uit het vliegtuig van voedsel en dranken), het schoonmaken van de vliegtuigen en de vrachtafhandeling, op de Parijse luchthavens Orly en Roissy-Charles de Gaulle discriminerende commerciële vergoedingen aan te rekenen.
Artikel 2
Aéroports de Paris dient de in artikel 1 genoemde inbreuk te beëindigen en aan de betrokken verrichters van gronddiensten uiterlijk binnen twee maanden gerekend vanaf de kennisgeving van deze beschikking een niet-discriminerende regeling van commerciële vergoedingen voor te stellen."
2. Tegen die beschikking is door Aéroports de Paris (hierna: ADP" of rekwirante") bij het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen beroep tot nietigverklaring ingesteld. Na verwerping van dit beroep heeft ADP de onderhavige hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 12 december 2000, Aéroports de Paris/Commissie.
3. Primair vordert rekwirante van het Hof vernietiging van dit arrest en nietigverklaring van de bestreden beschikking, alsmede verwijzing van de Commissie in alle aan rekwirante in het kader van de procedure voor het Gerecht en van de onderhavige procedure opgekomen kosten. Verder vordert rekwirante van het Hof om de vennootschap Alpha Flight Services (hierna: AFS"), interveniënte in eerste aanleg, te verwijzen in haar eigen kosten en, voor het geval AFS een nieuwe memorie van interventie in hogere voorziening zou indienen, in die welke aan ADP konden opkomen met betrekking tot die interventie.
4. De Commissie heeft aanvankelijk een exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen die vordering opgeworpen op grond dat AFS op dat moment nog niet in de procedure voor het Hof had geïntervenieerd. Daar AFS na indiening van het verweerschrift van de Commissie heeft geïntervenieerd, heeft deze de exceptie van niet-ontvankelijkheid niet gehandhaafd.
5. Volgens de Commissie is de hogere voorziening echter niet-ontvankelijk. Alvorens de zaak ten gronde te behandelen, dienen eerst haar argumenten dienaangaande te worden onderzocht.
6. In hogere voorziening verwijst ADP veelvuldig naar processtukken die niet als bijlage zijn bijgevoegd, maar die wel bij het door haar bij het Gerecht ingediende verzoekschrift waren gevoegd.
7. Volgens de Commissie heeft rekwirante daarom artikel 112 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof niet nageleefd. Hierin wordt bepaald aan welke voorwaarden een verzoekschrift in hogere voorziening inhoudelijk moet voldoen en wordt met name verwezen naar artikel 37 van dit Reglement, dat bepaalt dat elk processtuk vergezeld moet gaan van alle bijlagen waarnaar daarin wordt verwezen" (lid 1, tweede alinea).
8. Verder baseert de Commissie zich op artikel 37, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof dat bepaalt dat elk processtuk vergezeld moet gaan van een dossier bevattende de stukken en bescheiden waarop een beroep wordt gedaan, alsmede van een staat van die stukken en bescheiden".
9. In casu staat vast dat rekwirante in hogere voorziening naar een aantal processtukken verwijst die niet waren bijgevoegd. De Commissie betwist echter niet dat die processtukken bij het bij het Gerecht ingediende verzoekschrift waren gevoegd en zij daarom met die stukken bekend was.
10. Niettemin stelt de Commissie dat het door rekwirante gereleveerde feit dat haar mogelijkheden om verweer te voeren niet worden aangetast, haar niet het recht ontneemt om zich op de niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening te beroepen.
11. In dat verband voert rekwirante aan dat uit het arrest Tremblay e.a./Commissie volgt dat de schending van artikel 112 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof nadeel moet hebben toegebracht aan degene die zich daarop beroept. Volgens de Commissie is die zaak in het kader van de onderhavige procedure echter niet van belang, omdat de gebreken waarvan aldaar sprake was, veel minder ernstig waren dan in de onderhavige zaak.
12. Zo waren in strijd met artikel 112, lid 1, sub b, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof de andere partijen in de procedure voor het Gerecht in het verzoekschrift in hogere voorziening niet aangegeven. Voorts was niet de datum vermeld waarop het arrest waartegen hogere voorziening was ingesteld, aan partijen was betekend, zoals vereist door lid 2 van dat artikel. Ook dat is geen ernstig gebrek, daar die datum gemakkelijk kan worden achterhaald.
13. Volgens de Commissie is het verzuim om de aangehaalde stukken ter ondersteuning van de hogere voorziening bij te voegen, niet te vergelijken met die formaliteiten. De bij de hogere voorziening gevoegde processtukken zijn namelijk op andere wijze niet toegankelijk, dit in tegenstelling tot de informatie waarom het in artikel 112, lid 1, sub b, en lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof gaat.
14. Ik deel dit standpunt niet.
15. Ten eerste zijn volgens mij de in de zaak Tremblay e.a./Commissie onderzochte omissies niet noodzakelijkerwijs zo onbelangrijk als de Commissie beweert. Zo kan bijvoorbeeld door de vermelding van de datum waarop het bestreden arrest is betekend, door alle belanghebbenden snel worden nagegaan of de termijn voor het instellen van hogere voorziening is nageleefd.
16. Ten tweede waren in casu de procespartijen, en ook de interveniënten, bekend met alle processtukken die niet bij de hogere voorziening waren gevoegd, daar deze bij het verzoekschrift in eerste aanleg waren gevoegd. Daarbij moet worden vastgesteld dat die processtukken niet zo belangrijk zijn dat door het ontbreken ervan een lidstaat die over een eventuele interventie bij het Hof overeenkomstig artikel 49, derde alinea, van 's Hofs Statuut-EG moet beslissen, niet naar behoren de verschillende aspecten van het geschil zou kunnen beoordelen. Hieruit volgt dat in casu moeilijk is vol te houden dat het verzuim om die processtukken bij de hogere voorziening te voegen, een of ander praktisch gevolg heeft gehad.
17. Ik kan daarom niet, zoals de Commissie doet, concluderen dat het beginsel van het arrest Tremblay e.a./Commissie, volgens hetwelk de niet-ontvankelijkheid alleen kan worden vastgesteld als de gestelde verzuimen de partij die zich daarop beroept, nadeel hebben toegebracht, in casu niet van toepassing is.
18. Ik deel daarentegen het standpunt van rekwirante dat dit arrest steun biedt aan de stelling dat verzuimen die, zoals in casu, de rechten van andere partijen in generlei opzicht ongunstig hebben beïnvloed, niet kunnen leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening.
19. Dit wordt trouwens a fortiori bevestigd door het arrest Coopératives agricoles de céréales/Commissie en Raad, dat de Commissie zelf aanhaalt. In die zaak heeft het Hof vastgesteld dat het ontbreken van bepaalde processtukken de Commissie had kunnen schaden bij de voorbereiding van haar verweer. Niettegenstaande die vaststelling heeft het Hof daaruit niet geconcludeerd dat het beroep niet-ontvankelijk was.
20. Daarbij moet worden vastgesteld dat de stelling van de Commissie geen steun vindt in de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering van het Hof aangaande de schriftelijke behandeling.
21. Die bepalingen voorzien namelijk niet in een sanctie voor de niet-naleving van artikel 37 van dat Reglement, waarop de Commissie zich beroept. De Commissie ontkent dit niet, maar leidt hieruit af dat de sanctie moet bestaan in de niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening, omdat anders de naleving van dat artikel niet verzekerd was.
22. Het zou echter ondenkbaar zijn dat zo'n zware sanctie niet uitdrukkelijk in het Reglement voor de procesvoering van het Hof was vastgelegd. Dat geldt eens te meer nu artikel 38, lid 7, van het Reglement in de mogelijkheid voorziet om een verzoekschrift formeel niet-ontvankelijk te verklaren ingeval van schending van de leden 3 tot en met 6 van dat artikel. Niets zou dus eraan in de weg hebben gestaan om in dit Reglement een soortgelijke bepaling met betrekking tot artikel 37 op te nemen.
23. Bovendien kan overeenkomstig artikel 38, lid 7, van dat Reglement niet alleen pas tot niet-ontvankelijkheid besloten worden nadat de betrokken partij heeft nagelaten het verzuim binnen een redelijke termijn te herstellen, maar geschiedt dit ook niet automatisch. Ingevolge die bepaling beslist het Hof namelijk of het niet in acht nemen van genoemde voorwaarden tot de formele niet-ontvankelijkheid van het verzoekschrift leidt".
24. Het zou daarom onwaarschijnlijk zijn dat het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat slechts als ultima ratio voorziet in de mogelijkheid van niet-ontvankelijkheid voor zulke ernstige verzuimen als bijvoorbeeld het - in artikel 38, lid 3, bedoelde - ontbreken van het bewijs dat de advocaat is ingeschreven bij de balie van een lidstaat, in die zin zou moeten worden verstaan dat de niet-naleving van artikel 37, dat in hetzelfde hoofdstuk van dat Reglement staat als artikel 38, automatisch als sanctie niet-ontvankelijkheid meebrengt die niet te herstellen en bovendien impliciet is.
25. Afgezien van het feit dat een dergelijke uitlegging niet plausibel lijkt, zou zij buitengewoon formalistisch zijn en in strijd met de proceseconomie.
26. De parallel die de Commissie met de beschikking in de zaak Lopes/Hof van Justitie tracht te trekken, is evenmin overtuigend. De niet-ontvankelijkheid in die zaak was niet alleen veroorzaakt door de schending van artikel 37 van het Reglement voor de procesvoering, maar vooral door de niet-naleving van artikel 17, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG, waarin de vertegenwoordiging door een advocaat wordt voorgeschreven, zelfs als de verzoeker zelf advocaat is met de bevoegdheid om op te treden voor een nationale rechterlijke instantie. De weigering van Lopes om zich door een andere advocaat te laten vertegenwoordigen, leidde tot de schending van dat Statuut en de niet-ontvankelijkheid van zijn beroep. Het feit dat hij niet in staat was een door zijn gemachtigde ondertekend inleidend verzoekschrift over te leggen, was formeel gezien slechts de onvermijdelijke consequentie van die weigering en niet de fundamentele reden voor de niet-ontvankelijkheid van zijn beroep.
27. Bijgevolg moet de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid worden afgewezen en worden overgegaan tot de behandeling van de zaak ten gronde.
Eerste middel: schending van de verordeningen nrs. 17 en 3975/87
28. In dit middel, dat gericht is tegen de punten 34 tot en met 52 van het bestreden arrest, voert rekwirante aan dat het Gerecht door de afwijzing van haar stelling dat de onderhavige zaak valt onder verordening (EEG) nr. 3975/87 en niet onder verordening nr. 17, die verordeningen heeft geschonden.
29. ADP beroept zich op het arrest Commissie/UIC, waarin het Hof in punt 44 van oordeel was: Bij verordening nr.141, die naderhand is vervangen door de drie sectorale verordeningen betreffende het vervoer te land, ter zee en in de lucht, is [...] de gehele vervoerssector aan de toepassing van verordening nr. 17 onttrokken."
30. Verordening nr. 3975/87, die in de plaats gekomen is van verordening nr. 141, dient haars inziens dus te worden uitgelegd als zijnde van toepassing op de gehele vervoerssector. Deze zaak valt ontegenzeggelijk onder dit begrip.
31. Deze uitlegging van het arrest Commissie/UIC is echter niet overtuigend.
32. Dienaangaande dient ten eerste te worden opgemerkt dat het in punt 44 van dit arrest ging om het onderzoek door het Hof van de vraag of contractuele bepalingen inzake de verkoop van vervoerdiensten door reisbureaus, die beogen het vervoer per spoor te bevoordelen, onder verordening nr. 17 dan wel onder een sectorale verordening, namelijk verordening (EEG) nr. 1017/68, vielen.
33. In dat verband heeft het Hof erop gewezen dat deze laatste verordening, evenals overigens verordening nr. 141, gold voor bepaalde mededingingsregelingen die tot doel of ten gevolge hebben het bepalen van vrachtprijzen en vervoervoorwaarden, het beperken of controleren van het vervoersaanbod, het verdelen van vervoermarkten". Het was dus van oordeel dat de litigieuze bepalingen onder de sectorale verordening en niet onder de algemene verordening vielen.
34. Het is dus duidelijk dat het in die zaak gerezen probleem betrekking had op de verkoopmodaliteiten van vervoerdiensten. De vraag naar het verband met het verrichten van die diensten laat zich dus niet op dezelfde wijze stellen als in de onderhavige zaak, waarin, zelfs indien wordt meegegaan met de stelling van rekwirante dat haar activiteiten tot de vervoerssector behoren, niet ervan kan worden uitgegaan dat die activiteiten betrekking hebben op de verkoopmodaliteiten van luchtvervoerdiensten.
35. Ten tweede heeft het Hof in punt 29 van datzelfde arrest opgemerkt dat het Gerecht [...] terecht geoordeeld [heeft], dat het geschil betrekking had op de uitlegging van verordening nr. 1017/68, en niet op de uitlegging van verordening nr. 141" . Het is daarom twijfelachtig of het Hof in dit arrest een standpunt heeft willen innemen inzake de uitlegging van verordening nr. 141.
36. Bovendien komt de door rekwirante verdedigde stelling erop neer dat aan het Hof een extensieve uitlegging van de werkingssfeer van die verordening wordt toegeschreven.
37. De veronderstelling dat het Hof die verordening aldus had willen uitleggen, is evenwel des te onwaarschijnlijker daar die verordening ingevolge de bewoordingen ervan ontegenzeggelijk een lex specialis is ten opzichte van verordening nr. 17.
38. Blijkens de derde overweging van de considerans van verordening nr. 141, waarnaar het Gerecht verwijst, rechtvaardigen de bijzondere aspecten van het vervoer de niet-toepassing van verordening nr. 17 slechts [...] ten aanzien van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke rechtstreeks betrekking hebben op het verrichten van vervoerprestaties". Dit wordt bevestigd door artikel 1 van verordening nr. 141, volgens hetwelk verordening nr. 17 enkel niet van toepassing is op mededingingsregelingen die het bepalen van vrachtprijzen en vervoervoorwaarden, het beperken of controleren van het aanbod van vervoergelegenheid of het verdelen van vervoermarkten ten doel of ten gevolge hebben".
39. Het Gerecht heeft dus terecht het op het arrest Commissie/UIC gebaseerde betoog van rekwirante afgewezen.
40. In het kader van dit middel betoogt ADP verder dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de door hem aan verordening nr. 3975/87 gegeven uitlegging.
41. ADP verwijt het Gerecht belang te hebben gehecht aan het opschrift van die verordening, dat spreekt van de wijze van toepassing van de mededingingsregels op ondernemingen in de sector luchtvervoer". ADP meent namelijk dat uit die bewoordingen niets is af te leiden en benadrukt dat de Engelse versie van die verordening spreekt van undertakings in the air transport sector", hetgeen veel duidelijker aangeeft dat de verordening van toepassing is op alle ondernemingen in de luchtvervoersector en niet alleen op de vervoerondernemingen in eigenlijke zin.
42. De Commissie benadrukt echter terecht dat wanneer er verschillen zijn tussen de taalversies van een verordening, blijkens de rechtspraak van het Hof moet worden gekeken naar de algemene opzet en de doelstelling van de betrokken bepaling. Dat is wat het Gerecht heeft gedaan bij zijn onderzoek van in het bijzonder artikel 1 van verordening nr. 3975/87 en artikel 4 bis van diezelfde verordening, welk laatste artikel bij verordening (EEG) nr. 1284/91 van de Raad van 14 mei 1991 is ingevoegd.
43. Dienaangaande verwijt ADP het Gerecht dat het uit artikel 1, lid 2, van die verordening, luidende: Deze verordening heeft uitsluitend betrekking op het internationale luchtvervoer tussen luchthavens in de Gemeenschap", heeft afgeleid dat deze verordening slechts van toepassing zou zijn op luchtvervoer in engere zin.
44. Volgens rekwirante heeft de term uitsluitend" namelijk enkel betrekking op de zinsnede tussen luchthavens in de Gemeenschap" en wordt daarmede beoogd het vervoer tussen luchthavens buiten de Gemeenschap uit te sluiten.
45. Opgemerkt dient echter te worden dat deze bepaling gelezen moet worden in de context van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 3975/87, als aanvulling waarop zij dient. Dat artikel bepaalt: Bij deze verordening worden de regels voor de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag op het luchtvervoer vastgesteld." Daaruit volgt ontegenzeggelijk dat, zoals het Gerecht heeft vastgesteld, de verordening gericht is op de activiteit die bestaat in het aanbieden van die diensten en niet op die van entiteiten die, zoals rekwirante, hun diensten verrichten ten behoeve van ondernemingen die zelf hun grondafhandelingsdiensten aan luchtvervoerders aanbieden.
46. Anders dan rekwirante beweert, wordt door het eveneens door het Gerecht aangehaalde artikel 4 bis van die verordening aan deze conclusie niet afgedaan, maar wordt deze daardoor daarentegen bevestigd. Die bepaling heeft uitsluitend betrekking op praktijken die het bestaan van een luchtdienst rechtstreeks in gevaar [kunnen brengen]".
47. Volgens rekwirante zou die bepaling een argument zijn ten gunste van de toepassing van verordening nr. 3975/87 op de gehele luchtvervoersector. Het is immers duidelijk dat dergelijke praktijken kunnen worden toegepast door andere ondernemingen in vervoersector dan de vervoerders zelf.
48. Niettemin kunnen de betrokken praktijken alleen dan het bestaan van een luchtdienst rechtstreeks in gevaar brengen wanneer zij daarmee voldoende nauw verband hebben. Er wordt echter niet gesteld dat dat het geval is bij de in het onderhavige geval betrokken activiteiten, namelijk, laat ik het in herinnering brengen, de regeling van de toegang van verrichters van grondafhandelingsdiensten tot de infrastructuur van de luchthaven.
49. Het door rekwirante in deze context aangehaalde voorbeeld is daarbij bijzonder verhelderend, daar het een geval betreft waarbij een luchthaven aan een luchtvaartmaatschappij het gebruik van zijn faciliteiten onthoudt. De onderhavige zaak heeft echter juist geen betrekking op de verhoudingen tussen luchtvaartmaatschappijen en luchthavenexploitanten. Bij het aangevoerde misbruik gaat het namelijk om de verhouding tussen laatstgenoemden en de verrichters van grondafhandelingsdiensten die deze diensten verzorgen voor luchtvaartmaatschappijen.
50. Ten slotte acht rekwirante de verwijzing van het Gerecht naar de eerste overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 3976/87, ten onrechte volstrekt irrelevant. Die eerste overweging stelt vast dat verordening nr. 17 voor andere mededingingsregelingen geldt dan die welke rechtstreeks verband houden met het verschaffen van luchtvervoerdiensten".
51. ADP benadrukt dienaangaande dat in deze zaak een andere verordening, namelijk verordening nr. 3975/87, aan de orde is. Daarbij en bovenal heeft verordening nr. 3976/87 haars inziens slechts betrekking op mededingingsregelingen, terwijl in casu een misbruik van machtspositie wordt aangevoerd.
52. Dat neemt niet weg dat de twee verordeningen, zoals de Commissie stelt, gelijktijdig zijn vastgesteld en op hetzelfde onderwerp betrekking hebben, te weten de toepassing van de mededingingsregels op luchtvervoerdiensten.
53. Bovendien is er geen enkele reden waarom de materiële werkingssfeer van verordening nr. 17 in casu zou verschillen al naar gelang het gaat om een mededingingsregeling of een misbruik van een machtspositie.
54. Het Gerecht heeft dus op goede gronden kunnen oordelen dat dit een extra aanwijzing was dat verordening nr. 17 van toepassing is op alle gedragingen die niet rechtstreeks verband houden met het verrichten van luchtvervoerdiensten.
55. Bijgevolg, en anders dan rekwirante betoogt, moet het begrip vervoerdiensten" niet in die zin worden uitgelegd dat iedere activiteit die met de luchtvervoersector te maken heeft, daaronder valt en daardoor aan de toepassing van verordening nr. 17 ontkomt.
56. Daarom heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat de activiteiten van rekwirante geen vervoerdiensten in de zin van verordening nr. 3975/87 zijn, daar ADP geen luchtvervoerdiensten verricht en dus geen luchtvervoeronderneming is.
57. Het feit dat, zoals ADP extra benadrukt, haar activiteiten ontegenzeggelijk behoren tot de luchtvervoersector, volstaat namelijk, gelet op de uitlegging die het Gerecht mijns inziens terecht aan de regeling heeft gegeven, niet om daaronder vervoerdiensten" in de zin van verordening nr. 3975/87 te verstaan.
58. Rekwirante tracht ook tevergeefs steun te vinden in richtlijn 96/67/EG, waarbij zij enerzijds betoogt dat de Commissie in haar voorstel voor die richtlijn erop gewezen heeft dat de grondafhandelingsdienst integrerend deel uitmaakt van het luchtvervoersysteem en anderzijds dat het Comité van de Regio's in zijn advies heeft benadrukt dat de luchthavens en de grondafhandelingsdiensten integrerend deel uitmaken van de luchtvervoermarkt". Daar de Raad de stellingname van de Commissie niet heeft overgenomen, mocht het Gerecht dat als een extra aanwijzing zien dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen grondafhandelingsdiensten en luchtvervoerdiensten, en dat het onmogelijk is deze diensten over één kam te scheren.
59. Bovendien wordt er in elk geval niet betwist dat rekwirante geen grondafhandelingsdiensten verricht, zoals het Gerecht overigens terecht heeft opgemerkt.
60. Ten slotte wil ik benadrukken dat, in tegenstelling tot hetgeen rekwirante betoogt, er geen tegenstrijdigheid bestaat tussen de vaststelling van het Gerecht in punt 49 van het bestreden arrest dat de aan ADP verweten feitelijke gedragingen slechts zijdelings van invloed waren op de luchtvervoermarkt, en het standpunt van de Commissie in punt 125 van de bestreden beschikking dat de litigieuze vergoedingen concurrentieverstorende gevolgen op de markt van de luchtvervoerdiensten op[leveren]".
61. Bij lezing van het arrest en de beschikking blijkt dat het Gerecht en de Commissie hetzelfde verschijnsel beschrijven, namelijk het feit dat de vervoerders niet rechtstreeks door de hoogte van de vergoedingen worden geraakt, maar alleen voorzover deze hoogte van invloed is op de kosten van de verrichter van gronddiensten en dus op de door deze aan de vervoerder geboden prijzen.
62. Derhalve moet dit middel worden afgewezen.
Tweede middel: motivering van het bestreden arrest
63. ADP beweert dat het Gerecht zijn motiveringsplicht heeft geschonden vanwege een tegenstrijdigheid in zijn redenering. Het heeft namelijk enerzijds vastgesteld dat de beschikking van de Commissie niet vereist dat de vergoedingen voor zelfafhandeling en afhandeling ten behoeve van derden identiek zijn, en anderzijds betoogd dat ADP in beide gevallen dezelfde diensten verstrekt, hetgeen volgens haar noodzakelijkerwijs een eventuele verschillende behandeling uitsluit.
64. Volgens de Commissie is dit middel niet-ontvankelijk op grond dat het slechts een herhaling is van het tweede en het derde middel voor het Gerecht. Krachtens de rechtspraak van het Hof moet dit middel daarom geacht worden niet-ontvankelijk te zijn.
65. Rekwirante deelt deze uitlegging van de rechtspraak niet. Volgens haar leidt namelijk alleen een letterlijke herhaling van een al voor het Gerecht aangevoerd middel tot de niet-ontvankelijkheid daarvan.
66. Zonder dat zelfs over deze vraag behoeft te worden beslist, moet worden vastgesteld dat in casu het betoog van de Commissie niet kan slagen.
67. Het is vaste rechtspraak, waaronder de reeds aangehaalde beschikking Kupka-Floridi/ESC, dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, bezwaar wordt gemaakt en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven".
68. Dat is in casu het geval. Rekwirante somt namelijk precies de punten op waartegen zij bezwaar heeft, namelijk enerzijds de punten 62, 66 en 67 en anderzijds punt 206. De specifieke argumenten tegen die punten worden ook uiteengezet, daar rekwirante verklaart dat deze punten volgens haar een tegenstrijdigheid in de redenering van het Gerecht laten zien.
69. Ik meen daarom dat dit middel ontvankelijk is.
70. Ten gronde moet worden vastgesteld dat rekwirante ten onrechte in de redenering van het Gerecht een tegenstrijdigheid bespeurt.
71. De enkele stelling dat de vergoedingen niet-discriminerend moeten worden vastgesteld, betekent geenszins dat de vergoedingen voor allen identiek moeten zijn. Het discriminatieverbod vereist alleen dat eventuele verschillen tussen de vergoedingen objectief gerechtvaardigd zijn.
72. Het Gerecht heeft de stelling van de Commissie aanvaard dat de vergoedingen niet-discriminerend moeten worden vastgesteld. Het heeft vastgesteld dat er verschillen waren. Daarom was het niet meer dan logisch dat het de vraag onderzocht heeft of er rechtvaardigingsgronden waren aangevoerd om het verwijt van discriminatie te ontkrachten.
73. In die context heeft het vastgesteld dat dergelijke rechtvaardigingsgronden ontbraken, vooral gelet op het feit dat de aan beide vergeleken categorieën aangeboden diensten dezelfde waren. Dat in casu de verschillen niet gerechtvaardigd waren, betekent natuurlijk geenszins dat zij niet in een ander geval wel gerechtvaardigd hadden kunnen zijn en dat de vergoedingen altijd identiek zouden moeten zijn. Ik wil in dit verband erop wijzen dat uit het begrip discriminatieverbod zelf niet alleen volgt dat gelijke situaties hetzelfde behandeld moeten worden, maar ook dat verschillende situaties niet op dezelfde manier behandeld moeten worden, voorzover het daarbij uiteraard gaat om objectief relevante verschillen.
74. Hieruit volgt dat de redenering van het Gerecht op dit punt niet meer inhoudt dan de toepassing van het discriminatieverbod en niet de door rekwirante gestelde tegenstrijdigheid bevat.
75. Dit middel moet derhalve worden afgewezen.
Derde middel: schending van het recht van verweer
76. ADP heeft voor het Gerecht de kwalificatie van haar activiteiten als ondernemingsactiviteit" in de zin van het Verdrag betwist, en daarbij in het bijzonder verwezen naar het geval van een verrichter van grondafhandelingsdiensten, HRS, die volgens haar zijn activiteit vanuit een plaats buiten het luchthaventerrein verricht zonder ADP daarvoor een vergoeding te betalen.
77. Rekwirante verwijt het Gerecht dat het in punt 126 van het bestreden arrest heeft verklaard dat [o]ok voor de activiteit van HRS [...] dus een commerciële vergoeding [zou] dienen te worden betaald, en de omstandigheid dat dit niet het geval is vormt slechts een extra discriminatie, die weliswaar in de bestreden beschikking niet uitdrukkelijk aan de orde is gesteld [...]".
78. Volgens ADP acht het Gerecht haar daardoor schuldig aan een inbreuk op het mededingingsrecht, en wel buiten en in strijd met alle procedurele regels die het gemeenschapsrecht stelt voor de vaststelling van een inbreuk. Zij stelt nadrukkelijk dat zij vóór het bestreden arrest nooit verweer heeft kunnen voeren tegen deze grief, die noch in de mededeling van de punten van bezwaar noch in de beschikking was vermeld.
79. Opgemerkt dient evenwel te worden dat bij het lezen van de gehele tekst van punt 126 blijkt dat deze overweging van het Gerecht, zoals de Commissie overigens nadrukkelijk stelt, ten overvloede is geformuleerd.
80. Het Gerecht heeft namelijk in de punten 120 tot en met 125 van het bestreden arrest aangetoond dat de activiteiten van ADP van economische aard zijn. Punt 126 wil hieraan uitsluitend toevoegen dat daaraan niet wordt afgedaan door de door rekwirante aangehaalde situatie van HRS.
81. Het Gerecht heeft overwogen, zonder op dit punt door ADP te worden tegengesproken, dat HRS gebruik moet maken van de luchthaveninstallaties, omdat de grondafhandeling per definitie op de luchthaven plaatsvindt. Daaruit heeft het logischerwijs afgeleid dat HRS ook een commerciële vergoeding zou moeten betalen en dat het voorbeeld van haar situatie niet kan afdoen aan de conclusies die het Gerecht verder heeft getrokken aangaande de aard van de litigieuze commerciële vergoeding of van de diensten waarvoor die vergoeding betaald wordt.
82. De essentie van punt 126 van het bestreden arrest is dus de conclusie van het Gerecht dat het door rekwirante aangehaalde voorbeeld niet afdingt op zijn overwegingen aangaande de aard van de activiteiten van ADP. Dat dit voorbeeld daarbij een niet door de Commissie aangevoerde discriminatie aantoont, wordt door het Gerecht slechts terloops vastgesteld.
83. Daarbij mist dit middel overigens hoe dan ook grondslag. Het is namelijk niet aan het Gerecht om uit eigen beweging het bestaan van inbreuken vast te stellen. Dat is de verantwoordelijkheid van de Commissie, die zij uitoefent in het kader van een procedure met waarborging van het recht van verweer.
84. Hieruit volgt dat een vaststelling van het Gerecht, zoals die waartegen rekwirante zich richt, in geen enkele omstandigheid kan worden opgevat als een vaststelling van een inbreuk op het mededingingsrecht, ook al kan die indruk gewekt worden. Bijgevolg kan een dergelijke vaststelling, anders dan ADP betoogt, noch de grondslag vormen van een beroep tot schadevergoeding tegen laatstgenoemde, noch aanleiding geven tot enige sanctie jegens haar, welke sanctie in casu overigens niet aan de orde is gesteld.
85. Derhalve kan het verwijt dat het Gerecht het recht van verweer heeft geschonden, niet worden aanvaard, en moet dit middel worden afgewezen.
Vierde middel: geen bespreking van een middel van ADP
86. Rekwirante voert aan dat in de bestreden beschikking wordt verklaard dat de ongelijke behandeling door ADP van de afhandeling ten behoeve van derden en de zelfafhandeling discriminerende effecten op de luchtvervoermarkt sorteerde, en dat zij bij het Gerecht hiertegen een middel heeft aangevoerd door het verschil uiteen te zetten tussen de situatie van de vervoerder die zelfafhandelingsdiensten verricht en die van de vervoerder die een beroep doet op de diensten van een derde.
87. Haars inziens is het Gerecht niet op dit middel ingegaan. Het heeft alleen maar de situatie van de vervoerder die zelfafhandelingsdiensten verricht, respectievelijk die van de vervoerder die diensten ten behoeve van derden verricht, aan de orde gesteld en niet de situatie die het volgens rekwirante had moeten behandelen, namelijk de discriminatie tussen de vervoerders. Daarop had de bestreden beschikking betrekking en die is door ADP bestreden.
88. Dit betoog kan niet slagen.
89. Benadrukt dient te worden, zoals de Commissie stelt en in tegenspraak tot wat ADP beweert, dat de bestreden beschikking geen betrekking heeft op discriminatie tussen luchtvervoerders. Artikel 1 van deze beschikking laat daaromtrent geen enkele twijfel bestaan, daar hierin uitdrukkelijk wordt gesteld dat Aéroports de Paris [...] inbreuk [heeft] gemaakt op de bepalingen van artikel 86 van het Verdrag door van haar machtspositie als exploitant van de Parijse luchthavens gebruik te maken om de dienstverrichters of de gebruikers die [...] zelfafhandelingsactiviteiten verrichten op gebied van de catering [...], het schoonmaken van de vliegtuigen en de vrachtafhandeling, op de Parijse luchthavens [...] discriminerende commerciële vergoedingen aan te rekenen".
90. Rekwirante baseert zich op de laatste zin van punt 123 van de bestreden beschikking, waaruit blijkt dat de luchtvaartmaatschappijen die geen zelfafhandelingsactiviteiten verrichten ertoe genoopt [worden] beroep te doen op de duurdere afhandelingsdiensten ten behoeve van derden en [...] derhalve [lijden] onder de discriminerende gevolgen van de door ADP aangerekende commerciële vergoedingen".
91. Deze formulering is weliswaar niet geheel vrij van dubbelzinnigheid, maar dat neemt niet weg dat reeds door plaatsing ervan in de context, zoals die uit de rest van de bestreden beschikking duidelijk naar voren komt, blijkt dat de beschikking doelt op de discriminatie tussen dienstverrichters of gebruikers die eenzelfde type gronddienst verrichten". Dit wordt in het bijzonder bevestigd door de grondige vergelijking die de Commissie maakt van de hoogte van de vergoedingen.
92. De door rekwirante aangehaalde zin moet derhalve worden opgevat als een terloopse beschrijving van de gevolgen van discriminerende vergoedingen voor luchtvervoerders die als klant of, in geval van zelfafhandelingsactiviteiten, als deelnemer op de markt van gronddiensten geraakt kunnen worden door de discriminatie van de verrichters van grondafhandelingsdiensten.
93. Bijgevolg is, zoals de Commissie benadrukt, het uitgangspunt van dit middel onjuist en moet het daarom worden afgewezen.
94. Ten overvloede wil ik opmerken dat de stelling van rekwirante dat het Gerecht niet op dit punt zou zijn ingegaan, hoe dan ook onjuist is. Dienaangaande volstaat het te verwijzen naar punt 218 van het bestreden arrest, dat als volgt luidt:
Ten slotte moet verzoeksters argument dat er geen sprake is van discriminatie op de luchtvervoermarkt zelf, omdat er op de Parijse luchthavens geen enkele beperking voor zelfafhandeling bestaat, eveneens worden verworpen. In de eerste plaats doet dat argument, zo het al juist is, niet af aan de discriminatie tussen degenen die afhandelingsdiensten verzorgen voor derden en degenen die hun eigen afhandeling verzorgen. In de tweede plaats is het onjuist, omdat, zoals is opgemerkt in overweging 123 van de bestreden beschikking, enkel de grote luchtvaartmaatschappijen met een omvangrijk vervoervolume op de Parijse luchthavens in de praktijk de mogelijkheid hebben een zelfafhandelingsdienst op te zetten en rendabel te maken, terwijl de andere maatschappijen genoopt zijn zich tot verrichters van diensten ten behoeve van derden te wenden."
95. Bijgevolg moet dit middel worden afgewezen.
Vijfde middel: onjuiste opvatting van de bewijselementen
96. In dit middel stelt rekwirante dat het Gerecht de hem voorgelegde bewijselementen, te weten de tussen ADP en de verrichters van gronddiensten, AFS en OAT, gesloten overeenkomsten, onjuist heeft opgevat door aan te nemen dat de betrokken vergoeding verschuldigd was als tegenprestatie voor de door ADP verleende beheersdiensten en de terbeschikkingstelling van installaties die door de gebruikers en de op de luchthaven werkzame verrichters van grondafhandelingsdiensten gezamenlijk worden gebruikt.
97. Volgens rekwirante zouden deze overeenkomsten duidelijk anders moeten worden uitgelegd dan het Gerecht heeft gedaan. Deze overeenkomsten hadden geen betrekking op beheersdiensten" en voorzagen slechts in één enkele totale vergoeding als tegenprestatie voor het particuliere gebruik van het openbaar domein. Het feit dat de uitdrukking beheersdiensten" niet als zodanig in de overeenkomsten voorkomt, toont afdoende aan dat het Gerecht de bewijsmiddelen onjuist heeft opgevat. Daarbij had het Gerecht rekening moeten houden met het Franse recht betreffende het openbaar domein", daar deze overeenkomsten gesloten zijn in het kader van de regeling van de vergunningen voor het gebruik van het openbaar domein".
98. Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat er een nauw verband bestaat tussen dit middel en de twee volgende middelen. Deze drie middelen hebben namelijk meer of minder rechtstreeks betrekking op hetzelfde onderwerp, te weten de vaststelling door het Gerecht dat de activiteiten van ADP van economische aard zijn en de toepassing van het begrip onderneming op ADP. Gelet echter op de verscheidenheid van de argumenten die ter ondersteuning van deze middelen worden aangevoerd, moeten zij volgens mij apart worden behandeld.
99. De Commissie acht dit middel niet-ontvankelijk, daar het een herhaling is van het eerste onderdeel van het vierde middel voor het Gerecht, zoals dat in de punten 94 tot en met 105 van het arrest wordt uiteengezet.
100. Vastgesteld dient echter te worden dat bij het lezen van de stukken van rekwirante weliswaar ontegenzeggelijk een gelijkenis tussen beide door de Commissie aangehaalde middelen naar voren komt, doch dat neemt niet weg dat het in hogere voorziening aangevoerde middel niet eenvoudigweg als een herhaling van het in eerste aanleg aangevoerde middel kan worden beschouwd.
101. Rekwirante geeft namelijk niet alleen expliciet de punten van het arrest aan die zij gemotiveerd bekritiseert, maar zij beroept zich ook op argumenten die zij niet eerder heeft kunnen aanvoeren, namelijk haar bezwaren tegen de door het Gerecht gemaakte analyse van de overeenkomsten tussen ADP en de verrichters van gronddiensten.
102. De Commissie voert nog aan dat het betrokken middel niet-ontvankelijk moet worden geacht op grond dat het een feitelijk middel is en dus niet door het Hof in hogere voorziening kan worden getoetst.
103. Rekwirante voert tegen deze stelling aan dat haar middel gericht is op de onjuiste opvatting van de bewijzen en dus volgens de rechtspraak van het Hof ontvankelijk is.
104. De vraag of dit middel moet worden geacht betrekking te hebben op de verdraaiing van feiten dan wel de onjuiste interpretatie van bewijzen is hoe dan ook irrelevant. Uit de rechtspraak blijkt namelijk dat zowel de beoordeling van de bewijzen als de vaststelling van de feiten door het Gerecht niet vatbaar is voor toetsing door het Hof in hogere voorziening, behoudens in geval van een verkeerde interpretatie.
105. Er dient derhalve te worden onderzocht of het Gerecht bij de analyse van de inhoud van de betrokken overeenkomsten een dergelijke verkeerde interpretatie heeft gegeven door aan te nemen dat de vergoeding verschuldigd was als tegenprestatie voor de door ADP verleende beheersdiensten en de terbeschikkingstelling van installaties die door de gebruikers en de op de luchthaven werkzame verrichters van grondafhandelingsdiensten gezamenlijk worden gebruikt.
106. Dienaangaande moet worden benadrukt dat de stelling van ADP dat de overeenkomsten alleen voorzien in één enkele totale vergoeding als tegenprestatie voor het particuliere gebruik van het openbaar domein, absoluut geen steun vindt in de bewoordingen van die overeenkomsten.
107. Zo is het feit dat de uitdrukking beheersdiensten" als zodanig niet voorkomt in de overeenkomst tussen ADP en AFS, om die overeenkomst maar als voorbeeld te nemen, dan ook niet van betekenis, daar die overeenkomst juist ertoe strekt om AFS toestemming te verlenen om bepaalde gebouwen te gebruiken die bestemd zijn voor de exploitatie van cateringdiensten alsmede om een voor die exploitatie benodigd gebouw op te trekken en in te richten (artikel 17 van de overeenkomst). Nauwelijks is in te zien hoe ADP haar huurders die exploitatie daadwerkelijk mogelijk kon maken zonder AFS profijt te laten trekken van het door haar gevoerde beheer over alle installaties op de luchthaven. Hieronder valt bijvoorbeeld de voortdurende controle op de toegang van bevoegde personen en het treffen en uitvoeren van alle maatregelen die nodig zijn om de erkende dienstverrichters - in alle veiligheid - hun activiteiten te kunnen laten verrichten.
108. Evenzo doet de verwijzing naar de regeling van de vergunningen voor tijdelijk gebruik van het openbaar domein" niets af aan het feit dat de overeenkomst het opschrift draagt overeenkomst bevattende de voorwaarden voor het tijdelijk gebruik van het openbaar domein voor de uitoefening van een commerciële activiteit" en in twee gedeelten is onderverdeeld, namelijk een preambule en algemene voorwaarden voor de vergunning tot gebruik en tot exploitatie".
109. In artikel 23 van de overeenkomst tussen ADP en AFS, dat de financiële voorwaarden regelt, wordt uitdrukkelijk bepaald dat de vergoeding wordt betaald als tegenprestatie voor de door Aéroports de Paris aan de exploitant verleende vergunning tot gebruik en exploitatie".
110. Wil aan de verwijzingen naar exploitatie" niet iedere betekenis worden ontnomen, dan moet worden vastgesteld dat de vergoeding niet alleen de tegenprestatie kan zijn voor het particuliere gebruik van het openbaar domein.
111. Dit geldt te meer nu de litigieuze overeenkomsten zelf een onderscheid maken tussen een vastgoedvergoeding" en een commerciële" vergoeding. Bovendien bepaalt de met AFS gesloten overeenkomst uitdrukkelijk onder clausule 23.1 Vastgoedvergoeding: Er wordt geen vastgoedvergoeding aangerekend". Daarom is moeilijk vol te houden, zoals rekwirante doet, dat de overeenkomst louter betrekking had op het particuliere gebruik van het openbaar domein.
112. Dit wordt trouwens bevestigd door de berekeningswijze van de commerciële vergoeding. Deze wordt namelijk berekend naar evenredigheid van de door de verrichter van gronddiensten gerealiseerde omzet. De hoogte daarvan is afhankelijk van vele factoren die geen verband houden met het gebruik van het openbaar domein.
113. De commerciële vergoeding heeft dus niet de normale kenmerken van een bedrijfshuur, die wordt betaald als tegenprestatie voor het particuliere gebruik van ruimten waarin diensten worden verricht en die al naar gelang de gebruikte oppervlakte wordt berekend.
114. Door het door de Commissie gehanteerde onderscheid tussen de vastgoedvergoeding, als tegenprestatie voor de vergunning tot gebruik, en de commerciële vergoeding, als tegenprestatie voor de exploitatievergunning, te bevestigen, heeft het Gerecht de processtukken dus helemaal niet onjuist opgevat, maar daarentegen volgens mij volstrekt juist beoordeeld.
115. Het middel dient dus afgewezen te worden.
116. Ten overvloede wil ik opmerken dat dit middel, gesteld al dat het gegrond is, niet van doorslaggevende betekenis is. Zelfs als de vergoeding alleen verschuldigd was voor het enkele gebruik van het openbaar domein, dan zou dat namelijk niet afdoen aan de economische aard van de transactie tussen ADP en de verrichters van gronddiensten, en dus aan de toepasselijkheid van het communautaire mededingingsrecht in dit geval.
117. De terbeschikkingstelling van terreinen en infrastructuur ten behoeve van een commerciële activiteit tegen een omzetafhankelijke vergoeding, hierop zal ik in het kader van de behandeling van de andere middelen van rekwirante terugkomen, is namelijk een economische activiteit, ook al behoren de betrokken goederen tot het openbaar domein en is hun exploitant een financieel autonome overheidsinstelling.
118. Bijgevolg dient dit middel te worden afgewezen.
Zesde middel: onjuiste opvatting van het nationale recht
119. ADP voert aan dat het Gerecht het nationale recht kennelijk onjuist heeft opgevat waar het heeft geoordeeld dat de betrokken activiteiten van ADP activiteiten van economische aard zijn, die weliswaar op het openbaar domein worden uitgeoefend, wat op zich evenwel niet betekent dat het gaat om een activiteit die behoort tot de uitoefening van overheidsgezag".
120. Dit citaat is ontleend aan punt 125 van het bestreden arrest waarin het Gerecht een in punt 119 aangevangen analyse besluit. In dat laatste punt kondigt het Gerecht aan dat het gaat onderzoeken of die diensten een ondernemingsactiviteit in de zin van artikel 86 van het Verdrag vormen".
121. Het is dus duidelijk dat de hierboven aangehaalde vaststelling die rekwirante bekritiseert, niet voortkomt uit een analyse door het Gerecht van het Franse recht, die volgens ADP onjuist is, maar in werkelijkheid voortvloeit uit de toepassing van het gemeenschapsrecht door het Gerecht.
122. De door rekwirante aangevoerde preciseringen tonen evenwel aan dat haar middel in feite gericht is tegen punt 129 van het bestreden arrest, dat als volgt luidt:
Ten overvloede moet er in dit verband ook op worden gewezen, dat ADP volgens de Franse Conseil de la concurrence kan worden beschouwd als een onderneming die is onderworpen aan het Franse mededingingsrecht, en dat de terbeschikkingstelling van luchthaveninstallaties een economische activiteit vormt (beschikking 98-D-34, van 2 juni 1998, reeds aangehaald). Blijkens het reeds aangehaalde arrest van het Tribunal des conflits van 18 oktober 1999 is de beschikking van de Franse Conseil de la concurrence van 2 juni 1998 slechts gedeeltelijk nietig verklaard. Het Tribunal des conflits was namelijk van oordeel, dat ,de besluiten om de activiteiten van de groep Air France te hergroeperen op de luchthaven Orly-Ouest, en om de vennootschap TAT European Airlines geen toelating te verlenen nieuwe verbindingen vanaf die luchthaven te openen, in verband staan met het beheer van het openbaar domein en zijn te beschouwen als de uitoefening van overheidsgezag. Daarentegen heeft het Tribunal des conflits wel bevestigd, dat ,de praktijken van ADP die misbruik van een machtspositie kunnen vormen doordat de maatschappij TAT European Airlines wordt gedwongen de gronddiensten van die overheidsinstelling te gebruiken, zodat zij haar eigen personeel niet kan inzetten, buiten beschouwing kunnen blijven bij de beoordeling van de wettigheid van een administratief besluit."
123. Rekwirante voert nadrukkelijk aan dat deze analyse geen juiste toepassing, maar een verkeerde uitlegging van de betrokken nationale rechtspraak is.
124. Direct dient te worden benadrukt dat deze redenering van het Gerecht, zoals de Commissie terecht opmerkt, slechts ten overvloede is gegeven, hetgeen het arrest overigens expliciet aangeeft.
125. Het is echter vaste rechtspraak dat een grief tegen een ten overvloede aangevoerde overweging moet worden afgewezen.
126. Rekwirante betoogt evenwel dat het Gerecht die overwegingen ten onrechte als ten overvloede" heeft gekwalificeerd. Volgens haar hangt de vraag of het beheer van het openbaar domein de uitoefening van overheidsgezag is, namelijk van die beoordeling van het nationale recht af, en is dit een essentiële beginselvraag voor de toepassing van het gemeenschapsrecht in het onderhavige geval.
127. Ik deel deze zienswijze niet.
128. Wat rekwirante namelijk betwist, is de toepasselijkheid van het communautaire mededingingsrecht op haar activiteiten. Bij die vraag hangt het ervan af hoe die activiteiten naar dat recht moeten worden gekwalificeerd. Het is de taak van het Gerecht om, onder toezicht van het Hof, die kwalificatie te geven door de concrete kenmerken van de betrokken activiteiten na te gaan aan de hand van de uit het Verdrag en de rechtspraak voortvloeiende criteria.
129. Om de aard van de activiteiten van ADP naar het communautaire mededingingsrecht te bepalen, moet het zich daarentegen niet baseren op begrippen van het nationale recht.
130. Daaruit volgt dat het Gerecht inderdaad ten overvloede in punt 129 van het bestreden arrest heeft uiteengezet waarom het het niet eens was met rekwirantes analyse van de rechtspraak met betrekking tot de vraag of de activiteiten van ADP naar Frans recht onder de uitoefening van overheidsgezag vallen.
131. De vraag of de analyse van het Gerecht, gelet op de criteria die voor de toepassing van het communautaire mededingingsrecht gelden, juist is, vormt het voorwerp van de hiernavolgende door ADP aangevoerde middelen.
132. Blijkens het voorgaande moet dit middel worden afgewezen.
Zevende middel: het begrip onderneming in de zin van artikel 86 van het EG-Verdrag
133. Rekwirante betoogt dat het Gerecht artikel 86 van het EG-Verdrag (thans artikel 82 EG) heeft geschonden door te oordelen dat ADP een onderneming is in de zin van die bepaling. Dienaangaande beroept zij zich erop dat het bestuur van het openbaar domein de enige activiteit is waarom het in casu gaat. Daarvoor beschikt ADP over overheidsprerogatieven, wat noodzakelijkerwijs uitsluit dat zij als een onderneming in de zin van het communautaire mededingingsrecht kan worden beschouwd.
134. De Commissie voert om te beginnen aan dat dit middel niet-ontvankelijk is vanwege de gelijkenis ervan met het eerste onderdeel van het vierde middel dat door rekwirante voor het Gerecht is aangevoerd en dat in de punten 94 tot en met 105 van het bestreden arrest is weergegeven.
135. Weliswaar kan de gelijkenis tussen beide middelen hier wederom niet worden betwist en zou ik kunnen begrijpen dat het Hof van oordeel is dat ADP alleen maar de in eerste aanleg aangevoerde argumenten herhaalt. Omdat rekwirante echter voldoende duidelijk aangeeft tegen welke punten van het bestreden arrest haar gemotiveerde redenering is gericht, ben ik niettemin van mening dat de door de Commissie aangevoerde exceptie van niet-ontvankelijkheid moet worden afgewezen.
136. Wat de gegrondheid van dit middel betreft, ben ik het in ieder geval geheel eens met de zienswijze van de Commissie.
137. Met haar ben ik van mening dat het middel op een onjuiste hypothese berust. De enkele omstandigheid dat ADP ook overheidsgezag uitoefent, volstaat op zich niet om uit te sluiten dat zij als onderneming in de zin van artikel 86 wordt aangemerkt.
138. Dienaangaande moet, zoals de Commissie overigens in punt 49 van de besteden beschikking doet, worden gewezen op de vaste rechtspraak, volgens welke het begrip onderneming in de context van het mededingingsrecht elke eenheid omvat die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd.
139. Daarom is de enkele omstandigheid dat rekwirante voor de uitoefening van een deel van haar activiteiten over overheidsprerogatieven beschikt, niet voldoende om uit te sluiten dat haar activiteiten van economische aard zijn.
140. Het Gerecht heeft in casu echter onbetwistbaar aangetoond dat binnen de activiteiten van rekwirante onderscheid dient te worden gemaakt tussen de activiteiten die onder de uitoefening van overheidsgezag vallen en de overige activiteiten.
141. Het heeft terecht opgemerkt dat de door ADP uitgeoefende activiteiten waarvan in casu sprake is, erin bestaan dat aan luchtvaartmaatschappijen en verschillende dienstverrichters luchthaveninstallaties ter beschikking worden gesteld tegen betaling van een vergoeding waarvan het tarief vrij door ADP wordt bepaald. ADP verleent marktdeelnemers dus tegen betaling van een vergoeding een dienst die bestaat in de toegang tot de infrastructuur. Het is evenwel vaste rechtspraak dat iedere activiteit die bestaat in het aanbieden van goederen of diensten op een bepaalde markt, een activiteit van economische aard is.
142. Deze activiteit van ADP staat los van haar zuiver administratieve activiteiten en met name haar bestuursopdrachten. Het is daarentegen volstrekt mogelijk de economische, of ook commerciële, kant van het bestuur van het domein te scheiden van het administratieve aspect.
143. Rekwirante zelf voert trouwens geen enkel concreet element aan waaruit blijkt dat haar betrekkingen met de verrichters van gronddiensten, zoals die uit de litigieuze overeenkomsten naar voren komen, bepaald worden door de uitoefening van haar overheidsprerogatieven.
144. Zij voert immers alleen aan dat die overeenkomsten vallen onder het recht betreffende het openbaar domein, zonder enige concrete aanwijzing te geven waaruit geconcludeerd zou kunnen worden dat de betrokken activiteit niet van economische aard is.
145. Zij toont daarom geenszins aan waarom het Gerecht ten onrechte zou hebben geoordeeld dat hier geen sprake was van een situatie waarin, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof, een publiekrechtelijke dan wel een met de uitoefening van een openbare dienst belaste en als overheidsorgaan handelende instantie niet als een onderneming in de zin van artikel 86 van het Verdrag is te beschouwen.
146. De door rekwirante voor haar stelling aangehaalde rechtspraak biedt haar op dit punt geen enkele steun. Zoals de Commissie terecht opmerkt, heeft in de zaak SAT Fluggesellschaft namelijk juist het feit dat de inning van de en route"-heffingen niet los kan worden gezien van de door de overheidsinstantie uitgeoefende activiteiten van controle en politie van het luchtruim, met daarbij nog het ontbreken van beslissingsautonomie, ertoe geleid dat hier geen sprake kon zijn van een onderneming in de zin van artikel 86 van het Verdrag.
147. In het arrest Bodson heeft het Hof niet vastgesteld dat er overheidsprerogatieven waren die zich tegen de toepassing van artikel 86 van het Verdrag verzetten.
148. Evenmin relevant is de kritiek op de vaststelling van het Gerecht dat de installaties van de Parijse luchthavens essentieel [zijn], in die zin dat het gebruik ervan onmisbaar is voor het verrichten van verschillende diensten, met name gronddiensten". Met deze vaststelling beoogt het Gerecht namelijk niet zijn redenering te onderbouwen dat de overheidsprerogatieven van rekwirante van geen enkele invloed waren, waartegen dit middel is gericht.
149. Verder heeft het Gerecht hiermee alleen vastgesteld dat het gebruik van de installaties van de Parijse luchthavens onmisbaar is om in Parijs gronddiensten te verrichten, en wel ongeacht de mogelijkheid om van terreinen of gebouwen particulier gebruik te maken. Ik begrijp maar moeilijk dat men het daarmee niet eens kan zijn.
150. Het gaat dus om een puur feitelijke vaststelling, waarvan de geldigheid geenszins in twijfel wordt getrokken door rekwirantes kritiek dat de verrichter van grondafhandelingsdiensten op de Parijse luchthavens geen partij behoeft te zijn bij een overeenkomst inzake particulier gebruik van het openbaar domein.
151. De stelling van rekwirante dat het niet nodig is bij zo'n overeenkomst partij te zijn, heeft betrekking op een ander probleem, namelijk dat van de voorwaarden rechtens waaronder toegang tot die onmisbare installaties verkregen kan worden.
152. Het in dit verband door rekwirante aangehaalde voorbeeld van HRS toont trouwens dat onderscheid aan. De omstandigheid dat HRS volgens rekwirante geen partij is bij een overeenkomst inzake particulier gebruik van het openbaar domein", neemt niet weg dat zij de facto toch toegang tot de luchthaveninstallaties moet hebben om haar activiteiten te kunnen uitoefenen, hetgeen voor haar alleen mogelijk is krachtens een overeenkomst met ADP waarbij haar wordt toegestaan grondafhandelingsdiensten aan te bieden op de door ADP geëxploiteerde luchthaveninstallaties.
153. Wat betreft het argument van rekwirante dat de door het Gerecht aangehaalde rechtspraak irrelevant zou zijn daar deze geen betrekking had op het beheer van het openbaar domein, moet nadrukkelijk worden gesteld dat deze arresten betrekking hadden op de terbeschikkingstelling van infrastructuren door entiteiten die met het beheer daarvan belast waren, hetgeen ook in casu aan de orde is. Het Gerecht heeft dus op goede gronden daarnaar verwezen.
154. Ten slotte voert ADP aan dat de opmerking van het Gerecht dat de betrokken activiteiten door particuliere ondernemingen kunnen worden uitgeoefend, niet ter zake doet". Vastgesteld dient echter te worden dat het vaste rechtspraak is dat dit criterium van belang is voor de bepaling of een activiteit al dan niet een ondernemingsactiviteit is in de zin van artikel 86 van het Verdrag.
Achtste middel: de afbakening van de relevante markt
155. Rekwirante voert aan dat het Gerecht artikel 86 van het Verdrag heeft geschonden door een onjuiste afbakening van de betrokken markt.
156. In dit verband wijst ADP erop dat de litigieuze vergoedingen geheven werden als tegenprestatie voor het particulier gebruik van het openbaar domein, welk gebruik voor de verrichting van grondafhandelingsdiensten niet noodzakelijk is. Dit wordt overigens aangetoond door het voorbeeld van HRS, die volgens ADP haar activiteiten als dienstverrichter uitvoerde zonder van het openbaar domein particulier gebruik te maken en bijgevolg over een toestemming tot toegang beschikte waarvoor geen enkele vergoeding verlangd werd.
157. Daarom had het Gerecht niet ervan mogen uitgaan dat de relevante markt de markt was van de diensten met betrekking tot het beheer van de Parijse luchthavens" waartoe de voorwaarden voor de toegang tot de luchthaveninstallaties" behoren.
158. Verder is haars inziens de verwijzing van het Gerecht naar het arrest British Leyland/Commissie, in welke zaak een door de fabrikant afgegeven gelijkvormigheidscertificaat vereist was voor de registratie van een ingevoerd motorvoertuig, irrelevant, daar het in de onderhavige zaak juist niet noodzakelijk was om van het openbaar domein particulier gebruik te maken en dus een vergoeding te betalen om grondafhandelingsdiensten te kunnen verrichten.
159. De Commissie acht het middel niet-ontvankelijk op grond dat het enkel een herhaling is van het tweede onderdeel van het vierde middel dat in eerste aanleg is aangevoerd en dat in de punten 131 tot en met 136 van het bestreden arrest staat vermeld.
160. Voorzover rekwirante zich richt tegen de door het Gerecht gehanteerde afbakening van de productmarkt, moet worden vastgesteld dat in hogere voorziening elementen worden aangevoerd die specifiek gaan over de redenering van het Gerecht en dus niet waren vermeld in het in eerste aanleg ingediende verzoekschrift. In het bijzonder vecht rekwirante de relevantie van het door het Gerecht aangehaald arrest British Leyland/Commissie aan en betoogt zij dat het Gerecht haar niet de wijzigingen kan tegenwerpen die na de mededeling van de punten van bezwaar zijn aangebracht in het kader van de maatregelen tot omzetting van de richtlijn inzake grondafhandelingsdiensten en die in punt 127 van het bestreden arrest worden genoemd.
161. Het middel moet derhalve geacht worden ontvankelijk te zijn voorzover het betrekking heeft op de afbakening van de productmarkt.
162. Voorzover het daarentegen gaat om de afbakening van de geografische markt, waartegen het middel zich ook richt, moet worden opgemerkt dat rekwirante inderdaad alleen maar haar - in punt 141 van het bestreden arrest vervatte - stelling herhaalt dat daaronder begrepen hadden moeten worden alle met het openbaar domein van ADP vergelijkbare terreinen en onroerende goederen van de Parijse regio vanwaar een dienstverrichter zijn activiteiten kan verrichten.
163. Het is overigens veelzeggend dat rekwirante in haar memorie van repliek niets aanvoert dat pleit voor de ontvankelijkheid van dit aspect van het middel.
164. Bijgevolg moet het middel, overeenkomstig de reeds aangehaalde beschikking Kupka-Floridi/ESC, geacht worden niet-ontvankelijk te zijn voorzover het betrekking heeft op de door het Gerecht gehanteerde afbakening van de betrokken geografische markt.
165. Er is al aangetoond dat het Gerecht geen verkeerde interpretatie heeft gegeven waar het van oordeel was dat de litigieuze vergoedingen niet de tegenprestatie waren voor alleen het particulier gebruik van het openbaar domein.
166. Ik wil dienaangaande nogmaals erop wijzen dat het in casu gaat om de toegang tot de luchthaveninstallaties, zonder welke een verrichter van gronddiensten per definitie zijn activiteit niet kan uitoefenen. Deze toegang wordt verleend onder voorwaarden die door ADP in het kader van haar beheer over de luchthavens worden bepaald. Dat is door het Gerecht vastgesteld en daarnaar wordt door rekwirante uitdrukkelijk verwezen in haar verzoekschrift in hogere voorziening, waarin kan worden gelezen dat er ten tijde van de feiten een door ADP verleende vergunning voor de toegang tot de gereserveerde zone van het luchthaventerrein" bestond.
167. In dat kader zijn de verrichters van gronddiensten afnemers van een dienst die alleen ADP hun kan verlenen, namelijk de toegang tot haar installaties onder voorwaarden die door haar in het kader van het door haar daarover gevoerde beheer zijn vastgesteld.
168. Het feit dat de vergunning ook kan worden verkregen door marktdeelnemers als HRS, die het openbare domein niet particulier gebruiken, neemt niet weg dat deze vergunning noodzakelijk is om toegang tot de luchthaveninstallaties te verkrijgen alwaar die grondafhandelingsdiensten per definitie worden verricht. Marktdeelnemers als HRS behoren dientengevolge ook tot de afnemers op de markt van de door ADP verleende diensten.
169. Het feit dat marktdeelnemers die het openbaar domein niet particulier gebruiken, toegang hadden tot de luchthaveninstallaties zonder een vergoeding te betalen, is ook niet van invloed op de afbakening van de relevante markt. Die marktdeelnemers moesten in het bezit zijn van die vergunning en daarmee dus de diensten van ADP afnemen. Dat ADP hun toentertijd, anders dan hun concurrenten op het luchthaventerrein, geen vergoeding aanrekende, is derhalve niet van invloed op de afbakening van de relevante markt.
170. De kritiek van rekwirante op de door het Gerecht gehanteerde afbakening van de markt houdt daarom geen stand. Verder blijkt uit het voorgaande dat het Gerecht volstrekt terecht de parallel tussen de onderhavige zaak en het reeds aangehaalde arrest British Leyland/Commissie heeft benadrukt. In punt 138 van het bestreden arrest heeft het duidelijk uiteengezet dat het in de zaak British Leyland/Commissie ging om het monopolie van deze onderneming voor de afgifte van gelijkvormigheidscertificaten die noodzakelijk waren voor de registratie van voertuigen van haar merk, en dat het Hof in die zaak heeft overwogen dat de relevante markt niet die van de verkoop van voertuigen was, maar een afzonderlijke, daarvan afgeleide markt, te weten die van de diensten die voor de handelaars in de praktijk onmisbaar zijn, willen zij door British Leyland gebouwde voertuigen in de handel kunnen brengen.
171. Er is een parallel te trekken met de onderhavige zaak, waarin het niet om de markt van grondafhandelingsdiensten gaat, maar om die van het beheer van de luchthaveninstallaties, die onmisbaar zijn voor het verrichten van die diensten en waartoe ADP toegang verleent.
172. Wat de kritiek betreft op punt 127 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht vaststelt dat ADP na de periode waarin de litigieuze feiten zich hebben voorgedaan, ook een vergoeding heeft aangerekend aan marktdeelnemers die niet gerechtigd waren om het openbare domein particulier te gebruiken, volstaat de opmerking dat het Gerecht in dit punt uitdrukkelijk aangeeft dat het hiernaar alleen ten overvloede heeft verwezen, hetgeen door rekwirante in hogere voorziening niet is bekritiseerd.
173. De argumenten van rekwirante aangaande de afbakening van de geografische markt moeten alleen subsidiair worden onderzocht.
174. Dienaangaande volstaat de vaststelling dat deze argumenten blijkens het hierbovengestelde niet kunnen slagen.
175. Daaruit blijkt immers dat ADP toegang verleent tot de luchthaveninstallaties, vanwaar per definitie de gronddiensten moeten worden verricht. Door dit kenmerk onderscheiden de diensten van ADP zich van die van iedere andere eigenaar van terreinen of onroerende goederen in de Parijse regio. Hieruit volgt dat het Gerecht op goede gronden van oordeel was dat de relevante markt niet alle terreinen en onroerende goederen in die regio omvatte.
176. Blijkens het voorgaande moet dit middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond worden verklaard.
Negende middel: het bestaan van een machtspositie
177. Dit middel heeft in het bijzonder betrekking op de punten 149 en 151 van het bestreden arrest. Daarin heeft het Gerecht aangegeven: Aangezien in casu de relevante markt die is van de beheersdiensten op de Parijse luchthavens, heeft ADP onbetwistbaar een machtspositie en zelfs een wettelijk monopolie. Immers, ADP beschikt krachtens artikel L.251-2 van de Code de l'aviation civile over een wettelijk monopolie voor het beheer van de betrokken luchthavens en alleen zij kan vergunning verlenen om aldaar gronddiensten te verrichten en de desbetreffende voorwaarden vaststellen."
178. Het heeft daaraan toegevoegd dat het argument dat geen rekening is gehouden met alle onroerende goederen in de Parijse regio niet [kan] slagen, want het beheer van luchthavendiensten, de in casu relevante markt, betreft enkel het luchthaventerrein, nu het monopolistische dienstenaanbod van ADP een noodzakelijke voorwaarde is voor het verrichten van gronddiensten".
179. Rekwirante stelt dat het Gerecht daardoor artikel 86 van het Verdrag heeft geschonden.
180. Zij herhaalt dienaangaande dat de litigieuze vergoedingen uitsluitend de tegenprestatie zijn voor het particulier gebruik van het openbaar domein, hetwelk zelf niet onmisbaar is voor het verrichten van gronddiensten.
181. Dit openbaar domein, waarop ADP geen monopolie", maar alleen rechten heeft die dezelfde zijn als die van een eigenaar, is dus geen markt in de zin van het mededingingsrecht.
182. De relevante markt daarentegen omvat alle terreinen en bedrijfsruimten in de Parijse regio, die aan de verrichters van grondafhandelingsdiensten faciliteiten bieden die de tot het openbare domein van ADP behorende bedrijfsruimten en terreinen, waarvoor de litigieuze vergoedingen geheven waren, kunnen vervangen.
183. Het is duidelijk dat rekwirante geen enkele machtspositie inneemt op de aldus afgebakende markt, daar het openbaar domein van ADP een uiterst gering deel van de relevante terreinen en bedrijfsruimten beslaat.
184. Wat betreft de toentertijd door ADP afgegeven vergunning voor de toegang tot de gereserveerde zone van het luchthaventerrein, herhaalt rekwirante dat deze vergunning weliswaar noodzakelijk was, maar geenszins voorbehouden was aan de dienstverrichters die het openbaar domein particulier gebruikten, en dat voor de afgifte ervan als zodanig geen vergoeding was verschuldigd. Deze vergunning kan dus niet van belang zijn in een geval dat, volgens rekwirante, betrekking heeft op vergoedingen die als tegenprestatie voor het particulier gebruik van het openbaar domein geheven worden.
185. Dit middel hangt nauw samen met het voorgaande, daar rekwirante de door het Gerecht gehanteerde afbakening van de relevante markt aanvecht en deze markt veel ruimer wil opvatten, zodat het onvermijdelijk is dat zij de vaststelling van het Gerecht inzake het bestaan van een machtspositie niet kan aanvaarden.
186. De hierboven door rekwirante uiteengezette argumenten lijken ten zeerste op die welke zij in eerste aanleg in het kader van het derde onderdeel van het vierde middel heeft aangevoerd. De Commissie acht dit middel daarom overigens niet-ontvankelijk.
187. Ik deel die zienswijze echter niet, daar rekwirante specifiek de redenering van het Gerecht bekritiseert waarmee dit uit de bevoegdheden van ADP het bestaan van een machtspositie afleidt.
188. Hieruit volgt dat dit middel ontvankelijk is.
189. Wat de gegrondheid van het middel betreft, blijkt al direct uit de hierboven gegeven omschrijving dat het middel op dezelfde premisses berust als het vorige en daarom afgewezen moet worden. Wat betreft de aard van de vergoedingen als tegenprestatie voor het particulier gebruik van het openbaar domein, dat niet onmisbaar is voor het verrichten van gronddiensten, en de mogelijkheid om vergunning te verkrijgen zonder een vergoeding te betalen, moet worden gewezen op hetgeen hierboven in het kader van de analyse van het achtste middel is gezegd, namelijk dat de toegang tot de luchthaveninstallaties in casu de relevante markt is.
190. De stelling van rekwirante dat hier niet gesproken kan worden van een monopolie, daar haar bevoegdheden aangaande de betrokken installaties dezelfde zijn als die van iedere eigenaar, doet niet af aan de geldigheid van de overwegingen van het Gerecht. Als eigenaresse is ADP immers de enige die, zoals zij zelf overigens toegeeft, de toegang tot de luchthaveninstallaties kan toestaan en - zo dit zich al voordoet - dus ook kan weigeren, alsmede de voorwaarden kan vaststellen voor de toegang, zonder welke de verrichting van gronddiensten per definitie onmogelijk is.
191. Juist hierop heeft het Gerecht zich in punt 149 van het bestreden arrest gebaseerd, toen het op goede gronden vaststelde dat er een machtspositie bestond die zich kenmerkt, zoals het terecht in punt 147 van het bestreden arrest heeft aangegeven, door de mogelijkheid om zich in aanzienlijke mate onafhankelijk te gedragen van de concurrenten, de afnemers en, ten slotte, de consumenten.
192. De Commissie merkt overigens terecht de analogie met het arrest Portugal/Commissie op, waarin het Hof in het kader van vergoedingen voor diensten in verband met het landen en opstijgen van vliegtuigen heeft vastgesteld dat een luchthavenorgaan, waaraan door de Staat exclusieve rechten zijn toegekend, een machtspositie inneemt op de markt van diensten die met de toegang tot de luchthaveninstallaties verband houden.
193. Zijdelings wil ik benadrukken dat de stelling van rekwirante dat zij op haar openbaar domein slechts dezelfde rechten heeft als elke andere eigenaar, op het eerste gezicht moeilijk te verenigen is met de nadruk die zij legt op haar prerogatieven als overheidsorgaan ter rechtvaardiging dat in casu het mededingingsrecht niet van toepassing is.
194. Blijkens het voorgaande dient dit middel verworpen te worden.
Tiende middel: schending van artikel 86 van het Verdrag met betrekking tot de vergelijking van de door AFS en door OAT betaalde vergoedingen
195. Rekwirante bekritiseert de methode die het Gerecht hanteerde bij het vergelijken van de door AFS en door OAT aan ADP betaalde vergoedingen om na te gaan of deze discriminerend zijn.
196. Zij verwijt om te beginnen het Gerecht dat het geen rekening heeft gehouden met het vaste gedeelte van de vergoeding op grond dat dit ertoe strekte het gebruik van het openbaar domein te vergoeden, hetgeen in casu niet aan de orde was.
197. Het Gerecht heeft aldus een onjuist beeld gegeven van het doel van de betrokken vergoeding. Rekwirante herhaalt dienaangaande haar stelling dat de twee bestanddelen van de vergoeding niet te scheiden zijn, want zij vormen tezamen één totale vergoeding voor het particulier gebruik van het openbaar domein.
198. Er dient evenwel op te worden gewezen dat hierboven al is uiteengezet dat het Gerecht, door de door rekwirante aangevoerde stelling te verwerpen, zich niet schuldig heeft gemaakt aan een onjuiste interpretatie.
199. Die stelling is trouwens eveneens in tegenspraak met bepaalde factoren waarop AFS zich beroept. Deze laatste wijst erop dat ingevolge artikel 23.2 van de overeenkomst met ADP de commerciële vergoeding verschuldigd is wanneer AFS diensten verleent vanuit de installaties in Rungis, dus buiten het luchthaventerrein en zonder dat er verband bestaat met het particulier gebruik van het openbaar domein.
200. Hetzelfde was het geval toen het AFS bij wijze van uitzondering was toegestaan om tijdelijk werkzaam te zijn op de luchthaven Roissy-Charles-de-Gaulle, dus buiten het luchthaventerrein van Orly.
201. Het Gerecht was dus terecht van oordeel dat de vergoeding niet uitsluitend was verschuldigd als tegenprestatie voor het particulier gebruik van het openbaar domein en dat het variabele gedeelte van de vergoeding, als tegenprestatie voor de exploitatievergunning die in de bestreden beschikking aan de orde was, apart diende te worden onderzocht, dit in tegenstelling tot het vastgoedgedeelte van de vergoeding, die overigens in het geval van AFS niet geheven werd (Er wordt geen vastgoedvergoeding aangerekend"). Het heeft daarom ook terecht die laatste vergoeding niet betrokken in de vergelijking van de behandeling van de dienstverrichters AFS en OAT.
202. Rekwirante voert vervolgens aan dat het Gerecht het recht onjuist en in strijd met artikel 86 van het Verdrag heeft opgevat door te oordelen dat bij de vergelijking van de door AFS en OAT betaalde vergoedingen rekening gehouden moest worden met de omzet van OAT uit de zelfafhandeling.
203. Om aan te tonen dat er sprake is van discriminatie, hadden de vergoedingen uit hoofde van de enige activiteit waarvoor AFS en OAT met elkaar concurreren, dat wil zeggen de afhandeling ten behoeve van derden, met elkaar moeten worden vergeleken. Mocht daarentegen worden aangetoond - wat volgens ADP het geval is - dat de door deze beide concurrenten betaalde vergoedingen praktisch hetzelfde percentage bedragen van het relevante omzetcijfer, dat wil zeggen van de omzet uit de activiteiten waarvoor zij met elkaar concurreren, dan kan er geen sprake van discriminatie zijn.
204. De overwegingen van het Gerecht met betrekking tot de eventuele invloed van het vergoedingstarief voor zelfafhandeling op de markt van afhandeling ten behoeve van derden, zijn derhalve volstrekt irrelevant.
205. ADP wijst er verder op dat AFS in haar klacht alleen het tarief voor afhandeling ten behoeve van derden aan de orde stelde, hetgeen aantoont dat alleen dit tarief rechtens van belang was. Het Gerecht had zijn analyse dus daartoe moeten beperken.
206. Benadrukt dient te worden dat het voorwerp van de bestreden beschikking de vaststelling van een schending van artikel 86 van het Verdrag door ADP is. Ingevolge de tweede alinea, sub c, van die bepaling wordt een onderneming met een machtspositie op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt, het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmee nadeel berokkenend bij de mededinging", verboden.
207. Het was daarom aan het Gerecht om na te gaan of in casu ADP aan de verrichters van gronddiensten, of dat nu luchtvaartmaatschappijen of verrichters van afhandelingsdiensten ten behoeve van derden zijn, voor gelijkwaardige prestaties ongelijke voorwaarden oplegde.
208. Dienaangaande heeft het Gerecht vastgesteld, zonder op dit punt weersproken te worden, dat ADP gelijkwaardige diensten aanbiedt voor zelfafhandeling en afhandeling ten behoeve van derden. Hieruit volgt noodzakelijkerwijs dat deze beide activiteiten niet aan ongelijke voorwaarden mogen worden onderworpen. Het Gerecht was dus terecht van oordeel dat, om de door de verschillende dienstverrichters betaalde vergoedingen te vergelijken, zowel met de zelfafhandeling als met de afhandeling ten behoeve van derden rekening gehouden moest worden.
209. Daar voor deze beide soorten activiteiten dezelfde diensten van ADP worden verkregen, moeten zij in het kader van de verhouding tussen ADP en haar handelspartners ook gelijk behandeld worden.
210. Ook heeft het Gerecht het door artikel 86 van het Verdrag vereiste nadeel bij de mededinging" vastgesteld toen het uiteenzette dat het lagere vergoedingstarief voor zelfafhandeling het voor dienstverrichters die beide categorieën van afhandeling mogen verrichten, mogelijk maakt om hun investeringen af te schrijven en dus gunstigere voorwaarden voor de afhandeling ten behoeve van derden aan te bieden. Die dienstverrichters hebben dus een concurrentievoordeel ten opzichte van diegenen die alleen afhandelingsdiensten ten behoeve van derden mogen verrichten.
211. Verder kan een dergelijk gunstiger vergoedingstarief bepaalde luchtvaartmaatschappijen ertoe bewegen zelf hun zelfafhandelingsactiviteiten te verrichten in plaats van daarvoor een beroep te doen op derden.
212. Rekwirante heeft de juistheid van die vaststellingen niet aangevochten. Het Gerecht heeft daarom overeenkomstig de vereisten van artikel 86 van het Verdrag vastgesteld dat er op de markt voor grondafhandelingsdiensten een concurrentiedistorsie was als gevolg van de door ADP aan de verrichters van die diensten opgelegde discriminerende vergoedingen.
213. De door rekwirante gestelde omstandigheid dat de klacht van AFS slechts betrekking had op het tarief voor de afhandeling ten behoeve van derden, is in dit verband irrelevant. Zoals de Commissie terecht aanvoert, kan de inhoud van de klacht haar niet binden bij de vaststelling van de inbreuken die het voorwerp van de procedure zijn. Daar de Commissie gerechtigd is deze procedure ambtshalve in te leiden, kan zij ook handelwijzen oppakken waarop de klacht geen betrekking had.
214. Het bestreden arrest zelf kan echter alleen op de wettigheid van de bestreden beschikking betrekking hebben, zonder dat het Gerecht zijn analyse behoeft te beperken tot de inhoud van de klacht.
215. Uit het voorgaande volgt dat het middel moet worden afgewezen.
Conclusie
216. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
- de hogere voorziening af te wijzen;
- rekwirante in de kosten te verwijzen, met inbegrip van die van AFS.
Full & Egal Universal Law Academy