CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
S. ALBER
van 25 april 2002 (1)
Zaak C-108/01
1) Consorzio del Prosciutto di Parma
2) Salumificio S. Rita SpA
tegen
1) Asda Stores Ltd.
2) Hygrade Foods Ltd.
[verzoek van het House of Lords (Verenigd Koninkrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Vrij verkeer van goederen – Maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve uitvoerbeperkingen – Rechtvaardiging van bescherming van industriële eigendom – Verordening (EEG) nr. 2081/92 – Gebruik beschermde oorsprongsbenamingen – Voorwaarde van snijden en verpakken van ham in productiegebied”
I ─ Inleiding
1. De onderhavige prejudiciële vraag betreft de draagwijdte van de bescherming van de industriële eigendom in de vorm van beschermde oorsprongsbenamingen. In concreto gaat het erom, of de beschermde oorsprongsbenaming Prosciutto di Parma enkel gebruikt mag worden indien ook het snijden en verpakken van de ham in het productiegebied plaatsvindt. De Italiaanse verzoekers in het hoofdgeding wensen verweersters te verbieden, in het Verenigd Koninkrijk gesneden en verpakte ham onder de beschermde benaming parmaham in de handel te brengen.
II ─ Juridisch kader
1) De gemeenschapsregeling
a) Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (2) (hierna: verordening nr. 2081/92)
2. Het doel van verordening nr. 2081/92 is een gemeenschapsregeling in het leven te roepen om bepaalde landbouwproducten en levensmiddelen, waarbij een verband bestaat tussen de eigenschappen van de producten en hun geografische oorsprong, te beschermen.
3. Artikel 2, lid 2, bepaalt:
In deze verordening wordt verstaan onder:
a) oorsprongsbenaming: de naam van een streek, van een bepaalde plaats of, in uitzonderlijke gevallen, van een land, die wordt gebruikt in de benaming van een landbouwproduct of levensmiddel:
─ dat afkomstig is uit die streek, die bepaalde plaats of dat land en
─ waarvan de kwaliteit of de kenmerken hoofdzakelijk of uitsluitend aan het geografische milieu, dat factoren van natuurlijke en menselijke aard omvat, zijn toe te schrijven en waarvan de productie, de verwerking en de bereiding in het geografische gebied geschieden;
b) geografische aanduiding: de naam van een streek, van een bepaalde plaats of, in uitzonderlijke gevallen, van een land, die wordt gebruikt in de benaming van een landbouwproduct of levensmiddel:
─ dat afkomstig is uit die streek, die bepaalde plaats of dat land en
─ waarvan een bepaalde hoedanigheid, de faam of een ander kenmerk aan deze geografische oorsprong kan worden toegeschreven en waarvan de productie en/of de verwerking en/of de bereiding in het bepaalde geografische gebied geschieden.
4. Om voor een beschermde oorsprongsbenaming (hierna: BOB (3) ) of een beschermde geografische aanduiding (hierna: BGA) in aanmerking te komen, moeten landbouwproducten of levensmiddelen krachtens artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2081/92 in overeenstemming zijn met een productdossier . Lid 2 van dit artikel somt op wat het productdossier moet omvatten; daarbij gaat het onder meer om de beschrijving van het landbouwproduct of het levensmiddel inclusief de grondstoffen, de afbakening van het geografische gebied, de beschrijving van de werkwijze voor het verkrijgen van het landbouwproduct of het levensmiddel en de gegevens die het verband bewijzen met het geografische milieu of de geografische oorsprong, alsmede de eventuele eisen waaraan krachtens communautaire en/of nationale bepalingen moet worden voldaan.
5. Verordening nr. 2081/92 voorziet in een normale en een ─ in de onderhavige zaak relevante ─ vereenvoudigde procedure om de BOB en de BGA in het door de Commissie bijgehouden Register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen in te schrijven. Het onderscheid bestaat met name hierin, dat de vereenvoudigde procedure geen bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van de belangrijkste gegevens uit de aanvraag alsmede van de verwijzingen naar de nationale bepalingen inhoudt. De artikelen 5 tot en met 7 bevatten de regels voor de normale procedure. Artikel 5 bepaalt, samengevat, dat om te beginnen de aanvraag wordt ingediend op nationaal niveau en dat de lidstaat de inhoud ervan nagaat. Indien hij van mening is dat de aanvraag gerechtvaardigd is, zendt hij haar naar de Commissie. Deze gaat, overeenkomstig artikel 6, door middel van een formeel onderzoek na of de aanvraag alle in artikel 4 genoemde gegevens bevat, en maakt, indien zij meent dat de benaming voor bescherming in aanmerking komt, in het Publicatieblad de naam en het adres van de aanvrager, de naam van het product, de belangrijkste gegevens uit de aanvraag, de verwijzingen naar nationale bepalingen betreffende de bereiding, productie of vervaardiging, en, zo nodig, de overwegingen waarop zij haar oordeel baseert, bekend. Indien geen lidstaat of natuurlijke of rechtspersoon, die een wettig belang heeft, uit hoofde van artikel 7 bezwaar aantekent, schrijft de Commissie de benaming in het Register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen in en maakt dit in het Publicatieblad bekend.
6. Volgens artikel 8 mogen de vermeldingen BOB en BGA alleen voorkomen op landbouwproducten en levensmiddelen die aan de vereisten van de verordening voldoen.
7. Artikel 13, lid 1, bepaalt:
Geregistreerde benamingen zijn beschermd tegen:
a) elk rechtstreeks of onrechtstreeks gebruik door de handel van een geregistreerde benaming voor producten die niet onder de registratie vallen, voorzover deze producten vergelijkbaar zijn met de onder deze benaming geregistreerde producten of voorzover het gebruik van de benaming betekent dat wordt geprofiteerd van de reputatie van deze beschermde benaming;
b) elk misbruik, elke nabootsing of voorstelling, zelfs indien de werkelijke oorsprong van het product is aangegeven of indien de beschermde benaming is vertaald, of vergezeld gaat van uitdrukkingen zoals soort, type, methode, op de wijze van, imitatie, en dergelijke;
c) elke andere valse of misleidende aanduiding met betrekking tot de herkomst, de oorsprong, de aard of de wezenlijke hoedanigheden van het product op de binnen- of buitenverpakking, in reclamemateriaal of documenten betreffende het betrokken product, alsmede het gebruik van een recipiënt die tot misverstanden over de oorsprong van het product aanleiding kan geven;
d) elke andere praktijk die het publiek ten aanzien van de werkelijke oorsprong van het product kan misleiden. [...]
.
8. Ingevolge artikel 15 wordt de Commissie bij de registratieprocedure bijgestaan door een comité dat bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten.
9. Artikel 17 regelt de vereenvoudigde inschrijvingsprocedure van een BOB of BGA en gold voor al bestaande, nationaal beschermde benamingen van vóór de inwerkingtreding van de verordening, zoals bijvoorbeeld voor parmaham. Artikel 17 luidt:
1. Binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening (4) delen de lidstaten de Commissie mee, welke van hun wettelijk beschermde benamingen of, in de lidstaten waar geen beschermingssysteem bestaat, welke van hun door het gebruik algemeen gangbaar geworden benamingen zij krachtens deze verordening willen laten registreren.2. De Commissie registreert volgens de procedure van artikel 15 de in lid 1 bedoelde benamingen die overeenkomen met de eisen van de artikelen 2 en 4. Artikel 7 is niet van toepassing. [...]3. [...]
10. In tegenstelling tot de gewone procedure voorziet of voorzag de vereenvoudigde procedure dus niet in de publicatie in het Publicatieblad van de belangrijkste gegevens uit de aanvraag en van de verwijzingen naar de nationale bepalingen. Een vergelijkbare informatie wordt enkel aan het ingevolge artikel 15 van verordening nr. 2081/92 opgerichte comité ter beschikking gesteld.
b) Verordening (EG) nr. 1107/96 van de Commissie van 12 juni 1996 betreffende de registratie van de geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen in het kader van de procedure van artikel 17 van verordening nr. 2081/92 (hierna: verordening nr.1107/96) (5)
11. Na ontvangst en formeel onderzoek van de benamingen die door de lidstaten op grond van voornoemd artikel 17 van verordening nr. 2081/92 waren medegedeeld, stelde de Commissie verordening nr. 1107/96 vast. De bijlage bij deze verordening bevat de lijst van als BOB of BGA ingeschreven benamingen, waartoe ook de BOB Prosciutto di Parma behoort.
12. Het productdossier van de BOB parmaham verwijst in de punten B.4 en C.2 naar de voorwaarde dat het verpakken van de gesneden parmaham in het in punt C.1 bepaalde productiegebied dient te geschieden. In hoofdstuk G worden de taken van het Consorzio del Prosciutto di Parma (hierna: Consorzio) opgesomd, met inbegrip van die welke betrekking hebben op het verpakken. Hoofdstuk H van het document voorziet in aanvullende etiketteringseisen.
2)Italiaans recht
13. Het op 18 april 1963 door 23 toenmalige producenten van parmaham opgerichte Consorzio liet nog in hetzelfde jaar ─ dus lang vóór de inwerkingtreding van de verordeningen in respectievelijk 1992 en 1996 ─ in Italië het merk ( trademark) Prosciutto di Parma registreren. Bij wet nr. 506 van 4 juli 1970 werden de productie van parmaham en de bescherming van de oorsprongsbenaming voor het eerst in het Italiaanse recht geregeld. (6) Bij ministerieel decreet van 3 juli 1978 werd het Consorzio ingevolge artikel 7 van wet nr. 506 belast met de opdracht toe te zien op de productie en het in de handel brengen van parmaham. Wet nr. 26 van 13 februari 1990 heeft de huidige regeling in het Italiaanse recht geconsolideerd. (7) Bij ministerieel decreet nr. 253 van 15 februari 1993 en bij ministerieel decreet van 12 april 1994 werd het Consorzio machtiging verleend om op de nakoming van de bepalingen inzake de productie en verwerking van parmaham toe te zien en controle uit te oefenen. (8)
14. Artikel 1 van wet nr. 26 behoudt de benaming Prosciutto di Parma uitsluitend voor aan ham die voorzien is van een merkteken dat een permanente identificatie mogelijk maakt, en die verkregen wordt van verse hammen van varkens gefokt en geslacht in continentaal Italië, geproduceerd overeenkomstig de wet, en gerijpt in het in artikel 2 omschreven gebied in de provincie Parma gedurende een voorgeschreven minimumtermijn.
15. Artikel 3 geeft de specifieke kenmerken van parmaham aan, waaronder gewicht, kleur, aroma en smaak.
16. Artikel 6 van deze wet bepaalt: 1. Nadat het merk is aangebracht, kan parmaham ontbeend en in stukken van verschillend gewicht en verschillende vorm worden verkocht, of kan de ham in plakken gesneden en naar behoren verpakt worden.2. Is het in de in lid 1 bedoelde gevallen niet mogelijk het merk op het product te behouden, dan zal, onder toezicht van de bevoegde instantie en overeenkomstig de bij de uitvoeringsregeling vastgestelde methoden, het merk onuitwisbaar op de verpakking worden gestempeld, zodat het niet kan worden verwijderd. In die gevallen zal het verpakken plaatsvinden in het in artikel 2 omschreven typische productiegebied.
17. Artikel 11 van de wet machtigt de bevoegde ministeries om zich voor het toezicht en de controle te laten bijstaan door een producentenvereniging. Het Consorzio oefent sinds 1978 deze functie uit. Zoals het Consorzio zelf heeft verklaard, hebben de inspecteurs in zijn dienst zeer vergaande bevoegdheden, te vergelijken met die van de politie.
18. In het reeds aangehaalde ministerieel decreet nr. 253 van 15 februari 1983 werd verder bepaald, dat het snijden en verpakken van parmaham dient te geschieden in door het Consorzio erkende bedrijven in het productiegebied (artikel 25). Het decreet bepaalt verder, dat het snijden en verpakken van parmaham dient te geschieden in aanwezigheid van vertegenwoordigers van het Consorzio (artikel 26). Ten slotte zijn er regels met betrekking tot verpakking en etikettering (artikel 29).
19. Naar Italiaans recht moet derhalve voorgesneden en voorverpakte parmaham in het productiegebied Parma in plakken worden gesneden, worden verpakt en worden voorzien van een etiket waarop de naam en het merk van de producent of verpakker en de verkoper, de plaats van vestiging van de verpakker en de productiedatum alsmede aanwijzingen omtrent de houdbaarheid vermeld staan. Wanneer de ham in haar geheel of in stukken wordt geleverd, is het evenwel toegestaan, dat het snijden daarvan in aanwezigheid van de koper bij de detailhandel of in het restaurant plaatsvindt.
III ─ Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vraag
20. Asda Stores Limited (hierna: Asda) verkoopt in haar supermarkten in Engeland als parmaham aangeduide, verpakte ham. Zij betrekt deze van Hygrade Foods Limited (hierna: Hygrade). Hygrade koopt op haar beurt de hammen van de in Italië gevestigde onderneming Cesare Fiorucci SpA. De ham wordt ─ ontbeend, maar niet in plakken gesneden ─ in het Verenigd Koninkrijk ingevoerd en door Hygrade in haar bedrijf in Corsham in plakken gesneden en ingepakt. Hierna worden de plakken ham in pakjes van vijf luchtdicht verpakt.
21. De verpakkingen dragen het opschrift: ASDA, De smaak van Italië, PARMAHAM, Echte Italiaanse Parmaham. (9) Op de achterkant van de verpakking staat: PARMAHAM, Alle authentieke Asda-vleesproducten afkomstig van het continent worden volgens traditionele methoden bereid zodat de authentieke smaak en kwaliteit gegarandeerd zijn en ook: Geproduceerd in Italië, verpakt in het Verenigd Koninkrijk voor Asda Stores Limited. (10)
22. In 1997 heeft het Consorzio bij de autoriteiten van de Trading Standards (belast met het toezicht op de naleving van de handelsnormen) in Wiltshire en West Yorkshire klachten ingediend wegens schending van de verordeningen. Deze klachten werden afgewezen.
23. Op 14 november 1997 heeft het Consorzio Asda en Hygrade voor de Engelse rechter gedagvaard en om voorlopige maatregelen verzocht. Bij vonnis van 30 januari 1998 werd dit verzoek afgewezen.
24. Het Consorzio stelde hiertegen hoger beroep in bij de Court of Appeal. In de loop van de procedure werd aan Salumificio S. Rita SpA (hierna: Salumificio), een onderneming die parmaham produceert en lid van het Consorzio is, toegestaan zich als tweede verzoekster aan de zijde van het Consorzio te scharen. Het hoger beroep werd op 1 december 1998 verworpen.
25. Het Consorzio en Salumificio stelden tegen de beslissing van de Court of Appeal bij het House of Lords hogere voorziening in. In het kader hiervan heeft het House of Lords het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd: Doet volgens het gemeenschapsrecht verordening (EEG) nr. 2081/82 van de Raad in samenhang met verordening (EG) nr. 1107/96 van de Commissie en het productdossier voor de beschermde oorsprongsbenaming (BOB) Prosciutto di Parma een geldig communautair recht ontstaan, waarop rechtstreeks een beroep kan worden gedaan voor de rechter van een lidstaat, om de detailverkoop als parmaham te verbieden van in plakken gesneden en verpakte ham die is verkregen uit volgens de voorschriften uit Parma ingevoerde hammen die voldoen aan de voorwaarden van de BOB, doch die daarna niet in plakken gesneden, verpakt en geëtiketteerd zijn overeenkomstig het productdossier?
26. Het House of Lords licht zijn verzoek ─ in vragende vorm ─ in die zin toe, dat het vooral in de volgende onderwerpen ( issues) geïnteresseerd is:
1) Moeten de verordeningen (EEG) nr. 2081/92 van de Raad en (EG) nr. 1107/96 van de Commissie en het specifieke productdossier voor parmaham aldus worden uitgelegd, dat wanneer ham uit Parma, die niet in het typische productiegebied en onder controle van het Consorzio werd gesneden en verpakt, als parmaham wordt geëtiketteerd en verkocht, zulks een schending is van de artikelen 4 en/of 8 en/of 13 van verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad?Hier zijn twee punten aan de orde. Ten eerste, of krachtens die verordeningen het in plakken snijden en verpakken kan worden beschermd. Ten tweede, ingeval de verordeningen dat inderdaad toelaten, of de registratieaanvraag een verzoek tot bescherming van het in plakken snijden en verpakken omvatte.
2) Bij een bevestigend antwoord op de eerste vraag: zijn de relevante bepalingen van verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad en van verordening (EG) nr. 1107/96 van de Commissie geldig? (geldigheidsvraag)
3) Kan op de bepalingen van verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad in burgerlijke procedures in Engeland een beroep worden gedaan door personen zoals verzoekers in hogere voorziening [...]? (vraag van de rechtstreekse werking)
.
IV ─ Argumenten van partijen
1) Consorzio en Salumificio (hierna: verzoekers)
27. Verzoekers zijn van mening, dat enkel de in het productiegebied gesneden en verpakte ham de BOB parmaham mag dragen, aangezien deze voorwaarde deel uitmaakt van het productdossier. Deze regeling is bedoeld om de authenticiteit van het product te waarborgen. De enige mogelijkheid om de consument te garanderen dat hij echte parmaham aanschaft, is gelegen in het bestaan van controlemethoden en het aanbrengen van een keurmerk, dat slechts wordt verleend indien de producenten en de verpakkers aan de door het Consorzio opgestelde strenge eisen voldoen.
28. De voorwaarde van het snijden en verpakken in het productiegebied is de basis voor het behoud van de voor parmaham kenmerkende kwaliteiten. Bij de verwerking van parmaham door middel van snijden en verpakken zijn drie factoren essentieel: de keuze van de te verwerken ham, de controle op de inrichting van de verwerkende onderneming en de aanwezigheid van controleurs van het Consorzio bij het snijden en verpakken van de ham en bij het aanbrengen van het keurmerk. De verwerking is een complex procédé dat bestaat uit het ontbenen, de vervaardiging van de vorm waarin de ham wordt gesneden, het snijden in plakken en aansluitend het verpakken. Enkel de gelijktijdige controle op de te verwerken ham en op het personeel dat de ham verwerkt, is een garantie voor een hoge kwaliteit van de parmaham.
29. De noodzakelijke controles kunnen gedeeltelijk pas bij de verwerking van de hammen tot plakken worden uitgevoerd. De zogenoemde verborgen gebreken, zoals vlekken ten gevolge van een micro-hemorragie in het dier, witte zones in het spierweefsel of bovenmatig intramusculair vet kunnen pas in dit stadium worden ontdekt. Het vaststellen van dergelijke gebreken en de uitvoering van doeltreffende controles vereisen een speciale ervaring en een diepgaande kennis van het gehele verwerkingsprocédé van het product.
30. Verzoekers achten de permanente aanwezigheid van een controleur bij de verwerking noodzakelijk om het imago van parmaham te waarborgen. Alleen zij die de commercialisering en de technische aspecten van het product en de verwerking ervan begrijpen, beschikken over de voor de controles noodzakelijke bekwaamheid. Dat zijn de controleurs van het Consorzio en het personeel van de producenten. Verzoekers zijn de mening toegedaan, dat deze kennis waarover de controleurs beschikken, buiten het productiegebied niet aanwezig is. Overigens is de uitvoering van de controles wettelijk vastgelegd in artikel 6 van wet nr. 26 van 1990 en in de artikelen 25 en 26 van het ministerieel decreet nr. 253 van 1993.
31. Verzoekers wijzen op het gevaar voor de reputatie van het product indien men het snijden en verpakken buiten het productiegebied toelaat. Een mogelijke ontevredenheid van de consument over de kwaliteit van de buiten het productiegebied verwerkte ham zou, volgens hen, automatisch overslaan op de waardering van de binnen het productiegebied verwerkte ham.
32. Onder verwijzing naar het arrest in de zaak Rioja (11) zijn verzoekers van mening, dat de regels inzake het snijden en verpakken van parmaham tot doel hebben de reputatie van de BOB, die in wezen door de kwaliteit van het product wordt bepaald, te beschermen. De bijzondere vaardigheden en de beroepsethos waarmee de controles in het productiegebied worden uitgevoerd, alsmede de specifieke kennis in het omgaan met parmaham, zijn de beste waarborg voor deze kwaliteit.
33. De bezwaren die verweersters hebben gemaakt in verband met de door hen bekritiseerde gebrekkige openbaarmaking van het productdossier, achten verzoekers irrelevant. Zij hebben enkel geëist dat Asda in de toekomst ophoudt met haar gedragingen, zonder echter schadevergoeding voor het verleden te vorderen. Dientengevolge komt het niet erop aan in hoeverre Asda in het verleden bekend was of bekend kon zijn met de voorwaarden van het gebruik van de BOB Prosciutto di Parma.
2) Asda en Hygrade (hierna: verweersters)
34. Verweersters bestrijden, dat de bepalingen inzake het snijden en verpakken van de ham hun kunnen worden tegengeworpen. Noch het productdossier, noch de aanmelding van de BOB Prosciutto di Parma is in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt. Zij zijn van mening, dat het in strijd is met de beginselen van transparantie en rechtszekerheid, indien hun een regeling kan worden tegengeworpen die niet is bekendgemaakt.
35. Dit is met name het geval, wanneer de regeling niet bekend is gemaakt in de officiële taal van het land waar in rechte een beroep op deze regeling wordt gedaan. Het productdossier is echter enkel in het Italiaans voorhanden en is in het Engels op zijn minst genomen niet in een officiële vertaling beschikbaar.
36. Het productdossier verwijst weliswaar naar de Italiaanse wettelijke regelgeving waarop de voorwaarde van het snijden en verpakken in het productiegebied is gebaseerd, maar die is niet bij het productdossier gevoegd, zodat het verweersters onmogelijk is van deze bepalingen kennis te nemen.
37. Verweersters wijzen verder erop, dat het Consorzio wettelijk niet verplicht is hun een kopie van de registratieaanvraag te doen toekomen. Ook de Commissie is hiertoe niet verplicht, zelfs niet op grond van besluit 94/90/EGKS, EG, Euratom van de Commissie van 8 februari 1994 inzake de toegang tot de documenten van de Commissie (12) , aangezien de Commissie niet de auteur van het productdossier en dus van het document is.
38. Enkel is bekendgemaakt, dat de BOB Prosciutto di Parma is geregistreerd en dat het Consorzio de bevoegde dienst is voor de controle ingevolge artikel 10 van verordening nr. 2081/92. Dit is echter niet voldoende om hun de regeling inzake het snijden en verpakken in het productiegebied tegen te werpen.
39. Verweersters zijn voorts van mening, dat de regeling die bepaalt dat het snijden en verpakken in het productiegebied en onder toezicht van het Consorzio moet geschieden, geen onderdeel van de door de verordeningen nr. 2081/92 en nr. 1107/96 beschermde oorsprongsbenaming Prosciutto di Parma is geworden. Verordening nr. 2081/92 beschermt volgens de rechtspraak in de zaak Pistre (13) enkel de voorwaarden die de garantie bieden dat het product uit een bepaald geografisch gebied afkomstig is. Vereist is derhalve dat de in het productdossier opgenomen voorwaarde dit bijzonder verband beschermt. Tussen de geografische herkomst van de ham en de verwerking ervan door middel van snijden en verpakken bestaat echter geen verband.
40. Verweersters stellen derhalve voor om de verordeningen nr. 2081/92 en nr. 1107/96 in die zin uit te leggen, dat zij, wat de voorwaarde van het snijden en verpakken betreft, de BOB niet beschermen. Als alternatief doen zij de suggestie om verordening nr. 1107/96 nietig te verklaren, voorzover deze de regels inzake het snijden en verpakken van parmaham in het productiegebied beschermt, aangezien zulks niet meer aan het doel van verordening nr. 2081/92 beantwoordt.
41. Bovendien zijn verweersters de mening toegedaan, dat een uitlegging van de verordeningen nr. 2081/92 en nr. 1107/96 in die zin dat zij ook de voorwaarde van het snijden en verpakken in het productiegebied beschermt, inbreuk maakt op de regels inzake het vrije verkeer van goederen. De producent van de door verweersters in de handel gebrachte ham, Cesare Fiorucci SpA, heeft de ham in het vrije verkeer gebracht.
42. Verzoekers hebben ook geen argumenten naar voren gebracht om deze beperking te rechtvaardigen. Op geen enkel ogenblik is getwijfeld aan de kwaliteit van de parmaham die door een lid van het Consorzio volgens de geldende bepalingen is geproduceerd. Ook is er niet gesteld, dat de door verweersters in de handel gebrachte ham tot verwarring of misleiding van de consument heeft geleid of ooit de reputatie van de producenten van parmaham heeft geschaad.
43. Ten slotte zijn verweersters van mening, dat de voorwaarde van snijden en verpakken in het productiegebied onevenredig is. Het Italiaanse recht staat toe om parmaham in haar geheel of in stukken uit te voeren en in aanwezigheid van de consument in een andere lidstaat te snijden. Er is geen enkele reden om dit snijden buiten het productiegebied te verbieden, indien dit niet in aanwezigheid van de consument geschiedt.
3) Verenigd Koninkrijk
44. De regering van het Verenigd Koninkrijk is van mening, dat de voorwaarde van het snijden en verpakken van de ham in het productiegebied een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve uitvoerbeperking is. Deze beperking van het vrije verkeer van goederen is niet gerechtvaardigd. De regeling in de artikelen 8 en 13 van verordening nr. 2081/92 is bedoeld om te garanderen, dat het product uit een bepaald gebied komt en bepaalde eigenschappen vertoont. Zij beschermt derhalve enkel de voorwaarden die nodig zijn om deze eigenschappen te waarborgen.
45. In het hoofdgeding staat tussen partijen vast, dat de door verweersters ingevoerde hele hammen de BOB parmaham mochten dragen. Door het snijden en verpakken van de ham is deze niet in kwaliteit achteruitgegaan. In zoverre is het onderhavige geval niet met het arrest in de zaak Rioja vergelijkbaar.
46. De regering van het Verenigd Koninkrijk deelt de opvatting van verweersters inzake de kwestie van de bekendmaking van het productdossier. Uit de twaalfde overweging van de considerans van verordening nr. 2081/92 blijkt, dat de inschrijving in het register tot doel heeft het bedrijfsleven en de consument te informeren. Verordening nr. 1107/96 heeft enkel en alleen bekendgemaakt dat parmaham als BOB wordt beschermd. Wanneer een handelaar ham met de BOB parmaham inkoopt, heeft hij de waarborg dat de ham uit het voor parmaham aangeduide productiegebied stamt en aan bepaalde kwalitatieve eisen beantwoordt. De samenvatting van het productdossier die in het kader van de registratie volgens de procedure van artikel 17 van verordening nr. 2081/92 is overgelegd, bevat niet de voorwaarde dat de ham in het productiegebied gesneden en verpakt moet worden. Hoewel deze samenvatting naar de Italiaanse wetgeving verwijst, die van haar kant bepaalt dat de ham in het productiegebied moet worden gesneden en verpakt, dient ieder verbod op het voeren van de BOB parmaham transparant en gemakkelijk te herkennen of toegankelijk te zijn.
4) Franse Republiek
47. De Franse regering wijst erop, dat de voorwaarde van het snijden en verpakken in het productiegebied deel uitmaakte van het productdossier, dat samen met het registratieaanvraag van de BOB parmaham is overgelegd. Dientengevolge is deze voorwaarde gemeenschapsrechtelijk beschermd, zodat ham die buiten het productiegebied gesneden en verpakt wordt, niet de BOB parmaham mag voeren.
48. Frankrijk acht deze voorwaarde ook met verordening nr. 2081/92 verenigbaar, omdat zij onontbeerlijk is om de herkomst van de ham uit een bepaald gebied te garanderen. Anders dan bij een hele ham, kan de informatie voor de consument bij gesneden ham enkel via de aanduidingen op de verpakking geschieden, waarop het Consorzio toezicht houdt.
49. Verordening nr. 2081/92 zelf is met de bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen verenigbaar. In het kader van het landbouwbeleid beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid. Verordening nr. 2081/92 schept een evenwicht tussen de belangen van het vrije verkeer van goederen, de consumentenbescherming en de bescherming van de industriële eigendom. Omdat het gebruik van de BOB in alle lidstaten wordt beschermd, staat deze verordening ten dienste van het vrije verkeer van goederen.
5) Italiaanse Republiek
50. De Italiaanse Republiek verwijst naar het arrest in de zaak Rioja. Wat in die zaak voor wijn werd vastgesteld, namelijk dat de verwerking van kwaliteitsproducten aan specialisten moet worden voorbehouden, geldt ook voor de hier ter discussie staande ham.
51. Zij beroept zich op punt B.4 van het productdossier en artikel 12 van het als bijlage hierbij gevoegde directief, die bepalen dat het gebruik van de BOB parmaham afhangt van het feit dat de ham in het productiegebied gesneden en verpakt is. Alle bewerkingen zijn onderworpen aan strenge controle door hooggekwalificeerd personeel dat over een grote ervaring in de behandeling van deze ham beschikt. De controle strekt zich ook uit tot de technologische geschiktheid van de gebruikte machines en de esthetiek van het product. Zouden deze controles achterwege blijven, dan zou de kwaliteitsvermindering ertoe leiden dat de reputatie van het product schade ondervindt.
52. Wat de kwestie van de transparantie van en de toegankelijkheid tot de toepasselijke bepalingen betreft, betoogt de Italiaanse regering, dat zij het productdossier en het daarbij behorende directief, die het vereiste van snijden en verpakken in het productiegebied inhouden, samen met de registratieaanvraag aan de Commissie heeft doen toekomen. Verder is de toepasselijke wetgeving overgelegd. De lidstaten zijn hierover in de verschillende officiële talen ingelicht in het ingevolge artikel 15 van verordening nr. 2081/92 opgerichte comité, zodat de toepasselijke bepalingen toegankelijk zijn. De belanghebbende marktdeelnemer heeft de plicht zich deze relevante informatie te verschaffen.
6) Koninkrijk Spanje
53. De Spaanse regering verwijst eveneens naar het arrest in de zaak Rioja. Het doel van de oorsprongsbenaming is te garanderen, dat het product uit een bepaald gebied afkomstig is en bepaalde eigenschappen vertoont. Het snijden van de ham is een bijzonder belangrijk onderdeel van de verwerking dat, hoewel eerst na de eigenlijke productie plaatsvindend, juist voor parmaham essentieel is, omdat deze vooral gesneden wordt gekocht.
54. Controles die buiten het productiegebied worden uitgevoerd, bieden minder garantie voor de kwaliteit en de authenticiteit van het product. Om de consument beter te beschermen, is het derhalve noodzakelijk dat het snijden en verpakken in het productiegebied plaatsvindt. Dit geldt te meer, daar de op de gehele ham aangebrachte merken bij het snijden worden verwijderd.
7) Commissie
55. De Commissie wijst erop, dat het vereiste dat het snijden en verpakken in het productiegebied plaatsvindt, is opgenomen in het productdossier dat samen met de registratieaanvraag is ingediend en bovendien naar de toepasselijke Italiaanse wetgeving verwijst.
56. In verband met de geldigheid van de registratie voorzover deze betrekking heeft op de voorwaarde van het snijden en verpakken in het productiegebied, verwijst de Commissie naar de rechtspraak in de zaak Rioja. Ook het snijden en verpakken van ham is een ingewikkeld procédé, dat de inachtneming van bepaalde regels en een bijzondere kennis vereist. Het procédé beïnvloedt de kwaliteit van het product, die op haar beurt beslissend is voor de reputatie ervan.
57. De beschermde oorsprongsbenaming waarborgt, dat het product uit een bepaald gebied afkomstig is en bepaalde eigenschappen vertoont. Dit doel wordt het best bereikt door snijden en verpakken in het productiegebied. Buiten dit gebied bestaan geen controles van gelijk niveau die door personeel met specifieke kennis worden uitgevoerd. De in het productdossier en de Italiaanse wetgeving voorziene controles dragen bij tot het behoud van de kwaliteit van de parmaham en zijn derhalve gerechtvaardigd.
58. Wat de directe werking van verordening nr. 2081/92 betreft, wijst de Commissie om te beginnen erop, dat verordeningen overeenkomstig artikel 249 EG rechtstreeks toepasselijk zijn. Verder concludeert zij uit de zevende en de twaalfde overweging van de considerans alsmede uit de artikelen 8 en 13, dat de verordening rechten verleent waarop rechtstreeks voor de nationale rechter een beroep kan worden gedaan. Ten slotte baseert zij zich op het doel van de verordening, namelijk om de voorheen enkel nationaal beschermde benamingen thans in de gehele Gemeenschap te beschermen.
59. Met betrekking tot de bekendmaking van de bepalingen wijst de Commissie erop, dat ook de procedure van artikel 17 een bepaalde publiciteit waarborgt. Het gaat om een procedure tussen de lidstaten die in het in artikel 15 bedoelde comité over de registratieaanvragen met inbegrip van de productdossiers zijn geïnformeerd. Zo heeft de regering van het Verenigd Koninkrijk in het comité onder meer deswege tegen de ontwerpverordening gestemd, omdat bepaalde beperkingen, zoals bijvoorbeeld de verplichting om parmaham in het productiegebied te snijden en te verpakken, haar te ver gingen.
V ─ Beoordeling
1) Uitlegging van de prejudiciële vraag
60. Het House of Lords heeft het Hof gevraagd, of verordening nr. 2081/92 in samenhang met verordening nr. 1107/96 en het productdossier voor de BOB Prosciutto di Parma een recht doet ontstaan, waarop voor de rechter van een lidstaat rechtstreeks een beroep kan worden gedaan, om de detailverkoop te verbieden van ham die niet overeenkomstig het productdossier is gesneden en verpakt. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt, dat de verwijzende rechter enerzijds wenst te vernemen of het in plakken snijden en verpakken in het productiegebied überhaupt door de verordeningen nrs. 2081/92 en 1107/96 kan worden beschermd, en anderzijds of de registratieaanvraag voor de BOB Prosciutto di Parma daadwerkelijk een verzoek tot bescherming van het in plakken snijden omvatte. Bij een bevestigend antwoord op beide vragen wordt de vraag naar de geldigheid van beide verordeningen gesteld. Tenslotte vraagt het House of Lords of het mogelijk is om op de eventueel krachtens deze verordeningen verleende bescherming voor de nationale rechter een beroep te doen.
2) Draagwijdte van de bescherming van de BOB Prosciutto di Parma
61. Om te beginnen moet worden onderzocht, in hoeverre het productdossier, dat met de registratieaanvraag van de BOB Prosciutta di Parma werd ingediend, de voorwaarde bevat om de ham in het productiegebied te snijden en te verpakken. Vastgesteld dient te worden, dat een productdossier overeenkomstig artikel 4, lid 2, sub i, van verordening nr. 2081/92 kan verwijzen naar eventuele eisen, waaraan krachtens communautaire en/of nationale bepalingen moet worden voldaan. Op grond van deze bepaling is het voldoende, indien in voorkomend geval de relevante Italiaanse wettelijke bepalingen in het productdossier worden genoemd.
62. De door het Consorzio als bijlage bij zijn opmerkingen gevoegde kopie van het productdossier bevat in punt B.4 de voorwaarde, dat de ham in het productiegebied moet worden verpakt, indien het oorsprongsmerk niet op de ham kan worden aangebracht, hetgeen bij gesneden ham het geval is. Bovendien stelt punt C.2 als vereiste, dat de bedrijven die het snijden en verpakken uitvoeren, in het productiegebied moeten zijn gevestigd. Wet nr. 26 van 13 februari 1990, waarvan artikel 6, lid 2, de voorwaarde van het snijden, verpakken en etiketteren in het productiegebied stelt, alsmede decreet nr. 253 van 15 februari 1993 dat deze voorwaarde in artikel 25 herhaalt, worden in de samenvatting van de betrokken wettelijke regelingen aan het eind van de hoofdstukken B en C uitdrukkelijk genoemd.
63. Als conclusie stel ik derhalve vast, dat het met de registratieaanvraag ingediende productdossier de voorwaarde van het snijden en verpakken in het productiegebied bevat. De draagwijdte van de bescherming van de BOB Prosciutto di Parma strekt zich dus uit tot het snijden en verpakken in het productiegebied.
3) Verenigbaarheid van de regeling met verordening nr. 2081/92
64. Dit leidt tot de vraag, of de Commissie de BOB parmaham met deze beschermingsomvang mocht inschrijven, dat wil zeggen of de inschrijving via verordening nr. 1107/96 verenigbaar is met verordening nr. 2081/92.
65. Volgens artikel 2, lid 2, sub a, van verordening nr. 2081/92 wordt een oorsprongsbenaming gebruikt voor de aanduiding van een landbouwproduct of een levensmiddel, dat uit die streek, die bepaalde plaats of dat land afkomstig is en waarvan de kwaliteit of de kenmerken hoofdzakelijk of uitsluitend aan het geografisch milieu, dat factoren van natuurlijke en menselijke aard omvat, zijn toe te schrijven en waarvan de productie, de verwerking en de bereiding in het geografische gebied geschieden. Het snijden, verpakken en etiketteren in het productiegebied onder toezicht van het Consorzio, maakt deel uit van de verwerking. Het etiketteren van de verpakte waar garandeert dat de gesneden ham bestaat uit ham die onder de naam parmaham in de handel mag worden gebracht. Het toezicht van het Consorzio is ten slotte een waarborg dat de bepalingen inzake de verwerking van parmaham worden nagekomen.
66. Bij het onderzoek naar de rechtmatigheid van een registratie dient met de door verordening nr. 2081/92 ingevoerde verdeling van de bevoegdheid tussen de lidstaten en de Commissie rekening te worden gehouden. Zoals het Hof in zijn arrest in de zaak Carl Kühne e.a. heeft uiteengezet, moet een registratieaanvraag ingevolge artikel 5 van verordening nr. 2081/92 worden ingediend bij een lidstaat, die verplicht is na te gaan of de aanvraag, gelet op de in deze verordening genoemde eisen, gerechtvaardigd is. Enkel indien hij tot de conclusie komt dat zulks het geval is, moet hij ze doorsturen naar de Commissie, die dan ingevolge artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2081/92 slechts een eenvoudig formeel onderzoek instelt. Dit omvat de controle of het productdossier de krachtens artikel 4 vereiste gegevens bevat, en of de benaming op grond van dit dossier aan de vereisten van artikel 2, lid 2, sub a of b, voldoet. (14) Daarbij beperkt de Commissie zich tot het onderzoek, of de beoordeling door de bevoegde lidstaat niet kennelijk onjuist is. (15) Dit geldt zowel voor de gewone als voor de vereenvoudigde procedure. (16) De zin van deze bevoegdheidsverdeling is te verklaren door het feit, dat het onderzoek van een registratieaanvraag in belangrijke mate een grondige kennis vereist van gegevens die specifiek zijn voor de betrokken lidstaat, en die de bevoegde autoriteiten van die staat het best kunnen controleren. (17)
67. De hierboven geschetste bevoegdheidsverdeling werkt ook door in het toezicht van de gemeenschapsrechter op de besluiten van de Commissie over de registratieaanvragen. Derhalve dient enkel te worden onderzocht, of de Commissie haar verificatieplicht is nagekomen en of aan de hierboven genoemde vereisten overeenkomstig de artikelen 2 en 4 van verordening nr. 2081/92 is voldaan. (18)
68. De Commissie heeft de door de Italiaanse regering toegezonden aanvraag met het productdossier volgens de vereenvoudigde procedure onderzocht. Uit wat hierboven is vastgesteld, is ten minste niet gebleken dat het productdossier onvolledig is of dat de daarin vermelde gegevens, met inbegrip van de voorwaarde van het snijden, verpakken en etiketteren onder toezicht van het Consorzio in het productiegebied, de registratie als BOB niet rechtvaardigen. Derhalve moet ik vaststellen, dat de aanvraag overeenkomstig verordening nr. 1107/96 geen inbreuk maakt op verordening nr. 2081/92.
4) Verenigbaarheid van de regeling met artikel 29 EG
69. Dit leidt tot de volgende vraag, namelijk of de registratie van de BOB via verordening nr. 1107/96, met inbegrip van de voorwaarde van het snijden en verpakken in het productiegebied onder toezicht van het Consorzio, eventueel wegens inbreuk op artikel 29 EG ongeldig is.
a) Bestaan van een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve uitvoerbeperking
70. Volgens 's Hofs vaste rechtspraak verbiedt artikel 29 EG nationale maatregelen die een specifieke beperking van het uitgaand goederenverkeer tot doel of tot gevolg hebben en aldus tot een ongelijke behandeling van de binnenlandse handel en de uitvoerhandel van een lidstaat leiden, waardoor aan de nationale productie of de binnenlandse markt van de betrokken lidstaat een bijzonder voordeel wordt verzekerd. (19) Ook gemeenschapsrechtelijke handelingen moeten met de bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen verenigbaar zijn. (20)
71. Tegen de vooronderstelling, dat het hier een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve uitvoerbeperking betreft, pleit om te beginnen het feit, dat het vereiste van het snijden en verpakken in het productiegebied zowel op binnenlandse als buitenlandse marktdeelnemers in gelijke mate van toepassing is. Een te Rome gevestigd bedrijf mag evenmin de ham snijden en onder de BOB parmaham in de handel brengen als Asda en Hygrade in het Verenigd Koninkrijk.
72. Anderzijds moet men bedenken, dat het vereiste om de ham in het productiegebied te snijden teneinde haar onder de oorsprongsbenaming parmaham in de handel te brengen, in die zin een bijzonder voordeel verschaft aan de in het productiegebied gevestigde ondernemingen, dat alleen zij de ham mogen snijden en verpakken. Deze activiteit blijft aan de in het productiegebied gevestigde industrie voorbehouden.
73. Voorts zou de uitvoer van de ham naar andere lidstaten door de bestreden regeling duurder kunnen worden, omdat vóór de uitvoer een verdere verwerking moet plaatsvinden. Deze prijsverhoging bemoeilijkt de uitvoer van parmaham. Dit is een argument om de regeling als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve uitvoerbeperking aan te merken.
74. Zoals boven vermeld, legt de rechtspraak in het kader van de uitlegging van artikel 29 EG het criterium aan, of de bestreden maatregel de uitvoer specifiek beperkt. (21) In de arresten Delhaize en Rioja heeft het Hof maatregelen die het gebruik van de oorsprongsbenaming voor Rioja ervan afhankelijk maken, dat hij in het productiegebied wordt gebotteld, als een specifieke beperking van het uitgaand goederenverkeer in de zin van artikel 29 EG beschouwd. (22) In het arrest Rioja heeft het Hof deze vaststelling gebaseerd op het feit, dat de wijn binnen het productiegebied in tegenstelling tot uitgevoerde wijn ook niet-gebotteld mag worden vervoerd. (23)
75. De situatie in de onderhavige zaak lijkt hiermee vergelijkbaar. De bestreden regeling stelt enkel de eis, dat de ham in het productiegebied wordt gesneden en verpakt, aan welke eis ook wordt voldaan indien de ham binnen het productiegebied van het slachthuis naar een ander bedrijf wordt vervoerd, dat dan de ham overeenkomstig de geldende regels snijdt en verpakt. Derhalve zal men ook in de onderhavige zaak tot de conclusie kunnen komen, dat er sprake is van een specifieke uitvoerbeperking.
b) Rechtvaardiging van de maatregel uit hoofde van bescherming van de industriële eigendom
76. De vraag rijst thans, in hoeverre de maatregel uit hoofde van bescherming van de industriële eigendom in de zin van artikel 30 EG gerechtvaardigd is. Oorsprongsbenamingen maken deel uit van de industriële en commerciële eigendom in de zin van artikel 30 EG. (24) De hiermee verbonden handelsbeperkingen zijn gerechtvaardigd, voorzover zij nodig zijn om te waarborgen dat de oorsprongsbenaming haar specifieke functie vervult, die erin bestaat dat het aldus aangeduide product afkomstig is uit een bepaald geografisch gebied en bepaalde bijzondere kenmerken bezit. (25) Bijgevolg zou het vereiste van het snijden en verpakken in het productiegebied gerechtvaardigd zijn, indien zulks de uit dit gebied afkomstige ham bijzondere kenmerken zou verschaffen die haar kunnen individualiseren, of indien het snijden in het productiegebied onontbeerlijk is voor het behoud van de specifieke kenmerken die de ham bij haar bereiding heeft verworven. Enkel vereisten waarvan de inachtneming noodzakelijk is om de reputatie van de BOB te beschermen, kunnen echter als een aan het evenredigheidsbeginsel beantwoordende beperking van het vrije verkeer van goederen worden beschouwd. (26)
i) Regeling om een bijzondere eigenschap te beschermen
77. De vraag moet dus worden beantwoord, in hoeverre het snijden en verpakken van de ham in het productiegebied de parmaham een eigenschap geeft of doet behouden, die de keuze van de consument mede beïnvloedt, en die dus in het economisch verkeer relevant is.
78. Het feit dat, zoals het Consorzio en Salumificio, Italië, Spanje en de Commissie opmerken, voor het snijden een bijzondere kennis is vereist, pleit ervoor dat er sprake is van een eigenschap die in het economisch verkeer relevant is. De te snijden ham moet met gebruikmaking van een bijzondere expertise zorgvuldig worden uitgekozen. Verder dienen bij het snijden bepaalde vereisten in acht te worden genomen, opdat de kwaliteit van de ham, haar uiterlijk en haar bijzondere eigenschappen worden behouden. Volgens het Consorzio en Salumificio is deze knowhow enkel in het productiegebied aanwezig.
79. Nog een argument dat pleit voor een in het economisch verkeer relevante eigenschap, is het eveneens door het Consorzio en Salumificio, Italië, Spanje en de Commissie opgemerkte feit, dat het Consorzio de kwaliteitscontrole op het snijden en verpakken enkel in het productiegebied uitoefent. Zij zijn van mening dat alleen hierdoor een gelijkblijvende hoge kwaliteit van de in de handel gebrachte parmaham kan worden verzekerd.
80. Men moet echter ermee rekening houden, dat geen van de partijen een doorslaggevend argument naar voren heeft gebracht, waarom het snijden van de ham in het productiegebied een procédé is dat deze ham bijzondere eigenschappen verleent, of dat onmisbaar is voor het behoud van de specifieke eigenschappen die deze ham bij haar bereiding heeft verworven. Van de bijzondere kennis die voor de keuze van de te snijden ham en het deskundig snijden overeenkomstig de voor de BOB geldende bepalingen is vereist, kan ook buiten het productiegebied gebruik worden gemaakt. Het is zeer goed te begrijpen dat, historisch gesproken, de bijzondere kennis zich in het productiegebied heeft ontwikkeld. Het Consorzio heeft echter geen enkel argument naar voren gebracht waarom deze kennis slechts in het productiegebied aanwezig zou zijn. Zij die bij de bereiding en de verwerking van een product betrokken zijn, kunnen, met name door opleiding in het productiegebied, de vereiste kennis en de nodige vaardigheden voor de bereiding en de verwerking van het product verwerven. Zo kunnen ook personen die deze kennis en deze vaardigheden hebben geleerd, het productiegebied verlaten. Men moet derhalve ervan uitgaan, dat de invloed van de mens op het product in beginsel niet afhangt van het productiegebied.
81. Mutatis mutandis geldt dit ook voor de inachtneming van de andere voorschriften voor het snijden, met inbegrip van de technische uitrusting van de bedrijven die zich met het snijden bezighouden. Niemand zegt dat deze voorschriften alleen in het productiegebied kunnen worden nagekomen. Het valt gemakkelijk in te zien, dat bij de heden ten dage beschikbare technische mogelijkheden deze voorwaarden te allen tijde overal kunnen worden nagekomen ─ voorzover het bijvoorbeeld het koelen van de ham vóór het snijden betreft ─ en in acht genomen, voorzover het bijvoorbeeld gaat om de technische uitrusting van de bedrijven die zich met het snijden bezighouden. Er is dan echter geen reden om het snijden enkel in het productiegebied toe te staan.
82. De bij de procedure betrokkenen hebben ten slotte ook niet gesteld, dat het op de juiste wijze snijden als zodanig buiten de streek van Parma de alom bekende kwaliteit van de parmaham nadelig beïnvloedt. Anders zou het ook onbegrijpelijk zijn, dat de ham in haar geheel of in stukken wordt verkocht aan iemand die zelf snijdt, of aan een detaillist of restauranthouder, die in de regel niet als verwerker van ham in de streek van Parma is opgeleid. In zoverre verschilt deze zaak van die betreffende de Rioja, waarbij door het open vervoer van de wijn en het bottelen op andere plaatsen toch veranderingen in de kwaliteit kunnen optreden. Het belangrijkste argument van verzoekers is ook minder een niet-waarschijnlijk kwaliteitsverlies van de ham dan het ontbreken van controle, waardoor mogelijk ham met gebreken wordt gesneden of waardoor eventueel de reputatie van het product als zodanig nadelig wordt beïnvloed. Afgezien van het feit dat ook geen controle wordt uitgeoefend wanneer de eindverbruiker zelf, een detaillist of een restauranthouder snijdt, wijs ik erop dat adequaat geschoold personeel dergelijke controles ook buiten de streek van Parma kan uitvoeren.
83. Gelet op deze omstandigheden en bij gebrek aan andersluidende verklaringen in de verwijzingsbeschikking en in de opmerkingen van de bij de procedure betrokkenen, valt het op zijn minst genomen niet in te zien waarom parmaham ─ vanzelfsprekend enkel wanneer het snijden geschiedt met inachtneming van alle andere voorwaarden, met name het uitsluitend gebruik van parmaham en de nakoming van de in het productdossier genoemde technische voorwaarden ─ onvermijdelijk de bijzondere eigenschappen die zij door de bereiding heeft verworven, zou verliezen, indien zij buiten het productiegebied zou worden gesneden. De ham mag immers ook in haar geheel of in stukken worden uitgevoerd en door de eindverbruiker zelf worden gesneden. En zoals het Consorzio bevestigt, mag de in haar geheel of in stukken uitgevoerde ham ook door een detaillist of in een restaurant in aanwezigheid van de klant worden gesneden, zonder dat zij haar kwaliteit of haar bijzondere eigenschappen verliest, zelfs wanneer de ham nog enige tijd gesneden wordt bewaard (hetgeen overigens pleit voor de uitstekende kwaliteit van de parmaham). Men kan mij niet ervan overtuigen dat dit wèl, en het industrieel snijden en daarna onmiddellijk verpakken niet moet worden toegestaan.
84. De tegenwerping, dat de consument het merk van herkomst op de in zijn aanwezigheid door de detaillist of door het restaurant gesneden ham kan zien en daardoor over de herkomst van de ham wordt geïnformeerd, is slechts in beperkte mate juist. Enerzijds staan snijmachines immers in het algemeen niet op de toonbank, zodat de consument slechts zelden de ham van voldoende nabij kan zien om het keurmerk überhaupt te kunnen waarnemen en herkennen. Anderzijds wordt het merk niet overal op de ham aangebracht, zodat na het aansnijden van de ham het gedeelte met het merk misschien alleen nog gedeeltelijk of helemaal niet meer aanwezig is of ten minste niet zonder meer door de consument kan worden herkend, wanneer de ham in zijn aanwezigheid wordt gesneden. Ter terechtzitting heeft het Consorzio zelf toegegeven, dat de consument in het algemeen niet verlangt, dat hem het keurmerk wordt getoond voordat de ham wordt gesneden. Het gaat hier dus eerder om een theoretische controlemogelijkheid, of de ham ook inderdaad uit het productiegebied afkomstig is.
85. Daarbij komt nog het volgende. Het Hof heeft in de zaak Rioja geoordeeld, dat het bottelen van wijn in het productiegebied een gerechtvaardigde beperking van het vrije verkeer van goederen is, aangezien hierdoor de kwaliteit van de gebottelde wijn het best kan worden gegarandeerd. Het spreekt misschien vanzelf dat het bottelen van wijn in het productiegebied een in het economisch verkeer relevante eigenschap is, aangezien de consument wijn in de eerste plaats per fles koopt. Bij ham is de situatie echter anders; deze wordt door de eindverbruiker hetzij gesneden ─ vers van de detaillist of voorverpakt ─ hetzij in stukken of zelfs in haar geheel gekocht. Het is dus duidelijk, dat het snijden van ham vergelijkenderwijs niet dezelfde betekenis heeft als het bottelen van wijn. De plaats van het snijden zal de keuze van de consument dan echter nog minder beslissend beïnvloeden. Dit is een argument om het snijden in het productiegebied niet als een in het economisch verkeer relevante eigenschap te beschouwen.
86. Als voorlopige conclusie dient derhalve het snijden en verpakken van parmaham in het productiegebied niet als een maatregel ter bescherming van de bijzondere eigenschappen van deze ham te worden beschouwd. Het is niet bewezen dat de ham daardoor bijzondere eigenschappen krijgt, en evenmin dat snijden en verpakken in het productiegebied noodzakelijk is om de tijdens de bereiding verkregen bijzondere eigenschappen van de ham te behouden. De bij de procedure betrokkenen hebben hierop ook minder de nadruk gelegd dan op de controles en de daarmee samenhangende reputatie van het product.
ii) Uitoefening van kwaliteitscontroles in het productiegebied
87. Indien men het met deze opvatting eens is, dan hoeft men strikt genomen niet in te gaan op de vraag van de controle op het snijden teneinde de kwaliteit van parmaham te waarborgen. Wanneer het snijden in het productiegebied geen in het economisch verkeer relevante eigenschap is, kan immers het feit dat in het productiegebied controles worden uitgeoefend, niet meer van doorslaggevende betekenis zijn.
88. Ik zal enkel aanvullend op dit argument ingaan. Het komt mij voor dat zulks nodig is, enerzijds voor het geval dat het Hof de bovenstaande analyse niet volgt, en anderzijds omdat de partijen die opkomen voor de rechtmatigheid van de voorwaarde, zich onder verwijzing naar het arrest Rioja vooral op dit argument hebben beroepen. Het Consorzio, Salumificio, Italië, Spanje en de Commissie betogen dat speciale kennis nodig is en dat de in het productdossier genoemde bijzondere vereisten in acht moeten worden genomen, opdat parmaham zo wordt gesneden, dat haar kwaliteit en haar bijzondere eigenschappen bij het snijden behouden blijven. Dit zou van beslissende betekenis zijn voor het behoud van de opgebouwde klantenkring en daarmee voor de economische waarde van de BOB Prosciutto di Parma. Enkel de in het productiegebied systematisch door de bevoegde diensten uitgevoerde controles waarborgen de inachtneming van de relevante criteria. Buiten het productiegebied zouden geen vergelijkbare controles plaatsvinden. Ten slotte verdient het onderwerp controle ook nog deswege de nodige aandacht, omdat het snijden buiten het productiegebied, zoals hierboven uiteengezet, moet plaatsvinden met inachtneming van de voor de BOB geldende bepalingen. Ook in dit verband kan het van belang zijn hoe de inachtneming van deze bepalingen kan worden gewaarborgd. Vooraf zij duidelijkheidshalve erop gewezen, dat het hier enkel om controle van het snijden gaat. Buiten het productiegebied gesneden ham is immers tot het tijdstip van het snijden aan precies dezelfde controles onderworpen als de in het productiegebied gesneden ham.
89. De uitoefening van controles draagt bij tot het behoud van de kwaliteit en dus ook van de reputatie van gesneden parmaham. Men zou daarom tot de conclusie kunnen komen, dat de voorwaarde om de ham in het productiegebied onder toezicht van het Consorzio te snijden en te verpakken, gerechtvaardigd is ter bescherming van de industriële eigendom.
90. Het feit echter dat controles in beginsel niet alleen in het productiegebied, maar ook daarbuiten kunnen plaatsvinden, pleit tegen deze conclusie. De controleurs zouden door het Consorzio kunnen worden uitgezonden, of in het betrokken gebied gevestigde personen zouden tot controleur opgeleid en met de controle belast kunnen worden.
91. Hoewel het Hof in het arrest Rioja heeft geoordeeld, dat de overeenkomstig het gemeenschapsrecht buiten het productiegebied uitgevoerde controles minder waarborgen bieden voor de kwaliteit en de echtheid van de wijn dan de in het productiegebied uitgevoerde controles, werd echter in het voorgaande reeds vastgesteld, dat het snijden van ham niet vergelijkbaar lijkt met het bottelen van wijn. De consument schaft zich parmaham hetzij gesneden (vers of voorverpakt), hetzij in stukken aan, terwijl hij daarentegen wijn in de regel gebotteld koopt. Alleen al om die reden mag men aan de controles op het snijden niet dezelfde betekenis toekennen als aan die op het bottelen.
92. Het door het Consorzio en Salumificio, Spanje en de Commissie genoemde probleem, dat buiten het productiegebied geen of tenminste geen gelijkwaardige kwaliteitscontroles worden uitgeoefend, is een algemeen probleem van tenuitvoerlegging van regels in buitenlandse rechtsstelsels. Indien de regels inzake het gebruik van de BOB voorzien in de uitoefening van gelijkwaardige controles, dan is de marktdeelnemer die van plan is om de BOB te gebruiken, gehouden de controles ook uit te voeren, wanneer hij de ham buiten het productiegebied snijdt. Anders maakt hij inbreuk op de bepalingen inzake het gebruik van de BOB en mag hij deze niet gebruiken.
93. Juist ook wegens de ingevolge de artikelen 8 en 13 van verordening nr. 2081/92 bestaande verbodsbepalingen is het mogelijk om de regels inzake het gebruik van de BOB parmaham, met inbegrip van eventuele controles, in de gehele Gemeenschap toe te passen.
94. Ook bezien vanuit het oogpunt van de etikettering lijken de controles in het productiegebied niet noodzakelijk. Indien het snijden en verpakken ook buiten het productiegebied kan worden gecontroleerd, dan kan door deze controle ook worden verzekerd dat enkel ham wordt gesneden die de BOB parmaham mag dragen.
95. Wat dit betreft, lijkt ook de tegenwerping, dat de consument slechts zeker kan zijn dat hij parmaham aanschaft, indien de ham in het productiegebied onder toezicht van het Consorzio wordt gesneden en verpakt, niet overtuigend. Hoewel er aldus zekerheid bestaat, dat enkel hammen die de BOB parmaham dragen, worden gesneden, gaat de tegenwerping ervan uit, dat een bedrijf dat buiten het productiegebied parmaham verwerkt, eventueel hammen gebruikt die de BOB niet mogen voeren, en de gesneden ham dan toch met gebruikmaking van de BOB parmaham verhandelt. Zo wordt op ontoelaatbare wijze bij de concurrent een onrechtmatige gedraging voorondersteld, zodat de tegenwerping dient te worden afgewezen.
96. Concluderend dient derhalve te worden vastgesteld, dat de voorwaarde in het productdossier niet dient om een in het economisch verkeer relevante eigenschap te beschermen. De vastgestelde beperking van het vrije verkeer van goederen is dus niet gerechtvaardigd uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom krachtens artikel 30 EG.
c) Rechtvaardiging van de maatregel door overwegingen op het vlak van het structuurbeleid
97. Er is een algemene tendens in de wetgeving om in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid de nadruk op de kwaliteit van de producten te leggen teneinde hun reputatie te verbeteren. Hiertoe dient onder meer het gebruik van oorsprongsbenamingen. (27) Deze tendens wordt door de tweede tot en met de zesde overweging van de considerans van verordening nr. 2081/92 bevestigd. Rechtsgrondslag van deze verordening is logischerwijze artikel 37 EG, in het hoofdstuk landbouw van het Verdrag. Het gaat de wetgever daarbij niet alleen om de bescherming van de kwaliteit van landbouwproducten, maar ook en vooral, zoals uit de tweede overweging van de considerans van deze verordening blijkt, om doelstellingen van het structuurbeleid te verwezenlijken. Er wordt gestreefd naar een verbetering van de omstandigheden in de landbouwgebieden door het verhogen van het landbouwinkomen en door het voorkomen van het wegtrekken van de plaatselijke bevolking. Zoals ik in mijn analyse van artikel 29 EG heb uiteengezet, verschaft de voorwaarde van het snijden en verpakken van parmaham in het productiegebied de aldaar gevestigde bedrijven een voordeel. Dit zou ervoor kunnen pleiten om deze voorwaarde met het gemeenschapsrecht verenigbaar te achten.
98. Om te beginnen pleit de tekst van artikel 30 EG tegen het gebruik van overwegingen op het vlak van het structuurbeleid om beperkingen van het vrije verkeer van goederen te rechtvaardigen. Bij de opsomming van de gronden waarop een beperking van het vrije verkeer van goederen kan worden gerechtvaardigd, is geen categorie overwegingen op het vlak van het structuurbeleid of landbouwbeleid. Volgens de rechtspraak is de opsomming van de in artikel 30 EG genoemde uitzonderingen evenwel limitatief. (28)
99. Daarbij komt nog dat artikel 30 EG, als uitzondering op het beginsel van het vrije verkeer van goederen, volgens de algemene interpretatieregels eng moet worden uitgelegd. (29) Ook dit pleit ervoor om kwantitatieve uitvoerbeperkingen en maatregelen van gelijke werking enkel binnen strikte grenzen als gerechtvaardigd toe te laten. Wat de oorsprongsbenamingen betreft, lijkt de toelating gerechtvaardigd van beperkingen die voortvloeien uit natuurlijke invloeden op het betrokken product, omdat zij een band hebben met het productiegebied. Dit geldt echter niet voor de knowhow, waarvan in beginsel ook buiten het productiegebied gebruik kan worden gemaakt.
100. Bovendien wijs ik erop, dat een ruime uitlegging van artikel 30 EG juist in het kader van het onderzoek naar uitvoerbeperkingen in de zin van artikel 29 EG niet gewenst lijkt. De rechtspraak heeft, zoals hierboven reeds is uiteengezet, aan artikel 29 EG een concrete feitelijke invulling gegeven, in die zin dat het niet iedere uitvoerbeperking verbiedt, maar enkel de maatregelen die specifiek de uitvoer van goederen verhinderen. Deze rechtspraak definieert de werkingssfeer van het verbod van kwantitatieve uitvoerbeperkingen aanzienlijk strikter dan de werkingssfeer voor invoerbeperkingen in de zin van artikel 28 EG. Volgens de Dassonville-doctrine verbiedt artikel 28 EG iedere maatregel die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren. (30) Aangezien de werkingssfeer van artikel 29 EG echter nog strikter is dan die van artikel 28 EG, bestaat in de context daarvan nog minder aanleiding om de uitzonderingen van artikel 30 EG ruim uit te leggen. In het kader van de uitlegging van artikel 30 EG dienen enkel die maatregelen als gerechtvaardigd te worden erkend, welke onontbeerlijk zijn om de oorsprong en de kwaliteit van het door de BOB beschermde product te garanderen.
101. Ten slotte dient ook nog met het volgende rekening te worden gehouden. In het kader van de uitlegging van de bepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen heeft het Hof zich steeds moeite gegeven om deze vrijheid te laten prevaleren boven nationale maatregelen die, zoals de hier ter discussie staande maatregel, onder meer ook de bescherming van de binnenlandse industrie betroffen. De in dit kader gevoerde gedingen hadden vaak betrekking op levensmiddelen waarvan de grondstoffen voornamelijk uit landbouwproducten bestonden. Een bekend voorbeeld hiervan is het arrest inzake het Duitse Reinheitsgebot voor bier (31) , dat op zijn beurt op een Beiers Reinheitsgebot uit 1516 is terug te voeren. Andere zaken betroffen Italiaanse deegwaren (32) , het minimumvetgehalte van Edammer kaas (33) en het in de handel brengen van diepvriesyoghurt. (34) Op het ogenblik zijn twee zaken met betrekking tot chocolade aanhangig. (35)
102. De rechtspraak betreffende de uitlegging van artikel 28 EG kan een vlucht van de producenten naar intellectuele eigendomsrechten hebben veroorzaakt, het streven dus om de verloren nationale wettelijke bescherming tegen concurrentie te compenseren door het scheppen van nieuwe rechten zoals beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen. In de biersector is deze ontwikkeling zeer opmerkelijk. Nadat het Beiers-Duitse Reinheitsgebot, dat de benaming bier voorbehield aan een brouwsel dat enkel bepaalde ingrediënten bevat, door het Hof met artikel 28 EG onverenigbaar was verklaard, kunnen in Duitsland onder de benaming bier ook bieren in de handel gebracht worden, die in andere lidstaten niet volgens het Reinheitsgebot worden gebrouwd. Om te beginnen trachtten de Duitse brouwerijen het economisch verlies dat de openstelling van de Duitse markt voor concurrerende producten uit andere lidstaten met zich bracht, te compenseren door reclame met het opschrift op het etiket nach dem deutschen Reinheitsgebot gebraut. Inmiddels werd Bayerisches Bier als geografisch beschermde aanduiding overeenkomstig de procedure van artikel 17 van verordening nr. 2081/92 in het door de Commissie bijgehouden register ingeschreven. (36) Indien het Hof dus in het kader van de erkenning van intellectuele eigendomsrechten genereus optreedt en bepalingen toelaat die objectief niet noodzakelijk zijn om de oorsprong van het product uit een bepaald gebied en diens bijzondere eigenschappen te garanderen, dan loopt het het risico om de in het kader van de uitlegging van artikel 28 EG gerealiseerde vrijheid van goederenverkeer en opening van de nationale markten, in het kader van artikel 29 EG weer te verliezen.
103. De in de beide laatste punten aangetoonde samenhang tussen de artikelen 28, 29 en 30 EG alsmede de gevolgen van de steeds ten gunste van het vrije verkeer van goederen uitgevallen rechtspraak inzake artikel 28 EG pleiten in ieder geval ervoor, de krachtens artikel 30 EG gerechtvaardigde uitzonderingen eng uit te leggen.
104. In het kader van het productdossier, dat overeenkomstig artikel 4 van verordening nr. 2081/92 samen met de registratieaanvraag moet worden overgelegd, zijn derhalve enkel die bepalingen aanvaardbaar, welke ontegenzeglijk nodig zijn voor de garantie van de oorsprong en de bijzondere eigenschappen van het product, maar niet ook die bepalingen welke uitsluitend tot doel hebben de plaatselijke, in het productiegebied gevestigde, ondernemingen een uitsluitend recht op de verdere verwerking van het product te verschaffen.
105. Als conclusie stel ik derhalve vast, dat ook de met verordening nr. 2081/92 nagestreefde structuurpolitieke doelstellingen op het gebied van het landbouwbeleid niet de geconstateerde uitvoerbeperking overeenkomstig artikel 30 EG kunnen rechtvaardigen.
d) Evenredigheid
106. Zoals ik in het begin van mijn betoog heb uiteengezet, zijn krachtens artikel 30 EG enkel die beperkingen van het vrije verkeer van goederen aanvaardbaar, welke noodzakelijk en vereist zijn om de reputatie van de BOB te beschermen, en dus evenredig zijn. (37) Voor het geval dat bovenstaande analyse niet wordt gevolgd en de beperking als gerechtvaardigd op grond van artikel 30 EG wordt beschouwd, moet ik nog ingaan op de vraag in hoeverre de beperking evenredig is.
107. De voorwaarde de parmaham in het productiegebied te snijden, is, met name gelet op de door het Consorzio uitgevoerde kwaliteitscontroles, een passend middel om te waarborgen dat de gesneden ham enkel uit parmaham bestaat, uit het productiegebied afkomstig is en volgens de voor het gebruik van de BOB Prosciutto di Parma vastgestelde regels wordt gesneden, verpakt en geëtiketteerd. De vraag is echter of deze regeling het minst ingrijpende middel is om het doel van eerlijk handelsverkeer en van voorlichting van de consument inzake de oorsprong van het product en zijn bijzondere eigenschappen te bereiken, of dat er ook andere middelen, die minder ingrijpen in het vrije verkeer van goederen, ter beschikking staan, die dit doel even goed kunnen bereiken.
108. Men zou vooral aan een adequate etikettering van het product kunnen denken. In het onderhavige geval zou men het product als Prosciutto di Parma, in het Verenigd Koninkrijk gesneden of op een andere gelijkaardige, niet-discriminerende wijze kunnen etiketteren.
109. In de zaak Rioja heeft het Hof de hier gesuggereerde oplossing niet gevolgd. Het heeft als argument gebruikt, dat het naast elkaar bestaan van twee verschillende bottelingsmethodes, binnen en buiten het productiegebied, met en zonder de door de groep producenten uitgevoerde stelselmatige controles, het krediet zou kunnen verminderen dat de benaming denominación de origen calificada geniet bij de consumenten, die ervan uitgaan dat alle fasen van een gerenommeerde kwaliteitswijn onder het toezicht en de verantwoordelijkheid van de betrokken groep moeten staan. (38)
110. De onderhavige zaak lijkt slechts onder bepaalde voorwaarden hiermee vergelijkbaar. Enerzijds vindt de consument, zoals reeds gezegd, het snijden van ham in vergelijking met het bottelen van wijn niet zo nauw met het product verbonden; anderzijds hebben de partijen in de onderhavige zaak, anders dan die in de zaak Rioja, niet geargumenteerd dat het voor de consument niet mogelijk zou zijn om onderscheid te maken tussen in het productiegebied en daarbuiten gesneden Prosciutto di Parma, of dat er niet eventueel zelfs twee verschillende markten bestaan, een voor de in het productiegebied en een voor de daarbuiten gesneden Prosciutto di Parma.
111. Het valt ook geenszins in te zien, waarom een eventueel negatieve waardering van de buiten het productiegebied gesneden Prosciutto di Parma onvermijdelijk op de binnen het productiegebied gesneden ham zou overslaan. Indien men met name adequaat etiketteert, waardoor het onderscheid tussen beide producten voldoende duidelijk is, kan bij de mondige en goed geïnformeerde consument ─ van wie men niet alleen in het kader van artikel 28 EG (39) , maar ook in dat van artikel 29 EG moet uitgaan ─ zeker de overtuiging postvatten, dat er een onderscheid bestaat tussen een in de regio van Parma gesneden ham en een die daarbuiten is gesneden. Het gaat om twee van elkaar te onderscheiden vormen voor het in de handel brengen van parmaham. Indien de consument tot de conclusie komt, dat de buiten het productiegebied gesneden ham niet voldoet aan de eisen die hij aan Prosciutto di Parma stelt, dan kan hij zich in plaats daarvan de in het productiegebied gesneden Prosciutto di Parma aanschaffen. Het is geenszins aangetoond dat de consument, indien een bepaalde vorm van het product hem niet bevalt, onmiddellijk een andere soort gesneden ham kiest.
112. Hierbij komt nog, dat het immers is toegestaan de ham buiten het productiegebied in aanwezigheid van de consument te snijden en ze toch onder gebruikmaking van de BOB Prosciutto di Parma te verkopen. Indien dit echter wordt toegestaan, dan valt niet in te zien waarom een adequate etikettering, waaruit blijkt dat de ham buiten het productiegebied is gesneden, niet even goed de kwaliteit en de reputatie van de BOB Prosciutto di Parma kan beschermen als de beperking van het gebruik van de BOB tot in het productiegebied gesneden en verpakte ham. Want om de bovengenoemde redenen kan het snijden in aanwezigheid van de consument nauwelijks een garantie bieden, dat hij over de herkomst van de ham wordt geïnformeerd. Bovendien wordt hier ook niet meer gegarandeerd, dat de ham volgens de door het Consorzio vastgestelde regels wordt gesneden en daardoor eventueel bijzondere eigenschappen verkrijgt of haar bij de bereiding verworven eigenschappen behoudt.
113. De hier geschetste oplossing via een adequate etikettering van het product, vindt ook steun in verordening nr. 2081/92. De vijfde overweging van de considerans van deze verordening stelt uitdrukkelijk, dat de regels inzake de beschermde oorsprongsbenamingen en de geografische aanduidingen slechts een aanvulling vormen op de algemene etiketteringsbepalingen die zijn neergelegd in richtlijn 78/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame. (40)
114. Ik wijs er bovendien op, dat ook verordening nr. 2081/92 zelf in conflictsituaties de oplossing zoekt in een adequate etikettering. Artikel 12, lid 2, van deze verordening bepaalt, dat in de gevallen waarin een door het gemeenschapsrecht beschermde benaming een homoniem is van een benaming uit een derde land, een dergelijke benaming slechts mag worden gebruikt, indien het land van oorsprong duidelijk en goed leesbaar op het etiket wordt vermeld. Indien men van de consument in dergelijke gevallen van homoniemen mag verlangen dat hij het ene product van het andere onderscheidt door de vermelding van het land van oorsprong op het etiket, dan valt niet goed in te zien waarom hij dat ook niet zou kunnen, wanneer de plaatsen van verwerking op het etiket worden vermeld.
115. Concluderend stel ik derhalve vast, dat er een minder ingrijpend middel is dan de beperking van het gebruik van de BOB Prosciutto di Parma tot in het productiegebied gesneden en verpakte parmaham. Door een adequate etikettering van het product kan een even doeltreffende bescherming van de BOB Prosciutto di Parma, de kwaliteit van het product en zijn reputatie bij de consument worden verkregen. Het productdossier gaat dus verder dan nodig, en is in zoverre onevenredig.
5) Verenigbaarheid van de maatregel met de beginselen van transparantie en rechtszekerheid
116. In het hoofdgeding is de vraag gerezen, of de in het productdossier opgenomen voorwaarde van het snijden en verpakken, aan Asda en Hygrade kan worden tegengeworpen, daar deze voorwaarde niet in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen is bekendgemaakt en tenminste officieel enkel in de Italiaanse taal beschikbaar is.
a) Bekendmaking van het productdossier
117. Asda en Hygrade maken bezwaar tegen het feit dat het productdossier niet toegankelijk is, omdat het niet in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen is bekendgemaakt en zij bij de Commissie en bij het Consorzio geen aanspraak kunnen maken op toegang tot het productdossier.
118. Het is een fundamenteel principe van de communautaire rechtsorde, dat een overheidsbesluit aan de burger niet kan worden tegengeworpen voordat deze ervan kennis heeft kunnen nemen. (41) De artikelen 8 en 13 van verordening nr. 2081/92 juncto verordening nr. 1107/96 zijn de grondslag voor het gemeenschapsrechtelijk verbod om ham die niet in het productiegebied gesneden, verpakt en geëtiketteerd is, onder de BOB Prosciutto di Parma in de handel te brengen. Dit verbod is echter slechts in zoverre in het Publicatieblad bekendgemaakt, dat de verordeningen nrs. 2081/92 en 1107/96 vermelden dat er een BOB Prosciutta di Parma bestaat. Aan welke gedetailleerde vereisten moet worden voldaan om de BOB te mogen gebruiken, staat in het bij de aanmelding overgelegde productdossier, dat niet in het Publicatieblad is bekendgemaakt.
119. Het door de Commissie vermelde feit, dat zij een samenvatting van het productdossier aan het in artikel 15 van verordening nr. 2081/92 bedoelde comité heeft doen toekomen, leidt weliswaar tot een zekere mate van bekendheid van het productdossier, maar is enkel een informatie aan de lidstaten. Dit lost echter niet het probleem op van de bekendmaking aan de burger of aan marktdeelnemers zoals Asda en Hygrade.
120. Ook de door de Commissie aangehaalde omstandigheid, dat bij de gewone procedure overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 7 van verordening nr. 2081/92 het productdossier eveneens alleen in samengevatte vorm in het Publicatieblad wordt bekendgemaakt, lijkt de bezwaren van Asda en Hygrade niet te kunnen ontkrachten, want in de gewone procedure worden altijd nog de nationale bepalingen vermeld die nagekomen dienen te worden. Het is onbestreden dat zulks bij de BOB parmaham, ten aanzien waarvan de bestreden beperking ook in nationale bepalingen is geregeld, niet het geval was.
121. Een bekendmaking van het gehele productdossier in het Publicatieblad zou aan het beginsel van de rechtszekerheid kunnen voldoen. Deze oplossing lijkt echter, vanwege zowel de toch zeer technische aard van dit document als zijn omvang, weinig praktisch. Bovendien wordt dan geen rekening gehouden met het feit, dat het bij de overeenkomstig artikel 17 van verordening nr. 2081/92 geregistreerde oorsprongsbenamingen gaat om benamingen die bij de inwerkingtreding van de verordening reeds bestonden en krachtens nationaal recht waren beschermd. De beschermende bepalingen zijn dus al eens gepubliceerd, voor parmaham in het Italiaanse staatsblad. In zoverre is dus met de publicatie op nationaal niveau rekening gehouden. Zou men thans een hernieuwde bekendmaking op het niveau van de Gemeenschap eisen, dan zou men de bekendmaking verdubbelen. Dit vereiste lijkt dus onvoldoende rekening te houden met de bijzondere aard van de registratieprocedure overeenkomstig artikel 17 van verordening nr. 2081/92.
122. De registratie is de afsluiting van een administratieve procedure, die begint met de indiening van de aanvraag ─ met inbegrip van het daarbij te voegen productdossier ─ bij de betrokken lidstaat. Zoals het Hof in de zaak Carl Kühne e.a. heeft vastgesteld, moeten de lidstaten op grond van de in verordening nr. 2081/92 geregelde bevoegdheidsverdeling nagaan of de materiële voorwaarden voor de registratie van een BOB of een BGA vervuld zijn. Dienovereenkomstig staat het ook aan de nationale rechter om te oordelen, of de materiële voorwaarden voor een registratie zijn vervuld. (42) Zoals blijkt uit de overwegingen van dit arrest, waren op nationaal niveau ook bezwaren in die zin gerezen. (43) Hieruit volgt, dat de toegankelijkheid van het productdossier met de vereisten waaraan het gebruik van de BOB moet voldoen, om te beginnen een vraag van nationaal recht is. Zoals verder blijkt uit de zaak Carl Kühne e.a. (44) , geldt zulks ook voor de overeenkomstig artikel 17 van verordening nr. 2081/92 toegepaste vereenvoudigde procedure.
123. In het licht van deze rechtspraak kan men de vraag stellen, of een bekendmaking op gemeenschapsniveau überhaupt nog vereist is. De registratieprocedure overeenkomstig verordening nr. 2081/92 is een procedure die de medewerking van zowel nationale als communautaire autoriteiten vergt. Aangezien de lidstaten dienen na te gaan of de voorwaarden voor registratie zijn vervuld, en bezwaren tegen de rechtmatigheid op nationaal niveau moeten worden ingebracht, lijkt een bekendmaking van het productdossier op communautair vlak niet volstrekt noodzakelijk.
124. Men moet echter bedenken, dat de voorheen bestaande louter nationale bescherming voor de BOB parmaham door de inschrijving in het register van de beschermde oorsprongsbenamingen een communautaire bescherming is geworden. De inschrijving heeft constitutieve werking, waardoor op grond van het gemeenschapsrecht een intellectueel eigendomsrecht ontstaat. Het lijkt moeilijk verenigbaar met het beginsel van de rechtszekerheid, indien het scheppen van een nieuw intellectueel eigendomsrecht niet gepaard gaat met een zekere publiciteit van de in acht te nemen regels, die ook op Europees niveau wordt gegarandeerd.
125. Het gemeenschapsrecht waarborgt ook inderdaad een zekere publiciteit van het productdossier. De inschrijving in het door de Commissie bijgehouden register van de beschermde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen waarborgt, volgens de twaalfde overweging van de considerans van verordening nr. 2081/92, de informatie van het bedrijfsleven. De belanghebbende marktdeelnemers, zoals Asda en Hygrade, kunnen in de eerste plaats uit deze inschrijving het bestaan van een BOB Prosciutto di Parma afleiden.
126. Verder blijkt uit artikel 4 van verordening nr. 2081/92, dat bij de registratieaanvraag voor een BOB of BGA een productdossier moet worden bijgevoegd. Uit artikel 6 van deze verordening vloeit bovendien voort, dat de aanvraag bij de Commissie moet worden ingediend en dat deze het register van de BOB's en BGA's bijhoudt. De marktdeelnemers weten derhalve door deze publicatie niet alleen dat er een BOB parmaham bestaat, maar ook dat hiervan een productdossier bestaat dat bij de Commissie berust.
127. Volgens de rechtspraak heeft degene die kennis krijgt van een hem betreffende handeling zonder dat deze hem is bekendgemaakt, de plicht om bij de betrokken instelling om de volledige tekst van de hem betreffende handeling te verzoeken. (45) Dit geldt ook voor een publicatie in beknopte vorm van de betrokken handeling. (46) Deze rechtspraak gaat kennelijk ervan uit, dat er naast de plicht tot bekendmaking ingevolge artikel 254 EG ook nog een verplichting van de burgers van de Unie bestaat om eventueel informatie in te winnen.
128. De marktdeelnemer wordt door de publicatie van verordening nr. 1107/96 in het Publicatieblad ervan op de hoogte gesteld, dat er een BOB parmaham bestaat. Op grond van de gepubliceerde verordening nr. 2081/92 weet hij, dat registratie alleen plaatsvindt indien er een overeenkomstig productdossier bestaat. Bovendien weet hij, dat de registratieaanvraag via de lidstaat aan de Commissie moet worden gericht en dat deze het register van de beschermde oorsprongsbenamingen bijhoudt. Hij weet dus waar hij informatie over het productdossier kan inwinnen. Op basis van de aangehaalde rechtspraak mag men derhalve aannemen, dat de marktdeelnemers eventueel door middel van een daartoe strekkend verzoek aan de Commissie informatie over het voor hen van belang zijnde productdossier inwinnen.
129. Uit het feit dat het register door de Commissie wordt bijgehouden en dient tot informatie van het bedrijfsleven, alsmede uit de omstandigheid dat zij de registratieaanvraag en tevens het productdossier van de bevoegde lidstaat ontvangt, laat zich a contrario terecht afleiden, dat de Commissie verplicht is aan het belanghebbende bedrijfsleven toegang te verschaffen tot het bij haar berustende productdossier. Zij oefent ten aanzien van de grondslagen van de registratie als het ware de functie uit van een notaris of depositaris, bij wie de akten zijn gedeponeerd, die tot de registratie hebben geleid. Deze redenering lijkt niet alleen om redenen van rechtszekerheid geboden, maar ook gelet juist op artikel 255 EG, dat iedere burger van de Unie recht op toegang tot de documenten van de Commissie toekent. Daarnaast kan een beroep worden gedaan op artikel 21, derde alinea, EG, dat ook aan iedere burger het recht geeft om zich tot de Commissie te wenden met een verzoek om informatie.
130. De omstandigheid, dat het productdossier niet door de Commissie is opgesteld, mag geen argument zijn om de toegang tot dit document te weigeren. De Commissie is de auteur van de inschrijving in het register van de beschermde oorsprongsbenamingen. Aangezien de inschrijving, wat de beschermende werking krachtens de artikelen 8 en 13 van verordening nr. 2081/92 betreft, ook betrekking heeft op de in het productdossier genoemde voorwaarden voor het gebruik van de BOB of de BGA, kan men de stelling verdedigen, dat de Commissie de bepalingen van het productdossier heeft overgenomen. Ten slotte is zij de auteur van de handeling, namelijk verordening nr. 1107/96, waardoor de BOB parmaham in de door het productdossier vastgestelde omvang gemeenschapsrechtelijk wordt beschermd. Zij dient of als auteur te worden beschouwd, of tenminste met de redacteur te worden gelijkgesteld.
131. Overigens wijs ik erop, dat krachtens artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (47) , die in overeenstemming met artikel 255 EG werd vastgesteld (zie vierde overweging van de considerans van deze verordening), een recht van toegang tot alle bij een instelling berustende documenten wordt verleend, dat wil zeggen tot alle documenten op alle werkterreinen van de Unie, die door de instelling zijn opgesteld of ontvangen en zich in haar bezit bevinden. Het productdossier betreft een inschrijving in het register van de BOB's en BGA's, een werkterrein dus van de Unie; het is door de Commissie ontvangen en bevindt zich in haar bezit. Zij is derhalve verplicht dit document toegankelijk te maken.
132. Als voorlopige conclusie stel ik vast, dat het niet-bekendmaken van het productdossier in het Publicatieblad geen inbreuk maakt op de beginselen van transparantie en rechtszekerheid. De marktdeelnemer dient zich door middel van een verzoek om informatie bij de Commissie over het productdossier en de daarin opgenomen voorwaarden voor het gebruik van een BOB op de hoogte te stellen.
b) Beschikbaarheid van het productdossier in slechts één officiële taal
133. Nagegaan dient dus nog te worden, in hoeverre de regeling aan Asda en Hygrade niet kan worden tegengeworpen, nu zij enkel in de Italiaanse taal bij de Commissie werd ingediend en er op zijn minst genomen geen officiële Engelse vertaling van het productdossier voor de BOB parmaham beschikbaar is.
134. De vraag rijst derhalve, of een gemeenschapsrechtelijk verbod, zoals hier via de artikelen 8 en 13 van verordening nr. 2081/92 op het gebruik van de BOB parmaham voor niet in het productiegebied gesneden ham, slechts geldig is, indien het in alle officiële talen bekendgemaakt respectievelijk toegankelijk is.
135. De vraag in hoeverre de ingevolge gemeenschapsrecht op de burger rustende plichten voor hem in zijn moedertaal ─ tenminste voorzover dit een van de officiële talen van de Gemeenschap is ─ toegankelijk moeten zijn, is een principiële vraag. Artikel 290 EG regelt het taalprobleem niet, maar laat het aan de Raad over om dit te regelen. Uit deze bepaling kan echter niet worden afgeleid, dat alle gemeenschapsrechtelijke akten noodzakelijkerwijze in alle officiële talen ter beschikking moeten zijn. (48)
136. Volgens de artikelen 4 en 5 van verordening nr. 1 van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (49) , worden verordeningen en andere stukken van algemene strekking in de officiële talen gesteld en in het Publicatieblad bekendgemaakt. Zoals hierboven uiteengezet, maakt het hier omstreden productdossier deel uit van de op grond van verordening nr. 1107/96 verrichte inschrijving in het register van de oorsprongsbenamingen en kan het derhalve als een deel van de verordening worden beschouwd. Wegens de in de artikelen 8 en 13 vervatte verbodsbepalingen is dit dossier echter in ieder geval een ander stuk van algemene strekking, omdat het gedetailleerd vastlegt welke voorwaarden voor het gebruik van de BOB moeten worden vervuld. Dit zou een argument kunnen zijn, dat het dossier in alle officiële talen moet worden vertaald.
137. Men zou in dezelfde zin kunnen argumenteren onder verwijzing naar artikel 21, derde alinea, EG. Volgens dit artikel kan iedere burger zich in een officiële taal tot de Commissie wenden en van haar een antwoord in die taal krijgen. Indien Asda en Hygrade deze mogelijkheid benutten, zich in het Engels tot de Commissie wenden en om informatie over het productdossier verzoeken, dan zou men onder verwijzing naar deze bepaling kunnen menen, dat de Commissie het productdossier in de Engelse taal ter beschikking moet stellen.
138. Deze oplossing komt wellicht het meest tegemoet aan het vereiste van de rechtszekerheid, doch miskent de aard van de registratieprocedure als een gemengde nationale/communautaire procedure en belast de Commissie met een aanzienlijke hoeveelheid vertaalwerk.
139. Volgens de rechtspraak moet, zoals reeds is uiteengezet, rechtsbescherming tegen een registratie worden gezocht vóór de nationale rechter. (50) In dit kader is een marktdeelnemer, die belangstelling heeft voor het in de handel brengen van een product met een BOB, in ieder geval verplicht zich te bedienen van de officiële taal waarin de registratieaanvraag is opgesteld, in de onderhavige zaak dus het Italiaans.
140. Tegen deze achtergrond lijkt het niet onredelijk, van degene die bij de Commissie om informatie over een productdossier verzoekt, te verlangen dat hij die in ontvangst neemt in de officiële taal waarin het dossier met de registratieaanvraag bij de Commissie is ingediend.
141. Deze oplossing lijkt ook met name haar rechtvaardiging te vinden in de overweging, dat degene die zich, zoals Asda en Hygrade, met het in de handel brengen van buitenlandse waren bezighoudt, over het algemeen over de talenkennis zal beschikken die noodzakelijk is om de invoer van die waren te realiseren, ofwel over adequate mogelijkheden beschikt om de hiermee verbonden taalproblemen te overwinnen. Op grond hiervan kan men ook van hem vergen dat hij de hindernissen weet te overwinnen, die door het slechts in de oorspronkelijke taal bestaande productdossier worden veroorzaakt.
142. Behalve op deze argumenten kan ook nog gewezen worden op de praktijk in het mededingingsrecht. Daar geldt het principe, dat de adressaat van een kartelbesluit weliswaar de mededeling van punten van bezwaar in zijn officiële taal krijgt toegezonden, doch dat de documenten waarop de Commissie zich baseert en die als bijlagen worden meegestuurd of waarvoor toegang tot het dossier moet worden verleend, enkel in de oorspronkelijke taal toegankelijk moeten worden gemaakt. (51) Ook in de onderhavige zaak betreft het documenten waarop de Commissie haar besluit baseert. Men zou hier eenzelfde redenering kunnen volgen, namelijk dat de Commissie zich bij haar besluit inzake de registratie van een oorsprongsbenaming op de gegevens in de registratieaanvraag en met name op het productdossier baseert, en dat daarom ook dit dossier enkel in de oorspronkelijke taal toegankelijk moet worden gemaakt.
143. Op grond van het bovenstaande ga ik ervan uit, dat het feit dat het productdossier niet in de Engelse taal beschikbaar is, niet aan de rechtstreekse toepassing van de artikelen 8 en 13 van verordening nr. 2081/92 op de BOB parmaham in de weg staat.
144. Aanvullend wijs ik nog erop, dat het hier besproken probleem enkel de registraties volgens de vereenvoudigde procedure betreft. Voor de volgens de gewone procedure geregistreerde benamingen wordt een samenvatting van de aanmelding met inbegrip van het productdossier en de eventueel in acht te nemen nationale bepalingen in het Publicatieblad en dus in alle officiële talen gepubliceerd. De gevolgen van de hier verdedigde uitlegging zijn derhalve beperkt. Zij betreft enkel registraties van bij de vaststelling van verordening nr. 2081/92 reeds bestaande benamingen, en alleen voorzover deze binnen zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening aan de Commissie zijn medegedeeld. In dit verband lijkt de hier verdedigde uitlegging aan te sluiten bij de bijzonderheden van de procedure van artikel 17 van verordening nr. 2081/92.
145. Concluderend moet dus vastgesteld worden, dat de registratie van de BOB parmaham ook met de beginselen van de rechtszekerheid en de transparantie verenigbaar is.
VI ─ Samenvatting
146. Samenvattend stel ik derhalve, dat de in het productdossier opgenomen voorwaarde, dat de BOB parmaham voor gesneden ham slechts dan mag worden gebruikt, indien zij in het productiegebied van het Consorzio del Prosciutto di Parma gesneden, verpakt en geëtiketteerd wordt, een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve uitvoerbeperking in de zin van artikel 29 EG is. De maatregel is niet gerechtvaardigd uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom in de zin van artikel 30 EG. Hij kan ook niet uit overwegingen op het vlak van het structuurbeleid als rechtvaardigingsgrond in het kader van dit artikel 30 erkend worden. Verder is hij onevenredig. Verordening nr. 1107/96 is derhalve in zoverre nietig te verklaren, als zij de beschermde oorsprongsbenaming Prosciutto di Parma voorbehoudt aan gesneden ham die in het productiegebied onder toezicht van het Consorzio del Prosciutto di Parma wordt gesneden, verpakt en geëtiketteerd.
VII ─ Conclusie
147. Op grond van bovenstaande overwegingen stel ik voor, als volgt op de prejudiciële vraag te antwoorden:
1) Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad juncto verordening (EG) nr. 1107/96 en het productdossier van de beschermde oorsprongsbenaming Prosciutto di Parma vormt geen grondslag voor een rechtstreeks in te stellen vordering om het gebruik van de beschermde oorsprongsbenaming Prosciutto di Parma voor parmaham die niet in het productiegebied is gesneden, verpakt en geëtiketteerd, te staken.
2) Verordening (EG) nr. 1107/96 van de Commissie van 12 juni 1996 betreffende de registratie van de geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen in het kader van de procedure van artikel 17 van verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad, is ongeldig voorzover zij de beschermde oorsprongsbenaming Prosciutto di Parma voorbehoudt aan ham die in het productiegebied onder toezicht van het Consorzio del Prosciutto di Parma wordt gesneden, verpakt en geëtiketteerd.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – PB L 208, blz. 1.
3 – Deze voetnoot heeft alleen op de versie in de oorspronkelijke taal betrekking.
4 – Overeenkomstig artikel 18 treedt de verordening twaalf maanden na haar bekendmaking in werking. De verordening werd in het Publikatieblad van 24 juli 1992 gepubliceerd en trad derhalve op 24 juli 1993 in werking. De vereenvoudigde procedure kon dus tot 24 januari 1994 worden toegepast.
5 – PB L 148, blz. 1.
6 – . Gazzetta Ufficiale della Repubblica Italiana nr. 179 van 17 juli 1970, blz. 4748.
7 – . Gazzetta Ufficiale della Repubblica Italiana nr. 42 van 20 februari 1990, blz. 3.
8 – . Gazzetta Ufficiale della Repubblica Italiana nr. 173 van 26 juli 1993, blz. 4.
9 – ASDA, A taste of Italy, PARMA HAM, Genuine Italian Parma Ham.
10 – PARMA HAM, All authentic Asda continental meats are made by traditional methods to guarantee their authentic flavour and quality en Produced in Italy, packed in the UK for Asda Stores Limited.
11 – Arrest van 16 mei 2000, België/Spanje (C-388/95, Jurispr. blz. I-3123).
12 – PB L 46, blz. 58.
13 – Arrest van 7 mei 1997 (C-321/94, C-322/94, C-323/94 en C-324/94, Jurispr. blz. I-2343, punt 31).
14 – Arrest van 6 december 2001, Carl Kühne e.a. (C-269/99, Jurispr. blz. I-9517, punten 50-54).
15 – Ibidem, punt 60.
16 – Ibidem, punt 52.
17 – Ibidem, punt 53.
18 – Ibidem, punten 49 en 57-60.
19 – Arresten van 10 maart 1983, Inter-Huiles (172/82, Jurispr. blz. 555, punt 12); 7 februari 1984, Duphar (238/82, Jurispr. blz. 523, punt 25), en 23 mei 2000, Sydhavnens Sten & Grus (C-209/98, Jurispr. blz. I-3743, punt 34).
20 – Arrest van 9 augustus 1994, Meyhui (C-51/93, Jurispr. blz. I-3879, punt 11).
21 – Zie voor een zaak waarin beide verschillende benaderingen van de artikelen 28 en 29 EG aan de hand van het recht van de oorsprongsbenamingen worden behandeld, arrest van 10 november 1992, Exportur (C-3/91, Jurispr. blz. I-5529, punten 16-22).
22 – Arresten van 9 juni 1992, Delhaize en Le Lion (C-47/90, Jurispr. blz. I-3669, punten 12-14) en 16 mei 2000, België/Spanje (C-388/95, Jurispr. blz. I-3123, punten 38-42).
23 – Arrest België/Spanje, aangehaald in voetnoot 22, punten 38-42.
24 – Arresten Exportur, aangehaald in voetnoot 21, punt 37, en België/Spanje, aangehaald in voetnoot 22, punt 54.
25 – Arresten Delhaize en Le Lion, aangehaald in voetnoot 22, punten 16 e.v., en Exportur, aangehaald in voetnoot 21, punt 24.
26 – Zie voor deze benadering in de rechtspraak onder meer arrest van 25 mei 1993, Commissie/Italië (C-228/91, Jurispr. blz. I-2701, punt 19).
27 – Zie de conclusies in het arrest België/Spanje, aangehaald in voetnoot 22, punt 53.
28 – Zie arresten van 17 juni 1981, Commissie/Ierland (113/80, Jurispr. blz. 1625, punt 7); 9 juni 1982, Commissie/Italië (95/81, Jurispr. blz. 2187, punten 20 e.v.); 7 mei 1997, Pistre e.a. (aangehaald in voetnoot 13, punt 52), en conclusie van advocaat-generaal Jacobs van 25 mei 2000 in de zaak Warsteiner Brauerei (arrest van 7 november 2000, C-312/98, Jurispr. blz. I-9187, punt 36).
29 – Arrest van 19 maart 1991, Commissie/Griekenland (C-205/89, Jurispr. blz. I-1361, punt 9), en conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer van 12 december 1996 in de zaak Morellato (arrest van 13 maart 1997, C-358/95, Jurispr. blz. I-1431, punt 21).
30 – Arrest van 11 juli 1974, Dassonville (8/74, Jurispr. blz. 837, punt 5). Zie ook arrest van 24 november 1993, Keck (C-267/91 en C-268/91, Jurispr. blz. I-6097, punt 11).
31 – Arrest van 12 maart 1987, Commissie/Duitsland (178/84, Jurispr. blz. 1227).
32 – Arrest van 14 juli 1988, 3 Glocken en Kritzinger (407/85, Jurispr. blz. 4233).
33 – Arrest van 22 september 1988, Deserbais (286/86, Jurispr. blz. 4907).
34 – Arrest van 14 juli 1988, Smanor (298/87, Jurispr. blz. 4489).
35 – Het betreft hier de zaken Commissie/Spanje (C-12/00) en Commissie/Italië (C-14/00), waarin op 6 december 2001 conclusies zijn genomen.
36 – Verordening (EG) nr. 1347/2001 van de Raad van 28 juni 2001 tot aanvulling van de bijlage bij verordening (EG) nr. 1107/96 van de Commissie betreffende de registratie van de geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen in het kader van de procedure van artikel 17 van verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad, PB L 182, blz. 3.
37 – Zie over deze benadering in de rechtspraak onder meer het arrest in de zaak Commissie/Italië, aangehaald in voetnoot 26, punt 19.
38 – Arrest België/Spanje, aangehaald in voetnoot 11, punt 77.
39 – Arrest van 12 oktober 2000, Ruwet (C-3/99, Jurispr. blz. I-8749, punt 53).
40 – PB L 33, blz. 1.
41 – Arresten van 25 januari 1979, Racke (98/78, Jurispr. blz. 69, punt 15), Decker (99/78, Jurispr. blz. 101, punt 3); zie eveneens de uiteenzetting van advocaat-generaal Geelhoed in zijn conclusie van 3 april 2001 in de zaak Silos en Mangimi Martini (C-228/99, Jurispr. blz. I-8401, punt 39).
42 – Arrest Carl Kühne e.a., aangehaald in voetnoot 14, punten 52, 57 e.v..
43 – Zie punt 20 van het arrest.
44 – Punt 52.
45 – Zie arresten van 19 februari 1998, Commissie/Raad (C-309/95, Jurispr. blz. I-655, punt 18), en 14 mei 1998 Windpark Groothusen/Commissie (C-48/96, Jurispr. blz. I-2873, punten 25 en 26).
46 – Arrest Gerecht van 16 september 1998, Waterleiding Maatschappij Noord-West Brabant/Commissie (T-188/95, Jurispr. II-3713, punten 110 en 111).
47 – PB L 145, blz. 43.
48 – Arrest Gerecht van 12 juli 2001, Kik/BHIM (T-120/99, Jurispr. II-2235, punt 58).
49 – PB 17, blz. 385.
50 – Arrest Carl Kühne e.a., aangehaald in voetnoot 14, punt 58.
51 – Arrest Gerecht van 6 april 1995, Tréfilunion/Commissie (T-148/89, Jurispr. blz. II-1063, punt 21).
Full & Egal Universal Law Academy