CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
L. A. GEELHOED
van 19 september 2002 (1)
Zaak C-121/01 P
Eoghan O'Hannrachain
tegen
Europees Parlement
„Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vijfde kamer) van 16 januari 2001, O'Hannrachain en Chamier/Parlement (T-97/99 en T-99/99), houdende verwerping van een beroep tot nietigverklaring van de aanstelling van Lopez Veiga in het ambt van directeur-generaal Financiën en financiële controle en tot vergoeding van de schade die zou voortvloeien uit het besluit om rekwirant niet in dat ambt aan te stellen”
I ─ Inleiding
1. In deze hogere voorziening verzoekt de heer O'Hannrachain om vernietiging van het arrest dat op 16 januari 2001 door het Gerecht van eerste aanleg is gewezen in de gevoegde zaken T-97/99 en T-99/99 (hierna: bestreden arrest). In dat arrest wordt het gevorderde, onder andere de vernietiging van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: TABG) om de heer Lopez Veiga te benoemen als directeur-generaal Financiën en financiële controle, afgewezen.
II ─ Feiten en procedure
2. Voor een uitgebreid overzicht van de feiten en de procedure voor het Gerecht verwijs ik naar het bestreden arrest.
3. Kort weergegeven, kwam na een interne reorganisatie, waarbij het directoraat-generaal Personeel, begroting en financiën werd opgesplitst in een directoraat-generaal Financiën en financiële controle en een directoraat-generaal Personeel, onder andere een post voor een directeur-generaal Financiën en financiële controle vacant. Aanvankelijk werd besloten hiervoor op basis van artikel 29, lid 1, sub a, van het Statuut te werven. In de kennisgeving van vacature werden onder andere als functie-eisen vermeld specifieke deskundigheid op financieel terrein. Zowel de heer O'Hannrachain, de heer Lopez Veiga, alsmede vier andere kandidaten solliciteerden op deze post. Tezamen met een andere kandidaat behoorde de heer Lopez Veiga, op dat moment ambtenaar bij de Commissie en gedetacheerd bij het Parlement in de hoedanigheid van chef de cabinet van de president, niet tot de kring van personen die op grond van artikel 29, lid 1, sub a, van het Statuut in aanmerking kon komen voor de onderhavige post. Niettemin solliciteerde hij toch voor het geval het bevoegd gezag zou besluiten de werving op grond van artikel 29, lid 2, van het Statuut uit te breiden. Tot deze uitbreiding werd inderdaad besloten. Korte tijd daarna is de heer Lopez Veiga op deze post benoemd. Tegen dit aanstellingsbesluit heeft O'Hannrachain, zonder succes, bezwaar en vervolgens beroep aangetekend.
4. Op 19 maart 2001 is door de heer O'Hannrachain hogere voorziening ingesteld. Hierbij verzoekt hij de vernietiging van het bestreden arrest, de toewijzing van de door hem in eerste aanleg geformuleerde vorderingen en tot slot verweerder te verwijzen in de kosten.
III ─ Hogere voorziening
5. In het kader van de onderhavige hogere voorziening heeft O'Hannrachain zes middelen aangevoerd. Ten eerste zou sprake zijn van schending van artikel 29 van het Ambtenarenstatuut. Ten tweede zou het Gerecht het legaliteitsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het beginsel van hoor en wederhoor niet in acht hebben genomen. Ten derde zou het Gerecht voorbij zijn gegaan aan de gevolgen van een kennisgeving van vacature. Als vierde middel wordt aangevoerd dat er sprake zou zijn van een onjuiste uitleg van het begrip misbruik van bevoegdheid. Het vijfde middel behelst de schending van de artikelen 7 en 27 van het Statuut en van het non-discriminatiebeginsel. Tot slot zou er sprake zijn van schending van het beginsel van behoorlijk beheer en goed bestuur en niet-nakoming van de motiveringsplicht.
A ─ Het eerste middel: schending van artikel 29 van het Ambtenarenstatuut
6. Het eerste middel richt zich tegen het oordeel van het Gerecht in de punten 33 tot en met 37 en de punten 39 en 40 van het bestreden arrest.
7. O'Hannrachain betoogt dat door te oordelen dat het TABG, nadat het de aanwervingsprocedure van artikel 29, lid 1, van het Statuut heeft ingeleid, de procedure van artikel 29, lid 2, kan aanwenden zonder eerst de verdiensten van de overeenkomstig artikel 29, lid 1, in aanmerking komende kandidaten te vergelijken om na te gaan of zij aan de eisen van de kennisgeving van de vacature voldoen, het Gerecht artikel 29 van het Statuut heeft geschonden. Aldus heeft het TABG immers niet onderzocht, of in het onderhavige geval, overeenkomstig artikel 29 van het Statuut, de procedure van bevordering/overplaatsing kon leiden tot de aanstelling van een persoon die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoet.
8. Voorts zou het Gerecht in punt 37 van het bestreden arrest hebben erkend dat het om een belang a-priori gaat van de kandidaatstellingen, zonder dit verder te motiveren of te rechtvaardigen. Volgens O'Hannrachain komt dit neer op het erkennen dat er sprake was van een bewuste en vooraf bepaalde wil van het Parlement om de heer Lopez Veiga te benoemen, met miskenning van de voor dit doel bestaande procedures.
9. O'Hannrachain betoogt dat het korte tijdsbestek waarin de benoeming van de heer Lopez Veiga heeft plaatsgevonden op zich al te denken geeft, het is dat in elk geval in relatie tot de context waarin de benoeming heeft plaatsgevonden. In dat verband wijst hij op het naderhand openen van de mogelijkheid om de heer Lopez Veiga toe te laten tot deelname aan de sollicitatie middels een onjuist gebruik van de procedure van artikel 29, lid 2 van het Statuut; de afwezigheid van een vergelijkend onderzoek van de verdiensten van de op basis van artikel 29, lid 1, van het Statuut ontvankelijke kandidaten; de zeer snelle beslissing van het bureau op een nauwelijks gemotiveerd voorstel van de secretaris-generaal; het achterwege laten van het bespreken van de uiteindelijk in aanmerking genomen kandidaten en de afwezigheid van een motivering waaruit zou kunnen blijken waarom de voorkeur is gegeven aan de heer Lopez Veiga.
10. Het Parlement betoogt dat het eerste middel niet-ontvankelijk is, aangezien het zich richt op de feitelijke waardering, dan wel dat het middel in elk geval ongegrond is, omdat het Gerecht zich bij zijn oordeelsvorming heeft gebaseerd op vaste rechtspraak aangaande de procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut. Bovendien zou rekwirant de term a-priori in punt 37 van het bestreden arrest verkeerd hebben geïnterpreteerd.
Beoordeling eerste middel
11. Ik ben het eens met de stelling van het Parlement dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te concluderen dat de uitbreiding van de wervingsprocedure ingevolge artikel 29, lid 2, van het Statuut, hangende een reeds ingeleide wervingsprocedure op grond van artikel 29, lid 1, van het Statuut, zelfs indien zich reeds vier mogelijk geschikte kandidaten hadden gemeld, geoorloofd is. Het Gerecht kon zich daarbij baseren op een vaste rechtspraak. In deze rechtspraak is uitgemaakt dat het gebruik van de term mogelijkheden in artikel 29 van het Statuut tot uiting brengt, dat het TABG niet absoluut verplicht is, de aldaar genoemde maatregelen te nemen, doch uitsluitend voor elk geval dient na te gaan, of deze maatregelen kunnen leiden tot de aanstelling van een ambtenaar die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoet. (2) Daaruit kon het Gerecht afleiden dat het TABG niet gehouden is de verschillende, in artikel 29, lid 1, van het Statuut opgesomde stadia van de procedure in de aangegeven volgorde te volgen. (3) Op basis van de rechtspraak geldt eveneens dat het TABG, wanneer met de aanwervingsprocedure eenmaal een aanvang is gemaakt, niet verplicht is deze ten einde te voeren (4) , doch dat het TABG over een discretionaire bevoegdheid beschikt om op gronden ontleend aan het belang van de dienst de keuzemogelijkheid (5) te verruimen en derhalve gebruik te maken van haar bevoegdheid op grond van artikel 29, lid 2, van het Statuut. Het is ook vaste rechtspraak dat een besluit om gebruik te maken van de mogelijkheid voorzien in artikel 29, lid 2, van het Statuut niet noodzakelijkerwijze genomen hoeft te worden op het moment van de bekendmaking van vacature en dat de toepassing van artikel 29, lid 2, van het Statuut niet aan een bepaalde publicatievoorwaarde is gebonden. (6) Slechts de vraag of het gaat om de aanwerving van ambtenaren in de rangen A 1 en A 2 of om ambten waarvoor bijzondere deskundigheden zijn vereist, is doorslaggevend.
12. Het Gerecht kon dus op basis van bestaande rechtspraak, waaraan ook wordt gerefereerd in het bestreden arrest, tot de conclusie komen dat het TABG bevoegd was te besluiten de wervingsprocedure voort te zetten op de voet van artikel 29, lid 2, van het Statuut en anderzijds, in het kader van de beoogde verruimde keuzemogelijkheid, de twee kandidaatstellingen die onder de aanvankelijk ingezette wervingsprocedure onder artikel 29, lid 1, sub a, van het Statuut niet in overweging genomen konden worden, bij de beoordeling te betrekken.
13. Wat betreft de stelling van de heer O'Hannrachain met betrekking tot het gebruik van de term a-priori in punt 37 van het bestreden arrest, merk ik op dat het Gerecht hier onmiskenbaar heeft bedoeld te zeggen dat de beide kandidaturen die na opening van de procedure ingevolge artikel 29, lid 2, van het Statuut werden gesteld op het eerste gezicht (a-priori) van belang waren voor een goede vervulling van de openstaande vacature.
14. Uit het bovenstaande volgt dat dit middel niet kan slagen.
B ─ Tweede middel: Niet-inachtneming van het legaliteitsbeginsel, niet-nakoming van de motiveringsplicht en schending van het beginsel van hoor en wederhoor door de overlegging van na het bestreden besluit opgestelde stukken te aanvaarden
15. O'Hannrachain stelt dat het Gerecht in de punten 58, 61 en 66 van het bestreden arrest het legaliteitsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door de in het geding in eerste aanleg door het Parlement ingebrachte stukken, die zijn opgesteld na het benoemingsbesluit van de heer Lopez Veiga, te aanvaarden.
16. In essentie betoogt O'Hannrachain dat de wettigheid van een besluit beoordeeld dient te worden op het tijdstip waarop het besluit is genomen, zonder acht te slaan op gegevens die op een later tijdstip ter beschikking komen, aangezien deze bij de betreffende instantie op het tijdstip van het nemen van het besluit niet bekend waren. De motivering moet dan ook berusten op verifieerbare beweegredenen, die moeten blijken uit het dossier dat is aangelegd ten behoeve van de besluitvorming. Voorts zou het strijdig zijn met het beginsel van hoor en wederhoor om, zoals door het Gerecht in het bestreden arrest is gedaan, stukken die zijn opgesteld na het nemen van het bestreden besluit, als rechtvaardigingsgrond in overweging te nemen.
17. Volgens het Parlement berust de opvatting van O'Hannrachain omtrent het legaliteitsbeginsel op een verkeerde uitleg van de rechtspraak. In casu zou het enkel gaan om feiten die bevestigen wat reeds ten tijde van de besluitvorming omtrent de benoeming van de heer Lopez Veiga bekend was. Het middel zou derhalve ongegrond zijn.
Beoordeling tweede middel
18. Het is vaste rechtspraak dat in het kader van een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG de wettigheid van het betwiste besluit moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten of de juridische situatie op de datum waarop het besluit is genomen. (7) Dit is echter in de onderhavige context niet aan de orde.
19. Er bestaat immers een onderscheid tussen enerzijds stukken die ten grondslag liggen aan het besluit en anderzijds stukken die in het kader van het recht van verdediging zijn geproduceerd en die dienen ter ondersteuning van de rechtvaardiging van de juistheid van het genomen besluit.
20. In dit verband moet worden opgemerkt dat het Gerecht in de punten 56 en 57 van het bestreden arrest eraan herinnert dat ingevolge vaste rechtspraak de uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid waarover het TABG op het gebied van aanstelling beschikt een nauwgezet onderzoek van het dossier van de kandidaat veronderstelt en een zorgvuldige naleving van de aan de kennisgeving van vacature gestelde eisen, zodat elke kandidaat die niet aan die eisen voldoet dient te worden afgewezen en dat de kennisgeving van vacature het wettigheidskader vormt dat het TABG zichzelf stelt en waaraan het zich nauwgezet heeft te houden. Voorts herinnert het Gerecht eraan dat bij het onderzoek om na te gaan of het TABG de grenzen van dit kader niet te buiten is gegaan en of het TABG heeft gehandeld in het belang van de dienst, het Gerecht in de eerste plaats dient vast te stellen welke de gestelde vereisten zijn, om vervolgens na te gaan of de gekozen kandidaat aan deze eisen voldoet. Tot slot merkt het Gerecht op dat een dergelijk onderzoek echter niet betekent dat het Gerecht de beoordeling van de verdiensten van de kandidaten in de plaats kan stellen van die van het TABG.
21. Vervolgens is het Gerecht nagegaan of de heer Lopez Veiga aan de eisen vermeld in de kennisgeving van vacature voldeed. Aangezien eisers in eerste aanleg stelden dat de heer Lopez Veiga niet over een universitaire graad in de economie of op het gebied van financiën zou beschikken of over een gelijkwaardige beroepservaring en hij ook geen grondige kennis zou hebben ten aanzien van de specifieke regelgeving, met name de financiële regelgeving, die van toepassing is op de communautaire instellingen, is het Gerecht met name uitgebreid op deze aspecten ingegaan. Daarbij heeft het Gerecht het curriculum vitae van de heer Lopez Veiga als uitgangspunt genomen. Het Gerecht heeft vervolgens geconstateerd, nadat het Gerecht het Parlement had verzocht om een officieel afschrift van het desbetreffende diploma en een lijst van de hiervoor gevolgde vakken, dat de heer Lopez Veiga beschikt over een universitaire graad in de economie. Tevens heeft het Gerecht vastgesteld, op basis van het curriculum vitae en de stukken die het Parlement als bijlage bij haar verweerschrift heeft ingebracht, dat de heer Lopez Veiga ook beschikt over de nodige kennis ten aanzien van de regelgeving die van toepassing is op de instellingen.
22. Deze door het Parlement ingebrachte stukken worden door O'Hannrachain betwist. Volgens hem had het Gerecht deze niet mogen laten meewegen. Opgemerkt moet worden dat het in casu gaat om een nadere adstructie van de gegevens die staan vermeld in het curriculum vitae van de heer Lopez Veiga en dat deze stukken zijn geproduceerd in het kader van verweer in het beroep in eerste aanleg. Het Gerecht heeft geoordeeld dat deze stukken, ofschoon zij zijn overgelegd na de kandidaatstelling van de heer Lopez Veiga en ten doel hadden de juistheid en volledigheid van de informatie waarover het TABG ten tijde van de besluitvorming beschikte aan te tonen, niet mogen worden gelijkgesteld met voorvallen na dato van het nemen van het besluit. In die zin heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Derhalve kan dit middel niet slagen.
C ─ De overige middelen.
23. Het derde, vierde, vijfde en zesde middel hebben in hoge mate met elkaar gemeen dat zij in wezen betrekking hebben op de ongeschiktheid van de benoemde persoon voor de post van directeur-generaal Financiën en financiële controle en op onregelmatigheden in de benoemingsprocedure. In het onderstaande zal ik eerst de standpunten van partijen weergeven om vervolgens in één beoordeling deze overige middelen te behandelen.
Derde middel: Niet-nakoming van de motiveringsplicht en voorbijgaan aan de gevolgen van een kennisgeving van vacature
24. Dit middel richt zich tegen de punten 62 tot en met 66 van het bestreden arrest. In dit deel van het bestreden arrest komt het Gerecht tot het oordeel dat het TABG geen klaarblijkelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te overwegen dat de heer Lopez Veiga over de in de kennisgeving van vacature gestelde kennis en ervaring beschikt. Volgens O'Hannrachain heeft het Gerecht door aldus te oordelen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en is het Gerecht aldus voorbijgegaan aan de gevolgen van een kennisgeving van vacature.
25. O'Hannrachain wijst op de context waarin de vacature is ontstaan. Met name benadrukt hij dat de redenen waarom het voormalige directoraat-generaal is opgesplitst in twee nieuwe directoraten-generaal verband houden met de steeds ingewikkelder wordende financiële en budgettaire regelgeving die van toepassing zijn op de communautaire instellingen, hetgeen zich vertaalt in een specifieke deskundigheid en ruime ervaring die vereist is voor het bekleden van de onderhavige post. Dit aspect zou het Gerecht hebben moeten meewegen bij de beoordeling of het TABG in redelijkheid tot het bestreden besluit had kunnen komen. De heer Lopez Veiga zou aan twee voorwaarden uit de kennisgeving van vacature, namelijk het in bezit zijn van een universitaire graad op het vlak van economie of financiën of een gelijkwaardige beroepservaring en een grondige kennis van de regelgeving die van toepassing is op de communautaire instellingen, met name op financieel gebied, niet voldoen.
26. Het besluit om de heer Lopez Veiga op de post van directeur-generaal te benoemen zou ook geen enkele motivering bevatten waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hij voldoet aan de gestelde eisen. Dienaangaande zou het Gerecht zich, ten onrechte, tevreden hebben gesteld met verklaringen van het Parlement. Bovendien zou het Gerecht een taak van het TABG hebben overgenomen door zelf een selectie te maken van de vereiste kwalificaties en te benadrukken dat de heer Lopez Veiga hieraan voldoet en de overige, die met zekerheid niet zouden zijn vast te stellen, terzijde hebben geschoven.
27. Het Parlement meent dat dit middel niet-ontvankelijk, en in elk geval niet gegrond is. Ten eerste zou het Gerecht voldoende hebben aangegeven waarom het TABG tot het oordeel heeft kunnen komen dat de heer Lopez Veiga aan de gestelde functie-eisen voldeed. Voorts wijst het Parlement erop dat O'Hannrachain volhardt in zijn stelling dat het bestreden benoemingsbesluit zelf een onvoldoende motivering bevat omtrent de eisen gesteld in de kennisgeving van vacature. Dit zou erop neerkomen dat het Gerecht niet alleen had moeten nagaan of het TABG tot het onderhavige besluit had kunnen komen, maar ook dat het Gerecht had moeten nagaan of het aanstellingsbesluit zelf voldoende was gemotiveerd. Een dergelijk middel heeft O'Hannrachain echter in eerste aanleg nooit opgeworpen. Bovendien wijst het Parlement erop dat het TABG, in dit opzicht, niet gehouden is zijn beslissingen te motiveren. Voor wat betreft de vermeende schending van de gevolgen van een kennisgeving van vacature, stelt het Parlement dat het niet aan het Hof is — in het stadium van een hogere voorziening — om de feiten zoals zij zijn gepresenteerd voor het Gerecht te herwaarderen.
Het vierde middel: schending van het begrip misbruik van bevoegdheid
28. Dit middel richt zich tegen het oordeel van het Gerecht in de punten 109, 111, 112 en de punten 116 tot en met 120 van het bestreden arrest. Hierin zou het Gerecht het begrip misbruik van bevoegdheid hebben miskend door de talrijke, objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen die door O'Hannrachain naar voren zijn gebracht niet als een aanwijzing van misbruik van bevoegdheid te beschouwen. Bovendien zou het Gerecht de verschillende elementen elk apart hebben onderzocht en hebben nagelaten het totale beeld dat daaruit voortvloeit in zijn algemeenheid te beoordelen.
29. Als voorbeeld noemt hij de verklaringen van respectievelijk de vice-president, een quaestor van het Parlement, en van politieke partijen, het feit dat een aantal kandidaten zich heeft teruggetrokken, het feit dat Lopez Veiga heeft gesolliciteerd voor het geval het TABG zou besluiten gebruik te maken van artikel 29, lid 2, van het Statuut, en voorts het feit dat de heer Lopez Veiga niet zou beantwoorden aan bepaalde essentiële eisen voor de onderhavige functie. Volgens de heer O'Hannrachain zou de vaststelling door het Gerecht dat de president van het Parlement een verklaring heeft afgelegd, waarin hij heeft aangegeven de heer Lopez Veiga op een hoge functie te willen benoemen, evenals de vaststelling door het Gerecht dat de heer Lopez Veiga betrokken is geweest bij de voorbereiding van de wervingsprocedure, zoals dat blijkt uit punt 120 van het bestreden arrest, elk op zich al hadden volstaan om aan te nemen dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. In elk geval zou uit het geheel van deze aanwijzingen blijken dat hiervan sprake is.
30. Ten slotte zou het Gerecht een aantal van deze aanwijzingen zonder uitleg of toereikende uitleg of als niet ter zake doende hebben verworpen.
31. Het Parlement betoogt dat het Gerecht op juiste gronden tot afwezigheid van misbruik van bevoegdheid heeft geconcludeerd. Het middel moet dan ook worden verworpen.
Het vijfde middel: schending van de artikelen 7 en 27 van het Statuut en van het non-discriminatiebeginsel
32. Het Gerecht zou in de punten 84 tot en met 88 van het bestreden arrest de artikelen 7 en 27 van het Statuut en het non-discriminatiebeginsel hebben miskend door de benoeming van een kandidaat die niet beantwoordt aan alle eisen van de kennisgeving van vacature, terwijl O'Hannrachain daar in alle opzichten aan voldoet, niet aan de orde te stellen.
33. O'Hannrachain betoogt dat ook al beschikt het TABG over een ruime beoordelingsvrijheid, het in casu gaat om een niet-gekwalificeerde kandidaat, zodat deze kandidaat derhalve niet vergeleken kon worden met de andere kandidaten en zelfs niet in aanmerking had mogen worden genomen.
34. Door te oordelen dat het TABG geen klaarblijkelijke vergissing heeft begaan wat betreft de geschiktheid van de kandidatuur van de heer Lopez Veiga, die volgens rekwirant niet aan de kwalificaties voldoet, met name niet omdat hij niet beschikt over de nodige kennis op budgettair en financieel terrein, zou het Gerecht in de punten 84 tot en met 86 van het bestreden arrest een verkeerde waardering hebben gemaakt.
35. In punt 87 van het bestreden arrest zou het Gerecht het begrip in het belang van de dienst verkeerd hebben geïnterpreteerd, omdat verantwoordelijkheden van algemene en politieke aard niet de specifieke deskundigheid die is vereist voor de functie in kwestie, kunnen vervangen.
36. Volgens het Parlement dient dit middel te worden verworpen. Het Gerecht is geheel binnen de door de rechtspraak gestelde grenzen gebleven door te oordelen dat het Bureau geen klaarblijkelijke beoordelingsfout heeft gemaakt. Het Parlement wijst bovendien op de ruime beoordelingsmarge die het TABG volgens de rechtspraak heeft als het om A 1 functies gaat. Ook ten aanzien van het begrip in het belang van de dienst zou er zijdens het Gerecht geen beoordelingsfout zijn gemaakt.
Zesde middel: schending van het beginsel van gezond beheer en goed bestuur en niet-nakoming van de motiveringsplicht
37. Dit middel richt zich tegen de punten 128 en 129 van het bestreden arrest. In essentie is volgens O'Hannrachain sprake van een politieke benoeming betreffende een persoon die niet voldoet aan de vereiste bijzondere kwalificaties, in een onregelmatige en een voor dit doel ingekorte procedure. Het Gerecht zou dus zowel omtrent de feiten als omtrent het recht hebben gedwaald.
38. Het Parlement stelt dat O'Hannrachain volstaat met het in herinnering brengen van de context waarin Lopez de Veiga benoemd is en zijn ongenoegen uit wat betreft de interpretatie van de feiten door het Gerecht. Een dergelijk verwijt is geen middel dat ontvankelijk is in een hogere voorziening. Derhalve dient het middel betreffende de vermeende schending van het beginsel van gezond beheer en niet-nakoming van het motiveringsbeginsel te worden verworpen.Beoordeling van de overige middelen.
39. De middelen drie, vier, vijf en zes hebben gemeen dat daarin steeds de feitelijke context waarin deze benoemingsprocedure heeft plaatsgevonden vanuit een nadere invalshoek wordt aangevochten.
40. Zoals bij de beoordeling van het eerste middel al is aangegeven, heeft het Gerecht op basis van bestaande jurisprudentie kunnen oordelen dat in het onderhavige geval een uitbreiding van de wervingsprocedure op basis van artikel 29, lid 2, van het Statuut geoorloofd was.
41. Uit de behandeling van het tweede middel volgt al impliciet dat op basis van het curriculum vitae van de heer Lopez Veiga kon worden vastgesteld dat hij aan de eisen zoals deze zijn gesteld in de kennisgeving van vacature voldoet. De in het kader van het recht op verdediging opgestelde stukken hebben dit ook nog eens bevestigd.
42. Het Gerecht heeft dan ook in het kader van het onderzoek of het TABG haar grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid niet te buiten is gegaan en het zich heeft gehouden aan de in de kennisgeving van vacature gestelde eisen, deze getoetst en vastgesteld dat de heer Lopez Veiga voldeed aan alle eisen die zijn gesteld in de vacature en daaraan de conclusie verbonden dat het TABG in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.
43. Het derde middel richt zich op de motivering en op het voorbijgaan aan de gevolgen van de kennisgeving van vacature. Voorzover het middel zich ook richt tegen de motivering van het benoemingsbesluit zelf, is het niet-ontvankelijk. Daaromtrent zij overigens opgemerkt dat een benoemingsbesluit waarin wordt vastgesteld dat de kandidaat aan de in de kennisgeving van vacature genoemde eisen voldoet en over relevante persoonlijke kwaliteiten en ervaring beschikt, voldoende is gemotiveerd. De taak van het Gerecht is te toetsen of het TABG zich heeft gehouden aan de eisen vermeld in de kennisgeving van vacature, of de benoemde kandidaat hieraan ook daadwerkelijk voldoet. In het voorgaande punt heb ik reeds opgemerkt dat het Gerecht heeft nagegaan of de desbetreffende kandidaat aan alle functie-eisen voldeed. Met betrekking tot de financiële deskundigheid en relevante werkervaring is dat door het Gerecht voldoende gemotiveerd in de punten 62 tot en met 66 van het bestreden arrest. Derhalve kan dit middel als ongegrond niet slagen.
44. Naar aanleiding van het argument dat het Gerecht rekening had moeten houden met de context waarin de vacature is ontstaan (de achtergrond van een nieuw directoraat-generaal en de specifieke deskundigheid en ervaring voor het leiden daarvan), merk ik ten overvloede nog op dat mag worden aangenomen dat bij het opstellen van de functie-eisen hiermee rekening is gehouden. Een toets of aan deze functie-eisen is voldaan, volstaat derhalve.
45. Ten aanzien van het vierde middel merk ik op dat het beweerdelijke misbruik van bevoegdheid in hogere voorziening wordt geadstrueerd door te verwijzen naar de feitelijke context waarin de benoeming heeft plaatsgevonden. Deze feitelijke omstandigheden zijn door het Gerecht in de punten 109, 111, en 116 tot en met 120 onderzocht. Op basis van dat onderzoek kon het Gerecht tot de conclusie komen dat er van misbruik van bevoegdheid in casu geen sprake was. Ten overvloede wijs ik erop dat de argumenten waarmee O'Hannrachain zijn stelling adstrueert een feitelijk karakter hebben en uit dien hoofde klaarblijkelijk niet-ontvankelijk zijn. Terecht verwijst het Parlement naar het arrest Hilti. (8) Daarin wordt opgemerkt dat de beoordeling door het Gerecht van het aan hem voorgelegde bewijs geen rechtsvraag oplevert die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een verkeerde opvatting van dit bewijs. Eveneens terecht merkt het Parlement op dat een middel dat zich richt tegen een in het bestreden arrest vervatte feitelijke vaststelling, dat er geen bewijs is geleverd van misbruik van bevoegdheid, niet-ontvankelijk is. (9)
46. Het vijfde middel berust in essentie op de stelling dat het TABG de merites van de heer Lopez Veiga en die van eiser had behoren te vergelijken (of juist niet had mogen vergelijken) en daaruit de conclusie had behoren te trekken dat eiser meer geschikt was dan de benoemde kandidaat. Hierbij herhaalt eiser zijn feitelijke stelling dat Lopez Veiga niet aan de in de kennisgeving van vacature gestelde eisen voldeed. Dit brengt mij tot de slotsom dat het hier om een argument gaat dat ik bij de behandeling van het eerste, het tweede en het derde middel reeds als ongegrond heb aangemerkt. Bij de beoordeling van het eerste middel heb ik bevestigd dat, hangende een ingeleide wervingsprocedure, de uitbreiding daarvan kan plaatsvinden. Dit betekent dat ook de kandidaatstelling van de heer Lopez Veiga kon worden meegenomen. Uit de beoordeling van het tweede en het derde middel vloeit voort dat het Gerecht tot het oordeel heeft kunnen komen dat het TABG op basis van de hem ter beschikking staande feiten tot het oordeel mocht komen dat de heer Lopez Veiga aan de gestelde functie-eisen voldeed.
47. Ook het zesde middel, dat is gebaseerd op de feitelijke stelling dat de heer Lopez Veiga niet aan de gestelde vereiste voldoet, die door het Gerecht als niet-gegrond is verworpen, kan derhalve als kennelijk niet-ontvankelijk niet slagen.
D ─ De schadevergoeding
48. Aangezien uit bovenstaande blijkt dat geen van de middelen kan slagen, behoeft de vordering tot betaling van schadevergoeding geen behandeling.
IV ─ Conclusie
49. Op grond van het voorgaande, geef ik het Hof het volgende in overweging:
1) de hogere voorziening af te wijzen,
2) O'Hannrachain in de kosten te verwijzen.
1 – Oorspronkelijke taal: Nederlands.
2 – Arrest van 31 maart 1965, Ley/Commissie (12/64 en 29/64, Jurispr. blz. 141).
3 – Zie bijvoorbeeld de verwijzing van het Gerecht naar zijn eerdere rechtspraak in de arresten van 22 maart 1995, Kotzonis/ESC (T-586/93, Jurispr. blz. II-665), en 11 juni 1996, Anacoreta Correira/Commissie (T-118/95, JurAmbt, blz. I-A-283 en II-835).
4 – Zie bijvoorbeeld arresten van 24 juni 1969, Fux/Commissie (26/68, Jurispr. blz. 145), van 9 februari 1984, Kohler/Rekenkamer (316/82 en 40/83, Jurispr. blz. 641), en van 8 juni 1988. Vlachou/Rekenkamer (135/87 Jurispr. blz. 2901).
5 – Zie bijvoorbeeld het arrest van 14 februari 1990, Hochbaum/Commissie (T-38/89, Jurispr. blz. II-43), en het arrest van 22 maart 1995, Kotzonis/ESC (aangehaald in voetnoot 3).
6 – Arrest van 29 oktober 1975, Marenco/Commissie (81/74-88/74, Jurispr. blz. 1247).
7 – Arrest van 7 februari 1979, Frankrijk/Commissie (15/76 en 16/76, Jurispr. blz. 321).
8 – Arrest van 2 maart 1994, Hilti/Commissie (C-53/92P, Jurispr. blz. I-667).
9 – Arrest van 19 juni 1992, V/Parlement (C-18/91P, Jurispr. blz. I-3997). Van meer recente datum het arrest van 13 december 2001, Commissie/Cwik (C-340/00P, Jurispr. blz I-10269).
Full & Egal Universal Law Academy