CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. LÉGER
van 24 oktober 2002 (1)
Zaak C-122/01 P
T. Port GmbH & Co. KG
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Bananen – Gemeenschappelijke ordening der markten – Stelsel van uitvoercertificaten – Beroep tot schadevergoeding – Bewijs van schade en van oorzakelijk verband – Middelen gericht tegen overbodige motieven – Verwerping – Middel ontleend aan onjuiste uitlegging van bewijsmiddelen – Niet-ontvankelijk”
1. Deze hogere voorziening is ingesteld door de vennootschap T. Port GmbH & Co. KG tegen het arrest van de Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 1 februari 2001, T. Port/Commissie. (2) Met dit arrest verwierp het Gerecht rekwirantes beroep tot vergoeding van de schade die zij stelde te hebben geleden door de invoering van het stelsel van uitvoercertificaten bij verordening (EG) nr. 478/95. (3)
I ─ Rechtskader
2. Het rechtskader kan als volgt worden samengevat. (4)
3. Verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen (5) , heeft een gemeenschappelijke regeling voor het handelsverkeer met derde landen ingevoerd. Artikel 17, eerste alinea, ervan bepaalt dat voor elke invoer van bananen in de Gemeenschap een invoercertificaat moet worden overgelegd, dat door de lidstaten wordt afgegeven.
4. In zijn oorspronkelijke versie bepaalde artikel 18, lid 1, van verordening nr. 404/93 dat ieder jaar een tariefcontingent van 2 miljoen ton nettogewicht werd geopend voor de invoer van bananen uit niet tot de ACS (6) behorende landen en de niet-traditionele invoer van bananen uit de ACS-staten. (7) In het kader van dit contingent werd op de invoer van bananen uit derde landen een recht van 100 ECU per ton en op de invoer van niet-traditionele ACS-bananen een nulrecht toegepast.
5. Artikel 19, lid 1, van verordening nr. 404/93 bewerkte een verdeling van het tariefcontingent en opende het ten belope van 66,5 % voor de categorie van marktdeelnemers die bananen uit derde landen en/of niet-traditionele ACS-bananen hadden afgezet (categorie A), 30 % voor de categorie van marktdeelnemers die bananen uit de Gemeenschap en/of traditionele ACS-bananen hadden afgezet (categorie B), en 3,5 % voor de categorie van in de Gemeenschap gevestigde marktdeelnemers die vanaf 1992 waren begonnen andere bananen dan bananen uit de Gemeenschap en/of traditionele ACS-bananen af te zetten (categorie C).
6. Deze regeling is herzien in het kader van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (GATT).
7. Zo kwam de Europese Gemeenschap in maart 1994 tot een overeenkomst ─ de kaderovereenkomst betreffende bananen genoemd (8) ─ met een aantal Latijns-Amerikaanse landen, namelijk de Republiek Colombia, de Republiek Costa Rica, de Republiek Nicaragua en de Republiek Venezuela. Deze overeenkomst stelt het totale tariefcontingent vast op 2 100 000 ton voor 1994 en op 2 200 000 ton voor 1995 en volgende jaren, en vermeldt de percentages van het contingent die aan Colombia, Costa Rica, Nicaragua en Venezuela zijn toegekend.
8. Punt 6 van de kaderovereenkomst bepaalt dat deze landen may deliver special export certificates for up to 70 % of their quota, which, in turn, constitute a prerequisite for the issuance, by the Community, of certificates for the importation of bananas from said countries by Category A and Category C operators. Bovendien wordt in punt 7 van de kaderovereenkomst het invoerrecht voor hoeveelheden binnen het contingent bepaald op 75 ECU per ton.
9. Op 22 december 1994 heeft de Raad de kaderovereenkomst namens de Gemeenschap goedgekeurd. (9) Op 1 maart 1995 heeft de Commissie verordening nr. 478/95 vastgesteld, die de nodige maatregelen voor de uitvoering van deze overeenkomst omvat. Artikel 3, lid 2, van deze verordening bepaalt dat voor producten van oorsprong uit Colombia, Costa Rica of Nicaragua de aanvragen voor een invoercertificaat van de categorieën A en C vergezeld moeten gaan van een door de bevoegde autoriteiten van genoemde landen afgegeven uitvoercertificaat.
10. Op 10 maart 1998 verklaarde het Hof besluit 94/800 gedeeltelijk nietig op grond dat dit besluit, door de marktdeelnemers van categorie B vrij te stellen van de regeling inzake de uitvoercertificaten, in strijd was met het non-discriminatiebeginsel van artikel 40, lid 3, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 34, lid 2, EG). (10) Om dezelfde redenen heeft het Hof ook verordening nr. 478/95 nietig verklaard. (11)
II ─ De procedure voor het Gerecht
11. Bij op 4 januari 1999 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft rekwirante beroep tot schadevergoeding ingesteld op basis van de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EG-Verdrag (thans artikelen 235 EG en 288, tweede alinea, EG).
12. Als marktdeelnemer van categorie A eiste zij vergoeding van de schade die zij stelde te hebben geleden door de verplichting van verordening nr. 478/95 om uitvoercertificaten te verwerven om bananen uit Costa Rica in te voeren en in de handel te brengen.
13. Rekwirante verzocht het Gerecht de Gemeenschap te veroordelen tot betaling van een bedrag van 828 337,10 DEM, overeenkomend met de prijs van de uitvoercertificaten die zij had moeten verwerven, en van een bedrag van 126 356,80 DEM, overeenkomend met de financieringskosten voor de aankoop van die certificaten.
III ─ Het bestreden arrest
14. In het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep verworpen om de volgende redenen:
42 De Gemeenschap kan in het kader van artikel 215, tweede alinea, [van het Verdrag] slechts aansprakelijk worden gesteld, indien is voldaan aan een aantal voorwaarden: onrechtmatigheid van de aan de gemeenschapsinstellingen verweten gedraging, bestaan van schade en een oorzakelijk verband tussen die gedraging en de gestelde schade [...].
43. In de onderhavige zaak moeten de voorwaarden betreffende het bestaan van de schade en het oorzakelijk verband tezamen worden onderzocht.
[...]
55 Volgens vaste rechtspraak is het aan de partij die de aansprakelijkheid van de Gemeenschap stelt, om overtuigende bewijzen over te leggen voor het bestaan of de omvang van de gestelde schade [...]
56 In de onderhavige zaak bestaat de gestelde schade uit twee elementen: in de eerste plaats de kosten die verzoekster heeft gemaakt om uitvoercertificaten voor bananen uit Costa Rica te verwerven, en in de tweede plaats de bankrente die zij zou hebben betaald op de bedragen die zij, met het oog op die verwerving, heeft opgenomen in het kader van een door haar bank aan haar ter beschikking gestelde kredietlijn.
57 Wat het eerste element van de schade betreft, produceert verzoekster een verklaring van haar erkende accountant, waarin deze verklaart, dat verzoekster van 1996 tot 1998 828 337,10 DEM heeft uitgegeven om uitvoerlicenties voor bananen uit Costa Rica te verwerven. Uit haar schrifturen en haar verklaringen ter terechtzitting blijkt dat verzoekster van mening is, dat de in de verklaring van haar erkende accountant vermelde uitgaven als zodanig de gestelde schade vormen, en dat het niet relevant is, welke invloed die uitgaven daadwerkelijk hebben gehad op de rentabiliteit van haar overeenkomstige handelstransacties. Zij zou dus geen aanvullende preciseringen of bewijzen behoeven aan te voeren.
58 Deze benadering kan om verschillende redenen niet worden aanvaard.
59 In de eerste plaats bevat voornoemde verklaring geen enkel gegeven op grond waarvan de juistheid kan worden vastgesteld van het bedrag dat overeenkomt met de kosten voor de verwerving van de uitvoercertificaten.
60 In de tweede plaats is ─ gesteld dat de juistheid van genoemd bedrag niet kan worden betwist ─ geenszins bewezen dat verzoekster zelf alle met dat bedrag overeenkomende uitvoercertificaten daadwerkelijk heeft gebruikt voor de invoer van bananen in de Gemeenschap. Een dergelijk bewijs is echter noodzakelijk, aangezien, zoals de Commissie, niet door verzoekster weersproken, heeft gesteld, door een marktdeelnemer verworven certificaten in de praktijk aan een andere marktdeelnemer konden worden doorverkocht, of zelfs voor invoercertificaten konden worden geruild.
61 De twee aan de repliek gehechte verklaringen van de erkende accountant zijn op dit punt niet overtuigend. Zij beperken zich immers tot de vermelding, dat verzoekster in 1996, 1997, en 1998 respectievelijk 767 225,38 DEM, 489 029,36 DEM en 1 419,11 DEM heeft betaald aan invoerrechten voor de invoer van bananen uit Costa Rica. Zonder enige aanwijzing omtrent de hoeveelheden bananen waarop die totale bedragen betrekking hebben, alsook omtrent de hoeveelheden waaraan het voornoemde bedrag van 828 337,10 DEM beantwoordt, of omtrent de criteria die de erkende accountant heeft gebruikt om tot die bedragen te komen, kan niet met de nodige zekerheid worden vastgesteld dat de hoeveelheden bananen uit Costa Rica die verzoekster tussen 1996 en 1998 in de Gemeenschap heeft ingevoerd, overeenkomen met de hoeveelheden bananen waarvoor zij in dat land uitvoercertificaten heeft verworven. Bovendien kan in elk geval niet worden uitgesloten, dat een deel van de door verzoekster betaalde invoerrechten betrekking heeft op bananen die onder dekking van invoercertificaten van categorie B in de Gemeenschap zijn ingevoerd, en waarvoor geen uitvoercertificaat behoeft te worden overgelegd. Dienaangaande zij opgemerkt, dat een van de bovenbedoelde verklaringen vermeldt, dat verzoekster extra certificaten voor de invoer van bananen uit Costa Rica heeft verworven, zonder te preciseren op welke categorie die certificaten betrekking hebben.
62 Verzoekster had ervoor moeten zorgen dat informatie over die verschillende punten werd verstrekt, temeer omdat de Commissie zowel in haar verweerschrift als in haar dupliek uitdrukkelijk haar aandacht heeft gevestigd op het feit, dat die informatie noodzakelijk was om het bestaan en de omvang van de gestelde schade te bewijzen. Ondanks die opmerkingen heeft verzoekster ─ zoals zij, in antwoord op een vraag van het Gerecht, ter terechtzitting heeft erkend ─ bewust verkozen die informatie niet te verstrekken.
63 In de derde plaats kan ─ gesteld al dat verzoekster alle door haar verworven uitvoercertificaten voor eigen rekening heeft gebruikt ─ haar methode om de schade te bepalen, waarbij zij de schade gelijkstelt met de gemaakte kosten, niet worden aanvaard.
64 In de eerste plaats kan niet worden uitgesloten dat verzoekster, zoals de Commissie betoogt, de kosten van verwerving van de uitvoercertificaten gedeeltelijk, of zelfs volledig, in haar verkoopprijzen heeft doorberekend. Die hypothese is des te plausibeler, omdat de hoeveelheden bananen waarvan de invoer in de Gemeenschap van de afgifte van een uitvoercertificaat afhing, een wezenlijk deel van het tariefcontingent vormen.
65 Verzoekster heeft niet betwist dat een dergelijke doorberekening mogelijk is, en zelfs niet ontkend dat zij in de onderhavige zaak daarvan gebruik heeft gemaakt. Zij heeft enkel tegengeworpen, dat dit argument door de Commissie voor het eerst ter terechtzitting was aangevoerd, en dus door het Gerecht niet in aanmerking kan worden genomen. Die tegenwerping kan niet worden aanvaard, aangezien de Commissie in haar geschriften uitdrukkelijk heeft gewezen op de noodzakelijkheid van informatie over de aan het stelsel van uitvoercertificaten verbonden kosten en de omstandigheden waarin de betrokken importen hebben plaatsgevonden. Aangezien verzoekster zich, wat de bewijslevering betreft, vrijwillig bijzonder restrictief heeft opgesteld, kan de Commissie redelijkerwijs niet worden verweten, dat zij een aantal van haar bezwaren ter terechtzitting nader heeft gepreciseerd.
66 In de tweede plaats lijkt het door de Commissie aangevoerde argument niet ongegrond, dat het nadeel van de verplichte uitvoercertificaten voor de marktdeelnemers van de categorieën A en C ten minste gedeeltelijk is goedgemaakt door de twee andere in de kaderovereenkomst bedongen maatregelen, namelijk de verhoging van het tariefcontingent met 200 000 ton en de verlaging van het douanerecht bij de invoer van bananen uit derde landen in het kader van dat contingent met 25 ECU per ton. Weliswaar kwamen die maatregelen ook aan de marktdeelnemers van categorie B ten goede, aangezien een deel van het tariefcontingent ook voor hen was bestemd, doch zij hebben daaruit een geringer voordeel gehaald, aangezien dat deel slechts 30 % bedraagt, en de overige 70 % aan de marktdeelnemers van de categorieën A en C is voorbehouden.
67 Uit het voorgaande volgt, dat het enkele feit, zo het al vaststaat, dat een marktdeelnemer in het kader van zijn handelstransacties extra kosten heeft gedragen, niet noodzakelijk betekent dat hij een overeenkomstig verlies heeft geleden. In de onderhavige zaak heeft verzoekster, door bewust haar vordering uitsluitend te baseren op het feit dat zij bepaalde kosten zou hebben gemaakt, dus niet rechtens genoegzaam bewezen dat zij werkelijk schade heeft geleden.
15. In de punten 68 tot en met 74 van het bestreden arrest onderzocht het Gerecht rekwirantes verzoek betreffende het tweede element van de gestelde schade (namelijk de kosten voor de financiering van de aankoop van de exportcertificaten). Het oordeelde dat de door rekwirante aangevoerde bewijzen niet overtuigend waren.
16. Bovendien overwoog het Gerecht in de punten 76 tot en met 80 van het bestreden arrest dat rekwirante niet het bestaan had bewezen van een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de onrechtmatige gedraging die zij de Commissie verweet en de gestelde schade.
17. Het Gerecht heeft het beroep tot schadevergoeding dan ook afgewezen.
IV ─ De hogere voorziening
18. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 19 maart 2001, heeft rekwirante de onderhavige hogere voorziening ingesteld. Zij verzoekt het Hof het bestreden arrest ten dele te vernietigen en de Gemeenschap te veroordelen tot betaling van een bedrag van 828 337,10 DEM.
19. Ter ondersteuning van haar hogere voorziening heeft rekwirante vijf middelen tot vernietiging aangevoerd:
─ onjuiste rechtsopvatting bij de definitie van het begrip schade;
─ schending van het beginsel compensatio lucri cum damno;
─ schending van de motiveringsplicht;
─ onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van haar argumenten met betrekking tot het gebruik van de uitvoercertificaten, en
─ onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van het causaal verband tussen het onrechtmatige gedrag van de instellingen en de geleden schade.
20. Ik zal deze middelen behandelen in de volgorde waarin zij zijn aangevoerd. De eerste twee middelen worden samen behandeld, aangezien zij beide de redenering in de punten 63 tot en met 67 van het bestreden arrest betreffen.
A ─ De eerste twee middelen
21. Met haar eerste middel (12) stelt rekwirante dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat zij de prijs van de uitvoercertificaten heeft kunnen doorberekenen in de verkoopprijs van de bananen. Naar haar mening is de vraag of de schade kan worden afgewenteld, irrelevant voor de omvang ervan. Het Gerecht had moeten verklaren dat de schade overeenkomt met de prijs van de betrokken uitvoercertificaten.
22. Met haar tweede middel (13) verwijt rekwirante het Gerecht te hebben geoordeeld dat bepaalde maatregelen van de kaderovereenkomst (namelijk de verhoging van het tariefcontingent en de verlaging van de douanerechten) een compensatie vormden voor het nadeel van de verplichting om uitvoercertificaten te verwerven. Volgens haar is het beginsel compensatio lucri cum damno slechts van toepassing wanneer het ontstane voordeel voortkomt uit dezelfde rechtsschending als de schade. In het onderhavige geval vormen de verhoging van het contingent en de verlaging van de douanerechten evenwel geen rechtsschending.
23. Ik wijs erop dat het Hof volgens vaste rechtspraak (14) grieven tegen overwegingen die het Gerecht subsidiair of ten overvloede heeft geformuleerd, zonder meer verwerpt. Aangezien het dictum van het arrest van het Gerecht op andere, primaire gronden is gebaseerd, kunnen dergelijke grieven volgens het Hof niet tot vernietiging van het bestreden arrest leiden en zijn zij dus niet ter zake dienend.
24. In het onderhavige geval zijn de eerste twee middelen juist gericht tegen een motivering die subsidiair is aan die in de punten 59 tot en met 62 van het bestreden arrest.
25. In de punten 58 tot en met 67 van het bestreden arrest heeft het Gerecht rekwirantes argumenten betreffende het eerste element van de gestelde schade, namelijk het bedrag van 828 337,10 DEM, onderzocht. In dit verband bevat het arrest twee reeksen overwegingen.
26. De eerste reeksen overwegingen betreft de waarde van de door rekwirante aangevoerde bewijzen. Het Gerecht heeft in de punten 59 tot en met 62 geoordeeld dat rekwirante geen schade had aangetoond, aangezien 1) de verklaringen van haar erkende accountant niet overtuigend waren en 2) niet was bewezen dat rekwirante de uitvoercertificaten voor eigen rekening had gebruikt.
27. De tweede reeks overwegingen betreft de omschrijving van de schade. In de punten 63 tot en met 67 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat, gesteld dat de juistheid van [het bedrag van 828 337,10 DEM] niet kan worden betwist (15) , en gesteld al dat [rekwirante] alle door haar verworven uitvoercertificaten voor eigen rekening heeft gebruikt (16) , de schade niet gelijk kan zijn aan de prijs van deze certificaten. Het Gerecht was immers van oordeel dat rekwirante de prijs van de certificaten had kunnen doorberekenen in de verkoopprijs van de bananen en dat bepaalde maatregelen van de kaderovereenkomst het nadeel van de verplichting tot aankoop van de betrokken certificaten hadden gecompenseerd.
28. Hieruit volgt dat de motivering betreffende de omschrijving van de schade (punten 63 tot en met 67 van het bestreden arrest) subsidiair is aan die betreffende de door rekwirante aangevoerde bewijzen (punten 59 tot en met 62 van het bestreden arrest). Bij deze beoordeling is het Gerecht uitgegaan van de − uitdrukkelijk door hem verworpen − hypothese dat rekwirante voldoende zou hebben aangetoond dat zij schade heeft geleden.
29. Derhalve zijn de eerste twee middelen naar mijn mening niet relevant. Zij kunnen niet tot vernietiging van het bestreden arrest leiden omdat rekwirante hiervoor in ieder geval moet aantonen dat de motivering betreffende de aangevoerde bewijzen (punten 59 tot en met 62 van het bestreden arrest) onjuist is.
30. Ik stel het Hof dan ook voor, de eerste twee middelen af te wijzen.
B ─ Het derde middel
31. Met haar derde middel (17) betoogt rekwirante dat het bestreden arrest onvoldoende gemotiveerd is. Zij stelt dat het Gerecht in punt 59 van het arrest de eerste verklaring van haar erkende accountant terzijde heeft geschoven zonder uit te leggen waarom deze niet volstond om het bestaan van haar schade aan te tonen.
32. Ik wijs erop dat rekwirante drie verklaringen aan het Gerecht had overgelegd om haar schade aan te tonen. Volgens de eerste verklaring − die aan het verzoekschrift is gehecht − had rekwirante van 1996 tot 1998 828 337,10 DEM [...] uitgegeven om uitvoerlicenties voor bananen uit Costa Rica te verwerven (18) . Volgens de twee andere verklaringen − die bij de memorie van repliek zijn gevoegd − had rekwirante in 1996, 1997 en 1998 respectievelijk 767 225,38 DEM, 489 029,36 DEM en 1 419,11 DEM betaald aan invoerrechten voor de invoer van bananen uit Costa Rica (19) .
33. In tegenstelling tot hetgeen rekwirante beweert, heeft het Gerecht uitgelegd waarom deze drie verklaringen de gestelde schade niet konden aantonen.
34. In punt 61 van het bestreden arrest heeft het Gerecht namelijk het volgende verklaard: Zonder enige aanwijzing omtrent de hoeveelheden bananen waarop [de] totale bedragen [van 767 225,38 DEM, 489 029,36 DEM en 1 419,11 DEM] betrekking hebben, alsook omtrent de hoeveelheden waaraan het voornoemde bedrag van 828 337,10 DEM beantwoordt , of omtrent de criteria die de erkende accountant heeft gebruikt om tot die bedragen te komen, kan niet met de nodige zekerheid worden vastgesteld dat de hoeveelheden bananen uit Costa Rica die verzoekster tussen 1996 en 1998 in de Gemeenschap heeft ingevoerd, overeenkomen met de hoeveelheden bananen waarvoor zij in dat land uitvoercertificaten heeft verworven. (20)
35. In punt 62 van het bestreden arrest voegde het Gerecht hieraan toe: Verzoekster had ervoor moeten zorgen, dat informatie over die verschillende punten werd verstrekt, temeer omdat de Commissie [...] uitdrukkelijk haar aandacht heeft gevestigd op het feit, dat die informatie noodzakelijk was om het bestaan en de omvang van de gestelde schade te bewijzen. Ondanks die opmerkingen heeft verzoekster ─ zoals zij, in antwoord op een vraag van het Gerecht, ter terechtzitting heeft erkend ─ bewust verkozen die informatie niet te verstrekken.
36. Hieruit volgt dat het Gerecht heeft uitgelegd waarom de eerste door rekwirante overgelegde verklaring onvoldoende bewijskracht had. Volgens het Gerecht kon niet worden volstaan met de vermelding van het bedrag van de kosten die voor de aankoop van de uitvoercertificaten waren gemaakt, en had vooral melding moeten worden gemaakt van de parameters die bij de berekening van deze kosten waren gebruikt en met name van de hoeveelheid bananen waarop deze betrekking hadden.
37. Ik ben dan ook van oordeel dat het Gerecht heeft voldaan aan de formele motiveringseis. Ik stel het Hof dan ook voor, het derde middel af te wijzen.
C ─ Het vierde middel
38. Het vierde middel (21) is gericht tegen punt 60 van het bestreden arrest. Rekwirante verwijt het Gerecht te hebben geoordeeld dat geenszins vaststaat dat zij zelf alle uitvoercertificaten ten belope van het door haar accountant vermelde bedrag (828 337,10 DEM) daadwerkelijk heeft gebruikt.
39. Rekwirante stelt dat het Gerecht haar argumenten onjuist heeft beoordeeld. Volgens haar bewees de betaling van de invoerrechten zoals genoemd in de verklaring van de erkende accountant, dat zij de uitvoercertificaten daadwerkelijk had gebruikt en de bananen in de Gemeenschap had ingevoerd. In dit verband legt rekwirante een tabel over waarin voor de jaren 1996, 1997 en 1998 de hoeveelheden ingevoerde bananen en de aankoopkosten van de uitvoercertificaten worden vermeld. Zij wijst erop dat de hoeveelheden ingevoerde bananen kunnen worden afgeleid uit het bedrag van de invoerrechten die zijn betaald op basis van een douaneheffing van 75 ECU of 146,69 DEM per ton, en dat de prijs van de certificaten 96,61 DEM per ton bedroeg.
40. Ik wens eraan te herinneren dat het Hof volgens vaste rechtspraak niet bevoegd is om de feiten vast te stellen en in beginsel evenmin om de bewijzen te onderzoeken die het Gerecht tot staving van deze feiten in aanmerking heeft genomen. Wanneer de bewijzen regelmatig zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en de procedureregels inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn gerespecteerd, staat het enkel aan het Gerecht te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijsmiddelen. (22) Deze beoordeling levert dus geen rechtsvraag op die vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een verkeerde opvatting van dit bewijs. (23)
41. In het onderhavige geval beoogt rekwirante met het middel juist de beoordeling door het Gerecht van de door haar aangevoerde bewijsmiddelen te betwisten. Volgens haar bevatten de in eerste aanleg overgelegde verklaringen, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, alle noodzakelijke elementen om vast te stellen dat zij de betrokken certificaten daadwerkelijk heeft gebruikt. Rekwirante heeft echter niet aangetoond of zelfs maar gesteld dat het Gerecht het aan hem overgelegde bewijs verkeerd heeft opgevat.
42. Derhalve is het vierde middel kennelijk niet-ontvankelijk.
D ─ Het vijfde middel
43. Met haar laatste middel (24) stelt rekwirante dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij haar beoordeling van het oorzakelijk verband tussen de onrechtmatige gedraging van de instellingen en de geleden schade. Volgens haar volstaat het loutere feit dat zij op basis van de kaderovereenkomst bananen uit Costa Rica heeft ingevoerd, anders dan het Gerecht in de punten 76 tot en met 80 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, om het bestaan van dit verband vast te stellen.
44. Ik wijs erop dat volgens vaste rechtspraak slechts sprake kan zijn van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap indien voldaan is aan een aantal voorwaarden betreffende de onrechtmatigheid van de aan de instellingen verweten gedraging, de werkelijk geleden schade en het bestaan van een causaal verband tussen die gedraging van de instelling en de gestelde schade. (25) Ook staat vast dat deze verschillende voorwaarden cumulatief zijn zodat de Gemeenschap niet aansprakelijk is indien aan een ervan niet is voldaan. (26)
45. Zoals reeds gezegd kan geen van de vier middelen die het bestaan van de door rekwirante gestelde schade beogen aan te tonen, worden aanvaard.
46. Het vijfde middel is dan ook niet ter zake dienend. (27) Het kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden arrest: gesteld dat dit middel gegrond zou zijn, zou het dictum van het arrest immers hoe dan ook worden gerechtvaardigd door de andere motieven waaruit blijkt dat rekwirante geen schade heeft geleden.
V ─ Conclusie
47. Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging de hogere voorziening af te wijzen en rekwirante te verwijzen in de kosten van beide instanties.
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – T-1/99, Jurispr. blz. II-465, hierna: bestreden arrest.
3 – Verordening van de Commissie van 1 maart 1995 tot vaststelling van aanvullende bepalingen voor de toepassing van verordening nr. 404/93 betreffende de regeling inzake het tariefcontingent voor de invoer van bananen in de Gemeenschap en tot wijziging van verordening nr. 1442/93 (PB L 49, blz. 13).
4 – Zie bestreden arrest (punten 1-26).
5 – PB L 47, blz. 1.
6 – Hierna: bananen uit derde landen.
7 – Hierna: niet-traditionele ACS-bananen.
8 – Hierna: kaderovereenkomst.
9 – Besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB L 336, blz. 1).
10 – Arrest van 10 maart 1998, Duitsland/Raad (C-122/95, Jurispr. blz. I-973, punt 72).
11 – Arrest van 10 maart 1998, T. Port (C-364/95 en C-365/95, Jurispr. blz. I-1023).
12 – Hogere voorziening (punt 3).
13 – Ibidem (punt 4).
14 – Zie onder meer arresten van 18 maart 1993, Parlement/Frederiksen (C-35/92 P, Jurispr. blz. I-991, punten 25 en 26); 22 december 1993, Pincherle/Commissie (C-244/91 P, Jurispr. blz. I-6965, punt 31); 2 juni 1994, De Compte/Parlement (C-326/91 P, Jurispr. blz. I-2091, punt 94); 16 juni 1994, SFEI e.a./Commissie (C-39/93 P, Jurispr. blz. I-2681, punt 23); 11 maart 1997, Commissie/UIC (C-264/95 P, Jurispr. blz. I-1287, punten 48-51); 16 september 1997, Blackspur DIY e.a./Raad en Commissie, (C-362/95 P, Jurispr. blz. I-4775, punt 23), alsmede beschikkingen van 25 maart 1996, SPO e.a./Commissie (C-137/95 P, Jurispr. blz. I-1611, punten 47-49), 12 december 1996, Progoulis/Commissie (C-49/96 P, Jurispr. blz. I-6803, punt 27), en 18 december 2001, Kish Glass/Commissie (C-241/00, Jurispr. blz. I-7759, punt 42).
15 – Bestreden arrest (punt 60).
16 – Ibidem (punt 63).
17 – Hogere voorziening (punt 5).
18 – Zie bestreden arrest (punten 45 en 57).
19 – Ibidem (punten 45 en 61).
20 – Cursivering door mij.
21 – Hogere voorziening (punt 6).
22 – Zie onder meer arresten van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., (C-136/92 P, Jurispr. blz. I-1981, punt 66); 7 mei 1998, Somaco/Commissie (C-401/96 P, Jurispr. blz. I-2587, punt 54), en 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie (C-185/95 P, Jurispr. blz. I-8417, punt 24).
23 – Zie onder meer arresten van 2 maart 1994, Hilti/Commissie (C-53/92 P, Jurispr. blz. I-667, punten 42 en 43); Blackspur DIY e.a. /Raad en Commissie, reeds aangehaald (punt 29); 28 mei 1998, New Holland Ford/Commissie (C-8/95 P, Jurispr. blz. I-3175, punt 26); 9 september 1999, Lucaccioni/Commissie, (C-257/98 P, Jurispr. blz. I-5251, punten 45-47), alsmede beschikkingen van 6 oktober 1997, AIUFFASS en AKT/Commissie (C-55/97 P, Jurispr. blz. I-5383, punt 25) en 16 oktober 1997, Dimitriadis/Rekenkamer, (C-140/96 P, Jurispr. blz. I-5635, punt 35).
24 – Hogere voorziening (punt 7).
25 – Zie bijvoorbeeld arresten van 29 september 1982, Oleifici Mediterranei/Europese Economische Gemeenschap (26/81, Jurispr. blz. 3057, punt 16), en 7 mei 1992, Pesquerias De Bermeo en Naviera Laida/Commissie (C-258/90 en C-259/90, Jurispr. blz. I-2901, punt 42).
26 – Zie bijvoorbeeld arrest van 15 juni 2000, Dorsch Consult/Raad en Commissie (C-237/98 P, Jurispr. blz. I-4549, punten 17-19, 54 en 55).
27 – Zie arrest Dorsch Consult/Raad en Commissie, reeds aangehaald (punten 52-54).
Full & Egal Universal Law Academy