Conclusie van de advocaat generaal
1. De Commissie heeft de onderhavige niet-nakomingsprocedure tegen het Koninkrijk België ingeleid wegens te late omzetting van richtlijn 98/18/EG van de Raad van 17 maart 1998 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen (hierna: richtlijn 98/18). Volgens haar is het Koninkrijk België zowel haar verplichtingen uit de richtlijn als die uit de EG-verdrag niet nagekomen.
2. Artikel 14 van de richtlijn verplicht de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden om uiterlijk op 1 juli 1998 aan de richtlijn te voldoen. Aangezien de Commissie op deze datum en ook daarna niet over uitvoeringsmaatregelen is geïnformeerd, heeft zij de Belgische regering op 11 augustus 1999 een aanmaningsbrief gestuurd. In antwoord hierop zond de Belgische regering bij brief van 27 september 1999 het koninklijk besluit van 12 november 1981, dat een deel van de in richtlijn 98/18 geregelde materie afdekt, en kondigde een tweede koninklijk besluit tot uitvoering van de richtlijn aan. Op 7 september zond de Commissie een met redenen omkleed advies, waarop de Belgische regering bij brief van 17 oktober 2000 toezegde, het koninklijk besluit in december 2000 te zullen vaststellen. Op de indieningsdatum van het verzoekschrift op 27 maart 2001, ingekomen ter griffie van het Hof op 28 maart 2001, had de Commissie nog altijd geen inlichtingen ontvangen waaruit van volledige uitvoering van de richtlijn bleek.
3. Verzoekster concludeert dat het het Hof behage:
1. vast te stellen dat België, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen mee te delen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/18/EG van de Raad van 17 maart 1998 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen, of door die bepalingen niet vast te stellen, de krachtens die richtlijn en het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;
2. de Belgische regering in de proceskosten te verwijzen.
4. De Belgische regering heeft zowel in de precontentieuze procedure als in de procedure voor het Hof verwezen naar het koninklijk besluit van 12 november 1981 en naar dat van 9 december 1998, waarin de richtlijn in elk geval deels is omgezet. De Belgische regering erkende echter zowel in de precontentieuze procedure als in de procedure voor het Hof, dat richtlijn 98/18 onvolledig was omgezet en dat aan een koninklijk besluit tot volledige omzetting van de richtlijn werd gewerkt.
5. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het relevante tijdstip voor de beoordeling van het bestaan van een niet-nakoming, het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn. Aan het einde van de in het met redenen omkleed advies van 7 september 2000 gestelde termijn van twee maanden, die met de kennisgeving ervan is ingegaan, was het aangekondigde koninklijk besluit in ieder geval nog niet vastgesteld.
6. Eveneens volgens vaste rechtspraak van het Hof kan geen beroep worden gedaan op nationale praktijken of situaties ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door gemeenschapsrichtlijnen opgelegde verplichtingen en termijnen, dus ook niet ter rechtvaardiging van de te late of onvolledige omzetting van een richtlijn. Aangezien richtlijn 99/18 aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn nog niet in nationaal recht was omgezet, heeft het Koninkrijk België niet aan zijn gemeenschapsrechtelijke verplichtingen voldaan.
7. De verplichtingen van lidstaten tot omzetting van de richtlijn volgen enerzijds rechtstreeks uit de richtlijn en anderzijds uit artikel 249, lid 4, EG juncto artikel 10 EG. Aangezien het Koninkrijk België zijn gemeenschapsrechtelijke verplichtingen niet is nagekomen, stel ik voor, deze lidstaat overeenkomstig het verzoek te veroordelen.
8. Over de kosten dient te worden beslist overeenkomstig artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering.
9. Ik geef het Hof in overweging te beslissen als volgt:
1) Door niet tijdig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/18/EG van de Raad van 17 maart 1998 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen, is het Koninkrijk België de krachtens die richtlijn en het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk België wordt in de proceskosten verwezen."
Full & Egal Universal Law Academy