Conclusie van de advocaat generaal
1. De Commissie verzoekt het Hof om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door de handhaving van artikel 12, eerste alinea, van wet nr. 81 van 8 maart 1991 betreffende de beroepen van skileraar en berggids, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 92/51/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van richtlijn 89/48/EEG.
2. Bovengenoemd artikel stelt de uitoefening in Italië van het beroep van skileraar door onderdanen van andere lidstaten van de Europese Unie afhankelijk van het wederkerigheidsbeginsel.
3. Dit vereiste is niet opgenomen in richtlijn 92/51, waarvan artikel 3, sub a, enkel het bezit van een diploma verlangt dat in een andere lidstaat voor de uitoefening van dat beroep is voorgeschreven en daar is behaald. Zoals de Commissie opmerkt, is een gemeenschapsonderdaan, wanneer hij in zijn land van herkomst voor de uitoefening van een beroepsactiviteit volledig gekwalificeerd is, voor de gemeenschapswetgever ook gekwalificeerd voor de uitoefening ervan in een andere lidstaat.
4. Bovendien kan de nakoming van de verplichtingen die het Verdrag en het afgeleide recht aan de lidstaten van de Gemeenschap opleggen, niet afhankelijk worden gesteld van een wederkerigheidsvoorwaarde.
5. Op dit punt is het Italiaanse recht dus duidelijk in strijd met het gemeenschapsrecht.
6. De Italiaanse regering erkent dat de situatie zowel na afloop van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, als op de datum waarop zij het verweerschrift opstelde, ongewijzigd was, met uitzondering van de regio Venetië. Zij verklaart dat er echter een wetsontwerp in voorbereiding is, met in artikel 15 een nieuwe redactie van artikel 12 van wet nr. 81, waarin de wederkerigheidsvoorwaarde is geschrapt. Deze verklaring is voor de onderhavige zaak niet van belang.
7. De omstandigheid dat de Italiaanse autoriteiten artikel 12 van wet nr. 81 nooit hebben toegepast, is eveneens irrelevant, aangezien de onverenigbaarheid van een nationale wettelijke regeling met het gemeenschapsrecht, enkel definitief kan worden opgeheven door middel van de vaststelling en inwerkingtreding van dwingende nationale voorschriften die dezelfde rechtskracht hebben als de te wijzigen bepalingen.
8. Uit het voorgaande volgt dat de Italiaanse Republiek haar verplichtingen niet is nagekomen en het beroep moet worden toegewezen.
9. De Italiaanse Republiek moet ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering in de kosten worden verwezen.
Conclusie
10. Ik geef het Hof in overweging het beroep toe te wijzen en
1) te verklaren dat de Italiaanse Republiek, door de handhaving van artikel 12, eerste alinea, van wet nr. 81 van 8 maart 1991, kaderwet voor het beroep van skileraar en nadere bepalingen ter reglementering van het beroep van berggids, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 92/51/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van richtlijn 89/48/EEG, en
2) de Italiaanse Republiek in de kosten te verwijzen.
Full & Egal Universal Law Academy