CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. LÉGER
van 10 april 2003 (1)
Zaak C-145/01
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Italiaanse Republiek
„Niet-nakoming – Precontentieuze procedure – Voorwerp van geding – Schriftelijke aanmaning – Richtlijn 77/187/EEG – Behoud van rechten van werknemers bij overgang van ondernemingen – Werkingssfeer”
1. Met dit beroep verzoekt de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof vast te stellen dat de Italiaanse Republiek de verplichtingen die op haar rusten krachtens richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan (2) , niet is nagekomen.
2. De Commissie verwijt de Italiaanse autoriteiten dat zij richtlijn 77/187 niet toepassen op de overgangen van ondernemingen die plaatsvinden in het kader van bepaalde administratieve of gerechtelijke procedures, te weten de procedures tot vaststelling van economische moeilijkheden, ter zake van bijzonder bewind en met betrekking tot een gehomologeerd surséance-akkoord houdende overdracht van de activa.
I ─ Rechtskader
A ─ Gemeenschapsrecht
3. Zoals vermeld in de tweede overweging van de considerans, beoogt richtlijn 77/187 de werknemers bij verandering van ondernemer te beschermen, in het bijzonder om het behoud van hun rechten veilig te stellen.
4. Volgens artikel 1, lid 1, is deze richtlijn van toepassing op de overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan op een andere ondernemer ten gevolge van een overdracht krachtens overeenkomst of een fusie.
5. Zoals bepaald in artikel 3, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 77/187, gaan de rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding, door deze overgang op de verkrijger over.
6. Krachtens artikel 4, lid 1, van deze richtlijn vormt de overgang van een onderneming, vestiging of onderdeel daarvan op zichzelf voor de vervreemder of de verkrijger geen reden tot ontslag. Deze bepaling vormt echter geen beletsel voor ontslagen wegens economische, technische of organisatorische redenen die wijzigingen voor de werkgelegenheid met zich meebrengen.
7. Artikel 4, lid 2, van richtlijn 77/187 bepaalt bovendien dat, indien de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding wordt verbroken omdat de overgang een aanmerkelijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden ten nadele van de werknemer ten gevolge heeft, de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding wordt geacht te zijn verbroken door toedoen van de werkgever.
8. In de loop van de precontentieuze procedure is richtlijn 98/50/EG van de Raad van 29 juni 1998 (3) in de plaats gekomen van richtlijn 77/187.
9. De Raad was namelijk van mening dat het de lidstaten moet worden toegestaan om het voortbestaan van insolvente ondernemingen en van ondernemingen die in economische moeilijkheden verkeren te verzekeren. (4) Daarom heeft hij uitzonderingen op de regeling van de artikelen 3 en 4 van richtlijn 77/187 ingevoerd door invoeging van artikel 4 bis, luidende als volgt:
1. Tenzij de lidstaten anders bepalen, zijn de artikelen 3 en 4 niet van toepassing op een overgang van een onderneming, vestiging of onderdelen daarvan wanneer de vervreemder verwikkeld is in een faillissementsprocedure of in een soortgelijke procedure met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder onder toezicht van een bevoegde overheidsinstantie (die een door een overheidsinstantie gemachtigde curator mag zijn).
2. Indien de artikelen 3 en 4 van toepassing zijn op een overgang tijdens insolventieprocedures die zijn ingeleid ten aanzien van een vervreemder (ongeacht de vraag of deze procedures al dan niet zijn ingesteld met als doel de liquidatie van het vermogen van de vervreemder) en die onder toezicht staan van een bevoegde overheidsinstantie (die een door de nationale wetgeving omschreven curator mag zijn) kan een lidstaat bepalen dat:
a) onverminderd artikel 3, lid 1, de schulden van de vervreemder die het gevolg zijn van arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen en die verschuldigd zijn vóór de overgang of vóór de inleiding van de insolventieprocedure, niet overgaan op de verkrijger, indien dergelijke procedures uit hoofde van de in de betrokken lidstaat geldende wetgeving een bescherming bieden die ten minste gelijkwaardig is aan die welke wordt voorgeschreven in situaties die vallen onder richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever [(PB L 283, blz. 23), als gewijzigd bij richtlijn 87/164/EEG van de Raad van 2 maart 1987 (PB L 66, blz. 11)] en/of dat
b) de verkrijger, de vervreemder of de persoon (personen) die de functies van de vervreemder uitoefenen enerzijds en de vertegenwoordigers van de werknemers anderzijds kunnen overeenkomen om, voorzover de geldende wetgeving of praktijk zulks mogelijk maakt, in de arbeidsvoorwaarden wijzigingen aan te brengen die bedoeld zijn om de werkgelegenheid veilig te stellen door het voortbestaan van de onderneming, de vestiging of onderdelen daarvan te verzekeren.
3. Een lidstaat kan lid 2, onder b, toepassen in geval van een overgang waarbij de vervreemder overeenkomstig de nationale wetgeving in ernstige economische moeilijkheden verkeert, mits de situatie door een bevoegde overheidsinstantie erkend is en onder voorbehoud van rechterlijke toetsing, op voorwaarde dat zulke bepalingen op 17 juli 1998 reeds in de nationale wetgeving bestaan [...].
10. Richtlijn 98/50 is op 17 juli 1998 in werking getreden. (5) De aan de lidstaten verleende termijn voor de omzetting is op 17 juli 2001 verstreken. (6)
B ─ Het nationale recht
11. De bepalingen van richtlijn 77/187 zijn in Italiaans recht omgezet bij artikel 2112 van het burgerlijk wetboek. In de versie die voor het onderhavige geding relevant is bepaalde dit, dat bij overgang van een onderneming de arbeidsverhoudingen met de nieuwe eigenaar worden voortgezet en dat de werknemers alle uit die arbeidsverhouding voortvloeiende rechten behouden. Het bepaalde eveneens dat de vervreemder en de verkrijger hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle schuldvorderingen die de werknemer ten tijde van de overgang had.
12. Evenwel heeft de Italiaanse wetgever een wijziging in dit beginsel aangebracht voor de overgangen in het kader van bepaalde administratieve en gerechtelijke procedures.
13. Zo bepaalt artikel 47, leden 5 en 6, van wet nr. 428 van 29 december 1990 inzake de tenuitvoerlegging van de voor Italië uit het EG-lidmaatschap voortvloeiende verplichtingen (communautaire wet voor 1990) (7) : Wanneer de overgang betrekking heeft op ondernemingen of productie-eenheden die volgens de vaststellingen van het Comitato di ministri per il coordinamento della politica industriale [interministerieel comité voor de coördinatie van het industriebeleid; hierna: CIPI] in moeilijkheden verkeren in de zin van artikel 2, lid 5, sub c, van wet nr. 675 van 12 augustus 1977 (8) , of op ondernemingen die failliet zijn verklaard dan wel het voorwerp uitmaken van een gehomologeerd surséance-akkoord houdende overdracht van de goederen, van een procedure tot gedwongen administratieve liquidatie of van een procedure van bijzonder bewind, en niet tot de voortzetting van de activiteit is besloten of deze activiteit is stilgelegd, en het in de vorige leden bedoelde overleg heeft geleid tot een overeenkomst waarbij de werkgelegenheid, zelfs gedeeltelijk, behouden blijft, ressorteren de werknemers wier arbeidsverhouding met de verkrijger wordt voortgezet, niet onder artikel 2112 van het burgerlijk wetboek, tenzij deze overeenkomst in gunstigere voorwaarden voorziet. Deze overeenkomst kan bovendien bepalen, dat de overgang niet geldt voor het overtollige personeel, dat geheel of gedeeltelijk in dienst van de vervreemder blijft.De werknemers die niet door de verkrijger, de huurder of de nieuwe exploitant in dienst zijn genomen, hebben een voorrangsrecht voor de indienstnemingen door laatstgenoemden gedurende één jaar na de overgang, of gedurende een langere periode zoals in de collectieve overeenkomsten vastgesteld. Artikel 2112 van het burgerlijk wetboek is niet van toepassing op bedoelde werknemers, die na de overgang van de onderneming door de verkrijger, huurder of nieuwe exploitant in dienst worden genomen.
II ─ De precontentieuze procedure
14. Volgens de Commissie zijn de in artikel 47, leden 5 en 6, van wet nr. 428/90 bepaalde uitzonderingen voor een deel onverenigbaar met richtlijn 77/187.
15. Zij was namelijk van mening dat de Italiaanse autoriteiten de toepassing van de garanties van artikel 2112 van het Italiaanse burgerlijk wetboek niet konden uitsluiten wanneer de overgang van de onderneming plaatsvond in het kader van procedures tot vaststelling van economische moeilijkheden, van bijzonder bewind of inzake een gehomologeerd surséance-akkoord houdende overdracht van de goederen.
16. Bijgevolg besloot de Commissie op 16 juli 1997 de procedure van artikel 169 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 226 EG) in te leiden en de Italiaanse autoriteiten aan te manen hun opmerkingen in te dienen. In haar aanmaningsbrief zette zij uiteen dat artikel 47, leden 5 en 6, van wet nr. 428/90 niet de voorwaarden creëerde voor een correcte uitvoering van de artikelen 3 en 4 van richtlijn 77/187, omdat het de garanties van artikel 2112 van het Italiaanse burgerlijk wetboek in de genoemde procedures uitsloot.
17. Omdat zij geen genoegen kon nemen met het antwoord van de Italiaanse autoriteiten op die brief, deed de Commissie op 4 augustus 1999 een met redenen omkleed advies uitgaan.
18. In dit advies herinnerde zij er vooreerst aan dat artikel 47, leden 5 en 6, van wet nr. 428/90 in strijd was met richtlijn 77/187. Vervolgens preciseerde zij dat de nieuwe richtlijn 98/50/EG [aangenomen ná de aanmaningsbrief] er niet toe heeft geleid dat de Italiaanse wetgeving volledig verenigbaar werd met het gemeenschapsrecht [...]. (9) De Commissie was namelijk van mening dat artikel 4 bis, ofschoon het de overgang van in moeilijkheden verkerende ondernemingen enigszins versoepelde, niet volledig de in artikel 47, leden 5 en 6, van wet nr. 428/90 genoemde gevallen dekte. (10)
19. Op 15 oktober 1999 beantwoordde de Italiaanse regering dit met redenen omkleed advies.
20. Aangezien dit antwoord haar niet kon overtuigen, stelde de Commissie op 23 maart 2001 het onderhavige beroep in. Zij verzoekt het Hof vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, [...] door artikel 47, leden 5 en 6, van wet nr. 428 van 29 december 1990 in stand te laten, welke bepalingen
a) de mogelijkheid bieden om de automatische overgang van alle arbeidsovereenkomsten en -verhoudingen van de vervreemder op de verkrijger buiten toepassing te laten voor ondernemingen ten aanzien waarvan een gehomologeerd surséance-akkoord houdende overdracht van de goederen tot stand is gekomen en voor ondernemingen die onder bijzonder bewind zijn geplaatst, wanneer die ondernemingen hun activiteiten na de overgang voortzetten,
b) in het geval van ondernemingen in economische moeilijkheden niet de overgang van de vervreemder op de verkrijger voorschrijven van de werknemers en van de uit een arbeidsovereenkomst of -verhouding voortvloeiende vorderingen, niet de verplichtingen is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 77/187 van de Raad van 14 februari 1977 [...], en in het bijzonder de artikelen 3 en 4 van die richtlijn.
21. De Italiaanse Republiek verzoekt harerzijds het Hof het beroep niet-ontvankelijk, althans ongegrond te verklaren.
III ─ De ontvankelijkheid van het beroep
A ─ Argumenten van partijen
22. Primair voert de Italiaanse regering aan dat het beroep niet-ontvankelijk is.
23. Zij herinnert eraan dat richtlijn 98/50 is aangenomen op 29 juni 1998, derhalve nadat de aanmaningsbrief was verzonden doch vóór de betekening van het met redenen omkleed advies. Zo heeft de Commissie in haar aanmaningsbrief wet nr. 428/90 getoetst aan de bepalingen van richtlijn 77/187; in haar met redenen omkleed advies en in haar inleidend verzoekschrift heeft zij deze toetsing evenwel tot richtlijn 98/50 verruimd.
24. De Italiaanse regering is van mening dat de Commissie onder deze omstandigheden het voorwerp van het geschil, zoals zij dit in de aanmaningsbrief had omschreven, heeft verruimd. Volgens haar is deze verruiming te meer onaanvaardbaar omdat de in richtlijn 98/50 vervatte wijzigingen substantieel zijn en omdat de omzettingstermijn van richtlijn 98/50 nog niet was verstreken toen de Commissie haar met redenen omkleed advies deed uitgaan en beroep instelde.
25. De Commissie erkent dat, anders dan de aanmaningsbrief, het met redenen omkleed advies en het verzoekschrift verwijzen naar richtlijn 98/50. Zij beklemtoont evenwel dat deze toevoeging niet bedoeld was om wijziging te brengen in het voorwerp van het geschil doch om haar positie te versterken door aan te tonen dat de niet-nakoming bij de inwerkingtreding van richtlijn 98/50 niet had opgehouden te bestaan. De Commissie wijst er bovendien op, dat de uiteenzetting van de grieven in de aanmaningsbrief, het dispositief van het met redenen omkleed advies en de conclusies van het verzoekschrift betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, te weten de niet-nakoming van de artikelen 3 en 4 van (alleen) richtlijn 77/187.
B ─ Beoordeling
26. Krachtens artikel 226 EG kan de Commissie pas een beroep wegens niet-nakoming bij het Hof instellen na de betrokken lidstaat in de gelegenheid te hebben gesteld zijn opmerkingen te maken.
27. Volgens vaste rechtspraak heeft de aanmaningsbrief derhalve tot doel het voorwerp van het geschil te bepalen en aan de lidstaat de gegevens te verschaffen die hij nodig heeft om zijn verweer voor te bereiden. (11) Het Hof is van mening dat de aan de lidstaat geboden mogelijkheid om opmerkingen te maken een wezenlijke waarborg vormt en dat de eerbiediging van die mogelijkheid een substantieel vormvereiste is voor de regelmatigheid van een niet-nakomingsprocedure. (12)
28. Hieruit volgt dat het met redenen omkleed advies en het beroep op dezelfde grieven moeten berusten als uiteengezet in de aanmaningsbrief. (13) Anders gezegd, het voorwerp van het geschil kan in het stadium van het met redenen omkleed advies (14) of van het inleidend verzoekschrift (15) niet worden gewijzigd.
29. In casu heeft de Commissie mijns inziens het voorwerp van het geschil in de loop van de precontentieuze procedure niet gewijzigd.
30. Terecht merkt de Italiaanse regering op, dat de motivering van het met redenen omkleed advies en van het verzoekschrift duidelijk afwijkt van de in de aanmaningsbrief genoemde gronden. Zoals reeds gezegd (16) , beperkte de aanmaningsbrief zich ertoe erop te wijzen dat wet nr. 428/90 geen correcte omzetting van de artikelen 3 en 4 van richtlijn 77/187 vormde. Daarentegen herinnerde de Commissie in haar met redenen omkleed advies en haar verzoekschrift niet alleen aan deze normen (17) , maar preciseerde zij eveneens dat de nieuwe richtlijn 98/50/EG niet tot gevolg had dat de Italiaanse wetgeving nu wél met het gemeenschapsrecht verenigbaar werd. (18) De Commissie heeft de regeling van wet nr. 428/90 vergeleken met die van artikel 4 bis van richtlijn 98/50 en is tot de conclusie gekomen dat de Italiaanse wetgeving veel verder gaat dan ingevolge richtlijn 98/50 is toegestaan. (19)
31. Tegen deze handelwijze zou inderdaad kunnen worden ingebracht, dat de Commissie niet heeft gepreciseerd dat de verwijzing naar richtlijn 98/50 geen verandering bracht in het voorwerp van het geschil.
32. Nochtans ben ik, anders dan de Italiaanse regering, van mening dat een en ander niet volstaat om het onderhavige beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
33. Enerzijds dient te worden beklemtoond dat de door de Commissie geformuleerde grieven in de loop van de gehele procedure in wezen dezelfde zijn gebleven.
34. Bij de uiteenzetting van de grieven in de aanmaningsbrief (20) , verweet de Commissie de Italiaanse Republiek immers voorbij te zijn gegaan aan de artikelen 3 en 4 van richtlijn 77/187, waar artikel 47, leden 5 en 6, van wet nr. 428/90 de garanties van artikel 2112 van het burgerlijk wetboek niet toepaste op de overgang van ondernemingen die plaatsvindt in het kader van procedures tot vaststelling van economische moeilijkheden, van bijzonder bewind en van een gehomologeerd surséance-akkoord houdende overdracht van de goederen.
35. In het dispositief van het met redenen omkleed advies (21) en in de conclusies van het verzoekschrift (22) heeft de Commissie evenwel een volstrekt identieke grief gehandhaafd. Zij stelde vast ─ of verzocht het Hof vast te stellen ─ dat de Italiaanse Republiek, door artikel 47, leden 5 en 6, van wet nr. 428 van 29 december 1990 in stand te laten, welke bepalingen de mogelijkheid bieden om de automatische overgang van alle arbeidsovereenkomsten en -verhoudingen [...] buiten toepassing te laten voor ondernemingen ten aanzien waarvan een gehomologeerd surséance-akkoord houdende overdracht van de goederen tot stand is gekomen en voor ondernemingen die onder bijzonder bewind zijn geplaatst, [en die] in het geval van ondernemingen in economische moeilijkheden niet de overgang [...] voorschrijven van de uit een arbeidsovereenkomst of -verhouding voortvloeiende vorderingen, niet de verplichtingen is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 77/187 van de Raad van 14 februari 1977 [...] , en in het bijzonder de artikelen 3 en 4 van die richtlijn.
36. Hieruit volgt dat, anders dan de Italiaanse regering betoogt, de Commissie het voorwerp van het geschil, zoals dit in de aanmaningsbrief is omschreven, niet heeft verruimd of gewijzigd. Ondanks de verwijzing naar richtlijn 98/50 in haar met redenen omkleed advies en in haar verzoekschrift, heeft de Commissie nimmer vastgesteld, noch verzocht vast te stellen, dat de Italiaanse Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen. Evenmin heeft zij haar grieven verruimd tot de overgangen van ondernemingen die plaatsvinden in het kader van andere nationale procedures dan de procedures tot vaststelling van economische moeilijkheden, tot instelling van een bijzonder bewind en ter zake van de totstandkoming van een surséance-akkoord houdende overdracht van de goederen.
37. De Commissie heeft derhalve haar met redenen omkleed advies en haar verzoekschrift gegrond op dezelfde grieven als in de aanmaningsbrief geformuleerd.
38. Bovendien ben ik van mening dat de litigieuze verwijzing naar richtlijn 98/50 niet van beslissende invloed op het recht van verweer van de Italiaanse regering is geweest.
39. Het is juist dat de Italiaanse regering in haar antwoord op het met redenen omkleed advies (23) de grieven van de Commissie heeft verworpen door zich bij uitsluiting te baseren op de voorschriften van richtlijn 98/50. Zij heeft inzonderheid betoogd dat de uitzonderingen van artikel 47, leden 5 en 6, van wet nr. 428/90 voor een deel door artikel 4 bis van richtlijn 98/50 werden gedekt.
40. Dit betekent evenwel niet dat de Italiaanse autoriteiten door de litigieuze verwijzing op het verkeerde been zijn gezet. Er zij immers met nadruk op gewezen dat de Italiaanse regering in haar antwoord op de aanmaningsbrief (24) al een dergelijk verweer had gevoerd. Zij had beklemtoond dat de Commissie in april 1997 een voorstel voor een richtlijn tot wijziging van richtlijn 77/187 had ingediend teneinde een versoepeling inzake de overgangen in het kader van insolventieprocedures mogelijk te maken. Daarmee voerde de Italiaanse regering derhalve aan dat artikel 47, leden 5 en 6, van wet nr. 428/90 verenigbaar was met de bepalingen van genoemd voorstel.
41. Hieruit volgt dat de Italiaanse regering uit haar moverende redenen ervoor heeft geopteerd haar verweer uitsluitend te baseren op de eventuele verenigbaarheid van wet nr. 428/90 met de communautaire bepalingen die na richtlijn 77/187 zijn vastgesteld. Ofschoon zij daartoe de mogelijkheid had, verkoos de Italiaanse regering derhalve zich niet te verdedigen tegen de grieven van de Commissie gebaseerd op de bepalingen van richtlijn 77/187.
42. Ik ben derhalve van mening dat de verwijzing naar richtlijn 98/50 de Italiaanse regering niet van de mogelijkheid heeft beroofd om in het kader van de precontentieuze procedure haar argumenten in te dienen.
43. Ik geef daarom het Hof in overweging het beroep ontvankelijk te verklaren (25) en vervolgens te onderzoeken of sprake is van niet-nakoming van richtlijn 77/187.
IV ─ Ten gronde
44. Ten gronde verwijt de Commissie de Italiaanse Republiek dat zij met artikel 47, leden 5 en 6, van wet nr. 428/90 de toepassing van richtlijn 77/187 uitsluit op de overgangen van ondernemingen die plaatsvinden in het kader van procedures ter zake van de vaststelling van ernstige economische moeilijkheden, de plaatsing onder bijzonder bewind en een gehomologeerd surséance-akkoord houdende overdracht van de goederen.
45. In repliek (26) heeft de Commissie evenwel haar eerste grief, betrekking hebbende op de overgangen van ondernemingen die plaatsvinden in het kader van de Italiaanse procedure betreffende de plaatsing onder bijzonder bewind, teruggenomen.
46. Ik zal derhalve achtereenvolgens de twee andere, door de Commissie gehandhaafde, grieven onderzoeken. Daaraan voorafgaande zal ik herinneren aan de rechtspraak inzake de werkingssfeer van richtlijn 77/187.
A ─ Rechtspraak van het Hof
47. Zoals bekend, is richtlijn 77/187 krachtens het bepaalde in artikel 1, lid 1, van toepassing op de overgang van ondernemingen ten gevolge van een overdracht krachtens overeenkomst of een fusie.
48. Het Hof heeft aanleiding gehad het begrip overdracht krachtens overeenkomst te preciseren, met name met het oog op de overgang van ondernemingen in het kader van administratieve of gerechtelijke procedures.
49. Zo heeft het Hof in het arrest van 7 februari 1985, Abels (27) , voor recht verklaard dat richtlijn 77/187 niet van toepassing is op de overgang van een onderneming, een vestiging of een onderdeel daarvan, in het kader van een faillissementsprocedure die, onder toezicht van een rechterlijke instantie, is gericht op de vereffening van het vermogen van de vervreemder.
50. Daarentegen volgt uit hetzelfde arrest dat richtlijn 77/187 van toepassing is op een procedure van het type surséance van betaling, ofschoon deze enkele kenmerken gemeen heeft met de faillissementsprocedure. (28) Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de redenen die ervoor pleiten richtlijn 77/187 niet op faillissementsprocedures toe te passen, niet gelden wanneer het toezicht van de rechter een meer beperkte draagwijdte heeft dan in het geval van een faillissement en wanneer het primair is gericht op het behoud van de boedel en, zo mogelijk, de voortzetting van de werkzaamheid van de onderneming door middel van een collectieve opschorting van de betalingsverplichtingen.
51. Evenzo heeft het Hof in het arrest van 25 juli 1991, D'Urso e.a. (29) , geoordeeld dat richtlijn 77/187 niet van toepassing is op de overgang van ondernemingen die plaatsvindt in het kader van een procedure van samenloop van schuldeisers als bedoeld in de Italiaanse wettelijke regeling van gedwongen administratieve vereffening, die in wezen dezelfde gevolgen heeft als het faillissement. Daarentegen heeft het Hof geoordeeld dat richtlijn 77/187 wel van toepassing is wanneer in het kader van de Italiaanse wet op het bijzonder bewind van grote ondernemingen in moeilijkheden, de bevoegde autoriteit tot de voortzetting van de werkzaamheid van de onderneming heeft besloten, en wel zolang deze beslissing van kracht blijft. In een dergelijke situatie is het doel van de procedure van bijzonder bewind er primair op gericht de onderneming in een zodanig evenwicht te brengen dat haar werkzaamheid voor de toekomst is verzekerd. De daarmee nagestreefde sociaal-economische doelstelling kan, indien de betrokken onderneming wordt overgedragen, verklaren noch rechtvaardigen dat de werknemers de rechten zouden worden ontzegd die zij aan richtlijn 77/187 ontlenen. (30)
52. Bovendien heeft het Hof in het arrest van 7 december 1995, Spano e.a. (31) , geoordeeld dat richtlijn 77/187 van toepassing is op de overgang van een onderneming zoals een onderneming waarvan de economische moeilijkheden overeenkomstig de Italiaanse wet nr. 675/77 zijn erkend. Het Hof heeft erop gewezen dat de procedure waarbij wordt vastgesteld dat de onderneming in moeilijkheden verkeert, tot doel heeft het herstel van de economische en financiële situatie van de onderneming en vooral het behoud van de werkgelegenheid, dat de betrokken procedure ertoe strekt de voortzetting van haar activiteit te verzekeren met het oog op een latere overname en dat zij, anders dan bij faillissementsprocedures, niet onder rechterlijk toezicht wordt geplaatst, dat geen maatregelen inzake het beheer van het vermogen van de onderneming worden genomen, en dat niet is voorzien in uitstel van betaling. (32)
53. Blijkens deze rechtspraak is, om te bepalen of de overgang van een onderneming die het voorwerp uitmaakt van een administratieve of gerechtelijke procedure, binnen de werkingssfeer van richtlijn 77/187 valt, het beslissende criterium het doel dat met de betrokken procedure wordt beoogd. (33) Evenwel heeft het Hof in de arresten Dethier Équipement (34) en Europièces (35) geoordeeld dat, wanneer het criterium van het doel van de procedure onvoldoende uitsluitsel geeft, de modaliteiten van deze procedure moeten worden onderzocht, zoals het bestaan en de omvang van het gerechtelijk toezicht.
54. In het licht van deze beginselen zal ik de twee grieven onderzoeken die de Commissie tegen de Italiaanse Republiek heeft gehandhaafd.
B ─ Ondernemingen in economische moeilijkheden (eerste grief)
55. Met haar eerste grief verwijt de Commissie de Italiaanse autoriteiten richtlijn 77/187 niet toe te passen op de overgang van ondernemingen die plaatsvindt in het kader van de procedure van wet nr. 675/77 tot vaststelling van economische moeilijkheden.
56. Deze grief treft doel.
57. Zoals reeds gezegd (36) , heeft het Hof in het eerder genoemde arrest Spano e.a. uitdrukkelijk geoordeeld dat richtlijn 77/187 moet worden toegepast op de overgang van een onderneming ten aanzien waarvan het CIPI heeft geconstateerd dat zij zich overeenkomstig artikel 2, lid 5, van wet nr. 675/77 in economische moeilijkheden bevindt.
58. In de onderhavige zaak voert de Italiaanse Republiek evenwel geen enkel bewijs aan op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat zij zich naar het arrest Spano e.a. heeft geschikt. In haar verweerschrift (37) en dupliek (38) heeft zij zich beperkt tot de stelling dat de Italiaanse procedure tot vaststelling van economische moeilijkheden verenigbaar is met de bij artikel 4 bis van richtlijn 98/50 ingevoerde afwijking. Daarentegen heeft zij niet aangetoond, en niet eens gesteld, dat vóór de invoering van deze afwijking de in richtlijn 77/187 voorziene garanties van toepassing waren op de overgang van een onderneming in economische moeilijkheden.
59. Aangezien de niet-nakoming uitsluitend moet worden beoordeeld vanuit het oogpunt van richtlijn 77/187, treft de eerste grief van de Commissie derhalve doel.
C ─ De procedure inzake een gehomologeerd surséance-akkoord houdende overdracht van de goederen (tweede grief)
60. Met haar tweede grief verwijt de Commissie de Italiaanse autoriteiten richtlijn 77/187 niet toe te passen op de overgang van ondernemingen die plaatsvindt in het kader van een procedure ter zake van een gehomologeerd surséance-akkoord houdende overdracht van de goederen.
61. Partijen in het geding hebben het Hof nauwelijks over de aard van deze procedure ingelicht.
62. Uit het dossier blijkt dat in het Italiaanse recht het gehomologeerd akkoord is geregeld in de artikelen 160 tot en met 186 van het koninklijk decreet nr. 267 van 16 maart 1942 houdende voorschriften voor het faillissement, het gehomologeerd surséance-akkoord, de onder bijzonder bewindstelling en de gedwongen administratieve liquidatie. (39)
63. Het schijnt dat deze procedure het volgende verloop heeft.
64. De insolvente ondernemer dient om te beginnen bij het bevoegde gerecht een verzoek in, waarin hij aan zijn schuldeisers een akkoord aanbiedt. Wanneer het verzoek ontvankelijk is, benoemt de rechtbank een gerechtscommissaris, belast met het opstellen van een rapport over de oorzaken van de problemen van de schuldenaar, de in het akkoord vervatte voorstellen en de aan de schuldeisers aangeboden garanties. Bovendien wordt het voorstel voor het akkoord aan de schuldeisers ter goedkeuring voorgelegd. Wanneer de schuldeisers het voorstel goedkeuren kan de rechtbank, onder voorbehoud van het verrichten van bepaalde verificaties, het akkoord homologeren, dat alsdan verplichtend wordt voor alle partijen (te weten de schuldenaar en de schuldeisers). Het akkoord wordt vervolgens onder toezicht van de gerechtscommissaris uitgevoerd overeenkomstig de in het homologatie-vonnis vervatte modaliteiten.
65. Evenwel blijkt de doelstelling van de procedure inzake het gehomologeerd surséance-akkoord houdende overdracht van de goederen niet duidelijk uit de nationale wetgeving.
66. Enige bepalingen van decreet nr. 267/42 doen de indruk ontstaan dat de litigieuze procedure gericht is op het verzekeren van de liquidatie van de goederen van de schuldenaar om de gezamenlijke schuldeisers te voldoen.
67. Zo bepaalt artikel 160, tweede alinea, punt 2, van decreet nr. 267/42 dat de ondernemer om tot de procedure te worden toegelaten aan de crediteuren voor de betaling van zijn schulden de overdracht moet aanbieden van alle goederen die op de dag van de aanbieding van het akkoord van zijn vermogen deel uitmaken, mits op grond van de waardebepaling van die goederen mag worden aangenomen dat de schuldeisers kunnen worden voldaan tot ten minste 40 % van de concurrente vorderingen. Voorts bepaalt artikel 182 van decreet nr. 267/42 dat de rechtbank in het homologatievonnis van het akkoord een of meer liquidateurs moet benoemen alsmede een commissie van drie of vijf schuldeisers om aan de liquidatie deel te nemen en de modaliteiten ervan te regelen.
68. Andere bepalingen van het decreet nr. 267/42 verlenen daarentegen steun aan de gedachte dat de nationale procedure primair tot doel heeft het faillissement van de schuldenaar te voorkomen zodat zij ertoe strekt de voortzetting van de werkzaamheden van de onderneming te verzekeren.
69. Zo bepaalt artikel 160 van decreet nr. 267/42 dat de ondernemer een surséance-akkoord kan voorstellen zolang zijn faillissement niet is uitgesproken. De artikelen 162, 163, 179 en 181 van dit decreet preciseren dat, wanneer de ondernemer niet voldoet aan de voorwaarden voor de toepassing van de procedure, wanneer hij nalaat de bedragen die nodig zijn voor de uitvoering van het akkoord te deponeren, wanneer de schuldeisers het voorstel niet goedkeuren of wanneer de voorwaarden voor de homologatie niet zijn vervuld, de rechtbank ambtshalve het faillissement van de schuldenaar moet uitspreken. Ten slotte moet de rechtbank krachtens artikel 181 van decreet nr. 267/42, alvorens de homologatie van het akkoord uit te spreken, beoordelen of dit voor de schuldeisers economisch gezien een passende maatregel is, gelet op de bestaande activa en de productiviteit van de onderneming, alsmede de vraag beantwoorden of de schuldeiser, gelet op de oorzaken die tot zijn problemen hebben geleid en zijn houding, het akkoord verdient.
70. Op grond van deze voorwaarden komt het mij moeilijk voor de doelstelling van het surséance-akkoord houdende overdracht van de goederen nauwkeurig vast te stellen.
71. Partijen in het geding voeren op dit punt bovendien tegenstrijdige argumenten aan.
72. De Commissie betoogt dat het voornaamste doel van de betrokken procedure erin bestaat de hervatting van de zaken en de voortzetting van de handel of het bedrijf mogelijk te maken. (40) Deze doelstelling zou volgens haar worden bevestigd door zowel de Italiaanse doctrine als het Corte suprema di cassazione (Italië). (41) Daaruit volgt dat, ofschoon artikel 182 van decreet nr. 267/42 spreekt van de overdracht van de goederen, onder de term overdracht het behoud van de goederen van de schuldenaar en niet hun liquidatie moet worden verstaan. (42) De Italiaanse regering daarentegen voert aan dat het surséance-akkoord houdende overdracht van de goederen in wezen is gericht op de liquidatie van de goederen van de schuldenaar om de gezamenlijke schuldeisers te voldoen. Bovendien wijst zij er met nadruk op dat, volgens de rechtspraak van de Corte suprema di cassazione, de litigieuze procedure impliceert dat de schuldeiser zijn rechten op de algemeenheid van de goederen die van het akkoord deel uitmaken, definitief verliest. (43)
73. Hieruit volgt dat het criterium van het door de procedure nagestreefde doel in casu geen houvast biedt om te bepalen of richtlijn 77/187 van toepassing is op de overgang van ondernemingen die plaatsvindt in het kader van een surséance-akkoord houdende overdracht van de goederen.
74. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof (44) dien ik daarom thans de focus van het onderzoek te verleggen naar de modaliteiten van de litigieuze procedure.
75. In het arrest Dethier Équipement, reeds aangehaald, was aan het Hof de vraag voorgelegd of richtlijn 77/187 van toepassing was op de Belgische procedure van gerechtelijke vereffening. Na te hebben vastgesteld dat het onderzoek van de doelstellingen van die procedure onvoldoende uitsluitsel gaf, onderzocht het Hof de modaliteiten daarvan in de volgende bewoordingen (45) : Dienaangaande blijkt uit het verwijzingsarrest, dat in geval van vereffening de vereffenaar, ofschoon hij door de rechter wordt benoemd, een orgaan van de vennootschap is dat overgaat tot verkoop van de activa onder toezicht van de algemene vergadering, dat er geen bijzondere procedure bestaat voor de vaststelling van het passief onder toezicht van de rechtbank, en dat een schuldeiser in beginsel zijn vordering tegen de vennootschap ten uitvoer kan doen leggen en veroordeling kan vorderen. Bij faillissement daarentegen is de curator, als vertegenwoordiger van de schuldeisers, een derde ten opzichte van de vennootschap; hij gaat over tot de vaststelling van het actief onder toezicht van de rechter, het passief van de vennootschap wordt vastgesteld volgens een bijzondere procedure en individuele uitwinningshandelingen zijn verboden.De situatie van een vennootschap in gerechtelijke vereffening vertoont derhalve aanzienlijke verschillen ten opzichte van die van een vennootschap in staat van faillissement, en de redenen op grond waarvan het Hof de toepassing van de richtlijn in laatstbedoeld geval heeft uitgesloten, hoeven in het geval van een onderneming die in gerechtelijke vereffening verkeert, niet te gelden.
76. Aldus is het Hof op grond van drie criteria tot de conclusie gekomen dat de situatie van een onderneming in gerechtelijke vereffening verschillen vertoont in vergelijking met die van een onderneming in staat van faillissement. Die criteria zijn de omstandigheid dat de vereffenaar een orgaan van de vennootschap is, dat er geen bijzondere procedure bestaat voor de vaststelling van het passief, en dat de vorderingen op de vennootschap individueel ten uitvoer kunnen worden gelegd.
77. Het komt mij voor dat in het onderhavige geval aan deze drie voorwaarden niet is voldaan.
78. Wat het eerste criterium betreft, is het juist dat decreet nr. 267/42 niet bepaalt of de vereffenaar, die door de rechtbank op het moment van de homologatie wordt benoemd, een orgaan van de vennootschap mag zijn dan wel of hij van haar onafhankelijk moet zijn. Zoals reeds gezegd, houdt deze bepaling voor de rechtbank alleen de verplichting in een of meer vereffenaars te benoemen, zonder hun hoedanigheid te preciseren. Daarentegen staat vast dat de gerechtscommissaris, belast inzonderheid met de controle op de uitvoering van het akkoord, niet kan behoren tot de vennootschap die het voorwerp van de procedure is. Artikel 165 van decreet nr. 267/42 bepaalt namelijk uitdrukkelijk dat de gerechtscommissaris, wat de uitvoering van zijn opdracht betreft, een overheidsfunctionaris is.
79. Wat het tweede criterium betreft, bevat decreet nr. 267/42 een bijzondere procedure voor de vaststelling van het passief onder toezicht van de bevoegde rechtbank. Dit decreet bepaalt namelijk dat:
─ de schuldenaar in zijn verzoek om toegelaten te worden tot het surséance-akkoord een lijst van de activa met hun geschatte waarde, alsmede de lijst van de schuldeisers moet opnemen;
46 Artikel 161, derde alinea.
─ de beschikking houdende opening van de surséanceprocedure naar behoren moet worden bekendgemaakt;
47 Artikel 166, eerste alinea.
─ de gerechtscommissaris na de opening van de surséanceprocedure moet overgaan tot verificatie van de lijst van schuldeisers
48 Artikel 171, eerste alinea. en deze moet bijeenroepen;
49 Artikel 171, tweede alinea.
─ de gerechtscommissaris een inventaris moet opstellen van het vermogen van de schuldenaar en dat, op zijn verzoek, de rechter een deskundige kan benoemen om de gerechtscommissaris te assisteren bij de waardering van de goederen;
50 Artikel 172.
─ de schuldenaar en de schuldeisers ter gelegenheid van de vergadering van schuldeisers, die onder voorzitterschap van de rechter plaatsvindt, moeten nagaan in hoeverre de aangemelde vorderingen vaststaan
51 Artikelen 174 en 175., en
─ de rechtbank het surséance-akkoord slechts dan kan homologeren wanneer overeenkomstig artikel 160, tweede alinea, punt 2, van decreet nr. 267/42 de door de schuldenaar aangeboden goederen volstaan om de schuldeisers tot ten minste 40 % van de concurrente vorderingen te voldoen.
52 Artikel 181, eerste alinea, punt 3.
80. Decreet nr. 267/42 voorziet derhalve in een speciale procedure voor de vaststelling van het passief van de onderneming onder controle van een rechterlijke instantie.
81. Wat ten slotte het derde criterium betreft, moet worden vastgesteld dat de Italiaanse wetgeving de individuele tenuitvoerlegging van vorderingen tijdens de duur van de procedure van het surséance-akkoord uitdrukkelijk verbiedt. Artikel 168 van decreet nr. 267/42 bepaalt namelijk dat [...] de schuldeisers met ingang van de datum waarop het verzoek wordt ingediend en tot die waarop de homologatie van het akkoord definitief wordt, op straffe van nietigheid geen executiemaatregelen op het vermogen van de schuldenaar mogen inleiden of voortzetten.
82. Blijkens deze verschillende elementen vertoont de Italiaanse procedure voor de homologatie van het surséance-akkoord houdende overdracht van de goederen kenmerken die, op grond van de rechtspraak van het Hof, meer overeenkomen met die van het faillissement. Bij de huidige stand van het dossier ben ik daarom geneigd te stellen dat richtlijn 77/187 niet van toepassing is op de overgang van ondernemingen die plaatsvindt in het kader van die procedure.
83. Aangezien de Commissie geen enkel ander element heeft aangevoerd, geef ik het Hof derhalve in overweging de tweede grief te verwerpen.
V ─ Kosten
84. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Artikel 69, lid 3, bepaalt evenwel dat, wanneer partijen op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld, het Hof de proceskosten kan verdelen. Bovendien bepaalt artikel 69, lid 5, dat de partij die afstand doet van instantie in de proceskosten wordt veroordeeld, voorzover dit door de wederpartij is gevorderd dan wel indien dit op grond van de houding van deze partij gerechtvaardigd lijkt.
85. In het onderhavige geval heb ik vastgesteld dat de Commissie haar eerste grief heeft teruggenomen maar dat zulks te wijten is aan de argumenten van de Italiaanse Republiek die zij na het instellen van het beroep heeft ingediend. Bovendien is gebleken dat de tweede grief van de Commissie gegrond is, terwijl de derde grief moet worden verworpen. Ten slotte heeft elke partij gevorderd dat de andere partij in de kosten van de instantie wordt verwezen.
86. Onder deze omstandigheden geef ik het Hof in overweging de Italiaanse Republiek te verwijzen in twee derde van de kosten.
VI ─ Conclusie
87. Mitsdien geef ik het Hof in overweging het volgende vast te stellen:
1) De Italiaanse Republiek is niet de verplichtingen nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan, voorzover artikel 47, leden 5 en 6, van wet nr. 428 van 29 december 1990 inzake de tenuitvoerlegging van de voor Italië uit het EG-lidmaatschap voortvloeiende verplichtingen (communautaire wet voor 1990) de toepassing van genoemde richtlijn uitsluit wanneer de overgang betrekking heeft op een onderneming, een vestiging of onderdelen daarvan waarvan door het Comitato di ministri per il coordinamento della politica industriale (interministerieel comité voor de coördinatie van het industriebeleid), overeenkomstig artikel 2, lid 5, van wet nr. 675 van 12 augustus 1977 houdende maatregelen voor de coördinatie van het industriële beleid, de herstructurering, de aanpassing en de ontwikkeling van de sector, is geconstateerd dat zij in economische moeilijkheden verkeert.
2) Het beroep wordt verworpen voor het overige.
3) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in twee derde van de kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – PB L 61, blz. 26.
3 – PB L 201, blz. 88.
4 – Zevende en achtste overweging van de considerans van richtlijn 98/50.
5 – Artikel 3 van richtlijn 98/50.
6 – Ibidem, artikel 2, lid 1.
7 – GURI nr. 10 van 12 januari 1991, blz. 5 (hierna: wet nr. 428/90).
8 – Wet houdende maatregelen voor de coördinatie van het industriebeleid, de herstructurering, de omschakeling en de ontwikkeling van de sector (GURI nr. 243 van 7 september 1977; hierna: wet nr. 675/77).
9 – Zie bijlage 3 bij het verzoekschrift (punt 5).
10 – Zie het met redenen omkleed advies (punt 6).
11 – Zie arresten van 15 december 1982, Commissie/Denemarken (211/81, Jurispr. blz. 4547, punt 8); 28 maart 1985, Commissie/Italië (274/83, Jurispr. blz. 1077, punt 19); 15 november 1988, Commissie/Griekenland (229/87, Jurispr. blz. 6347, punt 12); 17 september 1996, Commissie/Italië (C-289/94, Jurispr. blz. I-4405, punt 15), en 16 september 1997, Commissie/Italië (C-279/94, Jurispr. blz. I-4743, punt 14).
12 – Zie met name arrest van 8 februari 1983, Commissie/Verenigd Koninkrijk (124/81, Jurispr. blz. 203, punt 6).
13 – Zie met name arrest van 29 september 1998, Commissie/Duitsland (C-191/95, Jurispr. blz. I-5449, punt 55).
14 – Zie met name arresten van 11 juli 1984, Commissie/Italië (51/83, Jurispr. blz. 2793, punt 6), en 17 mei 2001, Commissie/Italië (C-159/99, Jurispr. blz. I-4007, punt 54).
15 – Zie arrest van 9 december 1981, Commissie/Italië (193/80, Jurispr. blz. 3019, punt 12), alsmede de reeds aangehaalde arresten van 8 februari 1983, Commissie/Verenigd Koninkrijk (punt 6) en 29 september 1998, Commissie/Duitsland (punt 55).
16 – Zie punt 16 van deze conclusie.
17 – Zie het met redenen omkleed advies (punten 1-4) en het verzoekschrift (punten 10-16).
18 – Zie het met redenen omkleed advies (punt 5) en het verzoekschrift (punt 17).
19 – Zie het met redenen omkleed advies (punten 6-7) en het verzoekschrift (punten 18-21).
20 – Zie bijlage 1 bij het verzoekschrift (negende en twaalfde alinea).
21 – Zie bijlage 3 bij het verzoekschrift.
22 – Zie punt 20 van deze conclusie.
23 – Zie bijlage 4 bij het verzoekschrift.
24 – Zie bijlage 2 bij het verzoekschrift.
25 – Subsidiair kan hieraan worden toegevoegd dat ook wanneer ervan wordt uitgegaan dat de Commissie het voorwerp van het onderhavige geschil heeft gewijzigd, de stelling van de Italiaanse Republiek als zodanig niet kan worden aanvaard. Uit de rechtspraak volgt immers dat, wanneer de Commissie nieuwe grieven formuleert in de fase van het met redenen omkleed advies of het beroep, het Hof het beroep alleen niet-ontvankelijk moet verklaren voorzover het de nieuwe grieven betreft. Daarentegen acht het Hof het beroep ontvankelijk voorzover het betrekking heeft op de oorspronkelijk in de aanmaningsbrief geformuleerde grieven [zie met name reeds aangehaalde arresten van 9 december 1981, Commissie/Italië (punten 12-13); 8 februari 1983, Commissie/Verenigd Koninkrijk (punt 7); 11 juli 1984, Commissie/Italië (punt 8), en 17 mei 2001, Commissie/Italië (punten 52-55), alsmede arrest van 16 december 1992, Commissie/Griekenland, C-210/91, Jurispr. blz. I-6735 (punten 10-12)]. Hieruit volgt dat, zelfs wanneer men de mening is toegedaan dat de Commissie het voorwerp van het geschil heeft gewijzigd, het beroep ontvankelijk blijft voorzover het erop is gericht de niet-nakoming van de artikelen 3 en 4 van richtlijn 77/187 te doen vaststellen.
26 – Punt 12.
27 – 135/83, Jurispr. blz. 469, punt 23. Zie eveneens arresten van dezelfde datum, FNV (179/83, Jurispr. blz. 511), en Botzen e.a. (186/83, Jurispr. blz. 519, punten 8 en 9).
28 – Arrest Abels, reeds aangehaald (punten 28 en 29).
29 – C-362/89, Jurispr. blz. I-4105, punten 28, 31 en 34.
30 – Ibidem (punten 29 en 32-34).
31 – C-472/93, Jurispr. blz. I-4321.
32 – Ibidem (punten 26, 28 en 29).
33 – Arresten D'Urso e.a. (punt 26) en Spano e.a. (punt 24), reeds aangehaald.
34 – Arrest van 12 maart 1998 (C-319/94, Jurispr. blz. I-1061, punten 25 en 28).
35 – Arrest van 12 november 1998 (C-399/96, Jurispr. blz. I-6965, punten 28 en 30).
36 – Zie punt 52 van deze conclusie.
37 – Punt 18.
38 – Punt 7.
39 – GURI nr. 81 van 6 april 1942 (hierna: decreet nr. 267/42).
40 – Zie repliek (punt 8).
41 – De Commissie verwijst naar het arrest van de Corte suprema di cassazione van 10 september 1999, nr. 9663, Peluso/Gramignazzi.
42 – Zie repliek (punten 8-11).
43 – De Italiaanse regering verwijst naar het arrest van de Corte suprema di cassazione van 12 januari 1999, nr. 226 (zie verweerschrift, punten 13-14).
44 – Aangehaald in punt 53 van deze conclusie.
45 – Punten 29 en 30.
46 – Artikel 161, derde alinea.
47 – Artikel 166, eerste alinea.
48 – Artikel 171, eerste alinea.
49 – Artikel 171, tweede alinea.
50 – Artikel 172.
51 – Artikelen 174 en 175.
52 – Artikel 181, eerste alinea, punt 3.
Full & Egal Universal Law Academy