CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 23 januari 2003 (1)
Zaak C-152/01
Kyocera Electronics GmbH
tegen
Hauptzollamt Krefeld
„”
1. Het Duitse Bundesfinanzhof heeft het Hof in deze zaak twee vragen gesteld over de gevolgen van rentebetalingen voor de douanewaarde van goederen. Deze betalingen staan in verband met de aankoop van deze goederen maar zijn niet vermeld in de douaneaangifte of in de facturen die zijn overgelegd samen met die aangifte. Volgens de gemeenschapswetgeving behoren rentebetalingen niet tot de douanewaarde van goederen wanneer zij zijn onderscheiden van de werkelijk betaalde of te betalen prijs.
2. Met het opstellen van deze conclusie is gewacht tot het arrest Overland Footwear (2) . Dit arrest ─ uitgesproken op 5 december 2002 ─ betrof de uitlegging van soortgelijke bepalingen (3) die inkoopcommissies uitsloten van de douanewaarde van goederen.
De relevante wetgeving
3. Ten tijde van de feiten van het hoofdgeding werd de douanewaarde van goederen bepaald door verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen (4) (hierna: basisverordening). Artikel 3, lid 1, bepaalt:De douanewaarde van ingevoerde goederen, vastgesteld met toepassing van dit artikel, is de transactiewaarde, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij worden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap, aangepast overeenkomstig artikel 8 [...].
4. Artikel 3, lid 3, sub a, luidt als volgt:De werkelijk betaalde of te betalen prijs is de totale betaling die door de koper aan de verkoper of ten behoeve van de verkoper voor de ingevoerde goederen is of moet worden gedaan en omvat alle betalingen die werkelijk zijn gedaan of moeten worden gedaan als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen, en wel door de koper aan de verkoper of door de koper aan een derde ter nakoming van een verplichting van de verkoper. [...]
5. Artikel 8, lid 1, somt een aantal elementen op die moeten worden toegevoegd aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs van de geïmporteerde goederen om de douanewaarde te bepalen overeenkomstig artikel 3. Daartoe behoren commissies en courtage, met uitzondering van inkoopcommissies (5) ; rentebetalingen worden echter niet genoemd. Volgens artikel 8, lid 3, mag bij de bepaling van de douanewaarde niets worden toegevoegd aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs voorzover dit niet in dit artikel is voorzien.
6. Artikel 10, lid 1, bepaalt:Voor de vaststelling van de douanewaarde [...] dienen alle personen of ondernemingen die direct of indirect bij de desbetreffende invoer zijn betrokken, aan die autoriteiten en binnen de door hen vastgestelde termijnen alle noodzakelijke documenten en inlichtingen te verstrekken.
7. Artikel 16 luidt als volgt:De voor de toepassing van deze verordening aan de douane te verstrekken gegevens en over te leggen stukken worden, voorzover nodig, vastgesteld volgens de procedure van artikel 19.
8. Artikel 19, lid 1, sub b, bepaalt dat de voorschriften die noodzakelijk zijn voor de toepassing van onder meer de artikelen 3, 8 en 16 worden vastgesteld volgens een nader bepaalde procedure. Overeenkomstig deze procedure is verordening (EEG) nr. 1495/80 van de Commissie van 11 juni 1980 betreffende de toepassing van sommige bepalingen van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad (6) vastgesteld (hierna: toepassingsverordening).
9. Artikel 3, lid 2, van de toepassingsverordening bepaalt: Interesten krachtens een door de koper aangegane financieringsovereenkomst in verband met de aankoop van ingevoerde goederen behoren niet tot de douanewaarde, vastgesteld overeenkomstig verordening (EEG) nr. 1224/80, op voorwaarde dat:
a) de interesten onderscheiden zijn van de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs;
b) de financieringsovereenkomst schriftelijk is gesloten;
c) de koper, indien vereist, kan aantonen dat:
─ dergelijke goederen werkelijk verkocht worden tegen de prijs die als de werkelijk betaalde of te betalen prijs is aangegeven, en
─ de gevraagde interestvoet niet hoger is dan het voor dergelijke transacties in het land waar [en] op het tijdstip waarop de financiering heeft plaatsgevonden gebruikelijke niveau.
10. Verordening (EEG) nr. 1496/80 van de Commissie betreffende de aangifte van gegevens inzake de douanewaarde en de over te leggen stukken (7) is eveneens op 11 juni 1980 vastgesteld overeenkomstig artikel 19 van de basisverordening. Artikel 1, lid 1, bepaalt dat, indien het voor de toepassing van de basisverordening noodzakelijk is dat de douanewaarde wordt vastgesteld, een aangifte van gegevens inzake de douanewaarde wordt gevoegd bij de aangifte die voor de ingevoerde goederen wordt gedaan. De aangifte wordt gesteld op een formulier D.V.1 overeenstemmend met het model opgenomen in de bijlage bij de verordening. Ik zal die aangifte hierna de douaneaangifte noemen.
De feiten en de prejudiciële vragen
11. Kyocera Electronics Europe GmbH (hierna: Kyocera) heeft bepaalde goederen ingevoerd, waarvoor een betalingstermijn van 120 dagen vanaf de verscheping alsmede de betaling van rente was overeengekomen. De douaneaangifte vermeldde de nettoprijs exclusief rente, wat door de douane werd ontdekt tijdens een controle van de importactiviteiten van Kyocera. De douane hief aanvullende douanerechten over de rente. Kyocera's bezwaar bleef vruchteloos, waarna zij de verhoging aanvocht bij het Finanzgericht.
12. Het Finanzgericht verwierp het beroep. Naar zijn oordeel maakte de rente deel uit van de douanewaarde van de goederen. Kyocera stelde Revision in bij het Bundesfinanzhof. Het twistpunt in deze zaak is of rente die niet wordt vermeld in de douaneaangifte als aparte post of als onderdeel van de koopprijs, al dan niet mag worden beschouwd als onderscheiden van de prijs in de zin van artikel 3, lid 2, sub a, van de toepassingsverordening. Het Bundesfinanzhof heeft dus de volgende vragen aan het Hof gesteld:
1. Moet artikel 3, lid 2, sub a, van verordening (EEG) nr. 1495/80 van de Commissie van 11 juni 1980 betreffende de toepassing van sommige bepalingen van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad inzake de douanewaarde van de goederen (PB 1980, L 154, blz. 14), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 220/85 (PB 1985, L 25, blz. 7), aldus worden uitgelegd dat interesten onderscheiden zijn van de prijs van de goederen wanneer de douane op het relevante tijdstip van de aanvaarding van de douaneaangifte alleen beschikt over de factuur met de nettoprijs van de goederen, waaruit ─ evenmin als uit de aangifte inzake de douanewaarde ─ expliciet noch impliciet blijkt dat in het kader van de aankopen waarvan de waarde moet worden vastgesteld, door de koper aan de verkoper ook interesten zijn betaald?
2. Indien vraag 1 ontkennend moet worden beantwoord: Maken de betaalde interesten deel uit van de douanewaarde van de goederen?
De eerste vraag
13. De nationale rechter wenst met zijn eerste vraag in wezen te vernemen wat wordt bedoeld met onderscheiden van de werkelijk betaalde of te betalen prijs, en in het bijzonder of aan die voorwaarde is voldaan wanneer zowel de douaneaangifte als de daarbij gevoegde factuur slechts de betaalde nettoprijs vermeldt en niet de rente die de koper aan de verkoper heeft betaald.
14. Het Finanzgericht was blijkens de verwijzingsbeschikking van oordeel dat voorzover de rentebetaling een voorwaarde voor de verkoop van de goederen is, de rente in beginsel deel uitmaakt van de in artikel 3, leden 1 en 3, bedoelde transactiewaarde. Dit zou slechts anders zijn wanneer de voorwaarden van artikel 3, lid 2, van de toepassingsverordening zijn vervuld. In deze zaak is evenwel de voorwaarde van artikel 3, lid 2, sub a, van die verordening niet vervuld, namelijk dat de rente onderscheiden is van de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs. Dat onderscheid moet ten laatste bij de aanvaarding van de douaneaangiften zijn gemaakt en moet blijken uit de aan de douane overgelegde documenten, want alleen dan is een onderzoek van het onderscheid door de douane mogelijk. Ook het Bundesfinanzhof is van oordeel dat de douane niet kan verifiëren of de rente terecht is uitgesloten van de douanewaarde, als de betaling ervan niet blijkt uit de overgelegde documenten.
15. Enkel Kyocera en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Een mondelinge behandeling heeft niet plaatsgevonden en er is ook niet om verzocht. Zowel Kyocera als de Commissie meent dat de eerste vraag van de verwijzende rechter bevestigend moet worden beantwoord: de rentebetalingen zijn onderscheiden van de prijs van de goederen, wanneer zowel de douaneaangifte als de daarbij gevoegde factuur enkel de nettoprijs van de goederen vermeldt en noch uitdrukkelijk noch stilzwijgend aangeven dat de koper ook rente heeft betaald aan de verkoper.
16. Ik ben het met deze uitlegging eens, en wel om de volgende redenen.
17. Artikel 8, lid 3, van de basisverordening bepaalt uitdrukkelijk: Er worden bij de vaststelling van de douanewaarde geen elementen aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs toegevoegd dan met toepassing van de bepalingen van dit artikel (die niets zeggen over rentebetalingen). Artikel 3, lid 2, van de toepassingsverordening is eveneens duidelijk: Interesten ... behoren niet tot de douanewaarde. Het Hof heeft bevestigd dat artikel 3, lid 1, van de basisverordening, dat als beginsel stelt dat als transactiewaarde is aan te merken de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij worden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap, immers ook bepaalt dat deze prijs uitsluitend overeenkomstig artikel 8 van de basisverordening dient te worden aangepast. (8) En in het bijzonder met betrekking tot de betaling van rente door de koper aan de verkoper als tegenprestatie voor uitstel van betaling heeft het beslist dat de vergoeding voor de diensten die bij de koop van ingevoerde goederen aan de koper worden verleend, onverminderd de krachtens artikel 8 van [de basisverordening] aan te brengen correcties, niet tot de douanewaarde van de goederen behoort. (9) Dit lijkt het in de verwijzingsbeschikking weergegeven standpunt van het Finanzgericht uit te sluiten, namelijk dat rentebetalingen tot de verkoopcondities behoren en bijgevolg deel uitmaken van de transactiewaarde overeenkomstig artikel 3, lid 3, sub a van de basisverordening. (10)
18. Inderdaad stelt artikel 3, lid 2, van de toepassingsverordening een aantal voorwaarden, waaronder de voorwaarde die aan de orde is in deze zaak. Al die voorwaarden lijken echter meer verband te houden met de bewijsvoering dan met de wezenlijke inhoud van de juridische classificatie. Het Hof lijkt dit ook te hebben bevestigd voor artikel 3, lid 2, sub b en c. (11) Zoals Kyocera opmerkt, hebben daarenboven de advocaten-generaal Darmon, Gulmann en Fennelly allen aangevoerd dat het vereiste om een element dat niet tot de douanewaarde behoort, te onderscheiden, eerder een bewijsregeling betreft dan een juridische kwalificatie. (12)
19. De regeling wil het gebruik van willekeurige of fictieve douanewaarden uitsluiten, zoals Kyocera en de Commissie betogen. (13) Wordt eenmaal aanvaard dat rentebetalingen geen deel uitmaken van de douanewaarde van goederen, dan gaat dit beginsel in tegen de uitlegging van de regeling zoals die in het bijzonder door het Finanzgericht wordt bepleit. De Commissie wijst erop dat het risico van een willekeurige of fictieve douanewaarde wordt voorkomen indien een importeur enkel de nettoprijs zonder rente opgeeft bij de douane en hij zelf documenten bijhoudt waarop de rentebetalingen afzonderlijk worden vermeld. Dan zal de importeur in staat zijn om informatie en documenten over te leggen aan de douane indien hij daarom wordt verzocht overeenkomstig artikel 10, lid 1, van de basisverordening. (14)
20. Verschillende arresten van het Hof waarop zowel Kyocera als de Commissie zich beroepen, bevestigen deze stelling, in het bijzonder de arresten Mainfrucht, Hepp en Wünsche Handelsgesellschaft.
21. De zaak Mainfrucht (15) betrof vervoerkosten na de invoer in het douanegebied van de Gemeenschap. Volgens artikel 15 van de basisverordening behoren die niet tot de douanewaarde van geïmporteerde goederen wanneer zij onderscheiden zijn van de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs. De importeur had een douaneaangifte gedaan en er twee facturen bijgevoegd. De ene vermeldde de prijs van de geleverde goederen en de kosten van vervoer tot aan de Duitse grens, de andere de kosten van vervoer vanaf die grens tot aan de plaats van vestiging van Mainfrucht. De douane beschouwde deze laatste kosten als onderdeel van de transactiewaarde in de zin van artikel 3, lid 1, van de basisverordening omdat die kosten niet konden worden geverifieerd aangezien zij waren gefactureerd door de leverancier. Het Hof besliste in het voordeel van de importeur aangezien duidelijk bleek uit de ontstaansgeschiedenis en de inhoud van de regeling dat het niet de bedoeling was dat die kosten deel zouden uitmaken van de douanewaarde.
22. De zaakHepp (16) betrof een importeur die zijn agent een inkoopcommissie had betaald. Deze commissie is uitgesloten van de douanewaarde van de goederen krachtens artikel 8, lid 1, sub a-i), van de basisverordening. De douaneaangifte vermeldde enkel de nettoprijs van de goederen, zonder de inkoopcommissie. De vraag waar het om ging, was of de inkoopcommissie die afzonderlijk was gefactureerd, bij de douanewaarde van de geïmporteerde goederen moest worden geteld. In deze zaak ging het er ten dele om of het enig belang had dat de importeur op de douaneaangifte de naam van de agent bij vergissing onder de rubriek verkoper had vermeld. Nadat de douane de betaling van de inkoopcommissie aan een als verkoper omschreven partij had ontdekt, stelde zij zich op het standpunt dat die commissie deel uitmaakte van de prijs van de goederen. Het Hof besliste dat de opgegeven nettoprijs de douanewaarde was in de zin van artikel 3, lid 1, van de basisverordening en dat de inkoopcommissie niet bij die waarde hoorde. Advocaat-generaal Mischo was impliciet van mening dat het vereiste dat de commissie onderscheiden van de werkelijk betaalde of te betalen prijs moet zijn, was vervuld. (17)
23. In de zaak Wünsche (18) had de importeur de rentebetalingen niet in zijn douaneaangiften opgenomen. Dat belette het Hof echter niet om die betalingen als blijkbaar onderscheiden van de werkelijk betaalde of te betalen prijs van de ingevoerde goederen te beschouwen. (19)
24. Naar mijn mening bieden in het bijzonder de arresten Mainfrucht en Hepp steun voor de opvatting dat in beginsel een element als rente betaald door de koper van geïmporteerde goederen aan de verkoper, geen deel kan uitmaken van de douanewaarde van die goederen. Ik wijs er ook op dat advocaat-generaal Mischo in de zaak Overland Footwear (20) een soortgelijk standpunt verdedigde.
25. Uit de arresten Wünsche en Hepp kan worden afgeleid dat de voorwaarde dat bijkomende kosten onderscheiden zijn, is vervuld wanneer een douaneaangifte enkel de voor geïmporteerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs vermeldt zonder te verwijzen naar de bijkomende kosten, die door de wetgeving uitdrukkelijk worden uitgesloten van de douanewaarde. De zaken die zouden kunnen duiden op het tegendeel, betroffen een andere situatie, namelijk die waarin de douaneaangifte en/of de bijgevoegde facturen een samengesteld bedrag vermeldden, bestaande uit zowel de prijs als de bijkomende kosten. (21) Het is duidelijk dat in dergelijke gevallen een importeur die enkel de prijs zonder de bijkomende kosten als de douanewaarde wil zien vastgesteld, die bedragen afzonderlijk moet vermelden in de douaneaangifte. (22) Zoals Kyocera in het bijzonder betoogt, doet de noodzaak om te onderscheiden zich alleen voor als een bedrag bestaat uit twee elementen waarvan er één tot de douanewaarde behoort en het andere niet. Als de twee elementen van meet af aan los van elkaar staan, hoeven ze niet te worden onderscheiden.
26. Het bezwaar van de verwijzende rechter dat de douane zonder informatie in de douaneaangifte moeilijk kan verifiëren of rente terecht niet in de douanewaarde is begrepen, kan mij niet van mijn mening afbrengen. Zoals zowel Kyocera als de Commissie betoogt, is dat probleem al opgelost door de rechtspraak van het Hof: in het arrest Mainfrucht (23) , waarin uitdrukkelijk verificatieproblemen waren aangevoerd door de douane, heeft het Hof erop gewezen dat de douane de factuur met de kosten die niet tot de douanewaarde behoren, kan verifiëren indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven.
27. Tenslotte vermeld ik het recente arrest Overland Footwear . (24) Dat arrest is uiteindelijk niet relevant voor de onderhavige zaak aangezien het Hof de uitlegging van de betrokken regeling uitdrukkelijk beperkte tot het geval waarin het bijkomende, niet-belastbare element (in dat geval, een inkoopcommissie) is opgenomen in de aangegeven douanewaarde en in de invoeraangifte niet is onderscheiden van de verkoopprijs van de goederen. (25) Zoals gezegd (26) , ben ik niet van mening dat zaken over douaneaangiften met een uit een belastbaar en een niet-belastbaar element bestaand totaalbedrag nuttig zijn voor de beoordeling van de rechtmatigheid van aangiften met een belastbaar bedrag zonder vermelding van niet-belastbare bijkomende kosten.
28. Bijgevolg kom ik tot de slotsom dat aan de voorwaarde van artikel 3, lid 2, sub a, van de toepassingsverordening, dat rentebetalingen onderscheiden zijn van de prijs van de goederen, is voldaan wanneer zowel de douaneaangifte als de daarbij gevoegde factuur enkel de nettoprijs van de goederen vermeldt en er noch uitdrukkelijk noch stilzwijgend uit blijkt dat de koper ook rente heeft betaald aan de verkoper.
29. De Commissie werpt in haar schriftelijke opmerkingen nog een punt op. Zij betoogt dat ook indien rente in de zin van artikel 3, lid 2, van de toepassingsverordening voldoende is onderscheiden van de prijs van de goederen in de omstandigheden zoals weergegeven in het vorige punt, de importeur toch verplicht is om dergelijke rentebetalingen te vermelden op de douaneaangifte zoals hierboven is bedoeld. (27) Dat formulier bevat onder afdeling C, aftrekposten, rubriek 21. Andere kosten (specificeren) . Volgens de Commissie moet rente daar worden opgegeven. Als dat klopt kan de rente enkel als aftrekpost worden behandeld indien zij eerst was opgenomen in de prijs van de goederen, vermeld onder afdeling A, grondslag voor de berekening.
30. De Commissie voegt hieraan toe dat niet-naleving van dit vormvereiste niet leidt tot het ontstaan van een douaneschuld en evenmin tot een gemeenschapsrechtelijke sanctie.
31. Aangezien de nationale rechter hier echter geen vraag over heeft gesteld, zal ik dit punt niet verder behandelen.
De tweede vraag
32. Aangezien de eerste vraag van de nationale rechter mijns inziens bevestigend moet worden beantwoord, is de tweede vraag niet meer aan de orde; deze vraag is enkel gesteld voor het geval dat de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord.
Conclusie
33. Bijgevolg geef ik in overweging de vragen van het Bundesfinanzhof als volgt te beantwoorden:Rentebetalingen van de koper aan de verkoper van geïmporteerde goederen zijn onderscheiden van de werkelijk betaalde of te betalen prijs van die goederen, in de zin van artikel 3, lid 2, sub a, van verordening (EEG) nr. 1495/80 van de Commissie van 11 juni 1980 betreffende de toepassing van sommige bepalingen van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad inzake de douanewaarde van de goederen, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 220/85, wanneer zowel de douaneaangifte als de daarbij gevoegde factuur enkel de nettoprijs van die goederen vermeldt en er noch uitdrukkelijk noch stilzwijgend uit blijkt dat de koper ook rente heeft betaald aan de verkoper.
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Arrest van 5 december 2002 (C-379/00, Jurispr. blz. I-11133).
3 – Artikel 33, sub e, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1).
4 – PB L 134, blz. 1, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3193/80 van de Raad van 8 december 1980 (PB L 333, blz. 1).
5 – Artikel 8, lid 1, sub a-i).
6 – PB L 154, blz. 14, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 220/85 van de Commissie van 29 januari 1985 (PB L 25, blz. 7).
7 – PB L 154, blz. 16.
8 – Arrest van 10 december 1985, Mainfrucht (290/84, Jurispr. blz. 3909, punt 23).
9 – Arrest van 4 juni 1992, Wünsche Handelsgesellschaft (C-21/91, Jurispr. blz. I-3647, punt 16).
10 – Zie boven, punt 4.
11 – Zie arrest Wünsche Handelsgesellschaft, aangehaald in voetnoot 9, punten 19 en 20.
12 – Respectievelijk punt 14 van de conclusie van advocaat-generaal Darmon in de zaak Wünsche Handelsgesellschaft, aangehaald in voetnoot 9; punten 30 en 31 van de conclusie van advocaat-generaal Gulmann in de zaak Thierschmidt (arrest van 9 augustus 1994, C-340/93, Jurispr. blz. I-3905) en punt 16 van de conclusie van advocaat-generaal Fennelly in de zaak ICT (arrest van 29 mei 1997, C-93/96, Jurispr. blz. I-2881). Advocaat-generaal Lenz beschreef in de zaak Brown Boveri (arrest van 18 april 1991, C-79/89, Jurispr. blz. I-1853) de onderscheiden opgave van kosten daarenboven als een zwakkere vorm van bewijs: zie punt 87 van zijn conclusie.
13 – Zie de zesde overweging van de considerans van de basisverordening en punt 35 van het arrest Mainfrucht, aangehaald in voetnoot 8.
14 – Zie boven, punt 6.
15 – Aangehaald in voetnoot 8.
16 – Arrest van 25 juli 1991 (C-299/90, Jurispr. blz. I-4301).
17 – Zie punt 39 van de conclusie.
18 – Aangehaald in voetnoot 9.
19 – Zie punt 19 van het arrest.
20 – Aangehaald in voetnoot 2; zie in het bijzonder punten 20 tot 26 van de conclusie.
21 – Zie in het bijzonder de arresten Brown Boveri, aangehaald in voetnoot 12, en Overland Footwear, aangehaald in voetnoot 2.
22 – Zoals advocaat-generaal Mischo opmerkt in punt 30 van zijn conclusie in de zaak Overland Footwear: van het douanepersoneel kan natuurlijk worden verwacht dat het scherpzinnig is, maar niet worden vereist dat het helderziend is.
23 – Aangehaald in voetnoot 8, punten 33 en 34 van het arrest.
24 – Aangehaald in voetnoot 2.
25 – Zie punt 17 van het arrest.
26 – Zie boven, punt 25.
27 – Punt 10.
Full & Egal Universal Law Academy