CONCLUSIE VAN ADVOCAAT‑GENERAAL
P. LÉGER
van 6 mei 2004 (1)
Zaak C‑153/01
Koninkrijk Spanje
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„EOGFL – Afdeling ‚garantie’ – Goedkeuring van rekeningen – Akkerbouwgewassen – Olijfolie – Melkquota”
1. Het Koninkrijk Spanje heeft krachtens artikel 230 EG verzocht om gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 2001/137/EG van de Commissie van 5 februari 2001 houdende onttrekking aan communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten voor het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, hebben verricht.(2)
2. Volgens het Koninkrijk Spanje heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen bij de goedkeuring van de rekeningen voor de begrotingsjaren 1996, 1997 en 1998 ten onrechte geweigerd de volgende uitgaven ten laste van het EOGFL te brengen:
– akkerbouwgewassen (niet-oplegging van bijkomende braaklegging): financiële correctie van 27 823 775 209 ESP;
– akkerbouwgewassen (ontoereikende controleregeling): financiële correctie van 2 668 866 704 ESP;
– olijfolie (productiesteun): financiële correctie van 11 826 116 171 ESP;
– olijfolie (consumptiesteun): financiële correctie van 832 182 856 ESP, en
– extra heffing op melk (vertragingsrente): financiële correctie van 2 426 259 870 ESP.
3. De redenen voor deze correcties op de uitgaven zijn samengevat in het syntheserapport betreffende de resultaten van de controles voor de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL, afdeling Garantie, over de begrotingsjaren 1996, 1997 en 1998.(3)
4. Het beroep van de Spaanse regering betreft de uitgaven in de vijf reeds vermelde sectoren: 1) akkerbouwgewassen en de gevolgen van de niet-oplegging van de bijkomende braaklegging voor de oogst van 1995; 2) akkerbouwgewassen in de autonome regio Andalucía; 3) productiesteun voor olijfolie; 4) consumptiesteun voor olijfolie, en 5) extra heffing op melk.
5. Wat de uitgaven in de sectoren 2, 3 en 5 betreft, zijn de middelen van het Koninkrijk Spanje louter feitelijk van aard. Bijgevolg zal ik mijn uiteenzetting concentreren op de uitgaven van de categorieën 1 en 4, die betrekking hebben op akkerbouwgewassen en de gevolgen van de niet-oplegging van de bijkomende braaklegging voor de oogst van 1995, en op de consumptiesteun voor olijfolie.
I – Toepasselijke bepalingen
6. Artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid(4), bepaalt dat de Europese Gemeenschap via de afdeling Garantie van het EOGFL de nodige financiële middelen ter beschikking stelt voor de interventies ter regulering van de landbouwmarkten, waartoe volgens de communautaire voorschriften in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten wordt overgegaan.
7. Krachtens artikel 4, lid 2, van verordening nr. 729/70 stelt de Commissie aan de lidstaten de nodige middelen ter beschikking zodat de door hen aangewezen diensten en organen de betalingen van die interventies overeenkomstig de communautaire voorschriften en de nationale wetgevingen kunnen verrichten. Volgens artikel 5, lid 2, sub b, van die verordening keurt de Commissie voor het einde van het volgende jaar, aan de hand van de jaarrekeningen, vergezeld van de stukken die nodig zijn voor de goedkeuring daarvan, de rekeningen van de diensten en organen van de lidstaten goed.
8. Artikel 8, lid 1, van verordening nr. 729/70 bepaalt dat de lidstaten overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen de nodige maatregelen treffen om zich ervan te vergewissen dat de door het EOGFL gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze werden uitgevoerd, om onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen, en om de ingevolge onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen terug te vorderen.
9. Ingevolge artikel 8, lid 2, van verordening nr. 729/90 draagt de Gemeenschap de financiële gevolgen van de onregelmatigheden of nalatigheden indien algehele terugvordering uitblijft, behalve die welke voortvloeien uit onregelmatigheden of nalatigheden die aan de overheidsdiensten of organen van de lidstaten te wijten zijn. De teruggevorderde bedragen worden overgemaakt aan de diensten of organen die de betalingen hebben verricht en worden door deze in mindering gebracht op de door het EOGFL gefinancierde uitgaven.
10. In overeenstemming met artikel 9, lid 1, van verordening nr. 729/70 verstrekken de lidstaten aan de Commissie alle inlichtingen die voor de goede werking van het EOGFL nodig zijn en nemen zij alle maatregelen die kunnen dienen ter vergemakkelijking van de controles – verificaties ter plaatse daaronder begrepen – die de Commissie doelmatig acht in het kader van het beheer van de communautaire financiering. De lidstaten geven de Commissie kennis van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, welke zij ter uitvoering van de communautaire besluiten met betrekking tot het gemeenschappelijk landbouwbeleid hebben vastgesteld, voor zover deze besluiten financiële gevolgen voor het EOGFL hebben.
II – Akkerbouwgewassen: de oogst van 1994 en de gevolgen van de niet-oplegging van de bijkomende braaklegging voor de oogst van 1995
11. Het Koninkrijk Spanje komt op tegen de door de Commissie in die sector toegepaste financiële correctie. Deze correctie is toegepast omdat voor de oogst van 1995 geen met akkerbouwgewassen ingezaaide gronden bijkomend waren braakgelegd, zoals voorgeschreven in verordening (EEG) nr. 1765/92(5), nadat was vastgesteld dat de gegarandeerde arealen voor akkerbouwgewassen voor het jaar 1994 waren overschreden. Volgens het Koninkrijk Spanje was zijn handelwijze gerechtvaardigd. Zijn argumenten verschillen naargelang het gaat om bevloeide dan wel niet‑bevloeide met akkerbouwgewassen ingezaaide gronden.
Met akkerbouwgewassen ingezaaide niet-bevloeide gronden
12. Wat de niet-bevloeide gronden betreft, hebben de Spaanse autoriteiten verzocht om toepassing van verordening (EG) nr. 1422/97(6), waarbij die gronden specifiek van de verplichting tot bijkomende braaklegging zijn vrijgesteld. Die verordening voorziet onder bepaalde omstandigheden, zoals een uitzonderlijke droogte, in een andere beoordeling van de overschrijdingen. Volgens hen was er in het Koninkrijk Spanje sprake van een dergelijke uitzonderlijke droogte.
13. Ik ben van mening dat, zoals de Commissie in haar verweerschrift terecht heeft opgemerkt, de bij verordening nr. 1422/97 vastgestelde hervorming in casu geen toepassing kan vinden. Die verordening geldt immers pas vanaf het verkoopseizoen 1996. De Spaanse autoriteiten voeren ze evenwel aan ter rechtvaardiging van overschrijdingen van de oogst van 1994. Verordening nr. 1422/97 kan dus geen terugwerkende kracht hebben.
Met akkerbouwgewassen ingezaaide bevloeide gronden
14. De Spaanse autoriteiten hebben verordening nr. 1040/95(7) aangevoerd, die bepaalt dat bij wijze van uitzondering in het verkoopseizoen 1994/1995 de overschrijding van het areaal enkel gevolgen heeft voor de producenten van oliehoudende zaden, en niet voor de producenten van andere bevloeide akkerbouwgewassen. De buitengewone braakleggingsverplichting voor het verkoopseizoen 1995/1996 is dus enkel van toepassing op de met oliehoudende zaden ingezaaide bevloeide akkerbouwgronden. Volgens het Koninkrijk Spanje geldt bedoelde verplichting echter evenmin voor oliehoudende zaden, nu er een politiek akkoord van die strekking met de Commissie zou bestaan.
15. De Commissie ontkent dat een dergelijk akkoord bestaat en het Koninkrijk Spanje toont het bestaan daarvan niet aan.
16. Uit een en ander volgt dat het Koninkrijk Spanje haar beweringen op dit punt niet kan bewijzen.
III – Consumptiesteun voor olijfolie
17. De Commissie heeft het Koninkrijk Spanje een financiële correctie opgelegd van 10 % van alle gedeclareerde uitgaven voor olijfolieconsumptiesteun voor het begrotingsjaar 1996. De correctie is gebaseerd op tekortkomingen in de Spaanse beheers-, betalings- en controlesystemen. Het Koninkrijk Spanje betwist deze beslissing en stelt dat de aldus door de Commissie toegepaste correctie onregelmatig is, omdat de bij wet voorgeschreven procedure niet is nageleefd.
18. De wettelijke procedure schrijft voor, dat de schriftelijke mededeling door de Commissie van de resultaten van de verificaties aan de betrokken lidstaat niet kan slaan op uitgaven die meer dan 24 maanden vóór bedoelde mededeling zijn gedaan, in overeenstemming met artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1287/95.(8) Bovendien moet deze mededeling uitdrukkelijk verwijzen naar artikel 8 van verordening (EG) nr. 1663/95(9), uitvoeringsverordening van verordening nr. 729/70, waarin de inhoud van de schriftelijke mededeling is gepreciseerd.
19. Er zij herinnerd aan de vaste rechtspraak van het Hof inzake de formele en materiële vereisten waaraan de mededeling, in de zin van artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70, zoals gewijzigd, in samenhang met artikel 8 van de toepassingsverordening, moet voldoen.(10) Zo mag de mededeling bijvoorbeeld niet slaan op uitgaven die meer dan 24 maanden vóór bedoelde mededeling zijn gedaan. Zij moet schriftelijk worden gedaan, melding maken van de ten aanzien van het gemeenschapsrecht vastgestelde tekortkomingen en van een verzoek om deze te verhelpen, en zij wordt aan de nationale autoriteiten toegestuurd.(11) Het Hof heeft evenwel gepreciseerd dat het loutere ontbreken van een uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 8 van de toepassingsverordening geen schending oplevert van een wezenlijk vormvoorschrift.(12)
20. Het bezwaar van het Koninkrijk Spanje tegen de brief van de Commissie, dat een uitdrukkelijke verwijzing daarin naar artikel 8 van de uitvoeringsverordening ontbreekt, dient bijgevolg in het licht van die rechtspraak te worden beoordeeld.
21. Derhalve behoeft de toegepaste financiële correctie niet opnieuw ter discussie te worden gesteld, zodat het door het Koninkrijk Spanje aangevoerde middel faalt.
IV – Conclusie
22. Gelet op één en ander, en zonder de in het onderhavige beroep betrokken feitelijke elementen te onderzoeken, geef ik het Hof in overweging:
– het beroep te verwerpen,
– het Koninkrijk Spanje te verwijzen in de kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – PB L 50, blz. 9.
3 – AGRI-24491-2000-FR.
4 – PB L 94, blz. 13. Voor een algemene voorstelling van deze verordening, zie mijn conclusie in de zaak Duitsland/Commissie (arrest van 4 maart 2004, C‑344/01, Jurispr. blz. I‑2081). Zie ook, inzake de raming van de correcties, het Belle-rapport in mijn conclusie in de zaak Spanje/Commissie (arrest van 8 mei 2003, C‑349/97, Jurispr. blz. I‑3851).
5 – Verordening van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PB L 181, blz. 12).
6 – Verordening van de Raad van 22 juli 1997 houdende wijziging van verordening nr. 1765/92 (L 196, blz. 18).
7 – Verordening van de Commissie van 10 mei 1995 tot vaststelling van nadere overgangsmaatregelen inzake het beheer van de basisarealen in Spanje (PB L 106, blz. 4).
8 – Verordening van de Raad van 22 mei 1995 tot wijziging van verordening nr. 729/70 (PB L 125, blz. 1).
9 – Verordening van de Commissie van 7 juli 1995 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 729/70 aangaande de procedure inzake de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL, afdeling Garantie (PB L 158, blz. 6; hierna: „uitvoeringsverordening”).
10 – Zie inzake de voorwaarden voor de naleving van de wettelijke procedure, arrest van 24 januari 2002, Finland/Commissie (C‑170/00, Jurispr. blz. I‑1007, punten 25 en volgende). Zie ook arrest van 13 juni 2002, Luxemburg/Commissie (C‑158/00, Jurispr. blz. I‑5373, punten 23 en volgende), waarin wordt verwezen naar de uitlegging van het Hof in het reeds aangehaalde arrest Finland/Commissie.
11 – Zie de reeds aangehaalde arresten Finland/Commissie (punten 28 en volgende) en Luxemburg/Commissie (punten 23 en volgende). Ook moet worden verwezen naar de conclusie van advocaat-generaal Tizzano in de reeds aangehaalde zaak Luxemburg/Commissie, waarin deze inzake de toetsing van die voorwaarden benadrukt dat, ingeval van onregelmatigheden „hun eventuele samenloop uiteraard van geheel andere betekenis is dan die van elke afzonderlijke onregelmatigheid op zich” (punt 30). Volgens hem kunnen de procedurebepalingen, in het kader van de uitlegging van het Hof daarvan, „ook minder formalistisch […] worden opgevat, mits evenwel de rechten van de lidstaten volledig zijn beschermd” (punt 38).
12 – Zie het reeds aangehaalde arrest Finland/Commissie (punten 33 en 34).
Full & Egal Universal Law Academy