CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. Stix-Hackl
van 18 september 2003 (1)
Gevoegde zaken C‑162/01 P en C‑163/01 P
E. Bouma (C‑162/02 P)
tegen
1. Raad van de Europese Unie
en
2. Commissie van de Europese Gemeenschappen
en
B. Beusmans (C‑163/01 P)
tegen
1. Raad van de Europese Unie
en
2. Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Beroep tot schadevergoeding – Niet-contractuele aansprakelijkheid – Voorwaarden – Melkquota – Verordening (EEG) nr. 857/84 – Referentiehoeveelheid – Producenten die verbintenis tot niet-levering zijn aangegaan – Bescherming van gewettigd vertrouwen – Onwettigheid – Causaal verband”
I – Inleiding
1. Deze twee hogere voorzieningen, die ter gelijktijdige berechting zijn gevoegd, zijn gericht tegen de arresten van het Gerecht van eerste aanleg van 31 januari 2001 in de zaken T‑533/93(2) (hierna: „arrest Bouma”) en T‑73/94(3) (hierna: „arrest Beusmans”), waarbij het Gerecht de door de Nederlandse melkproducenten E. Bouma en B. Beusmans tegen de Raad en de Commissie ingestelde beroepen tot schadevergoeding heeft verworpen.
2. Deze hogere voorzieningen maken deel uit van een geheel van rechtsgeschillen die in het algemeen de positie van de zogenaamde SLOM-producenten(4) in het kader van het melkquotastelsel betreffen, dus van melkproducenten die zich krachtens verordening (EEG) nr. 1078/77(5) ertoe hebben verbonden, gedurende vijf jaar geen melk of zuivelproducten in de handel te brengen (hierna: „niet-leveringsverbintenis”) of het melkveebestand op de rundvleesproductie om te schakelen (hierna: „omschakelingsverbintenis”).
3. Aan deze problematiek ligt ten grondslag dat bij de invoering van het melkquotastelsel vanaf 1 april 1984 – dat met het oog op de beperking van de melkproductie voorzag in de vaststelling van bepaalde referentiehoeveelheden alsook in heffingen voor het geval dat die hoeveelheden werden overschreden – geen rekening is gehouden met de situatie van de SLOM-producenten. Volgens verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 in haar oorspronkelijke versie(6), waarbij de berekening van de referentiehoeveelheden in detail is geregeld, dienden referentiehoeveelheden te worden vastgesteld op basis van de melkleveringen in een referentiejaar dat, naar bleek, geheel of gedeeltelijk samenviel met de looptijd van de door de SLOM-producenten aangegane niet-leveringsverbintenissen. Het gevolg daarvan was dat deze melkproducenten – bij gebreke van melkproductie tijdens een referentiejaar – uitgesloten waren van de toekenning van referentiehoeveelheden en dus geen respectievelijk geen heffingsvrije melk konden produceren.
4. De daaruit voortvloeiende nadelige situatie van de SLOM-producenten, die gedeeltelijk door daaropvolgende „reparatiemaatregelen” van de gemeenschapswetgever werd verlengd en met verdere juridische aspecten werd „verrijkt”, houdt de gemeenschapsrechter nu al meer dan een decennium vanuit verschillende oogpunten bezig en heeft ook in een aantal handelingen van afgeleid recht haar weerslag gevonden. Deze arresten en de maatregelen van afgeleid recht, die – en dit onderscheid moet juist in de onderhavige zaken voor ogen worden gehouden – ten dele de (geldigheid van) regelingen betreffende de toewijzing van referentiehoeveelheden als zodanig, ten dele de vergoeding van de door de SLOM-producenten door deze regelingen geleden schade betreffen, vormen het hierna nader te beschrijven rechtskader van de onderhavige zaken.
5. In de onderhavige hogere voorzieningen rijst in het bijzonder de vraag of het Gerecht van eerste aanleg in de bestreden arresten tegen de achtergrond van de relevante rechtspraak terecht heeft aangenomen dat de aansprakelijkheid van de Gemeenschap afhangt van de vraag of de producenten duidelijk hun voornemen kenbaar hebben gemaakt, de melkproductie na afloop van hun niet‑leveringsverbintenis te hervatten.
II – Rechtskader
A – De deelneming van de SLOM-producenten aan het melkquotastelsel
6. Wegens de overproductie van melk in de Gemeenschap stelde de Raad in 1977 verordening nr. 1078/77 tot invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelproducten en voor de omschakeling van het melkveebestand(7) vast. Deze verordening bood de producenten de mogelijkheid voor vijf jaar een niet-leverings‑ of omschakelingsverbintenis aan te gaan en daarvoor een premie te ontvangen.
7. Aangezien er in 1983 nog steeds overproductie was, ofschoon vele producenten een niet-leveringsverbintenis waren aangegaan, stelde de Raad op 31 maart 1984 verordening (EEG) nr. 856/84 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk‑ en zuivelproducten(8), en verordening (EEG) nr. 857/84 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelproducten(9) vast. Met deze verordeningen werd met ingang van 1 april 1984 een stelsel van extra heffing op melk ingesteld (hierna: „heffingstelsel”), volgens hetwelk iedere melkproducent slechts de hoeveelheid melk in de handel mocht brengen die overeenkwam met het hem toegewezen melkquotum (hierna: „referentiehoeveelheid”); over alle andere melk moest een extra heffing worden betaald. De referentiehoeveelheid kwam overeen met de in een referentiejaar – voor het Koninkrijk der Nederlanden het jaar 1983 – geproduceerde hoeveelheid melk.
8. Alle producenten die in dat jaar in het kader van een op grond van verordening nr. 1078/77 aangegane niet-leveringsverbintenis geen melk hadden geproduceerd, waren uitgesloten van de toekenning van een referentiehoeveelheid en konden dus ook geen heffingsvrije hoeveelheid melk in de handel brengen.
9. Bij arresten van 28 april 1988 in de zaken Mulder(10) (hierna: „arrest Mulder I”) en Von Deetzen(11) verklaarde het Hof verordening nr. 857/84, zoals aangevuld bij verordening (EEG) nr. 1371/84(12), ongeldig wegens schending van het vertrouwensbeginsel, „voorzover zij niet voorziet in toekenning van een referentiehoeveelheid aan producenten die, ter uitvoering van een op grond van verordening nr. 1078/77 [...] aangegane verbintenis, gedurende het door de betrokken lidstaat gekozen referentiejaar geen melk hadden geleverd”.
10. Naar aanleiding daarvan stelde de Raad verordening (EEG) nr. 764/89 van 20 maart 1989 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 857/84(13) vast. Bij die verordening werd een artikel 3 bis in verordening nr. 857/84 ingevoegd. Die bepaling maakte het mogelijk aan de producenten die ter nakoming van een niet‑leveringsverbintenis gedurende het referentiejaar geen melk hadden geleverd en derhalve tot dusver van het melkquotastelsel waren uitgesloten, onder bepaalde voorwaarden een specifieke referentiehoeveelheid toe te wijzen (artikel 3 bis, lid 1), die overeenkwam met 60 % van hun productie (artikel 3 bis, lid 2) in de loop van de twaalf maanden voorafgaande aan het aangaan van de niet‑leverings‑ of de omschakelingsverbintenis (hierna: „referentieproductie”).
11. Volgens artikel 3 bis, lid 1, ging het om producenten „waarvan de periode van niet-levering of omschakeling krachtens de uit hoofde van verordening (EEG) nr. 1078/77 aangegane verbintenis ten einde loopt na 31 december 1983, of na 30 september 1983 in de lidstaten waar de melkopbrengst in de maanden april tot en met september ten minste tweemaal zo groot is als die in de maanden oktober tot en met maart van het volgende jaar”.
12. Aan deze producenten wordt op aanvraag voorlopig een specifieke referentiehoeveelheid toegewezen wanneer zij onder meer „ter ondersteuning van hun aanvraag ten genoegen van de bevoegde instantie kunnen aantonen dat zij in staat zijn om de aangevraagde referentiehoeveelheid op hun bedrijf te produceren” (artikel 3 bis, lid 1, sub b, van verordening nr. 857/84 in de versie van verordening nr. 764/89).
13. Volgens lid 3 van artikel 3 bis wordt de specifieke referentiehoeveelheid aan de producent definitief toegewezen, indien deze binnen twee jaar te rekenen vanaf 29 maart 1989 ten genoegen van de bevoegde instantie kan bewijzen dat hij de rechtstreekse verkoop en/of de leveringen daadwerkelijk heeft hervat en indien deze tijdens de laatste twaalf maanden een niveau van 80 % of meer van de voorlopige referentiehoeveelheid hebben bereikt. Zoniet gaat de voorlopige referentiehoeveelheid in haar geheel terug naar de communautaire reserve.(14)
14. Bij arrest van 11 december 1990, Spagl(15), verklaarde het Hof artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, ongeldig wegens schending van het vertrouwensbeginsel, voorzover „producenten voor wie de periode van niet-levering of omschakeling krachtens een uit hoofde van verordening nr. 1078/77 [...] aangegane verbintenis vóór 31 december, respectievelijk vóór 30 september 1983 ten einde liep, van de toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid worden uitgesloten”. In dit arrest alsook in het arrest van dezelfde datum in de zaak Pastätter(16) verklaarde het Hof bovendien lid 2 van dit artikel, betreffende de daarin vastgestelde beperking van de specifieke referentiehoeveelheid tot 60 % van de referentieproductie, ongeldig.
15. Naar aanleiding van dit arrest stelde de Raad verordening (EEG) nr. 1639/91 van 13 juni 1991 tot wijziging van verordening nr. 857/84(17) vast. Bij deze verordening werden de ongeldig verklaarde voorwaarden ingetrokken, zodat aan de betrokken producenten een specifieke referentiehoeveelheid kon worden toegewezen.
16. Ten slotte verklaarde het Hof in zijn arrest Wehrs(18) de zogenoemde „anticumulatiebepaling” van artikel 3 bis, lid 1, tweede streepje, van verordening nr. 857/84 in de versie van verordening nr. 764/89 ongeldig. Op grond van die bepaling, die reeds voorkwam in artikel 3 bis, lid 1, eerste alinea, tweede streepje, van verordening nr. 857/84 in de versie van verordening nr. 1639/91, kwamen SLOM-producenten die krachtens artikel 2 van verordening nr. 857/84 reeds (voor een ander bedrijf) een referentiehoeveelheid hadden verkregen, niet in aanmerking voor toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid.
17. Naar aanleiding van het arrest Wehrs stelde de Raad verordening (EEG) nr. 2055/93 van 19 juli 1993 vast, houdende toewijzing van een aanvullende specifieke referentiehoeveelheid aan bepaalde producenten van melk en zuivelproducten.(19) Op grond van deze verordening, die op 1 augustus 1993 in werking is getreden, konden producenten die uit hoofde van verordening nr. 1078/77 een niet-leverings‑ of omschakelingsverbintenis waren aangegaan en – wegens de anticumulatiebepaling – tot dan toe geen recht hadden op toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid, bovenop de oorspronkelijke referentiehoeveelheid een dergelijke hoeveelheid verkrijgen.
B – De vergoeding van de als gevolg van het gemeenschappelijk melkquotastelsel geleden schade
18. Bij interlocutoir arrest van 19 mei 1992, Mulder e.a./Raad en Commissie(20) (hierna: „arrest Mulder II”), veroordeelde het Hof de Gemeenschap tot vergoeding van de schade die sommige melkproducenten als gevolg van verordening nr. 857/84 hadden geleden, voorzover deze verordening niet voorzag in toekenning van een referentiehoeveelheid aan producenten „die in het door de betrokken lidstaat gekozen referentiejaar geen melk hadden geleverd krachtens een verbintenis als bedoeld in verordening (EEG) nr. 1078/77”. Het Hof verzocht partijen de bedragen die moesten worden betaald, in gemeen overleg vast te stellen, zoniet aan het Hof hun becijferde verzoeken over te leggen.
19. Naar aanleiding van dit arrest publiceerden de Raad en de Commissie op 5 augustus 1992 mededeling 92/C 198/04.(21) Na te hebben gewezen op de gevolgen van het arrest Mulder II, gaven zij te kennen dat zij met het oog op de volledige uitvoering van dat arrest voornemens waren praktische modaliteiten voor de vergoeding van de betrokken producenten vast te stellen.
20. Ter uitvoering van het arrest Mulder II stelde de Raad verordening (EEG) nr. 2187/93 van 22 juli 1993 inzake het vergoedingsvoorstel aan bepaalde producenten van melk of zuivelproducten die hun activiteit tijdelijk niet hebben kunnen uitoefenen(22), vast. Bij deze verordening werd aan de producenten aan wie definitief een specifieke referentiehoeveelheid was toegewezen(23), een forfaitair bedrag aangeboden ter vergoeding van alle schade die zij hadden geleden als gevolg van de regeling waarop het arrest Mulder II betrekking had.
21. Bij arrest van 27 januari 2000, Mulder e.a./Raad en Commissie(24) (hierna: „arrest Mulder III”) nam het Hof ten slotte een definitieve beslissing over het bedrag van de vergoeding aan de verzoekers die in deze zaken geen gebruik hadden gemaakt van bovengenoemd vergoedingsaanbod.(25)
III – Feiten
22. De bestreden arresten(26) geven het volgende feitenrelaas.
23. Verzoekers, Bouma en Beusmans, zijn melkproducenten in Nederland, die in het kader van verordening nr. 1078/77 niet-leveringsverbintenissen zijn aangegaan, die op 20 april 1983 respectievelijk 23 december 1983 zijn verstreken.
24. Na afloop van de niet-leveringsverbintenissen hebben verzoekers de melkproductie niet hervat. Beusmans zette evenwel de tijdens de periode van zijn niet-leveringsverbintenis begonnen fokkerij van mestrunderen voort.
25. Na de vaststelling van verordening nr. 1639/91 verzochten verzoekers om een voorlopige referentiehoeveelheid, die Bouma op 28 oktober 1991 en Beusmans op 25 november 1991 werd toegewezen.
26. Na controle door de Algemene Inspectiedienst van de wijze waarop verzoekers de melkproductie hadden hervat, werden de aan verzoekers toegewezen voorlopige referentiehoeveelheden bij beslissing van 19 april 1993 (Beusmans) respectievelijk 4 mei 1993 (Bouma) ingetrokken.
IV – Procedures voor het Gerecht van eerste aanleg en bestreden arresten
27. Bij op 30 september 1993 respectievelijk 14 februari 1994 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschriften hebben Bouma en Beusmans (hierna: „verzoekers”) – krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EG-Verdrag (thans artikelen 235 EG en 288, tweede alinea, EG) – tegen de Raad en de Commissie (hierna: „verweerders”) beroep ingesteld strekkende tot vergoeding van de schade die zij hadden geleden doordat zij als gevolg van verordening nr. 857/84, zoals aangevuld bij verordening nr. 1371/84, niet in staat waren melk te verkopen.
28. Verzoekers vorderden vergoeding van de schade die zij hebben geleden vanaf 1 april 1984, de datum van inwerkingtreding van het heffingstelsel waardoor zij zijn uitgesloten van de toewijzing van referentiehoeveelheden en dus van de melkproductie, tot de dag waarop zij de melkproductie hebben hervat, meer bepaald tot de toewijzing van de voorlopige referentiehoeveelheden op basis van verordening nr. 1639/91.(27)
29. Tot staving daarvan betoogden verzoekers onder meer(28) dat verweerders ten onrechte stelden dat zij geen recht op schadevergoeding hadden omdat zij de melkproductie na afloop van de niet-leveringsverbintenis niet hadden hervat. Zij voerden bovendien redenen aan waarom zij de melkproductie na afloop van hun niet-leveringsverbintenissen in 1983 niet konden hervatten. Verder betwistten verzoekers op basis van het arrest Spagl de stelling van verweerders, dat SLOM-producenten wier niet-leveringsperiode in 1983 was afgelopen en die de melkproductie niet vóór 1 april 1984 hadden hervat, niet voor schadevergoeding in aanmerking kwamen. Zij stelden dat de redenen waarom de verzoeker in het arrest Spagl de melkproductie niet had hervat, niet relevant waren geweest voor de uitspraak van het Hof in het arrest Spagl.
30. Bij beschikkingen van 31 augustus 1994 heeft het Gerecht de behandeling van de zaken T‑533/93 en T‑73/94 geschorst tot aan de uitspraak van het arrest Mulder III.
31. Bij beschikkingen van 11 maart 1999 heeft het Gerecht de hervatting van de behandeling van die zaken gelast.
32. Bij de bestreden arresten van 31 januari 2001 heeft het Gerecht de beroepen verworpen. Het Gerecht baseert zijn uitspraak in wezen op het volgende.
33. Na te hebben gewezen op de algemene voorwaarden voor de niet‑contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap stelt het Gerecht allereerst vast dat de aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor de schade die een melkproducent heeft geleden doordat hij als gevolg van verordening nr. 857/84 geen melk heeft kunnen leveren, op een schending van het vertrouwensbeginsel berust.(29)
34. Vervolgens wijst het Gerecht erop dat volgens de rechtspraak van het Hof een beroep op dit beginsel slechts mogelijk is voorzover de Gemeenschap zelf voordien een situatie heeft geschapen die een gewettigd vertrouwen kon wekken.(30) Zo mag een ondernemer die een niet-leveringsverbintenis is aangegaan, verwachten „dat hij na afloop van zijn verbintenis niet gesteld zal worden voor beperkingen die hem in het bijzonder treffen juist omdat hij gebruik heeft gemaakt van door die gemeenschapsregeling geboden mogelijkheden (arresten Mulder I, punt 24, en Von Deetzen, reeds aangehaald, punt 13)”. „Niet in strijd met het vertrouwensbeginsel is het daarentegen, dat een producent onder een regeling als die van de extra heffing beperkingen krijgt opgelegd, omdat hij in een bepaalde periode vóór de inwerkingtreding van die regeling geen dan wel slechts een geringe hoeveelheid melk op de markt heeft gebracht ingevolge een beslissing die hij vrij heeft genomen, zonder daartoe door een gemeenschapshandeling te zijn aangespoord (arrest Kühn, punt 15).”(31)
35. Vervolgens gaat het Gerecht(32) als volgt in op het arrest Spagl.
„43. Voorts volgt uit bovengenoemd arrest Spagl, dat de Gemeenschap niet, zonder het vertrouwensbeginsel te schenden, automatisch alle producenten wier niet-leverings‑ of omschakelingsverbintenis in 1983 was verstreken, in het bijzonder die producenten die, evenals Spagl, de melkproductie niet hadden kunnen hervatten om redenen in verband met hun verbintenis, van de toekenning van quota kon uitsluiten. Zo overwoog het Hof in punt 13 van dit arrest:
‚De gemeenschapswetgever mocht vóór het einde van de niet-leverings‑ of omschakelingsperiode van betrokkenen weliswaar een uiterste datum invoeren, om de producenten die gedurende het gehele of een gedeelte van het gekozen referentiejaar om andere redenen dan een verbintenis tot niet-levering of omschakeling geen melk hebben geleverd, van [de bepalingen inzake de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid] uit te sluiten, maar het vertrouwensbeginsel, zoals uitgelegd in de voornoemde arresten, verzet zich ertegen dat een dergelijke uiterste datum zodanig wordt vastgesteld, dat de producenten die ter uitvoering van de uit hoofde van verordening nr. 1078/77 aangegane verbintenis gedurende het gehele of een gedeelte van het referentiejaar geen melk hebben geleverd, van [die bepalingen] worden uitgesloten.’
44. Anders dan verzoeker stelt, kan dit arrest slechts worden gelezen met inachtneming van de feiten die ten grondslag lagen aan het geding voor de nationale rechter. Spagl was een landbouwondernemer die na afloop van zijn verbintenis op 31 maart 1983 de melkproductie niet onmiddellijk kon hervatten, aangezien hij niet over het benodigde kapitaal beschikte om een nieuwe melkveestapel te kopen. In plaats daarvan kocht hij vaarzen die hij zelf opfokte om vervolgens die productie in mei of juni 1984 met twaalf koeien te hervatten [...] Bovendien blijkt uit het rapport ter terechtzitting, dat hij tijdens de onderbreking van de melkproductie onderhoudswerkzaamheden aan de voor die productie gebruikte gebouwen en machines had verricht [...]”
36. Uit het arrest Spagl leidt het Gerecht af „dat producenten wier verbintenis in 1983 is verstreken, voor hun beroep tot schadevergoeding enkel met succes schending van het vertrouwensbeginsel kunnen stellen, indien zij aantonen, dat de redenen waarom zij de melkproductie gedurende het referentiejaar niet hebben hervat, verband houden met het feit dat zij die productie gedurende bepaalde tijd hebben gestaakt en zij die om redenen in verband met de organisatie van de productie niet onmiddellijk konden hervatten.”(33)
37. Daartoe baseert het Gerecht zich op het arrest Mulder II(34):
„Bovendien volgt uit het arrest Mulder II, meer bepaald uit punt 23 ervan, dat voor de aansprakelijkheid van de Gemeenschap is vereist, dat de producenten hun voornemen om de melkproductie na afloop van hun niet-leveringsverbintenis te hervatten, duidelijk kenbaar hebben gemaakt. Immers, de onwettigheid naar aanleiding waarvan de verordeningen die de situatie van de SLOM-producenten hebben veroorzaakt, ongeldig zijn verklaard, kan voor deze laatsten slechts een recht op schadevergoeding doen ontstaan, indien hun is belet de melkproductie te hervatten. Dit betekent, dat de producenten wier verbintenis vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 857/84 is verstreken, weer met die productie moeten zijn begonnen of althans maatregelen daartoe moeten hebben getroffen, zoals het doen van investeringen, het verrichten van reparaties of van onderhoudswerkzaamheden aan de voor die productie benodigde installaties (zie daartoe de conclusie van advocaat-generaal Van Gerven bij het arrest Mulder II, Jurispr. blz. I‑3094, punt 30).”
38. De voorwaarde dat het voornemen om de melkproductie te hervatten, duidelijk kenbaar moet worden gemaakt, past het Gerecht als volgt toe op de situatie van verzoekers(35):
„48. Aangezien verzoeker de melkproductie niet heeft hervat tussen de datum van verstrijken van zijn niet-leveringsverbintenis, 20 april 1983, en die van inwerkingtreding van de quotaregeling, 1 april 1984, moet hij, opdat er een grondslag voor zijn schadevordering bestaat, aantonen dat hij voornemens was die productie na afloop van zijn niet-leveringsverbintenis te hervatten en dat hij hiertoe als gevolg van de inwerkingtreding van verordening nr. 857/84 niet in staat was.”
39. Dienovereenkomstig onderzoekt het Gerecht telkens of het voornemen kenbaar is gemaakt:
– In het arrest Bouma (punt 49):
„49. Om te beginnen blijkt evenwel, dat hoewel verzoekers niet‑leveringsverbintenis meer dan elf maanden vóór de datum van inwerkingtreding van de melkquotaregeling is verstreken, hij de melkproductie op die datum niet heeft hervat. Verder heeft hij geen bewijs aangedragen, dat hij zich met de nationale autoriteiten in verbinding heeft gesteld om bij de inwerkingtreding van de melkquotaregeling in 1984 een referentiehoeveelheid te verkrijgen. Ten slotte heeft hij niet aangetoond, dat hij andere stappen heeft ondernomen, waaruit kan blijken, dat hij voornemens was na afloop van zijn verbintenis de melkproductie te hervatten. Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat aankoopbonnen van graszaad, deels gedateerd augustus 1983, niet volstaan ten bewijze van een dergelijk voornemen.”
– In het arrest Beusmans (punt 48):
„48. Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat verzoeker weliswaar koeien bezat die volgens hem voor zowel de vlees‑ als de melkproductie konden worden ingezet, doch de melkproductie na afloop van zijn verbintenis niet heeft hervat. Verder heeft hij geen bewijs aangedragen, dat hij zich met de nationale autoriteiten in verbinding heeft gesteld om bij de inwerkingtreding van de melkquotaregeling in 1984 een referentiehoeveelheid te verkrijgen. Ten slotte heeft hij niet aangetoond, dat hij andere stappen heeft ondernomen, waaruit kan blijken, dat hij voornemens was na afloop van zijn verbintenis de melkproductie te hervatten.”
40. Bovendien stelt het Gerecht vast dat, anders dan verzoekers stellen, het feit dat zij bij de inwerkingtreding van verordening nr. 1639/91 een voorlopige referentiehoeveelheid hebben verkregen, niet betekent dat zij recht hebben op schadevergoeding van de Gemeenschap; dat bewijst derhalve op zichzelf nog niet dat zij bij het verstrijken van hun niet-leveringsverbintenis voornemens waren de melkproductie te hervatten.(36)
41. Op deze gronden komt het Gerecht ten slotte, zonder dat het nader onderzoek nodig acht, tot de conclusie dat de Gemeenschap niet jegens verzoekers aansprakelijk kan worden gehouden wegens de toepassing van verordening nr. 857/84.(37)
V – De hogere voorzieningen
42. Bouma en Beusmans (hierna: „rekwiranten”) hebben op 31 april 2001 bij het Hof hogere voorziening ingesteld tegen de arresten van het Gerecht van eerste aanleg. Tot staving van hun hogere voorziening voeren zij vijf middelen aan. Ieder van hen vordert:
– het arrest te vernietigen;
– de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen;
– de Raad en de Commissie te verwijzen in de kosten van het geding voor het Gerecht en in de kosten van deze procedure.
43. De Raad vordert in beide zaken:
– de hogere voorziening gedeeltelijk niet-ontvankelijk en in elk geval in haar geheel ongegrond te verklaren;
– rekwiranten te verwijzen in de kosten.
44. De Commissie vordert in beide zaken:
– de hogere voorziening ongegrond te verklaren;
– rekwiranten te verwijzen in de kosten van deze procedure.
45. Bij beschikking van de president van 20 juni 2003 werden de twee zaken ter gelijktijdige berechting gevoegd.
VI – Discussie
A – Opmerkingen vooraf
1. De verschillende categorieën geraakte producenten
46. Om te beginnen dient over de achtergrond van de onderhavige zaken erop te worden gewezen dat er gelet op het grote aantal geraakte SLOM-producenten een groot aantal soortgelijke beroepen bij het Gerecht van eerste aanleg zijn ingesteld, die om redenen van proceseconomie aan de hand van verschillende kenmerken en gemeenschappelijke punten zijn gegroepeerd in modelprocedures.
47. In feite kan op grond van het samenspel van de verschillende regelingen en „reparatieregelingen” op het gebied van de toewijzing van een referentiehoeveelheid en aan de hand van de door de rechtspraak en de gemeenschapswetgever geschapen vergoedingsmogelijkheden onderscheid worden gemaakt tussen verschillende groepen van SLOM-producenten, die op verschillende wijze worden geraakt. Sommige van deze onderscheidingen behoren kennelijk reeds tot de vaste terminologie van de partijen en instanties die zich met de SLOM-problematiek bezighouden. Voor een goed begrip van de volgende bespreking alsook van het betoog van partijen acht ik het dan ook dienstig hier op sommige van deze categorisaties te wijzen.(38)
48. In de eerste plaats kan een groep SLOM-producenten worden geïdentificeerd, wier niet-leveringsverbintenis na 31 december 1983 afliep, en aan wie dus reeds een specifieke referentiehoeveelheid kon worden toegewezen op basis van verordening nr. 764/89 van 20 maart 1989, waarbij de litigieuze berekening van de referentiehoeveelheden volgens verordening nr. 857/84 een eerste maal is gewijzigd. Tot deze zogenoemde SLOM I-producenten behoren met name de SLOM 1984-producenten, dus SLOM-producenten wier niet‑leveringsverbintenis in de loop van 1984 afliep.
49. Van de SLOM I-producenten worden onderscheiden de SLOM-producenten die pas na de wijziging van verordening nr. 857/84 bij verordening nr. 1639/91 in aanmerking kwamen voor de toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid. Een subgroep van deze gewoonlijk als SLOM II-producenten aangeduide groep zijn de SLOM 1983-producenten, dus SLOM-producenten wier niet-leveringsverbintenissen in de loop van het referentiejaar 1983 afliepen, en die dus niet in aanmerking kwamen voor een toewijzing op basis van verordening nr. 764/89.
50. Ten slotte hebben partijen het in hun betoog ook over SLOM III-producenten, producenten die, omdat de anti-cumulatiebepaling(39) op hen van toepassing was, eerst op basis van verordening nr. 2055/93 een specifieke referentiehoeveelheid konden krijgen.
51. Voor het overige moet voor ogen worden gehouden dat het vergoedingsvoorstel van verordening nr. 2187/93 was gericht tot alle producenten aan wie op basis van een van bovengenoemde verordeningen definitief een specifieke referentiehoeveelheid was toegewezen.(40)
2. Voorwerp van de onderhavige procedure
52. De bij de onderhavige procedure betrokken partijen zijn met betrekking tot het voorwerp van deze procedure om te beginnen ingegaan op de vraag om welke categorieën SLOM-producenten het in casu gaat. Op dit algemene juridische betoog zal nader moeten worden ingegaan bij de bespreking van de middelen in hogere voorziening waarin dit betoog concrete vorm krijgt. Voor een beter begrip van het betoog van partijen dienen hun opmerkingen evenwel vooraf kort te worden geschetst.
53. Volgens rekwiranten is de onderhavige procedure opgevat als een proefprocedure voor een groep van SLOM 1983-producenten die als kenmerk hebben dat hun aanvankelijk op basis van verordening nr. 1639/91 een specifieke referentiehoeveelheid was toegewezen, die hun later evenwel weer is afgenomen. Het gaat erom, te verduidelijken of deze laatste omstandigheid iets kan veranderen aan de schadevergoedingsaanspraken van de SLOM 1983-producenten jegens de Gemeenschap. In beginsel stellen zij dat SLOM II-producenten evenzeer en onder dezelfde voorwaarden als de SLOM I-producenten recht hebben op een vergoeding.
54. Rekwiranten betogen dat zij met de onderhavige hogere voorzieningen in wezen opkomen tegen het feit dat het Gerecht met betrekking tot de schadevergoedingsaanspraken in de bestreden arresten geen beslissende aandacht heeft besteed aan de intrekking van de specifieke referentiehoeveelheden, maar zijn beslissing heeft laten afhangen van het antwoord op de vraag of de producenten hun voornemen om de melkproductie na afloop van hun niet‑leveringsverbintenis te hervatten, duidelijk kenbaar hadden gemaakt. Zij wijzen erop dat daardoor ook de schadevergoedingsaanspraken van die SLOM 1983-producenten onzeker kunnen worden die definitief een specifieke referentiehoeveelheid hadden gekregen, en wier schadevergoedingsaanspraken de Commissie reeds heeft erkend.
55. De Commissie en de Raad beklemtonen daarentegen in wezen dat het in casu gaat om SLOM 1983-producenten die geen definitieve referentiehoeveelheid hebben gekregen, en zijn van mening dat het Gerecht zich in de bestreden arresten terecht op het standpunt heeft gesteld dat de schadevergoedingsaanspraken van deze producenten afhankelijk zijn van de hervatting van de melkproductie respectievelijk van het blijk geven van het voornemen daartoe.
56. Voorzover rekwiranten er in deze discussie eigenlijk tegen opkomen dat in de bestreden arresten niet is beslist over de rechtspositie van de met de modelprocedure beoogde „doelgroep” van producenten, dient er om te beginnen op te worden gewezen dat het Gerecht in het kader van de onderhavige beroepen tot schadevergoeding krachtens artikel 235 EG juncto artikel 288, tweede alinea, EG a priori niet hoefde te beslissen met het oog op een op basis van welk criterium dan ook gevormde groep van personen die door de litigieuze gemeenschapshandeling worden geraakt, maar wel diende uit te maken of met betrekking tot de betrokken verzoekers is voldaan aan de voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap. Daarom valt niet uit te sluiten dat de arresten uiteindelijk niet exact zien op de groep waarvoor de procedure als model zou moeten dienen, zonder dat dit evenwel in beginsel aan het Gerecht kan worden verweten.
57. Bovendien moet worden vastgesteld dat ook in een procedure in hogere voorziening het voorwerp of de draagwijdte van de onderhavige zaken niet kan worden „omgezet” in de vaststelling van de schadevergoedingsaanspraken van een bepaalde groep SLOM-producenten. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Hof zich in een procedure in hogere voorziening niet mag inlaten met het rechtsgeding in zijn geheel en niet opnieuw uitspraak mag doen op het bij het Gerecht ingediende beroep, maar alleen bevoegd is om het arrest van het Gerecht in het kader van de aangevoerde middelen in hogere voorziening op onjuiste rechtsopvattingen te onderzoeken.(41)
B – De middelen in hogere voorziening in het bijzonder
58. Rekwiranten baseren hun hogere voorziening in de twee zaken telkens op vijf middelen.(42) Op basis van de onderdelen van de arresten Bouma en Beusmans waarop deze middelen betrekking hebben, is het beter eerst het eerste middel in hogere voorziening, vervolgens het derde middel, dan het tweede en het vierde middel tezamen en ten slotte het vijfde middel te onderzoeken.
1. Het eerste middel in hogere voorziening
a) Voornaamste argumenten van partijen
59. Met het eerste middel in hogere voorziening, dat uit zeven onderdelen bestaat, betogen rekwiranten in wezen dat het Gerecht in de punten 43 tot en met 45 van het arrest Bouma en in de punten 42 tot en met 44 van het arrest Beusmans het arrest Spagl onjuist heeft uitgelegd en daaruit onjuiste conclusies heeft getrokken met betrekking tot de schadevergoedingsaanspraken van de SLOM 1983-producenten. Zij komen vooral op tegen een uitlegging van het arrest Spagl dat niet alle SLOM 1983-producenten aanspraak hebben op schadevergoeding, maar alleen de SLOM 1983-producenten die aantonen dat zij hun productie om bijzondere redenen niet onmiddellijk konden hervatten.
60. Tegen die uitlegging brengen rekwiranten in dat het arrest Spagl betrekking heeft(43) op alle SLOM 1983-producenten en dat, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, niets erop wijst dat het Hof de nietigverklaring van verordening nr. 857/84 heeft willen beperken tot de gevallen waarin de betrokken SLOM-producenten na afloop van hun niet-leveringsverbintenissen de melkproductie in het referentiejaar 1983 konden hervatten. Voorts heeft het Hof reeds in het arrest Spagl, zoals uit een gezamenlijke lezing van het arrest en de conclusie(44) blijkt, het betoog verworpen dat Spagl de productie in de periode tussen de afloop van zijn niet-leveringsverbintenis en de invoering van het heffingstelsel had kunnen hervatten. Uit het arrest Spagl en de desbetreffende conclusie van de advocaat-generaal blijkt bovendien niet dat het Hof bij deze uitspraak rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden van de zaak die het Gerecht heeft genoemd en aan zijn uitlegging ten grondslag heeft gelegd.
61. Voorts stelt verordening nr. 1639/91 noch verordening nr. 2187/93 volgens rekwiranten bijkomende voorwaarden voor een schadevergoedingsaanspraak zoals die welke het Gerecht in de bestreden arresten heeft vastgesteld, en hebben ook de Raad en de Commissie steeds erkend dat de SLOM 1983-producenten en de SLOM 1984-producenten, gelet op het arrest Spagl, dezelfde schadevergoedingsaanspraken hadden. De bestreden arresten resulteren dus in een schending van verschillende algemene rechtsbeginselen, zoals het gelijkheids-, het rechtszekerheids‑ en het vertrouwensbeginsel, jegens de SLOM 1983-producenten. Het Gerecht is er bovendien aan voorbijgegaan dat de zaak Spagl een proefprocedure was die de rechten en plichten van alle SLOM 1983-producenten betrof. Doordat het Gerecht de betekenis van dit arrest meer dan tien jaar na de uitspraak ervan tegen de achtergrond van de toenmalige feiten probeert te beperken, gaat het ook voorbij aan de rechtspraak van het Hof.
62. Bovendien heeft het Gerecht, doordat het van de SLOM 1983-producenten heeft verlangd te bewijzen dat zij concrete maatregelen voor de hervatting van de melkproductie na afloop van hun niet-leveringsverbintenissen hadden genomen, een bijkomende voorwaarde gesteld, die niet strookt met de in het arrest Mulder II geformuleerde beginselen. Voor de SLOM 1984-producenten op wie dit arrest betrekking had, heeft het Hof de schadevergoedingsaanspraak niet aan een dergelijke voorwaarde verbonden.
63. Ten slotte zijn rekwiranten van mening dat de bestreden arresten in tegenspraak zijn met het arrest van het Gerecht in de gevoegde zaken Quiller en Heusmann(45), dat rechtstreeks van belang is, omdat Quiller niet alleen een SLOM III-producent, maar ook een SLOM 1983-producent was. In dat arrest heeft het Gerecht, anders dan in de bestreden arresten, het betoog van de instellingen verworpen dat de verzoeker een referentiehoeveelheid had kunnen krijgen indien hij de melkproductie in 1983 had hervat.
64. De Raad weerlegt in detail de verschillende argumenten van rekwiranten. Daarbij wijst hij er in het bijzonder op dat het arrest Spagl de geldigheid van verordening nr. 857/84 betreft, terwijl het in casu gaat om de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap, die, zoals het Gerecht terecht heeft uiteengezet, algemeen afhangt van een aantal voorwaarden. Uit het arrest Spagl alleen kan niet rechtstreeks een aansprakelijkheid van de Gemeenschap worden afgeleid. Er is hoe dan ook geen tegenspraak tussen het arrest Spagl en de bestreden arresten. Evenmin zijn deze arresten in tegenspraak met het arrest Mulder II. Het Gerecht heeft namelijk het criterium van het Hof, dat de verzoeker zijn voornemen om de productie te hervatten duidelijk kenbaar moet hebben gemaakt, zonder toevoegingen op de onderhavige zaken toegepast. Anders dan rekwiranten menen, werden de SLOM 1983-producenten niet benadeeld ten opzichte van de SLOM 1984-producenten waaromtrent het in het arrest Mulder II ging. Het gaat niet om een verschillende behandeling van de SLOM 1983-producenten en de SLOM 1984-producenten, maar om een verschillende behandeling van de producenten die het voornemen hadden om na afloop van hun niet-leveringsverbintenis de productie te hervatten, en degenen die dat voornemen niet hadden.
65. Anders dan de Raad, heeft de Commissie de eerste drie middelen in hogere voorziening niet afzonderlijk behandeld. Het standpunt van de Commissie stemt in zoverre overeen met dat van de Raad dat beiden de grieven van rekwiranten als ongegrond of irrelevant verwerpen, en in wezen stellen dat het Gerecht de arresten waarop de bestreden arresten zijn gebaseerd, juist heeft uitgelegd en de voorwaarden voor een schadevergoedingsaanspraak correct heeft vastgesteld. Met betrekking tot de door rekwiranten aangehaalde arresten wijzen beiden er herhaaldelijk op dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de arresten die de geldigheid van de bepalingen ter zake van de heffingregeling betreffen, en de arresten die de schadevergoedingsaanspraken van de betrokken producenten betreffen.
66. Verder stelt de Commissie dat het arrest Spagl, dat de geldigheid van verordening nr. 857/84 – dus in het bijzonder de toewijzing van een referentiehoeveelheid – betrof, niet beslissend is voor de vordering tot schadevergoeding, die hier aan de orde is. Evenmin is het arrest Quiller relevant. Voor het overige verwerpt de Commissie het verwijt dat het Gerecht in de bestreden arresten voor de aansprakelijkheid jegens de SLOM 1983-producenten een strenger criterium heeft gehanteerd dan in het arrest Mulder II jegens de SLOM 1984-producenten. Zoals de Raad is de Commissie van mening dat de situatie van de SLOM 1983-producenten in zoverre verschilt van die van de SLOM 1984-producenten dat eerstgenoemden de melkproductie na afloop van hun niet-leveringsverbintenis in feite hadden kunnen hervatten, daar de heffingregeling nog niet van toepassing was.
b) Bespreking
67. Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd – en daarop heeft het Gerecht in punt 39 van het arrest Bouma en in punt 38 van het arrest Beusmans terecht gewezen – dat volgens vaste rechtspraak voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor normatief handelen aan een aantal voorwaarden moet worden voldaan: onrechtmatigheid van de aan de instellingen verweten gedraging, bestaan van werkelijke schade en een causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging en de gestelde schade.(46)
68. Uiteraard geldt niets anders voor de aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor schade die de SLOM-producenten in voorkomend geval als gevolg van verordening nr. 857/84 in haar verschillende versies hebben geleden.
69. Reeds daaruit volgt, anders dan uit het uitgangspunt van rekwiranten, dat uit het arrest Spagl, waarin het Hof in het kader van een prejudiciële verwijzing alleen uitspraak heeft gedaan over de geldigheid van artikel 3 bis van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de SLOM 1983-producenten of andere SLOM-producenten schadevergoedingsaanspraken hebben. Evenmin volgt uit de in de arresten Mulder I, Von Deetzen of Pastätter vastgestelde ongeldigheden rechtstreeks een aansprakelijkheid van de Gemeenschap.
70. Wat de vaststelling van de onrechtmatigheid van een rechtshandeling van de Gemeenschap betreft, hebben deze arresten evenwel raakvlakken met een van de voorwaarden voor aansprakelijkheid, en kunnen zij dus het uitgangspunt vormen voor schadevergoedingsaanspraken jegens de Gemeenschap.
71. Zo kwam het Hof in zijn arrest Mulder II op basis van zijn vaststellingen in de arresten Mulder I en Von Deetzen, dat bij de vaststelling van verordening nr. 857/84, zoals aangevuld bij verordening nr. 1371/84, het vertrouwensbeginsel was geschonden, tot de conclusie dat de Gemeenschap de schade moest vergoeden die de producenten als gevolg van de toepassing van deze verordeningen hadden geleden. Daartoe heeft het Hof er onder meer op gewezen dat het vertrouwensbeginsel een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel is, en dat er – zoals in de vaste rechtspraak voor de aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor rechtsregels die economische beleidskeuzen impliceren, wordt geëist – sprake moet zijn van een voldoende gekwalificeerde schending van deze rechtsnorm.(47)
72. Zoals het Gerecht in punt 40 van het arrest Bouma en in punt 39 van het arrest Beusmans dus terecht heeft vastgesteld, berust de aansprakelijkheid van de Gemeenschap jegens SLOM-producenten die zijn benadeeld doordat zij als gevolg van verordening nr. 857/84 geen melk hebben kunnen leveren, derhalve op een schending van het vertrouwensbeginsel.
73. In deze context moeten de gelaakte overwegingen van het Gerecht met betrekking tot het arrest Spagl worden gezien. Zij betreffen de draagwijdte van het vertrouwensbeginsel wat de SLOM 1983-producenten betreft, en dus de voorwaarde van onrechtmatigheid van de handeling van de Gemeenschap.
i) Het vertrouwensbeginsel en de betekenis van de hervatting van de melkproductie
74. Om te beginnen dient te worden vastgesteld dat het Hof in zijn arresten over SLOM-producenten reeds meermaals uitspraak heeft gedaan over de draagwijdte van het vertrouwensbeginsel. Deze rechtspraak wordt overigens ook door het Gerecht in de punten 41 en 42 van het arrest Bouma en in de punten 40 en 41 van het arrest Beusmans aangehaald.
75. Volgens deze rechtspraak geldt algemeen dat ten aanzien van een gemeenschapsregeling slechts een beroep kan worden gedaan op het vertrouwensbeginsel, wanneer de Gemeenschap zelf een situatie heeft geschapen die een gewettigd vertrouwen kan opwekken.(48)
76. Met betrekking tot de situatie van een SLOM-producent houdt het vertrouwensbeginsel derhalve in dat een dergelijke producent mag verwachten dat hij na afloop van zijn verbintenis niet wordt onderworpen aan beperkingen die hem juist daarom bijzonder benadelen, omdat hij de door de gemeenschapsregeling geboden mogelijkheden heeft gebruikt.(49) Hij mag met andere woorden verwachten dat zijn niet-leveringsverbintenis beperkt is.
77. Het vertrouwensbeginsel staat daarentegen niet eraan in de weg dat een producent door een regeling zoals die inzake de extra-heffing aan beperkingen wordt onderworpen omdat hij tijdens een bepaalde periode vóór de inwerkingtreding van deze regeling om redenen buiten zijn niet leverings‑ of omschakelingsverbintenis om, geen melk op de markt heeft gebracht.(50)
78. Bijgevolg is het voor het vertrouwensbeginsel wel degelijk van belang om welke redenen de betrokken SLOM-producent geen ‑ of slechts een geringe hoeveelheid ‑ melk heeft verkocht en derhalve geen referentiehoeveelheid heeft gekregen. De producent kan zich dus slechts dan op schending van zijn gewettigd vertrouwen in de beperktheid van zijn niet-leveringsverbintenis beroepen, wanneer de reden voor het ontbreken van een referentieproductie juist verband houdt met het feit dat hij een dergelijke verbintenis was aangegaan.
79. Indien de productie na afloop van de verbintenis om andere redenen uitbleef, kan de betrokken producent zich niet op het vertrouwensbeginsel beroepen.
80. Dat is in het bijzonder het geval met een SLOM-producent die de melkproductie na afloop van een niet-leveringsverbintenis vrijwillig niet heeft hervat. In deze zin heeft het Hof in het arrest Kühn verklaard dat het niet met het vertrouwensbeginsel in strijd is „dat een producent onder een regeling als die van de extra heffing beperkingen krijgt opgelegd, omdat hij in een bepaalde periode vóór de inwerkingtreding van die regeling ingevolge een door hem vrij genomen beslissing, zonder daartoe door een gemeenschapshandeling aangespoord te zijn, geen dan wel slechts een geringe hoeveelheid melk op de markt heeft gebracht”.(51)
81. Een andere reden waarom hervatting kan uitblijven buiten de omschakelings‑ of niet-leveringsverbintenis om, is bijvoorbeeld arbeidsongeschiktheid.(52)
82. In al deze gevallen bevinden de SLOM-producenten zich namelijk in dezelfde situatie als iedere andere marktdeelnemer die tijdens de referentieperiode geen melk heeft geleverd en volgens vaste rechtspraak op het gebied van de gemeenschappelijke marktordeningen, waarvan het doel een voortdurende aanpassing aan de verandering van de economische situatie meebrengt, niet mag verwachten dat hij niet wordt onderworpen aan beperkingen die uit bepalingen van markt‑ en structuurbeleid volgen.(53)
83. Dergelijke SLOM-producenten moeten derhalve aanvaarden dat zij geen referentiehoeveelheid krijgen wanneer zij de melkproductie later hervatten.
84. Tegen de achtergrond van deze rechtspraak dienen thans de overwegingen van het Gerecht op basis van het arrest Spagl te worden besproken.
ii) De door het Gerecht op basis van het arrest Spagl gedane vaststellingen inzake het vertrouwensbeginsel
85. Om te beginnen heeft het Gerecht in punt 43 van het arrest Bouma en in punt 42 van het arrest Beusmans terecht verklaard dat uit het arrest Spagl volgt, dat de Gemeenschap het vertrouwensbeginsel schendt wanneer zij automatisch alle SLOM 1983-producenten en in het bijzonder de producenten die, zoals Spagl, de melkproductie niet hadden kunnen hervatten om redenen in verband met hun verbintenis, van de toekenning van quota uitsluit.
86. Dit volgt namelijk uit het antwoord dat het Hof in het arrest Spagl op de eerste prejudiciële vraag(54) heeft gegeven, in het bijzonder in samenhang met punt 13 van dat arrest, dat het Gerecht woordelijk heeft weergegeven.
87. Voorts moet het arrest Spagl, zoals het Gerecht vervolgens in punt 44 van het arrest Bouma en punt 43 van het arrest Beusmans heeft verklaard, inderdaad worden gelezen tegen de achtergrond van de feiten die aan het geding voor de verwijzende rechter ten grondslag lagen, en wel aldus dat de in deze zaak gelaakte regeling het vertrouwensbeginsel slechts in zoverre had geschonden of slechts met betrekking tot de SLOM 1983-producenten die ter nakoming van een krachtens verordening nr. 1078/77 aangegane verbintenis – en niet om andere redenen – tijdens het gehele referentiejaar of een deel daarvan geen melk hebben geleverd. Met de overwegingen over de concrete situatie van Spagl geeft het Gerecht te kennen dat Spagl juist een SLOM 1983-producent was die om redenen in verband met zijn verbintenis in het referentiejaar geen melk had geleverd.
88. Voor het overige dienen deze overwegingen van het Gerecht over het arrest Spagl dus te worden opgevat als een antwoord op het in punt 34 van het arrest Bouma respectievelijk punt 33 van het arrest Beusmans samengevatte betoog van de toenmalige verzoekers dat het van geen belang is waarom de verzoeker in de zaak Spagl de melkproductie niet had hervat.
89. Punt 44 van het arrest Bouma en punt 43 van het arrest Beusmans geven dus evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
90. Ten slotte is het Gerecht in punt 45 van het arrest Bouma en punt 44 van het arrest Beusmans tot de beslissende conclusie gekomen dat het vertrouwensbeginsel van toepassing is op de situatie van de SLOM 1983-producenten, tegen welke conclusie het eerste middel in hogere voorziening vooral is gericht. Volgens het Gerecht kunnen de SLOM 1983-producenten voor hun beroep tot schadevergoeding enkel met succes schending van het vertrouwensbeginsel stellen, indien zij aantonen dat de redenen waarom zij de melkproductie gedurende het referentiejaar niet hebben hervat, verband houden met het feit dat zij die productie gedurende bepaalde tijd hadden gestaakt en zij die productie om redenen in verband met de organisatie ervan niet onmiddellijk konden hervatten.
91. Zoals reeds volgt uit hetgeen ik hierboven heb gezegd, strookt deze vaststelling met de uitlegging die het Hof in vaste rechtspraak alsook in het arrest Spagl aan het vertrouwensbeginsel heeft gegeven, en volgens welke SLOM-producenten zich niet op dit beginsel kunnen beroepen wanneer zij tijdens de referentieperiode wegens een – zij het tijdelijke – vrijwillige stopzetting van de melkproductie geen melk hebben geleverd.
92. Op basis van het vertrouwensbeginsel kan derhalve terecht worden verlangd dat SLOM 1983-producenten die de melkproductie na afloop van hun niet-leveringsverbintenissen niet hebben hervat, aantonen dat de niet-hervatting van de productie verband houdt met hun verbintenis, of, met andere woorden, dat zij – wanneer zij de melkproductie daadwerkelijk niet hebben hervat – tenminste het voornemen daartoe hadden.
93. Anders dan rekwiranten menen, is ook dit, zoals de Raad en de Commissie terecht hebben gesteld, niet in tegenspraak met het arrest Mulder II en met het criterium dat het Hof daarin voor de SLOM 1984-producenten heeft geformuleerd. Enerzijds moet namelijk voor ogen worden gehouden dat de niet-leveringsverbintenissen van de SLOM 1984-producenten, anders dan die van de SLOM 1983-producenten, tijdens de gehele referentieperiode golden, en dat de SLOM 1984-producenten in deze periode dus reeds op basis van deze verbintenissen geen melk konden produceren. Anderzijds heeft het Hof ook in het arrest Mulder II onderzocht of de producenten voornemens waren de melkproductie te hervatten, dan wel deze vrijwillig hadden stopgezet.(55)
94. Op de uitlegging van het arrest Mulder II zal ik nader ingaan bij de bespreking van het derde middel in hogere voorziening.
95. Mitsdien moet worden vastgesteld dat het Gerecht in de bestreden arresten het arrest Spagl correct heeft uitgelegd en op basis daarvan correcte vaststellingen met betrekking tot het vertrouwensbeginsel heeft gedaan. In deze omstandigheden moet het eerste middel in hogere voorziening ongegrond worden verklaard.
2. Het derde middel in hogere voorziening
a) Voornaamste argumenten van partijen
96. In hun derde middel in hogere voorziening stellen rekwiranten in wezen dat het Gerecht in punt 46 van het arrest Bouma en in punt 45 van het arrest Beusmans ten onrechte uit het arrest Mulder II heeft afgeleid dat producenten wier verbintenis vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 857/84 is verstreken, weer met de productie moeten zijn begonnen of althans maatregelen daartoe moeten hebben getroffen.
97. Zij stellen dat het Hof in het door het Gerecht aangehaalde punt 23 van dat arrest alleen heeft vastgesteld dat de betrokken SLOM-producenten voldoende duidelijk hun voornemen kenbaar hadden gemaakt, de melkproductie te hervatten; een uitputtende opsomming van de mogelijkheden om het voornemen kenbaar te maken, wordt daarin niet gegeven. Overigens gaat het Hof in het arrest Mulder II geenszins in op de bijzondere situatie van de SLOM 1983-producenten.
98. Bovendien kan uit de door het Gerecht aangehaalde passages van het arrest en de desbetreffende conclusie alleen het tegendeel van de opvatting van het Gerecht worden afgeleid. In geen geval kan daaruit worden afgeleid dat, wanneer de melkproductie niet vóór 1 april 1984 is hervat, er een – weerlegbaar – vermoeden bestaat dat de betrokken producent zijn melkproductie definitief heeft stopgezet.
99. Volgens de Raad heeft het Gerecht dienaangaande in de bestreden arresten geen juridisch vermoeden geformuleerd, maar slechts de algemene civielrechtelijke regel toegepast dat degene die schadevergoeding vordert, moet bewijzen dat is voldaan aan de vereisten voor aanspraak daarop. Zoals het Gerecht in punt 46 van het arrest Bouma en in punt 45 van het arrest terecht heeft vastgesteld, is volgens het arrest Mulder II voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap vereist dat de producent zijn voornemen, de productie te hervatten, kenbaar heeft gemaakt.
100. Verder wijst de Raad erop dat de situatie van rekwiranten niet vergelijkbaar is met die van de verzoekers in de zaak Mulder II, aangezien juridisch niets eraan in de weg stond dat eerstgenoemden de melkproductie na afloop van hun niet-leveringsverbintenissen hervatten. Alles welbeschouwd, heeft het Gerecht terecht naar het arrest Mulder II en de desbetreffende conclusie verwezen.
101. De Commissie is het grotendeels eens met het Gerecht dat volgens het arrest Mulder II – tot dusver het enige arrest van het Hof over de aansprakelijkheid van de Gemeenschap jegens de SLOM-producenten – de producenten hun voornemen, de melkproductie na afloop van hun niet‑leveringsverbintenissen te hervatten, duidelijk kenbaar moeten maken. Wanneer een producent wiens niet-leveringsverbintenis in 1983 afliep, de productie niet heeft hervat of geen maatregelen daartoe heeft genomen, heeft hij in beginsel geen recht op schadevergoeding.
b) Bespreking
102. Zoals ik in het kader van het eerste middel in hogere voorziening heb uiteengezet, is het in verband met de voor de aansprakelijkheid gestelde voorwaarde van onrechtmatigheid, voorzover deze bestaat in een schending van het vertrouwensbeginsel, van belang om welke reden de productie in de referentieperiode uitbleef en om welke reden dus geen referentiehoeveelheid is toegewezen. Een soortgelijke vraag rijst evenwel ook met betrekking tot de voorwaarde van het causaal verband.
103. Volgens deze voorwaarde is namelijk vereist dat tussen de niet-toewijzing van een referentiehoeveelheid krachtens verordening nr. 857/84 en de gestelde schade in de vorm van de derving van inkomsten uit melkleveringen een – voldoende direct – causaal verband bestaat.(56)
104. Wanneer een SLOM-deelnemer na afloop van zijn niet-leveringsverbintenis de melkproductie vrijwillig stopzet, is de gestelde schade het gevolg van die stopzetting en niet van het feit dat de gemeenschapswetgever in verordening nr. 857/84 de situatie van de SLOM-producenten niet in aanmerking heeft genomen en niet heeft voorzien in toewijzing van een referentiehoeveelheid aan deze producenten.
105. Dienovereenkomstig heeft het Hof, in punt 23 van het arrest Mulder II, waarnaar het Gerecht terecht heeft verwezen, vastgesteld dat de verzoekers in die zaak „hun voornemen om hun activiteiten als melkproducent te hervatten [...] naar behoren kenbaar [hebben] gemaakt, zodat de derving van inkomsten uit melkleveringen niet kan worden beschouwd als de consequentie van een staking van de melkproductie, waartoe verzoekers vrijwillig hadden besloten”.
106. In het arrest Mulder II heeft het Hof het vereiste causaal verband tussen de litigieuze onrechtmatige handeling en de derving van inkomsten uit melkleveringen dus bevestigend beantwoord op grond dat de SLOM 1984-producenten hun voornemen, de melkproductie te hervatten, naar behoren kenbaar hadden gemaakt.
107. In deze omstandigheden kon het Gerecht, anders dan rekwiranten menen, op basis van het arrest Mulder II en van de desbetreffende conclusie terecht aannemen dat producenten wier verbintenis vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 857/84 was verstreken, weer met de productie hadden moeten zijn begonnen of althans maatregelen daartoe hadden moeten treffen, zoals het doen van investeringen, het verrichten van reparaties of van onderhoudswerkzaamheden aan de voor die productie benodigde installaties.
108. Wanneer de producent na afloop van zijn niet-leveringsverbintenis dus zelfs geen aanstalten maakt – waarbij de opgave door het Gerecht van de betrokken maatregelen blijkens de bewoordingen ervan zuiver exemplatief is – om de melkproductie te hervatten, ofschoon de hervatting althans tijdelijk mogelijk was, mag worden aangenomen dat deze producent vrijwillig geen melk heeft geproduceerd, en dus niet omdat een gemeenschapsregeling daaraan in de weg stond.
109. In zoverre heeft het Gerecht het door het Hof in het arrest Mulder II met betrekking tot de SLOM 1984-producenten geformuleerde vereiste dat het voornemen van de producent, de activiteit na afloop van de niet‑leveringsverbintenis te hervatten, duidelijk moet zijn, slechts mutatis mutandis toegepast op de situatie van de SLOM 1983-producenten, die, anders dan de SLOM 1984-producenten, onmiddellijk na afloop van hun verbintenissen – zonder dat de heffingregeling daaraan in de weg stond – melk konden produceren.
110. Daaruit volgt dat het Gerecht in punt 46 van het arrest Bouma en in punt 45 van het arrest Beusmans het arrest Mulder II juist heeft uitgelegd en op deze basis rechtens geen onjuiste conclusie met betrekking tot de voorwaarden voor de aansprakelijkheid van de Gemeenschap jegens de SLOM 1983-producenten heeft getrokken. Het derde middel in hogere voorziening is dus ongegrond.
3. Het tweede en het vierde middel in hogere voorziening
a) Voornaamste argumenten van partijen
111. Met het tweede en het vierde middel in hogere voorziening laken rekwiranten de overwegingen van het Gerecht in punt 48 van het arrest Bouma en punt 47 van het arrest Beusmans.
112. In het kader van het tweede middel in hogere voorziening stellen rekwiranten dat het Gerecht hun heeft tegengeworpen dat zij na afloop van het referentiejaar, dus in de periode van 31 december 1983 tot 1 april 1984, de melkproductie niet volledig hadden hervat. Uit de arresten Mulder I, Spagl en Mulder II volgt dat de SLOM 1983-producenten onder dezelfde voorwaarden als de SLOM 1984-producenten aanspraak op schadevergoeding moeten kunnen maken.
113. In dit verband wijzen rekwiranten erop dat producenten die de melkproductie in die periode hervatten, hoe dan ook geen recht op een normale referentiehoeveelheid hadden kunnen verwerven, en volgens de facultatieve bepalingen van verordening nr. 857/84 hooguit nog in aanmerking kwamen voor toewijzing van een (beperkte) referentiehoeveelheid. In zijn arrest Mulder I heeft het Hof evenwel reeds vastgesteld dat het bestaan van deze theoretische mogelijkheid niets afdoet aan de onrechtmatigheid van de gemeenschapsregeling.(57) Argumenten van de gemeenschapsinstellingen in die zin zijn derhalve ook in de arresten Spagl(58), Mulder II(59) alsook Quiller en Heusmann(60) afgewezen. Gelet op deze rechtspraak houdt de litigieuze tegenwerping van het Gerecht dat zij de melkproductie niet hadden hervat, dus geen steek.
114. Volgens de Raad kan het tweede middel in hogere voorziening niet slagen, omdat het in de bestreden arresten niet ging om de vraag of verzoekers in geval van hervatting van de productie een referentiehoeveelheid op basis van de optionele bepalingen van verordening nr. 857/84 hadden kunnen krijgen, maar wel of zij werkelijk het voornemen hebben gehad de melkproductie te hervatten.
115. In het kader van het vierde middel in hogere voorziening stellen rekwiranten vervolgens in wezen dat het Gerecht hun in punt 48 van het arrest Bouma en in punt 47 van het arrest Beusmans ten onrechte de verplichting heeft opgelegd, aan te tonen dat zij voornemens waren de productie na afloop van hun niet-leveringsverbintenis te hervatten, en dat zij dit als gevolg van de inwerkingtreding van verordening nr. 857/84 niet konden doen.
116. Volgens rekwiranten kan een dergelijke omkering van de bewijslast niet worden verbonden aan het feit alleen dat zij op 1 april 1984 de melkproductie nog niet hadden hervat. Andermaal beklemtonen zij dat deze omstandigheid niets afdoet aan het recht van de SLOM 1983-producenten om een referentiehoeveelheid of schadevergoeding voor de periode tot aan de toewijzing van een referentiehoeveelheid te krijgen. De litigieuze bewijsplicht onderwerpt rekwiranten met terugwerkende kracht aan de gevolgen van de inwerkingtreding van verordening nr. 857/84 en levert ook problemen op omdat de relevante omstandigheden al een hele tijd tot het verleden behoren. Vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 857/84 konden de betrokken SLOM-producenten niet voorzien dat zij, wanneer zij de melkproductie op dat tijdstip nog niet hadden hervat, het recht op een specifieke referentiehoeveelheid of op schadevergoeding definitief zouden verliezen.
117. Verder stellen rekwiranten dat de gelaakte bewijsplicht in tegenspraak is met hetgeen het Gerecht in punt 46 van het arrest Bouma respectievelijk punt 45 van het arrest Beusmans heeft overwogen, namelijk dat de producenten moesten aantonen dat zij maatregelen voor de hervatting van de melkproductie hadden getroffen „zoals het doen van investeringen [en] het verrichten van reparaties of van onderhoudswerkzaamheden aan de voor die productie benodigde installaties”.
118. De Raad en de Commissie zijn het niet eens met de opvatting van rekwiranten dat de gelaakte vaststelling van het Gerecht als een omkering van de bewijslast is te beschouwen. Volgens hen gaat het om een toepassing van de algemene bewijsregels. Aangezien rekwiranten de melkproductie daadwerkelijk niet hadden hervat, heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat zij een voornemen daartoe hadden moeten aantonen. Dit vereiste ligt in de lijn van het arrest Mulder II.
119. Bovendien stelt de Commissie dat het Gerecht de bewijsplicht in punt 48 van het arrest Bouma respectievelijk punt 47 van het arrest Beusmans in wezen inhoudelijk in overeenstemming met zijn vaststellingen in punt 46 van het arrest Bouma respectievelijk punt 45 van het arrest Beusmans – zij het iets ruimer – heeft gedefinieerd.
b) Bespreking
120. Zoals reeds blijkt uit mijn bespreking van het eerste en het derde middel in hogere voorziening, kon het Gerecht zowel op basis van het belang van het vertrouwensbeginsel, op de schending waarvan de aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor eventuele schade van de SLOM-producenten ten gevolge van verordening nr. 857/84 berust, als op basis van overwegingen inzake het causaal verband oordelen dat alleen SLOM 1983-producenten die duidelijk het voornemen hadden na afloop van hun niet-leveringsverbintenissen de productie te hervatten, voor schadevergoeding in aanmerking komen. Dat stelt het Gerecht in punt 48 van het arrest Bouma en in punt 47 van het arrest Beusmans vast.
121. Wanneer een SLOM 1983-producent na afloop van zijn niet-leveringsverbintenis de melkproductie werkelijk had hervat – waaraan verordening nr. 857/84 pas vanaf 1 april 1984 in de weg stond – zou daaruit duidelijk zijn gebleken dat hij niet wegens vrijwillige stopzetting van de melkproductie geen of geen voldoende referentieproductie had.
122. Wanneer daarentegen – en daarvan is het Gerecht in de zaken Bouma en Beusmans uitgegaan – een SLOM 1983-producent na afloop van zijn niet‑leveringsverbintenis de melkproductie daadwerkelijk niet heeft hervat, dan moet ten minste een voornemen tot hervatting kunnen worden aangetoond.
123. Zoals de Raad correct heeft uiteengezet, gaat het hier dus niet om de vraag of de SLOM 1983-producenten door de hervatting van de productie overeenkomstig verordening nr. 857/84 nog een (normale) referentiehoeveelheid hadden kunnen verwerven, maar om de vaststelling of zij de melkproductie vrijwillig hebben stopgezet.
124. De door rekwiranten aangehaalde passages van de arresten Mulder I(61), Spagl(62) en Mulder II(63) zijn hier niet ter zake dienend, omdat zij een geheel andere vraag betreffen, namelijk de vraag of de heffingregeling of verordening nr. 857/84 daadwerkelijk (in alle gevallen) de toewijzing van een referentiehoeveelheid aan SLOM-producenten al dan niet garandeert.
125. Verder heeft het Gerecht mijns inziens, ook wat de bewijslastverdeling betreft, niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door van Bouma en Beusmans te verlangen dat zij aantonen dat zij voornemens waren de melkproductie te hervatten. Mijns inziens is deze bewijsplicht namelijk in overeenstemming met de vaste rechtspraak volgens welke de eiser moet bewijzen dat aan de verschillende voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap is voldaan.(64)
126. Ten slotte dient ook de grief inzake tegenspraak met de formulering van de bewijsplicht in punt 46 van het arrest Bouma respectievelijk punt 45 van het arrest Beusmans te worden verworpen. De aldaar genoemde maatregelen zijn namelijk niets anders dan concrete aanknopingspunten voor het bestaan van het verlangde voornemen van hervatting van de productie.
127. In deze omstandigheden heeft het Gerecht niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat Bouma en Beusmans tot staving van hun schadevergoedingsaanspraken hadden moeten aantonen dat zij van plan waren de melkproductie te hervatten. Het tweede en het vierde middel in hogere voorziening zijn derhalve ongegrond.
4. Het vijfde middel in hogere voorziening
a) Voornaamste argumenten van partijen
128. In hun vijfde middel in hogere voorziening stellen rekwiranten in wezen dat het Gerecht de relevante feiten en bewijsmiddelen waarmee zij hun voornemen, de melkproductie te hervatten, zouden hebben aangetoond, onjuist heeft beoordeeld, en daardoor zijn motiveringsplicht niet is nagekomen. Huns inziens hebben zij afdoende aangetoond dat zij de productie in 1983 niet definitief hadden stopgezet en in staat waren deze te hervatten.
129. Met deze twee grieven komen de rekwiranten op tegen de motivering van de bestreden arresten, in het bijzonder tegen de punten 14 en 49 van het arrest Bouma en de punten 14 en 48 van het arrest Beusmans.
130. Enerzijds stellen zij, zakelijk weergegeven, dat het Gerecht hun onder ede afgelegde verklaring en de nadere toelichtingen van hun advocaat ter terechtzitting niet naar behoren in aanmerking heeft genomen of op basis daarvan tot een onjuiste opvatting van de feiten is gekomen. De door Bouma onder ede afgelegde verklaring – samen met de nadere toelichtingen van zijn advocaat – bewijst dat Bouma in het najaar van 1983 opnieuw gras heeft ingezaaid om de melkproductie te hervatten. Volgens zijn eigen verklaring is Beusmans na afloop van zijn niet‑leveringsverbintenis op de teelt van melk‑ en vleeskoeien – dus ook op koeien voor de melkproductie – omgeschakeld, beschikte hij over genoeg dergelijke koeien en heeft hij zijn koeien nog in het voorjaar van 1983 gemolken.
131. Anderzijds stellen rekwiranten, zakelijk weergegeven, dat de vaststelling van het Gerecht dat zij niet hadden aangetoond contact met de nationale autoriteiten te hebben opgenomen om in 1984 bij de inwerkingtreding van de melkquotaregeling een referentiehoeveelheid te krijgen, onnauwkeurig is en niet strookt met de feiten. Zij verwijzen dienaangaande naar verklaringen die zij voor het Gerecht onder ede hebben afgelegd alsook naar de door hun advocaat bij het Gerecht ingediende schrifturen.
132. Volgens de Raad is het vijfde middel in hogere voorziening niet-ontvankelijk en, subsidiair, ook ongegrond. Zijns inziens is het bewijs dat verzoekers naar eigen zeggen hebben willen aandragen – namelijk dat zij de productie niet definitief hadden stopgezet en in staat waren de melkproductie te hervatten – gelet op de in het arrest Mulder II gestelde voorwaarden hoe dan ook geen deugdelijke grondslag voor een schadevergoedingsaanspraak. Volgens hem heeft het Gerecht naar behoren rekening gehouden met de argumenten en de stukken van verzoekers, in het bijzonder met de onder ede afgeleide verklaringen, en heeft het de feiten juist beoordeeld.
133. De Commissie deelt deze opvatting en stelt met name vast dat de grieven van rekwiranten er in wezen op neerkomen dat het Gerecht hun onder ede afgelegde verklaringen niet als afdoende bewijs heeft beschouwd. Dit vormt evenwel een deel van de beoordeling van het bewijs, die in het kader van een hogere voorziening niet kan worden getoetst.
b) Bespreking
134. Met de in het kader van dit middel in hogere voorziening aangevoerde argumenten stellen rekwiranten eigenlijk dat zij, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, overtuigend hebben bewezen dat zij van plan waren de melkproductie na afloop van hun niet-leveringsverbintenissen te hervatten.
135. Daarmee komen zij in feite op tegen de vaststelling en beoordeling van de feiten die door het Gerecht in de punten 49 e.v. van het arrest Bouma en de punten 48 e.v. van het arrest Beusmans heeft verricht ter beantwoording van de vraag of rekwiranten van plan waren de productie na afloop van hun niet-leveringsverbintenissen te hervatten en dit ten gevolge van de inwerkingtreding van verordening nr. 857/84 niet konden doen.(65) Bovendien betwisten zij daarmee de feitelijke vaststellingen die het Gerecht in punt 14 van de arresten Bouma en Beusmans heeft gedaan.
136. In dit verband dient er met de Commissie aan te worden herinnerd dat volgens artikel 225 EG en artikel 58 van het Statuut van het Hof van Justitie de hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen en het Gerecht derhalve bij uitsluiting bevoegd is om de feiten vast te stellen en te beoordelen, tenzij de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld, voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken. De beoordeling van de feiten levert, behoudens het geval van een onjuiste voorstelling van de aan het Gerecht overgelegde bewijzen, geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof.(66)
137. In hun grieven verwijten rekwiranten het Gerecht overigens niet – en daarvan blijkt ook niet – dat het de hem voorgelegde bewijsmiddelen heeft verdraaid.
138. Het vijfde middel in hogere voorziening moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard.
VII – Kosten
139. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Indien alle middelen in hogere voorziening van rekwiranten overeenkomstig mijn conclusie ongegrond of niet-ontvankelijk worden verklaard, moeten rekwiranten in de kosten worden verwezen.
VIII – Conclusie
140. Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
– de hogere voorzieningen af te wijzen;
– rekwiranten te verwijzen in de kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Arrest van 31 januari 2001, Bouma/Raad en Commissie (T‑533/93, Jurispr. blz. II‑203).
3 – Arrest van 31 januari 2001, Beusmans/Raad en Commissie (T‑73/94, Jurispr. blz. II‑223).
4 – Van het Nederlands „slachten en omschakelen”.
5 – Verordening (EEG) nr. 1078/77 van de Raad van 17 mei 1977 tot invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelproducten en voor de omschakeling van het melkveebestand (PB L 131, blz. 1).
6 – Verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk- en zuivelproducten (PB L 90, blz. 13).
7 – Aangehaald in voetnoot 5.
8 – PB L 90, blz. 10.
9 – Aangehaald in voetnoot 6.
10 – Arrest van 28 april 1988, Mulder (120/86, Jurispr. blz. 2321).
11 – Arrest van 28 april 1988, Von Deetzen (170/86, Jurispr. blz. 2355).
12 – Verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB L 132, blz. 11).
13 – PB L 84, blz. 2.
14 – Volgens artikel 3 bis, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB L 139, blz. 12), in de versie van verordening (EEG) nr. 1033/89 van de Commissie van 20 april 1989 (PB L 110, blz. 27), wordt de aanvraag tot toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid door de betrokken producent „bij de door de lidstaat aangewezen bevoegde instantie ingediend. Ook moet de producent kunnen aantonen dat hij nog steeds geheel of gedeeltelijk hetzelfde bedrijf exploiteert als bij de [...] aanvraag om toekenning van de premie.”
15 – C‑189/89, Jurispr. blz. I‑4539.
16 – Arrest van 11 december 1990 (C‑217/89, Jurispr. blz. I‑4585).
17 – PB L 150, blz. 35.
18 – Arrest van 3 december 1992 (C‑264/90, Jurispr. blz. I‑6285).
19 – PB L 187, blz. 8.
20 – C‑104/89 en C‑37/90, Jurispr. blz. I‑3061.
21 – PB C 198, blz. 4.
22 – PB L 196, blz. 6.
23 – En wel, zoals vastgesteld in artikel 2 van deze verordening, overeenkomstig artikel 3 bis, lid 3, van verordening nr. 857/84 krachtens verordening nr. 764/89 op 29 maart 1991 respectievelijk verordening nr. 1639/91 op 1 juli 1993.
24 – Arrest van 27 januari 2000, Mulder e.a./Raad en Commissie (C‑104/89 en C‑37/90, Jurispr. blz. I‑203).
25 – Ibidem, punt 7.
26 – Zie de punten 14 tot en met 17 van arrest Bouma (aangehaald in voetnoot 2) en de punten 14 tot en met 16 van arrest Beusmans (aangehaald in voetnoot 3).
27 – Zie arresten in zaak T‑533/93 (aangehaald in voetnoot 2, punten 24 en 29 e.v.) en zaak T‑73/94 (aangehaald in voetnoot 3, punten 23 en 28 e.v.).
28 – Zie punten 31 e.v. van arrest Bouma (aangehaald in voetnoot 2) en punten 30 e.v. van arrest Beusmans (aangehaald in voetnoot 3).
29 – Punten 39 en 40 van arrest Bouma (aangehaald in voetnoot 2) en punten 38 en 39 van arrest Beusmans (aangehaald in voetnoot 3).
30 – Punt 41 van arrest Bouma (aangehaald in voetnoot 2) en punt 40 van arrest Beusmans (aangehaald in voetnoot 3).
31 – Punt 42 van arrest Bouma (aangehaald in voetnoot 2) en punt 41 van arrest Beusmans (aangehaald in voetnoot 3).
32 – Punten 43 en 44 van arrest Bouma (aangehaald in voetnoot 2) en punten 42 en 43 van arrest Beusmans (aangehaald in voetnoot 3).
33 – Punt 45 van arrest Bouma (aangehaald in voetnoot 2) en punt 44 van arrest Beusmans (aangehaald in voetnoot 3).
34 – Punt 46 van arrest Bouma (aangehaald in voetnoot 2) en punt 45 van arrest Beusmans (aangehaald in voetnoot 3).
35 – Punt 48 van arrest Bouma (aangehaald in voetnoot 2) en punt 47 van arrest Beusmans (aangehaald in voetnoot 3).
36 – Zie punten 50‑55 van arrest Bouma (aangehaald in voetnoot 2) en punten 49‑52 van arrest Beusmans (aangehaald in voetnoot 3).
37 – Punt 54 van arrest Bouma (aangehaald in voetnoot 2) en punt 53 van arrest Beusmans (aangehaald in voetnoot 3).
38 – Zie daartoe ook het door het Hof in zijn arrest van 25 mei 2000, Schlebusch (C‑273/98, Jurispr. blz. I‑3889, punten 5‑11)gemaakte onderscheid tussen SLOM I‑, SLOM II‑ en SLOM III‑regelingen.
39 – Zie daarover mijn uiteenzetting in punten 17 e.v. (supra).
40 – Zie punt 21 en voetnoot 29 (supra); aldus kwamen de SLOM I- alsook de SLOM II-producenten in beginsel in aanmerking voor schadevergoeding, maar niet de SLOM III-producenten.
41 – Zie o.a. arresten van 10 april 2003, Michel Hendrickx/Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) (C‑217/01 P, Jurispr. blz. I‑0000, punt 37); 27 juni 2002, Simon (C‑274/00 P, Jurispr. blz. I‑5999, punt 39) en 1 juni 1994, Brazzelli Lualdi (C‑136/92 P, Jurispr. blz. I‑1981, punt 29).
42 – De in hogere voorziening aangevoerde middelen en het betoog van partijen komen – behalve enkele uitzonderingen in het kader van het vijfde middel, die het gevolg zijn van verschillen in de hoofdzaak – in de twee zaken grotendeels overeen.
43 – Verzoekers baseren zich daarvoor op arrest Hof van 22 oktober 1992, Dowling (C‑85/90, Jurispr. blz. I‑5305, punt 25).
44 – Conclusie van advocaat-generaal Jacobs van 2 oktober 1990, C‑189/89 (arrest aangehaald in voetnoot 15, punten 25 en 31).
45 – Arrest Gerecht van 9 december 1997, Quiller en Heusmann/Raad en Commissie (T‑195/94 en T‑202/94, Jurispr. blz. II‑2247, punten 94 en 97).
46 – Zie in het bijzonder arrest van 9 september 1999, Arnaldo Lucaccioni/Commissie (C‑257/98 P, Jurispr. blz. I‑5251, punt 11), arrest Brazzelli Lualdi (aangehaald in voetnoot 41, punt 42), en arrest 8 december 1987, Grands Moulins/Raad en Commissie (50/86, Jurispr. blz. 4833, punt 7).
47 – Zie arrest Mulder II (aangehaald in voetnoot 20, punten 12‑17 en punt 22).
48 – Zie o.a. arresten van 6 maart 2003, Molkerei Wagenfeld (C‑14/01, Jurispr. blz. I‑0000, punt 56), 15 februari 1996, Duff e.a. (C‑63/93, Jurispr. blz. I‑569, punt 20), en 10 januari 1992, Kühn (C‑177/90, Jurispr. blz. I‑35, punt 14).
49 – Zie o.a. arresten Mulder I (aangehaald in voetnoot 10, punt 24); Von Deetzen (aangehaald in voetnoot 11, punt 13), en Wehrs (aangehaald in voetnoot 18, punt 8).
50 – Zie o.a. arresten Mulder I (aangehaald in voetnoot 10, punt 23), en Von Deetzen (aangehaald in voetnoot 11, punt 12).
51 – Arrest C‑177/90 (aangehaald in voetnoot 48, punt 15).
52 – Zie arrest Dowling (aangehaald in voetnoot 43, punt 20).
53 – Zie o.a. arrest van 14 oktober 1999, Atlanta e.a./Commissie en Raad (C‑104/97 P, Jurispr. blz. I‑6983, punt 52), en arresten Mulder I (aangehaald in voetnoot 10, punt 23), en Von Deetzen (aangehaald in voetnoot 11, punt 12).
54 – Zie punten 15 en 17 van het arrest.
55 – Zie arrest Mulder II (aangehaald in voetnoot 20, punt 23).
56 – Zie bijvoorbeeld arrest van 4 oktober 1979, Dumortier Frères e.a./Raad (64/76, 113/76, 167/78, 239/78, 27/79, 28/79 en 45/79, Jurispr. blz. 3091, punt 21).
57 – Punten 15‑19 van het arrest Mulder I (aangehaald in voetnoot 10).
58 – In punt 14 van het arrest en in de punten 25 en 28‑30 van de conclusie van advocaat-generaal Jacobs (arrest aangehaald in voetnoot 15).
59 – Punten 17, 24 en 25 (aangehaald in voetnoot 20).
60 – Punten 94 en 97 (aangehaald in voetnoot 45).
61 – Punten 15‑19 (aangehaald in voetnoot 10).
62 – Punt 14 (aangehaald in voetnoot 15).
63 – Punten 17, 24 en 25 (aangehaald in voetnoot 20).
64 – Zie o.a. arrest C‑257/98 P (aangehaald in voetnoot 46, punt 63).
65 – Dit criterium hanteerde het Gerecht namelijk reeds in punt 48 van het arrest Bouma en in punt 47 van het arrest Beusmans. Zie mijn bespreking van het vierde middel.
66 – Zie in het bijzonder arresten van 5 juni 2003, Eoghan O’Hannrachain/Parlement (C‑121/01 P, Jurispr. blz. I‑0000, punt 35); 8 mei 2003, T. Port/Commissie (C‑122/01 P, Jurispr. blz. I‑0000, punt 27); 2 oktober 2001, EIB/Hautem (C‑449/99 P, Jurispr. blz. I‑6733, punt 44) en 7 november 2002, Hirschfeldt (C‑184/01 P, Jurispr. blz. I‑10173, punt 40).
Full & Egal Universal Law Academy