CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. STIX-HACKL
van 20 november 2003 (1)
Zaak C‑164/01 P
G. van den Berg
tegen
Raad van de Europese Unie
en
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Beroep tot schadevergoeding – Niet-contractuele aansprakelijkheid – Voorwaarden – Melkquota – Verordening (EEG) nr. 857/84 – Referentiehoeveelheid – Producenten die verbintenis tot niet-levering zijn aangegaan – Causaal verband – Verplaatsing van bedrijf – Meenemen van referentiehoeveelheid – Verjaring – Stuiting – Schorsing”
Inhoud
I – Inleiding
II – Rechtskader
A – Bepalingen inzake de toewijzing van een referentiehoeveelheid, die in het bijzonder bij een verplaatsing van het bedrijf relevant zijn
B – Handelingen van de Raad en de Commissie inzake de vergoeding van SLOM-producenten
III – Feiten
IV – Procesverloop voor het Gerecht van eerste aanleg en bestreden arrest
V – De hogere voorziening
VI – Juridische analyse
A – De aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor de periode na de verkoop van het oorspronkelijke SLOM-bedrijf (eerste middel in hogere voorziening)
1. Voornaamste argumenten van partijen
2. Beoordeling
B – De verjaring van het recht op vergoeding (tweede en derde middel in hogere voorziening)
1. Voornaamste argumenten van partijen
2. Beoordeling
a) De stuiting of schorsing van de verjaring van het recht op schadevergoeding in het algemeen
b) De beoordeling van de verjaring in het bestreden arrest in het bijzonder
VII – Kosten
VIII – Conclusie
I – Inleiding
1. De onderhavige hogere voorziening is gericht tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 31 januari 2001 in zaak T‑143/97(2) (hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht het door de Nederlandse melkproducent G. van den Berg tegen de Raad en de Commissie ingestelde beroep tot schadevergoeding niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. Deze hogere voorziening maakt deel uit van een reeks rechtsgedingen die in het algemeen de positie van de zogenaamde SLOM-producenten(3) in het kader van het melkquotastelsel betreffen, dus van melkproducenten die zich krachtens verordening (EEG) nr. 1078/77(4) ertoe hebben verbonden, gedurende vijf jaar geen melk of zuivelproducten in de handel te brengen (hierna: „niet-leveringsverbintenis”) of het melkveebestand op de rundvleesproductie om te schakelen (hierna: „omschakelingsverbintenis”).
3. Aan deze problematiek ligt ten grondslag dat bij de invoering van het melkquotastelsel vanaf 1 april 1984 – dat met het oog op de beperking van de melkproductie voorzag in de vaststelling van bepaalde referentiehoeveelheden alsook in heffingen voor het geval dat die hoeveelheden werden overschreden – geen rekening is gehouden met de situatie van de SLOM-producenten. Volgens verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 in haar oorspronkelijke versie(5), waarbij de berekening van de referentiehoeveelheden in detail is geregeld, dienden referentiehoeveelheden te worden vastgesteld op basis van de melkleveringen in een referentiejaar dat geheel of gedeeltelijk bleek samen te vallen met de looptijd van de door de SLOM-producenten aangegane niet-leveringsverbintenissen. Het gevolg daarvan was dat deze melkproducenten – omdat tijdens het referentiejaar geen melk was geproduceerd – uitgesloten waren van de toekenning van referentiehoeveelheden en dus geen respectievelijk geen heffingvrije melk konden produceren.
4. De daaruit voortvloeiende nadelige situatie van de SLOM-producenten, die gedeeltelijk door daaropvolgende „reparatiemaatregelen” van de gemeenschapswetgever nog werd verlengd en met verdere juridische aspecten werd „verrijkt”, houdt de gemeenschapsrechter nu al meer dan een decennium vanuit verschillende oogpunten bezig en heeft ook in een aantal handelingen van afgeleid recht haar weerslag gevonden. Deze arresten en handelingen van afgeleid recht die gedeeltelijk betrekking hadden op de (geldigheid van) de regelingen inzake de toewijzing van referentiehoeveelheden als zodanig en gedeeltelijk op de vergoeding van de door de SLOM-producenten door deze regelingen geleden schade, vormen het hierna nader te beschrijven rechtskader van de onderhavige zaak.
5. In mijn conclusie van 18 september 2003 in de gevoegde zaken C‑162/01 P en C‑163/01 P(6) heb ik reeds mijn standpunt bepaald over de problematiek inzake de aansprakelijkheid jegens de SLOM-producenten. Die zaken betroffen vooral de vraag of de aansprakelijkheid van de Gemeenschap afhangt van de hervatting van de productie na afloop van de niet-leveringsverplichting respectievelijk van een desbetreffende intentieverklaring van de SLOM-producent.
6. In een vergelijkbare juridische en feitelijke context rijzen in de onderhavige hogere voorziening in het bijzonder twee vragen: enerzijds of het Gerecht in het bestreden arrest terecht ervan is uitgegaan dat de aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor de schade als gevolg van de niet-toewijzing van een referentiehoeveelheid eindigt bij een verplaatsing van het bedrijf van de betrokken SLOM-producent en anderzijds of het Gerecht terecht heeft vastgesteld dat de betrokken rechten op schadevergoeding bij gebrek aan stuiting of schorsing reeds verjaard zijn.
II – Rechtskader
7. Hierna zal ik alleen de handelingen van de Gemeenschap vermelden, die van rechtstreeks belang zijn in het kader van de middelen in hogere voorziening. Voor het algemener rechtskader van ook de onderhavige zaak verwijs ik naar het rechtskader zoals uiteengezet in mijn conclusie van 18 september 2003 in de gevoegde zaken Bouma en Beusmans.(7)
A – Bepalingen inzake de toewijzing van een referentiehoeveelheid, die in het bijzonder bij een verplaatsing van het bedrijf relevant zijn
8. Volgens lid 1 van artikel 3 bis dat bij verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 857/84(8) aan deze verordening is toegevoegd, wordt de producenten voorlopig op aanvraag een specifieke referentiehoeveelheid toegewezen, op voorwaarde dat zij:
„a) [...] hun melkveebedrijf niet in zijn geheel hebben overgedragen vóór het verstrijken van de periode van niet-levering of omschakeling;
b) ter ondersteuning van hun aanvraag [...] kunnen aantonen dat zij in staat zijn om de aangevraagde referentiehoeveelheid op hun bedrijf te produceren”.
9. Volgens artikel 3 bis, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing(9), in de versie van verordening (EEG) nr. 1033/89 van de Commissie van 20 april 1989(10), wordt de aanvraag tot toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid door de betrokken producent „bij de door de lidstaat aangewezen bevoegde instantie ingediend. Ook moet de producent kunnen aantonen dat hij nog steeds geheel of gedeeltelijk hetzelfde bedrijf exploiteert als bij de [...] aanvraag om toekenning van de premie.”
10. Bovendien moet worden gewezen op artikel 7 van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 590/85 van de Raad van 26 februari 1985(11), dat, geëxcerpeerd, luidt als volgt:
„1. In geval van verkoop, verhuur of overdracht door vererving van een bedrijf wordt de overeenkomstige referentiehoeveelheid volgens nader vast te stellen bepalingen geheel of gedeeltelijk aan de koper, de huurder of de erfgenaam overgedragen.
In geval van overdracht van gronden aan de overheid en/of voor algemeen nut kunnen de lidstaten, onverminderd lid 3, tweede alinea, bepalen dat de referentiehoeveelheid die overeenkomt met het bedrijf of het gedeelte van het bedrijf dat wordt overgedragen, geheel of gedeeltelijk ter beschikking wordt gesteld van de vertrekkende producent indien deze voornemens is de melkproductie voort te zetten.
[...]
4. Ingeval de pacht verstrijkt kunnen de lidstaten indien de pachter geen recht heeft op verlenging van de pacht onder soortgelijke voorwaarden, bepalen dat de referentiehoeveelheid die overeenkomt met het bedrijf waarop de pacht betrekking heeft, geheel of gedeeltelijk ter beschikking wordt gesteld van de vertrekkende pachter, indien hij voornemens is de melkproductie voort te zetten.”
11. Dienaangaande bevat artikel 7 van verordening nr. 1546/88 de volgende nadere toepassingsvoorschriften:
„Voor de toepassing van artikel 7 van verordening (EEG) nr. 857/84, en onverminderd lid 3 van genoemd artikel, worden de referentiehoeveelheden van producenten en kopers in het kader van de formules A en B, en de referentiehoeveelheden van producenten die hun producten rechtstreeks aan de consument verkopen, als volgt overgedragen:
1. in geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving van het gehele bedrijf wordt de betrokken referentiehoeveelheid overgedragen aan de producent die het bedrijf overneemt;
2. in geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving van een of meer gedeelten van het bedrijf wordt de betrokken referentiehoeveelheid over de producenten die het bedrijf overnemen, verdeeld op basis van de respectieve, voor de melkproductie gebruikte oppervlakten of van andere, door de lidstaten vastgestelde objectieve criteria. De lidstaten kunnen bepalen dat geen rekening wordt gehouden met overgedragen gedeelten, waarvan de voor de melkproductie gebruikte oppervlakte kleiner is dan een door hen vast te stellen minimum. Het gedeelte van de referentiehoeveelheid dat met deze oppervlakte overeenkomt mag geheel aan de reserve worden toegevoegd;
3. het bepaalde in de punten 1 en 2 en in de vierde alinea is van overeenkomstige toepassing voor andere gevallen van overgang die, op grond van de nationale regelingen, voor de producenten vergelijkbare juridische consequenties hebben;
4. in geval van toepassing van hetgeen in artikel 7, lid 1, tweede alinea, en lid 4, van verordening (EEG) nr. 857/84 is bepaald met betrekking tot de overdracht van gronden aan de overheid en/of ten algemene nutte, respectievelijk met betrekking tot lopende pachtovereenkomsten die niet op soortgelijke voorwaarden als de tot dan geldende kunnen worden verlengd, wordt de referentiehoeveelheid die overeenkomt met het bedrijf of het bedrijfsdeel waarop de overdracht of de niet-verlengde pachtovereenkomst betrekking heeft, geheel of gedeeltelijk ter beschikking van de betrokken producent gesteld indien deze voornemens is de melkproductie voort te zetten, op voorwaarde dat de som van de aldus tot zijn beschikking gestelde referentiehoeveelheid en de hoeveelheid die overeenkomt met het bedrijf dat hij overneemt of waarop hij zijn productie voortzet, niet groter is dan de referentiehoeveelheid waarover hij vóór de overdracht of het verstrijken van de pachtovereenkomst beschikte.
De lidstaten kunnen het bepaalde in de punten 1, 2 en 4 toepassen ten aanzien van overgangen die tijdens en sinds de referentieperiode zijn gebeurd.
[...]”
B – Handelingen van de Raad en de Commissie inzake de vergoeding van SLOM-producenten
12. Naar aanleiding van het arrest van 19 mei 1992, Mulder e.a./Raad en Commissie(12) (hierna: „arrest Mulder II”), hebben de Raad en de Commissie op 5 augustus 1992 mededeling 92/C 198/04(13) bekendgemaakt.
13. Volgens punt 1 van de mededeling is de Gemeenschap aansprakelijk ten aanzien van iedere producent die voldoet aan de criteria en voorwaarden van het arrest Mulder II. De overige punten van de mededeling luiden, geëxcerpeerd, als volgt:
„2. De instellingen gaan ten opzichte van iedere in punt 1 bedoelde producent de verbintenis aan om tot het verstrijken van de in punt 3 bedoelde termijn, geen beroep te doen op verjaring op grond van artikel 43 van het Statuut van het Hof van Justitie, voorzover het recht op schadevergoeding nog niet was verjaard op de datum van bekendmaking van deze mededeling in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen of op de datum waarop de producent zich reeds tot een van de Instellingen heeft gewend.
3. Met het oog op volledige uitvoering van het arrest van 19 mei 1992, zullen de instellingen de praktische bepalingen vaststellen voor de schadeloosstelling van de betrokkenen, met inbegrip van rentevergoeding. [...]”
14. Ter uitvoering van het arrest Mulder II heeft de Raad bovendien verordening (EEG) nr. 2187/93 van 22 juli 1993 vastgesteld, inzake het vergoedingsvoorstel aan bepaalde producenten van melk of zuivelproducten die hun activiteit tijdelijk niet hebben kunnen uitoefenen.(14) Bij deze verordening werd aan de producenten aan wie een definitieve specifieke referentiehoeveelheid was toegewezen(15), een forfaitair bedrag aangeboden ter vergoeding van alle schade die zij hadden geleden als gevolg van de regeling waarop het arrest Mulder II betrekking had.
15. Volgens artikel 8, lid 1, van deze verordening wordt de vergoeding slechts toegekend voor de periode waarvoor het recht op de vergoeding niet verjaard is. Deze periode wordt volgens artikel 8, lid 2, vastgesteld als volgt:
„a) als datum waarop de in artikel 43 van het Statuut van het Hof van Justitie vastgestelde verjaringstermijn van vijf jaar wordt gestuit, wordt aangehouden de datum van de aan een van de instellingen van de Gemeenschap toegezonden aanvraag of, wanneer het een beroep bij het Hof van Justitie betreft, de datum van inschrijving van het verzoekschrift in het register, of uiterlijk de datum van de door de instellingen in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen nr. C 198, gepubliceerde mededeling, te weten 5 augustus 1992;
b) de begindatum van de periode waarvoor de vergoeding wordt toegekend, ligt vijf jaar vóór de datum waarop de verjaring wordt gestuit, maar mag niet vroeger zijn dan 2 april 1984 of de datum waarop de verbintenis tot niet-levering of tot omschakeling afliep;
c) de einddatum van de periode waarvoor de vergoeding wordt toegekend is, hetzij 29 maart 1989 voor producenten aan wie de specifieke referentiehoeveelheid krachtens verordening (EEG) nr. 764/89 is toegewezen, hetzij 15 juni 1991 voor producenten aan wie de specifieke referentiehoeveelheid krachtens verordening (EEG) nr. 1639/91 is toegewezen.”
16. Betreffende de indiening van de aanvraag tot schadevergoeding bepaalt artikel 10, lid 2, van verordening nr. 2187/93 bovendien:
„De producent zendt zijn aanvraag aan de bevoegde instantie. De aanvraag van de producent moet op straffe van weigering uiterlijk op 30 september 1993 bij de bevoegde instantie binnen zijn.
De in artikel 43 van het Statuut van het Hof van Justitie bedoelde verjaring begint voor alle producenten opnieuw te lopen op de in de eerste alinea genoemde datum, wanneer de in die alinea bedoelde aanvraag niet vóór die datum is ingediend, tenzij de verjaring is gestuit door een verzoek bij het Hof van Justitie overeenkomstig bovengenoemd artikel 43.”
III – Feiten
17. De feiten die aan de procedure ten grondslag liggen, worden in het bestreden arrest beschreven als volgt(16):
„14 Verzoeker is melkproducent in Nederland. Aangezien hij in het kader van verordening nr. 1078/77 een verbintenis tot niet-levering was aangegaan die op 23 februari 1985 was verstreken, had hij gedurende het ingevolge verordening nr. 857/84 gekozen referentiejaar geen melk geproduceerd. Derhalve kon hem na de inwerkingtreding van die verordening geen referentiehoeveelheid worden toegewezen.
15 Op 1 mei 1985 kocht verzoeker een bedrijf te Dalfsen (Nederland), dat hij een jaar lang tezamen met zijn oorspronkelijke bedrijf te Wijhe (Nederland) exploiteerde. Op 13 mei 1986 verkocht hij zijn bedrijf te Wijhe.
16 Bij aan de Raad en de Commissie gerichte brief van hun raadsman van 31 maart 1989 stelden verzoeker alsmede 351 andere (in een bijlage bij die brief vermelde) zogenoemde SLOM-producenten, die ter uitvoering van een uit hoofde van verordening nr. 1078/77 aangegane verbintenis gedurende het referentiejaar geen melk hadden geleverd, de Gemeenschap aansprakelijk voor de schade als gevolg van de ongeldigheid van verordening nr. 857/84, zoals door het Hof vastgesteld in het arrest Mulder I. De instellingen lieten die brief onbeantwoord.
17 Na het arrest Mulder I en de vaststelling van verordening nr. 764/89 diende verzoeker in juni 1989 opnieuw een aanvraag voor een quotum in. Die aanvraag werd op 30 augustus 1989 afgewezen op grond dat verzoeker niet meer hetzelfde bedrijf exploiteerde als ten tijde van zijn niet-leveringsverbintenis.
18 Verzoeker vocht dat afwijzende besluit zonder succes aan voor de nationale rechter. Dat besluit werd daarmee definitief.
19 Bij schrijven van 14 juli 1992 maakte verzoekers raadsman voor verzoeker en de in de bijlage bij de brief van 31 maart 1989 genoemde producenten aanspraak op stuiting van de verjaring op 31 maart 1989. Bij brief van 22 juli 1992 antwoordde de directeur-generaal van de juridische dienst van de Raad, dat de verjaringstermijn voor de 348 producenten, onder wie verzoeker, die geen beroep hadden ingesteld, opnieuw was beginnen te lopen. Niettemin was hij bereid de brief van 14 juli 1992 te hunnen aanzien als een nieuw eerder verzoek in de zin van artikel 43 van ’s Hofs Statuut te beschouwen. Bovendien gaf hij te kennen, dat de Raad vanaf die datum en tot en met 17 september 1992 zou afzien van enig beroep op verjaring, voorzover de verzoeken tot schadeloosstelling van de betrokkenen niet reeds op 14 juli 1992 waren verjaard. Ten slotte verklaarde hij: ‚Gedurende deze termijn zullen de instellingen zich inspannen om gemeenschappelijk en in overeenstemming met het arrest van het Hof de toepassingsmodaliteiten voor schadeloosstelling vast te stellen. Het is derhalve niet noodzakelijk om in de tussentijd beroep in te stellen bij het Hof teneinde de stuiting van de verjaring te handhaven. Voor het geval deze modaliteiten op 17 september a.s. nog niet mochten zijn vastgesteld, zal de Raad u mededelen hoe u verder dient te handelen.’
20 Bij brief van 10 september 1993 betreffende de schadeloosstelling van bepaalde producenten in het kader van verordening nr. 2187/93, deelde de Commissie de Nederlandse autoriteiten mee:
‚Hierbij treft u de lijst aan van SLOM-aanvragers die zich tot de Commissie, de Raad of het Hof van Justitie hebben gewend en daardoor de verjaring met betrekking tot hun verzoeken om schadeloosstelling hebben gestuit, in overeenstemming met de algemene mededeling van de gemeenschapsinstellingen van 5 augustus 1992.’
21 Verzoekers naam kwam op die lijst voor en te zijnen aanzien werd 31 maart 1989 als datum van stuiting van de verjaring ingevolge de mededeling van 5 augustus 1992 genoemd.”
IV – Procesverloop voor het Gerecht van eerste aanleg en bestreden arrest
18. Tegen deze achtergrond heeft Van den Berg (hierna: „verzoeker”) bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 29 april 1997, krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EG-Verdrag (thans de artikelen 235 EG en 288, tweede alinea, EG) tegen de Raad en de Commissie (hierna: „verweerders”) beroep ingesteld strekkende tot vergoeding van de schade die hij zou hebben geleden doordat hij als gevolg van verordening nr. 857/84, zoals aangevuld bij verordening nr. 1371/84, niet in staat was melk te verkopen.
19. Verzoeker verzocht om een vergoeding van 606 315 NLG vermeerderd met 8 % vertragingsrente per jaar vanaf de indiening van het verzoek voor de schade die hij door de onrechtmatige weigering van een referentiehoeveelheid had geleden sinds de afloop van zijn niet-leveringsverplichting op 23 februari 1985, vanaf welke dag de heffingsregeling op hem van toepassing was.(17)
20. Verweerders betwistten verzoekers stelling dat is voldaan aan de voorwaarden waaronder de Gemeenschap aansprakelijk kan worden gehouden voor de door hem geleden schade, en achtten het beroep niet-ontvankelijk op grond dat de vorderingen verjaard waren.(18)
21. Bij beschikking van 24 juni 1997 heeft het Gerecht de behandeling geschorst tot de uitspraak van het arrest Mulder III.
22. Bij beschikking van 11 maart 1999 heeft het Gerecht de hervatting van de behandeling gelast.
23. Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard, waartoe in het arrest in wezen het volgende wordt overwogen:
24. Om te beginnen onderzoekt het Gerecht in zijn arrest of de Gemeenschap krachtens artikel 215 EG-Verdrag (thans artikel 288 EG) aansprakelijk kan worden gehouden en, zo ja, tot welk tijdstip. Vervolgens onderzoekt het Gerecht of de vorderingen verjaard zijn.(19)
De overwegingen van het arrest inzake de aansprakelijkheid van de Gemeenschap
25. Na een uiteenzetting van de voorwaarden voor een eventuele niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap jegens SLOM-producenten wegens schending van het vertrouwensbeginsel, stelt het Gerecht vast dat het met betrekking tot het recht op vergoeding voor de periode van 23 februari 1985 tot en met 13 mei 1986, de datum waarop verzoeker zijn SLOM-bedrijf heeft verkocht, vaststaat dat hij ingevolge verordening nr. 857/84 geen melk heeft kunnen leveren en dat de daardoor ontstane schade aan de Gemeenschap is toe te schrijven.(20)
26. Wat de na 13 mei 1986 ontstane schade betreft, onderzoekt het Gerecht daarentegen in hoeverre deze schade een gevolg is van het feit dat verzoeker in 1985 voor het eerst een quotum is geweigerd. Het Gerecht overweegt het volgende(21):
„44 Er zij aan herinnerd, dat verzoeker zijn SLOM-bedrijf in 1986 heeft overgedragen en zijn productiewerkzaamheden om redenen van economische efficiency naar een ander bedrijf heeft verplaatst. Hieruit blijkt duidelijk, dat deze vrijwillig genomen beslissing van verzoeker geen verband hield met het feit dat hem bij het verstrijken van zijn niet-leveringsverbintenis in 1985 geen quotum is toegekend.
45 Voorts volgt uit artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 590/85 van de Raad van 26 februari 1985 (PB L 68, blz. 1), gelezen in samenhang met artikel 7 van verordening nr. 1546/88, dat zelfs wanneer een melkproducent geen verbintenis tot niet-levering of omschakeling was aangegaan, een quotum alleen hetzij in geval van overdracht van gronden aan de overheid en/of voor algemeen nut (artikel 7, lid 1), hetzij ingeval de pacht verstreek en niet kon worden verlengd (artikel 7, lid 4), van het ene naar het andere bedrijf kon worden overgedragen.
46 Zelfs indien de producenten die over een referentiehoeveelheid beschikten, deze inderdaad in 1985/1986 overeenkomstig de in Nederland geldende bestuurspraktijk konden overdragen, zou dat derhalve een omstandigheid zijn geweest waarmee de gemeenschapswetgever niets van doen had en had in voorkomend geval de Nederlandse overheid verzoeker op niet-discriminerende wijze moeten behandelen.
47 Overigens is na de inwerkingtreding van verordening nr. 764/89 verzoekers aanvraag om toewijzing van een quotum uit hoofde van deze verordening afgewezen op grond van artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 1546/88 (zie punt 7 supra), volgens hetwelk de producent voor de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid moest aantonen, dat hij op het tijdstip van de aanvraag het SLOM-bedrijf geheel of gedeeltelijk exploiteerde.
48 Anders dan verzoeker beweert en zoals het Hof reeds meermalen heeft vastgesteld (zie, onder meer, arrest van 27 januari 1994, Herbrink, C‑98/91, Jurispr. blz. I‑223), bekrachtigt dit vereiste evenwel slechts voor de specifieke referentiehoeveelheden het in artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84 neergelegde beginsel, dat de referentiehoeveelheid wordt overgedragen met de grond ten aanzien waarvan zij is toegekend (punt 13). In die omstandigheden kan verzoeker niet stellen, dat toepassing van dat vereiste te zijnen aanzien een schending van het vertrouwensbeginsel zou betekenen aangezien hij ten tijde van de cessie van zijn SLOM-bedrijf niet kon voorzien, dat een dergelijke voorwaarde zou worden gesteld.
49 Daar de verkoop door verzoeker van zijn SLOM-bedrijf geen gevolg was van het feit dat hem in 1985 onrechtmatig geen quotum is toegekend en deze verkoop niet als een van de mogelijkheden tot overdracht van verordening nr. 857/84 kon worden aangemerkt, kunnen de redenen waarom verzoeker in het kader van verordening nr. 764/89 geen quotum heeft kunnen verkrijgen en de daaruit voortvloeiende schade niet aan de Gemeenschap worden toegeschreven.”
27. Het Gerecht komt dan ook tot de conclusie dat alleen de vóór 13 mei 1986 door verzoeker geleden schade ontstaan is als gevolg van de weigering van een referentiehoeveelheid(22) en onderzoekt daarop of de desbetreffende vordering van verzoeker verjaard is.
De overwegingen van het arrest inzake de verjaring
28. Betreffende de verjaring stelt het Gerecht vast dat de verjaringstermijn voor de procedure voor het Gerecht aanving op 23 februari 1985, vanaf welke dag verordening nr. 857/84 op verzoeker is toegepast. Het recht op vergoeding betreft dus achtereenvolgende perioden, beginnende op elke dag waarop geen levering mogelijk was.(23)
29. Volgens het Gerecht had verzoeker door de verkoop van zijn SLOM-bedrijf op 13 mei 1986 vanaf die datum evenwel geen recht meer op een referentiehoeveelheid. Derhalve is de verjaringstermijn, „nu is geoordeeld, dat de schade die hij na die verkoop beweert te hebben geleden geen verband houdt met het feit dat verordening nr. 857/84 op hem is toegepast, [...] vijf jaar na 13 mei 1986, dat wil zeggen op 13 mei 1991, verstreken, tenzij de verjaring voor die datum was gestuit”.(24)
30. Het Gerecht wijst vervolgens verzoekers bezwaren tegen de intreding van de verjaring als volgt af(25):
„62 Overeenkomstig artikel 43 van ’s Hofs Statuut wordt de verjaring enkel gestuit door de instelling van een beroep bij de gemeenschapsrechter of door de indiening van een eerder verzoek, gericht tot de bevoegde instelling van de Gemeenschap, met dien verstande evenwel dat in dit laatste geval stuiting slechts plaatsheeft wanneer het verzoek wordt gevolgd door een beroep, ingesteld binnen de termijn genoemd in artikel 173 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG) dan wel artikel 175 EG-Verdrag (thans artikel 232 EG) (arrest Hof van 5 april 1973, Giordano/Commissie, 11/72, Jurispr. blz. 417, punt 6, en arrest Gerecht van 25 november 1998, Steffens/Raad en Commissie, T‑222/97, Jurispr. blz. II‑4175, punten 35 en 42).
63 Bijgevolg kan verzoeker zich voor de stuiting van de verjaring als bedoeld in artikel 43 van ’s Hofs Statuut niet beroepen op de aan de instellingen gerichte brief van 31 maart 1989, omdat die niet is gevolgd door de instelling van een beroep bij het Gerecht.
64 Verzoeker stelt, dat uit het feit dat in zijn geval de mededeling van 5 augustus 1992 is toegepast, volgt dat verweerders zich ertoe hebben verbonden, met ingang van 31 maart 1989, op welke datum hij zich tot de instellingen had gewend, geen beroep op verjaring te doen.
65 Dienaangaande zij opgemerkt, dat het afzien van het beroep op verjaring in de mededeling van 5 augustus 1992 een eenzijdige handeling was die, teneinde het aantal beroepen in rechte te beperken, erop was gericht de producenten aan te sporen te wachten op de nadere uitwerking van het stelsel van forfaitaire vergoeding als bedoeld in verordening nr. 2187/93 (arrest Steffens/Raad en Commissie, reeds aangehaald, punt 38).
66 Die mededeling had specifiek betrekking op producenten wier recht op schadevergoeding nog niet was verjaard op de datum van bekendmaking van de mededeling in het Publicatieblad of op de datum waarop zij zich reeds tot een van de instellingen hadden gewend (zie punt 11 supra). Met laatstbedoelde vermelding hadden verweerders de producenten op het oog die zich vóór de bekendmaking van die mededeling tot de instellingen hadden gewend om op basis van het arrest Mulder II een recht op vergoeding op te eisen, en aan wie zij hadden verzocht in afwachting van de verordening inzake forfaitaire vergoeding geen beroep tot schadevergoeding in te stellen. Die vermelding had immers tot doel, het recht op vergoeding van die producenten te waarborgen.
67 Op de brief van 31 maart 1989 is evenwel nooit een antwoord van verweerders gekomen en deze laatste zijn derhalve op die datum geen enkele verbintenis jegens verzoeker aangegaan. In die omstandigheden kan verzoeker geen beroep doen op de mededeling van 5 augustus 1992.
68 Vervolgens moet verzoekers argument worden afgewezen, dat zijn naam voorkwam op een lijst die de Commissie na de inwerkingtreding van verordening nr. 2187/93 aan de Nederlandse overheid had gezonden en waarop de producenten werden genoemd aan wie in de mededeling van 5 augustus 1992 was toegezegd, dat geen beroep op verjaring zou worden gedaan.
69 Om te beginnen was die lijst aan de nationale overheid gericht om deze, voor het geval zij vergoedingsaanvragen zou ontvangen in het kader van de schikkingen waarin verordening nr. 2187/93 voorzag, mee te delen vanaf welke datum de verjaring van de aanvragen was gestuit. Daarin werd geen onderscheid gemaakt tussen SLOM-producenten aan wie een definitieve referentiehoeveelheid was toegewezen en die dus in aanmerking konden komen voor een schikkingsvoorstel in het kader van verordening nr. 2187/93, en producenten die, evenals verzoeker, geen quotum hadden verkregen en aan wie derhalve een dergelijke schikking niet kon worden voorgesteld. Hieruit volgt, dat verzoekers naam per abuis op die lijst was vermeld.
70 Een dergelijke vergissing kon bij verzoeker evenwel niet de overtuiging post doen vatten, dat de toezegging in de mededeling van 5 augustus 1992 hem gold en dat de verjaring van zijn vordering sinds 31 maart 1989 was gestuit. Toen de betrokken lijst op 10 september 1993 werd verstuurd, kon verzoeker immers reeds weten, dat hij niet in aanmerking kwam voor het schikkingsvoorstel als bedoeld in verordening nr. 2187/93, en dat bovenbedoelde toezegging hem derhalve niet betrof.
71 Voorts kan verweerders’ standpunt betreffende de verjaring van het onderhavige beroep niet als een discriminatie worden aangemerkt ten opzichte van het beleid van de Commissie jegens SLOM-producenten die een vergoedingsvoorstel hebben ontvangen, omdat, zoals zojuist in herinnering is gebracht (zie punt 69 supra), verzoekers situatie verschilt van die van de producenten die rechten ontlenen aan verordening nr. 2187/93.
72 Met betrekking tot verzoekers bewering omtrent hetgeen de heer Booss zou hebben verklaard ten slotte, volstaat de vaststelling dat daarvoor geen enkel bewijs is aangevoerd.”
31. Op grond hiervan komt het Gerecht uiteindelijk tot de conclusie dat het beroep van 29 april 1997 te laat is ingesteld, aangezien de reeds op 13 mei 1991 ingetreden verjaring van verzoekers vorderingsrechten niet is gestuit of geschorst.(26)
V – De hogere voorziening
32. Van den Berg (hierna: „rekwirant”) heeft op 13 april 2001 bij het Hof hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht. Hij concludeert dat het het Hof behage:
– het bestreden arrest van het Gerecht van 31 januari 2001 in zaak T‑143/97 te vernietigen;
– de zaak te verwijzen naar het Gerecht;
– de Raad en de Commissie te veroordelen in de kosten van het geding voor het Gerecht en in de kosten van deze procedure.
33. De Raad concludeert dat het het Hof behage:
– de hogere voorziening gedeeltelijk niet-ontvankelijk en in ieder geval in haar geheel ongegrond te verklaren;
– rekwirant te verwijzen in de kosten.
34. De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
– de hogere voorziening ongegrond te verklaren;
– subsidiair het beroep tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren;
– rekwirant te verwijzen in de kosten van deze procedure.
VI – Juridische analyse
35. Rekwirant baseert zijn hogere voorziening op drie middelen. Het eerste middel betreft de vraag of het oordeel van het Gerecht inzake de aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor de schade voor de periode na de verplaatsing van het bedrijf blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Met zowel zijn tweede als zijn derde middel in hogere voorziening keert rekwirant zich vervolgens tegen de vaststelling van het Gerecht dat het vorderingsrecht reeds is verjaard. Aangezien deze laatste middelen in wezen op dezelfde grieven berusten, worden zij hierna tezamen behandeld.
A – De aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor de periode na de verkoop van het oorspronkelijke SLOM-bedrijf (eerste middel in hogere voorziening)
1. Voornaamste argumenten van partijen
36. Met zijn eerste middel in hogere voorziening stelt rekwirant dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 43 tot en met 50 vast te stellen dat de Gemeenschap niet aansprakelijk is voor de schade die hij na de verplaatsing van het bedrijf op 13 mei 1986 heeft geleden.
37. Om te beginnen heeft het Gerecht de bevoegdheidsverdeling tussen de Gemeenschap en de lidstaten miskend. Ten aanzien van punt 46 van het arrest stelt rekwirant dat hier stellig verplichtingen van de gemeenschapsinstellingen en niet verplichtingen van de nationale autoriteiten in geding zijn. Ingevolge de communautaire verordeningen is het de nationale autoriteiten verboden in geval van overgang van een bedrijf een referentiehoeveelheid toe te wijzen; op dit punt zijn de gemeenschapsinstellingen dus aansprakelijk.
38. Voorts, aldus rekwirant, heeft het Gerecht in punt 48 van het bestreden arrest het vertrouwensbeginsel geschonden, alsook de strekking van het arrest Herbrink miskend. In dat punt lijkt het Gerecht te hebben bedoeld dat hij geen beroep op dat beginsel kon doen omdat het door hem ingeroepen vertrouwen geen bescherming verdiende. Waar hij zich evenwel op beroept, is het vertrouwen niet anders dan iedere „gewone” producent te worden behandeld, of, anders gezegd, dat hem geen bijzondere beperkingen zullen worden gesteld uitsluitend omdat hij SLOM-producent is. Juist dit vertrouwen heeft het Hof in het arrest Herbrink als gerechtvaardigd erkend.(27) Wanneer – zoals uit dat arrest kan worden afgeleid – een pachter zijn referentiehoeveelheid naar een nieuw bedrijf kan meenemen, moet ook een SLOM-producent zijn referentiehoeveelheid naar een nieuw bedrijf kunnen meenemen. Het valt te betreuren dat het Gerecht deze overeenkomst met de zaak Herbrink niet heeft erkend.
39. Rekwirant stelt dat hij bij de verplaatsing van zijn bedrijf – door gedurende een jaar het oude en het nieuwe bedrijf samen te exploiteren – precies op dezelfde wijze is te werk gegaan als elke producent, die volgens de Nederlandse bestuurspraktijk de referentiehoeveelheid naar het nieuwe bedrijf kan overhevelen. Deze praktijk is steeds algemeen als verenigbaar met het gemeenschapsrecht erkend. Door onverwacht en met terugwerkende kracht te verlangen dat een SLOM-producent aantoont dat hij nog steeds geheel of gedeeltelijk hetzelfde bedrijf als bij de premieaanvraag exploiteert, heeft verordening nr. 1033/89 zijn gewettigd vertrouwen geschonden dat hij op deze zorgvuldig gekozen wijze zijn referentiehoeveelheid als iedere normale producent zou kunnen overdragen. In elk geval moeten de argumenten van het Gerecht en van verweerders, dat hij volgens de gemeenschapsregeling ook als gewone producent zijn referentiehoeveelheid niet had kunnen overdragen respectievelijk zich niet op de Nederlandse praktijk kon beroepen, worden verworpen.
40. Voorts, aldus rekwirant, heeft het Gerecht, zoals reeds uit het voorgaande blijkt, het causaliteitsvereiste verkeerd toegepast. Hem is in 1989 niet een specifieke referentiehoeveelheid geweigerd als gevolg van de verplaatsing van zijn oorspronkelijke bedrijf, maar als gevolg van de toepasselijke gemeenschapsregeling. Het Gerecht heeft dit causaliteitsvereiste ten onrechte toegepast op het verband tussen de oorspronkelijke heffingsregeling en de verplaatsing van het bedrijf in 1986. Dit verband bestaat uiteraard niet. Het relevante causale verband is dat tussen de onrechtmatige handeling van de gemeenschapswetgever en de door rekwirant geleden inkomensderving.
41. De Raad en de Commissie betwisten dat het Gerecht met zijn verklaring dat de Gemeenschap niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de door verzoeker na de verplaatsing van zijn bedrijf geleden schade, het vertrouwensbeginsel of het causaliteitsvereiste verkeerd heeft toegepast of het arrest Herbrink heeft miskend.
42. Beide betogen in wezen dat – zoals het Gerecht terecht heeft gesteld – zowel volgens de toepasselijke verordeningen als volgens het arrest Herbrink het gemeenschapsrecht het beginsel huldigt dat de referentiehoeveelheden worden overgedragen met de grond ten aanzien waarvan zij zijn toegewezen. Volgens het gemeenschapsrecht had dus ook een „gewone” producent in geval van verplaatsing van zijn bedrijf zoals in de onderhavige zaak zijn referentiehoeveelheid niet naar het nieuwe bedrijf kunnen meenemen. De door rekwirant gestelde mogelijkheid om de referentiehoeveelheid mee te nemen heeft hooguit in de Nederlandse bestuurspraktijk bestaan.
43. Dienaangaande betwijfelt de Raad, onder verwijzing naar een beschikking van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven in een SLOM-zaak(28), of het naar Nederlands recht wel mogelijk is geweest een referentiehoeveelheid over te dragen op de door rekwirant beschreven wijze. De Commissie merkt op, dat zij in elk geval nooit op de hoogte is geweest van een dergelijke praktijk, zo zij al heeft bestaan.
44. Indien er al ongelijke behandeling ten opzichte van de „gewone” producenten zou zijn geweest, vindt deze, aldus het in wezen eensluidend betoog van de Raad en de Commissie, haar oorsprong alleen in het nationale recht en niet in het gemeenschapsrecht. Het Gerecht is er volgens hen dus terecht van uitgegaan dat de gemeenschapswetgever in elk geval geen schending van het vertrouwensbeginsel kan worden verweten. De oorzaak van de gestelde schade is dus, zoals het Gerecht heeft vastgesteld, niet de heffingsregeling, maar de vrijwillige verplaatsing van het bedrijf door rekwirant.
2. Beoordeling
45. Om na te gaan of het oordeel van het Gerecht dat de Gemeenschap slechts aansprakelijk is voor de schade die verzoeker tot en met 13 mei 1986 heeft geleden, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, moet het betrokken gedeelte van het bestreden arrest in zijn context worden bezien.
46. Zoals uit het arrest blijkt(29), vorderde rekwirant in eerste aanleg vergoeding van de schade die hij zou hebben geleden doordat hij vanaf de afloop van zijn niet-leveringsverplichting op 23 februari 1985 uit hoofde van verordening nr. 857/84 geen referentiehoeveelheid had kunnen verkrijgen, en de verordeningen die deze situatie hadden moeten verhelpen, niet hadden voorzien in een referentiehoeveelheid voor de SLOM-producenten die hun oorspronkelijke bedrijf vrijwillig hadden verruild voor een ander bedrijf. Rekwirant stelt dus, zoals het Gerecht in punt 41 van het bestreden arrest vaststelt, een schade die hem door de onrechtmatige weigering van een referentiehoeveelheid is toegebracht over een periode van 23 februari 1985 tot heden.
47. Volgens de feitelijke vaststellingen van het Gerecht zijn er twee gebeurtenissen waar te nemen waarin de weigering om rekwirant in de periode na de afloop van zijn niet-leveringsverplichting een referentiehoeveelheid toe te wijzen, tot uiting komt. Enerzijds werd hem onmiddellijk na afloop van de niet-leveringstermijn de toewijzing van een referentiehoeveelheid geweigerd. Anderzijds werd een na de inwerkingtreding van verordening nr. 764/89 ingediende nieuwe aanvraag tot toewijzing van een (specifieke) referentiehoeveelheid afgewezen.
48. Er zijn dus twee regelingen die handelingen kunnen vormen op basis waarvan de gemeenschapsinstellingen aansprakelijk kunnen zijn.
49. Enerzijds kan de gestelde schade van rekwirant voortvloeien uit de omstandigheid dat door de gemeenschapswetgever in verordening nr. 857/84 geen rekening is gehouden met de situatie van de SLOM-producenten, voorzover de referentiejaren voor de berekening van de heffingsvrije referentiehoeveelheid samenvielen met de periode van niet-levering. In het arrest Mulder II heeft het Hof vastgesteld dat de Gemeenschap voor eventuele door de toepassing van deze regeling ontstane schade aansprakelijk is.(30)
50. Anderzijds kunnen de tweede weigering om een referentiehoeveelheid toe te wijzen na de inwerkingtreding van verordening nr. 764/89 en de daaruit ontstane schade worden toegeschreven aan de regel dat een producent slechts een referentiehoeveelheid kan krijgen, wanneer hij nog over het oorspronkelijke bedrijf beschikt.
51. De gekritiseerde vaststellingen van het Gerecht moeten thans worden bezien tegen de achtergrond dat het kennelijk heeft nagegaan of en in hoever uit elk van de twee genoemde regelingen betreffende de toewijzing van referentiehoeveelheden aansprakelijkheidsvorderingen konden worden afgeleid.
52. De punten 42 tot en met 46 van het bestreden arrest betreffen om te beginnen de vraag welke schade aan de Gemeenschap kan worden toegerekend doordat verordening nr. 857/84 eerst na afloop van de periode van niet-levering op rekwirant van toepassing werd en hem een referentiehoeveelheid onthield omdat zij geen rekening hield met het feit dat SLOM-producenten tijdens het referentiejaar geen melk konden produceren.
53. In deze context moet worden onderzocht of het oordeel van het Gerecht dat alleen de tot de verkoop van het oorspronkelijke bedrijf ontstane schade aan de Gemeenschap is toe te rekenen, en niet de daarna ontstane schade, wat het element causaliteit betreft, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
54. Meer bepaald gaat het hier om de vraag of het causaal verband tussen voormelde regeling en de voortdurende schade door de verkoop van het bedrijf op 13 mei 1986 werd doorbroken.
55. Volgens vaste rechtspraak is een handeling van de gemeenschapsinstellingen de oorzaak van schade, wanneer deze schade rechtstreeks en uitsluitend uit deze handeling voortvloeit.(31)
56. Daarentegen is er geen sprake (meer) van het vereiste causaal verband wanneer de schade ook zonder de betrokken handeling van de gemeenschapsinstellingen evenzeer was ingetreden.(32)
57. In het onderhavige geval betekent dit dat de door rekwirant geleden schade niet als een gevolg kan worden beschouwd van het feit dat op grond van verordening nr. 857/84 geen referentiehoeveelheid aan een SLOM-producent kon worden toegewezen, indien hij ook onafhankelijk van deze regeling of op grond dat niet aan andere voorwaarden was voldaan, geen referentiehoeveelheid had gekregen en de schade dus evenzeer zou zijn ontstaan.
58. Deze feitenconstellatie kan als een bijzondere vorm van het verbreken van de causale keten als gevolg van het gedrag van de gelaedeerde respectievelijk van „überholende Kausalität”(33) worden beschouwd. De gelaedeerde brengt zich door een eigen handeling in een situatie waarin hij de schade ook zonder de betrokken onrechtmatige handeling van de gemeenschapsinstellingen zou hebben geleden en deze schade dus niet meer het rechtstreekse respectievelijk uitsluitende gevolg van deze handeling is.(34)
59. De verkoop van het bedrijf moet bijgevolg als een de causale keten verbrekende omstandigheid worden beschouwd, wanneer in het kader van de communautaire regeling inzake referentiehoeveelheden in een dergelijk geval een referentiehoeveelheid hoe dan ook niet zou kunnen worden overgedragen.
60. Volgens vaste rechtspraak ligt in artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84 het voor de gehele regeling van de referentiehoeveelheden kenmerkende beginsel besloten, dat de referentiehoeveelheid wordt overgedragen met de grond ten aanzien waarvan zij is toegekend. De referentiehoeveelheid volgt dus in beginsel de grond en niet de producent.(35)
61. Daarentegen kan de referentiehoeveelheid volgens het gemeenschapsrecht alleen afzonderlijk worden overgedragen in het kader van de bij verordening nr. 590/85 in artikel 7 van verordening nr. 857/84 ingevoegde uitdrukkelijke uitzonderingen in geval van overdracht van gronden aan de overheid en/of voor algemeen nut alsook in geval van het verstrijken van de pacht zonder recht op verlenging. Daarop heeft het Gerecht terecht gewezen in punt 45 van het bestreden arrest.
62. Zoals het Gerecht in punt 46 van het bestreden arrest derhalve terecht heeft gesteld, kon de door rekwirant geschetste mogelijkheid van overgang in geval van verplaatsing van het bedrijf hooguit in het nationale recht respectievelijk in de nationale bestuurspraktijk bestaan.
63. Beslissend is hier evenwel dat volgens het gemeenschapsrecht een referentiehoeveelheid in geval van verkoop van een bedrijf – en wel niet alleen voor SLOM-producenten – niet kon worden overgedragen aan een nieuw bedrijf.
64. Derhalve is het Gerecht er terecht van uitgegaan dat de in voorkomend geval na de verkoop van het oorspronkelijke bedrijf ontstane schade niet aan de onrechtmatige weigering van de referentiehoeveelheid na afloop van de niet-leveringsverplichting en dus niet aan de betrokken handeling van de gemeenschapsinstellingen is te wijten, omdat rekwirant vanaf dat tijdstip hoe dan ook om andere redenen niet over een referentiehoeveelheid had kunnen beschikken.
65. De grief inzake de onjuiste toepassing van het causaliteitsvereiste is evenwel gegrond voorzover het Gerecht in punt 44 – en als gevolg daarvan ook in punt 49 – van het bestreden arrest uitgaat van een causaal verband tussen de weigering van de referentiehoeveelheid en de verkoop van het SLOM-bedrijf. Zoals uit het voorgaande duidelijk blijkt, is het, zoals rekwirant terecht heeft gesteld, namelijk van belang in hoever de schade als een gevolg van de onrechtmatige weigering van de referentiehoeveelheid in het kader van verordening nr. 857/84 moet worden beschouwd.
66. De punten 47 en 48 van het bestreden arrest moeten dus worden bezien tegen de achtergrond van de vraag of uit het vereiste van artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 1546/88 dat de producent nog over zijn (oorspronkelijke) SLOM-bedrijf moet beschikken, om een (specifieke) referentiehoeveelheid op basis van artikel 3 bis van verordening nr. 857/84, in de versie van verordening nr. 764/89, te kunnen aanvragen, aansprakelijkheidsvorderingen kunnen worden afgeleid. Meer bepaald gaat het om de vraag of met betrekking tot deze regel sprake is van onrechtmatigheid, een voorwaarde voor de aansprakelijkheid.
67. Dienaangaande heeft rekwirant gesteld dat het Gerecht in punt 48 ten onrechte heeft vastgesteld dat de toepassing van dit vereiste te zijnen aanzien het vertrouwensbeginsel niet schendt.
68. Volgens vaste rechtspraak wordt het gewettigd vertrouwen van producenten die door een handeling van de Gemeenschap ertoe worden aangezet de verkoop van melk in het algemeen belang en tegen betaling van een premie voor een bepaalde tijd te schorsen, geschonden wanneer hun na het einde van de door hen aangegane niet-leveringsverplichting beperkingen worden gesteld die hen wegens deze verplichting bijzonder benadelen.(36)
69. Zoals het Gerecht in punt 48 heeft vastgesteld, komt dit vereiste evenwel slechts overeen met het in artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84 neergelegde algemene beginsel, dat de referentiehoeveelheid wordt overgedragen met de grond ten aanzien waarvan zij is toegekend.(37) Aangezien dit vereiste volgens het gemeenschapsrecht dus ook voor „normale” producenten geldt, kan rekwirant niet betogen dat hem juist op basis van zijn niet-leveringsverplichting bijzondere beperkingen zijn gesteld.
70. Dat lag daarentegen anders bij de producent in de zaak Herbrink. Deze SLOM-producent was namelijk pachter. Met betrekking tot aflopende pachtovereenkomsten was het de lidstaten volgens artikel 7, lid 4, van verordening nr. 857/84, in de versie van verordening nr. 590/85, juncto artikel 7, lid 1, punt 4, van verordening nr. 1546/88, evenwel mogelijk de referentiehoeveelheid die overeenkomt met het bedrijf waarop de pacht betrekking heeft, ter beschikking te stellen van de vertrekkende pachter. Voorzover de betrokken lidstaat van deze mogelijkheid gebruik had gemaakt, mocht de SLOM-producent er krachtens het vertrouwensbeginsel dus op rekenen dat hij bij het einde van zijn pacht eveneens voor een specifieke referentiehoeveelheid in aanmerking zou komen.(38)
71. Voor het overige kan rekwirant zich voor de aansprakelijkheid naar gemeenschapsrecht ook in samenhang met het vertrouwensbeginsel niet erop beroepen dat in Nederland een „normale” producent zijn referentiehoeveelheid naar een ander bedrijf had kunnen meenemen. Aangezien, zoals uit het voorgaande blijkt, deze mogelijkheid geen steun vindt in het gemeenschapsrecht, kan daaruit geen schending van het vertrouwensbeginsel door de gemeenschapsinstellingen worden afgeleid. Geheel in het algemeen geldt namelijk volgens vaste rechtspraak dat met betrekking tot een gemeenschapsregeling slechts een beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, voorzover de Gemeenschap zelf een situatie heeft geschapen die een gewettigd vertrouwen kan wekken.(39)
72. De grieven van rekwirant dat het Gerecht het vertrouwensbeginsel, de strekking van het arrest Herbrink of de bevoegdheidsverdeling tussen de lidstaten en de Gemeenschap heeft miskend, moeten dus worden verworpen.
73. Bijgevolg heeft het Gerecht terecht vastgesteld dat de Gemeenschap slechts aansprakelijk is voor de schade die verzoeker tot 13 mei 1986 had geleden. Voorzover de vaststellingen van het Gerecht inzake het causaliteitsvereiste onjuist zijn, blijkt uit de rechtspraak dat daaraan geen gevolgen worden verbonden wanneer het oordeel van het Gerecht of al dan niet aan de aansprakelijkheidsvoorwaarden is voldaan, blijkens andere rechtsgronden juist is.(40) Zoals blijkt uit hetgeen ik hiervoor heb gezegd(41), is dat hier het geval.
74. In deze omstandigheden moet het eerste middel in hogere voorziening worden afgewezen.
B – De verjaring van het recht op vergoeding (tweede en derde middel in hogere voorziening)
1. Voornaamste argumenten van partijen
75. Zowel het tweede als het derde middel in hogere voorziening richten zich tegen de opvatting van het Gerecht dat het betrokken recht op vergoeding reeds verjaard is. Volgens het tweede middel in hogere voorziening geeft de beoordeling van de verjaring in het bestreden arrest blijk van een onjuiste rechtsopvatting voorzover het Gerecht de stuiting van de verjaring niet voor het tijdvak tussen 31 maart 1989 en de bekendmaking van de mededeling op 5 augustus 1992 heeft erkend. Volgens het derde middel in hogere voorziening geeft de beoordeling van de verjaring blijk van een onjuiste rechtsopvatting voorzover het Gerecht de verjaring ook voor het tijdvak vanaf 5 augustus 1992 niet als gestuit of geschorst heeft beschouwd. De twee middelen gaan dus in wezen uit van twee punten. Enerzijds, aldus rekwirant, heeft het Gerecht de mededeling van 5 augustus 1992 onjuist uitgelegd respectievelijk daaruit niet de juiste consequenties getrokken wat de verjaring betreft. Anderzijds heeft het Gerecht volgens rekwirant wezenlijke feiten miskend en zijn motiveringsplicht geschonden.(42) Het arrest is dus zowel in strijd met het gelijkheids‑, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel als met de motiveringsplicht.
76. Meer in het bijzonder stelt rekwirant, dat de Raad en de Commissie met de mededeling van 5 augustus 1992 tegenover een groep van SLOM-producenten, tot wie ook hij behoort, ervan hebben afgezien zich te beroepen op de verjaring van de schadevorderingen respectievelijk zichzelf dit recht door hun eigen handelwijze hebben ontnomen. Hij stelt dat deze mededeling bewust ruimer is geformuleerd dan artikel 43 van ’s Hofs Statuut-EG (thans artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie(43)) en ook de brief van 31 maart 1989 dekt. Voor het overige is de uitlegging van artikel 43 van het Statuut-EG volgens rekwirant niet beslissend omdat hij zich voor het Gerecht niet op deze bepaling maar op de met de mededeling gedane afstand van het recht heeft beroepen. Uit de bewoordingen van de mededeling van 5 augustus 1992 blijkt volgens hem in elk geval duidelijk dat de Gemeenschap zich tegenover geen enkele SLOM-producent die een schikking in het kader van verordening nr. 2187/93 was voorgesteld, nog op de verjaring van de schadevorderingen kan beroepen.
77. Ook in het kader van de schikkingsonderhandelingen met de Commissie na 1993 heeft zij zich tegenover de SLOM-producenten die bij de brief van 31 maart 1989 waren betrokken, niet meer op verjaring beroepen, ongeacht of een SLOM-producent inmiddels al dan niet beroep bij het Gerecht had ingesteld. Deze omstandigheid heeft het Gerecht volgens rekwirant ten onrechte niet in aanmerking genomen.
78. Evenmin heeft het Gerecht rekening gehouden met de omstandigheid dat de Commissie in de schriftelijke procedure in zaak T‑179/96(44) op basis van de brief van 31 maart 1989 het argument van de verjaring heeft ingetrokken en aldus nogmaals heeft erkend dat de Gemeenschap zich niet op verjaring kon beroepen. Voor het overige heeft het Gerecht hem in punt 72 ten onrechte de bewijslast inzake de uitlatingen van een ambtenaar van de Commissie opgelegd en miskend dat deze uitlatingen ten minste als een verkapte erkenning van de stuitende werking van de brief van 31 maart 1989 in samenhang met de mededeling van 5 augustus 1992 moesten worden aangemerkt.
79. Vervolgens keert rekwirant zich meer concreet tegen andere verklaringen van het Gerecht in de punten 62 tot en met 70 van het bestreden arrest. Wat de punten 62 en 63 van het arrest betreft, heeft hij zich met betrekking tot de stuiting van de verjaring niet op artikel 43 van het Statuut-EG maar op de mededeling van 5 augustus 1992 beroepen. De verklaringen in punt 65 dat de afstand in de mededeling van 5 augustus 1992 een eenzijdige handeling was, zijn irrelevant voor de rechten van rekwirant. Het gaat namelijk niet om de vraag wat de Raad en de Commissie in het algemeen met de mededeling hebben bedoeld, maar om de vraag welke rechtsverhouding, gelet op de inhoud van de mededeling en de genoemde overige omstandigheden, tussen de Gemeenschap en rekwirant bestaat.
80. De argumenten van het Gerecht in de punten 66 en 67 zijn volgens rekwirant onbegrijpelijk en onjuist, omdat het Gerecht enerzijds het tekstuele onderscheid tussen de mededeling van 5 augustus 1992 en artikel 43 van het Statuut-EG en anderzijds de hiervoor geschetste uitlegging die de Commissie aan de mededeling in de praktijk en in relatie tot de brief van 31 maart 1989 heeft gegeven, buiten beschouwing heeft gelaten.
81. Uit het bestreden arrest blijkt voorts niet waarom rekwirant anders mocht worden behandeld dan de SLOM-producenten die zich volgens de Commissie met ingang van de stuiting van de verjaring wel op de brief van 31 maart 1989 in samenhang met de mededeling van 5 augustus 1992 konden beroepen.
82. In de punten 68 en 69 heeft het Gerecht bovendien de betekenis miskend van de lijst die de Commissie kort na de inwerkingtreding van verordening nr. 2187/93 aan de Nederlandse autoriteiten had gezonden. Die lijst is een verdere bevestiging dat de Commissie met de betrokken mededeling tegenover de auteurs van de brief van 31 maart 1989 had afgezien van het beroep op verjaring. Daaruit blijkt ook de onjuistheid van de vaststelling in punt 70, dat het feit dat rekwirant per abuis op die lijst voorkwam, bij hem niet de overtuiging kon doen postvatten dat de toezegging in de mededeling voor hem gold.
83. Rekwirant komt tot de algemene slotsom dat de beoordeling door het Gerecht van de verjaring van de schadevordering onjuist was en dat de conclusie daarentegen alleen had kunnen luiden dat de Gemeenschap zich jegens hem althans voor de periode tot 30 september 1993(45) niet op verjaring kon beroepen. Omdat het Gerecht heeft aangenomen dat zijn vorderingen reeds op die datum volledig waren verjaard, heeft het, voegt hij eraan toe, in het geheel niet onderzocht of er tussen dat tijdstip en de instelling van het beroep op 29 april 1997 gedeeltelijke verjaring was geweest. Deze vraag zou het Gerecht na terugverwijzing van de zaak nog moeten onderzoeken.
84. Volgens de Raad zijn de grieven van rekwirant gedeeltelijk niet-ontvankelijk, en in elk geval ongegrond.
85. Rekwirant probeert het Hof het rechtsgeschil in zijn geheel opnieuw te laten onderzoeken, in het bijzonder wat de feitelijke oordelen betreft. Niet-ontvankelijk is in elk geval het betoog van rekwirant, dat het Gerecht de relevante omstandigheden onjuist heeft uitgelegd of niet in aanmerking heeft genomen. Daarbij verwijst de Raad in het bijzonder naar het betoog van rekwirant betreffende de heer Booss. Subsidiair zijn de grieven evenwel ook ongegrond. Als niet-ontvankelijke nieuwe grief moet volgens de Raad worden afgewezen de stelling dat de Commissie voor de periode van 31 maart 1989 tot 5 augustus 1992 heeft afgezien van het recht zich op verjaring te beroepen. Voor het Gerecht bedoelde rekwirant veeleer te stellen dat de brief van 31 maart 1989 – wat de periode vóór 31 maart 1989 betrof – stuitende werking had. In deze context merkt de Raad op dat wanneer wordt aangenomen dat tot 5 augustus 1992 van het beroep op verjaring is afgezien, geen beroep op verjaring voor het tijdvak vóór deze datum kan worden gedaan. Wanneer daarentegen een stuiting van de verjaring wordt aangenomen, gaat volgens vaste rechtspraak het voordeel van de stuiting volledig verloren wanneer niet binnen de voorgeschreven termijn bij het Gerecht beroep is ingesteld. De Raad merkt ook in het algemeen op, dat rekwirant alleen afstand van het beroep op verjaring door de Commissie stelt, terwijl in casu alleen de beide betrokken instellingen daarvan geldig afstand konden doen.
86. Ongegrond is het betoog van rekwirant dat het Gerecht de betekenis van de mededeling van 5 augustus 1992 en de uit de brief van 31 maart 1989 voortvloeiende consequenties heeft miskend. De Raad verwijst in het bijzonder naar artikel 43 van het Statuut-EG. Wanneer de gemeenschapsinstelling een verzoek heeft afgewezen, kan de verjaring van aansprakelijkheidsvorderingen krachtens deze bepaling slechts worden gestuit, wanneer binnen twee maanden beroep wordt ingesteld. De Raad heeft de brief van 31 maart 1989 niet beantwoord – hetgeen neerkomt op een impliciete afwijzing – en rekwirant heeft niet binnen de voorgeschreven termijn van twee maanden beroep ingesteld.
87. De Raad betwist de stelling dat de brief van 31 maart 1989 gedekt is door de mededeling van 5 augustus 1992 zodat de verjaring – met terugwerkende kracht – werd gestuit. Terecht heeft het Gerecht deze mededeling tegen de achtergrond van artikel 43 van het Statuut-EG uitgelegd, die als bepaling van primair recht de gemeenschapsinstellingen bindt.
88. Voorts, aldus de Raad, heeft het Gerecht terecht geen rechten voor rekwirant afgeleid uit de beslissingen van de Commissie jegens bepaalde andere SLOM-producenten, aangezien rekwirant zich niet in een vergelijkbare situatie heeft bevonden. De afstand jegens deze producenten moet worden gezien in het kader van het streven, met producenten wier recht op vergoeding nog niet volledig was verjaard en die voor vergoeding in aanmerking kwamen, tot een buitengerechtelijke schikking te komen. Dit is geen abstracte of algemene afstand van de rechten van de Gemeenschap op basis van artikel 43 van het Statuut-EG. De Raad herinnert er ook aan dat rekwirant alleen per abuis op de lijst van de betrokken producenten voorkwam.
89. De Commissie deelt grotendeels de rechtsopvattingen van de Raad. Ook zij is van mening dat de verjaring op basis van artikel 43 van het Statuut-EG moet worden beoordeeld.
90. Zij stelt dat rekwirant niet is opgekomen tegen de – juiste – vaststelling van het Gerecht dat de verjaring van de rechten op vergoeding op 13 mei 1991 is ingetreden, voorzover zij niet eerder is gestuit. Als enige stuitingshandeling komt de brief van 31 maart 1989 in aanmerking. Aangezien na deze brief evenwel geen beroep binnen de in artikel 43 voorgeschreven termijn is ingesteld en de instellingen die brief nooit hebben beantwoord, rest alleen nog de vraag of de gemeenschapsinstellingen bij rekwirant de indruk hebben gewekt dat zij jegens hem geen beroep op verjaring zouden doen. De mededeling is evenwel duidelijk gericht aan de producenten die voldoen aan de voorwaarden van het arrest Mulder II, dus aan producenten die over een definitieve referentiehoeveelheid hadden beschikt en wier recht evenmin verjaard was. Rekwirant behoorde dus niet tot de groep van producenten jegens wie de Commissie ervan heeft afgezien zich op verjaring te beroepen. Daaraan doet niet af dat hij voorkwam op de lijst die de Nederlandse autoriteiten is toegestuurd, daar hij niet in aanmerking kwam voor een vergoedingsvoorstel in het kader van verordening nr. 2187/93, met het oog waarop de lijst juist is gezonden. Een en ander heeft het Gerecht in de punten 68 tot en met 71 van het arrest juist uiteengezet.
2. Beoordeling
a) De stuiting of schorsing van de verjaring van het recht op schadevergoeding in het algemeen
91. Om de gekritiseerde gedeelten van de motivering van het arrest te kunnen toetsen en de grieven van rekwirant dienovereenkomstig te kunnen indelen, moet ik eerst de verjaringsregeling voor vorderingen inzake niet-contractuele aansprakelijkheid bespreken.
92. Om te beginnen stel ik vast dat in artikel 43 van het Statuut-EG (thans artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie(46)), de bepaling van primair recht die de verjaring van vorderingen inzake niet-contractuele aansprakelijkheid regelt, alleen van stuiting wordt gesproken en niet van schorsing van de verjaring.(47)
93. Zoals het Gerecht in punt 62 terecht opmerkt, kan de verjaring volgens de tekst van deze bepaling op twee wijzen worden gestuit, hetzij door een bij het Hof ingesteld beroep hetzij door een eerder verzoek van de gelaedeerde aan de bevoegde gemeenschapsinstelling. In dit laatste geval kan de stuiting evenwel slechts effectief worden, wanneer na de indiening van het verzoek binnen de termijn van artikel 230 EG of artikel 232 EG beroep wordt ingesteld.(48)
94. Hoe dan ook mag het Gerecht, zoals het Hof in zijn arrest Roquette Frères/Commissie duidelijk heeft gemaakt, de vraag van de verjaring krachtens artikel 46 van het Statuut in beginsel niet ambtshalve behandelen.(49)
95. De verwerende instellingen respectievelijk degenen tegen wie de vordering is gericht, zouden dus de afwijzing van een schadevordering wegens verjaring krachtens artikel 46 van het Statuut kunnen verhinderen – en dus uiteindelijk de verjaringstermijn verlengen – voorzover zij ervan afzien om zich op verjaring te beroepen.
96. Tegen deze achtergrond heeft het Gerecht in vaste rechtspraak inzake de vergoeding van SLOM-producenten erkend dat de gemeenschapsinstellingen ook bij voorbaat en tegenover een bepaalde groep alsook met betrekking tot een bepaald tijdvak ervan kunnen afzien zich op verjaring te beroepen.(50)
97. Terwijl dit op zich kan worden beschouwd als een voortzetting van de voormelde rechtspraak Roquette Frères waarin het Hof de verjaring krachtens artikel 46 van het Statuut in feite heeft behandeld als een exceptie waarvan afstand kan worden gedaan, is de beslissende vraag welke de consequenties zijn wanneer van tevoren wordt verklaard dat van een beroep op verjaring wordt afgezien, maar de gemeenschapsinstellingen zich desondanks voor het Gerecht alsnog op de verjaring van de schadevordering beroepen krachtens artikel 46 van het Statuut.
98. In dit geval zou het Gerecht kunnen worden geacht volledig, dat wil zeggen voor de volledige verjaringstermijn, gebonden te zijn door artikel 46 van het Statuut, zodat het in voorkomend geval de verjaring van de schadevordering moet vaststellen. De gelaedeerde aan wie de garantie was gegeven dat geen beroep op verjaring zou worden gedaan en die er dus van af heeft gezien eerder beroep in te stellen, zou dan alleen kunnen proberen schadevergoeding te krijgen met een afzonderlijke schadevordering welke op schending van het vertrouwensbeginsel is gebaseerd.
99. In zijn rechtspraak is het Gerecht evenwel een andere weg ingeslagen. Volgens het Gerecht moet een dergelijke vooraf aangekondigde afstand worden aangemerkt als een vrijwillige zelfbinding, met als gevolg dat de instellingen zich niet meer op verjaring kunnen beroepen voor het tijdvak waarop de afstand in het concrete geval betrekking heeft. Het tijdvak waarop de afstand betrekking heeft, telt niet mee voor de verjaringstermijn, zodat de afstand uiteindelijk een de verjaring schorsende werking heeft.(51)
100. De oplossing volgens vaste rechtspraak van het Gerecht waardoor de afstand een de verjaring schorsende werking heeft, is in elk geval aan te bevelen om redenen van rechtszekerheid en proceseconomie.
101. Aangezien deze mogelijkheid van schorsende werking minder berust op het bepaalde in artikel 46 van het Statuut dan op het feit dat degene tegen wie de vordering is gericht, ervan afziet zich op dit artikel te beroepen, belet ook het feit dat dit artikel alleen van stuiting van de verjaring spreekt, deze werking niet.
102. Met betrekking tot het verloop van de verjaringstermijn voor schadevorderingen moet dus onderscheid worden gemaakt tussen de mogelijkheden van stuiting krachtens artikel 46 van het Statuut enerzijds en de schorsing in de beschreven zin anderzijds.
b) De beoordeling van de verjaring in het bestreden arrest in het bijzonder
103. Wat de beoordeling van de verjaring in het bestreden arrest betreft, moet worden vastgesteld dat het Gerecht om te beginnen in de punten 62 en 63 heeft onderzocht of de verjaring was gestuit in de zin van artikel 46 van het Statuut.
104. Wat de stuiting betreft, hebben de Raad en de Commissie, zoals gezegd, er terecht op gewezen dat rekwirant (na de brief aan de gemeenschapsinstellingen van 31 maart 1989) geen beroep heeft ingesteld, en heeft het Gerecht in punt 63 derhalve terecht verklaard dat de verjaring niet was gestuit.
105. In de daaropvolgende punten van het bestreden arrest behandelt het Gerecht evenwel niet de vraag van de stuiting van de verjaring, maar wel of de verjaring is geschorst in de hiervoor aangegeven zin(52) zodat het niet relevant is of een beroep in de zin van artikel 46 van het Statuut is ingesteld, maar wel of afstand van het beroep op verjaring is gedaan.
106. Zoals het Gerecht in punt 64 van het bestreden arrest heeft verklaard, had rekwirant voor het Gerecht verklaard dat de Raad en de Commissie zich jegens hem hadden verplicht met ingang van 31 maart 1989 geen beroep op verjaring te doen.
107. Vervolgens onderzoekt het Gerecht in de punten 65 tot en met 72 van het bestreden arrest of en in hoever tegen de achtergrond van de door rekwirant genoemde handelingen en omstandigheden, in het bijzonder de mededeling van 5 augustus 1992 en de brief van rekwirant van 31 maart 1989, de Raad en de Commissie jegens rekwirant daadwerkelijk ervan hebben afgezien zich op verjaring te beroepen.
108. De vraag of en in welke mate de Raad en de Commissie met de mededeling van 5 augustus 1992 in samenhang met de brief van rekwirant van 31 maart 1989 en op grond van de overige door rekwirant genoemde omstandigheden jegens hem daadwerkelijk hebben verklaard geen beroep op verjaring te doen, houdt evenwel een feitelijk oordeel in dat niet vatbaar is voor toetsing door het Hof. Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan een hogere voorziening namelijk alleen betrekking hebben op schending van het recht, maar niet op feitelijke oordelen.(53)
109. In dit opzicht moeten de grieven van rekwirant tegen deze punten, die de hoofdmoot van het tweede en het derde middel vormen en betrekking hebben op de uitlegging van de mededeling van 5 augustus 1992, de brief van 31 maart 1989, de aan de Nederlandse autoriteiten toegezonden lijst en de verklaringen van de heer Booss, niet-ontvankelijk worden verklaard.
110. Voorzover ten slotte de grieven van rekwirant aldus zouden moeten worden opgevat dat het Gerecht bij de beoordeling van de verjaring zijn motiveringsplicht heeft geschonden, volstaat het vast te stellen dat het Gerecht de argumenten van rekwirant tegen de verjaring, zoals zij in de punten 52 tot en met 57 van het bestreden arrest zijn samengevat, heeft behandeld, heeft onderzocht of sprake kon zijn van stuiting(54) of schorsing(55) en op die basis tot de conclusie is gekomen dat de reeds op 13 mei 1991 ingetreden verjaring niet is gestuit of geschorst. Aldus heeft het Gerecht voldaan aan zijn motiveringsplicht.
111. Uit al het voorgaande volgt dat het oordeel van het Gerecht inzake de verjaring niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en dat het tweede en het derde middel niet-ontvankelijk of in elk geval ongegrond moeten worden verklaard.
VII – Kosten
112. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Indien alle middelen in hogere voorziening van rekwirant overeenkomstig mijn conclusie ongegrond of niet-ontvankelijk worden verklaard, moet rekwirant in de kosten worden verwezen.
VIII – Conclusie
113. Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
– de hogere voorziening af te wijzen;
– rekwirant te verwijzen in de kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Arrest van 31 januari 2001, Van den Berg/Raad en Commissie (T‑143/97, Jurispr. blz. II‑277).
3 – De uitdrukking „SLOM” komt uit Nederland. In de praktijk bestaan er verschillende opvattingen en tradities betreffende deze afkorting, die aldus kan betekenen: stopzetting leveranties en omschakeling melkveebestand, slachten en omschakelen, of slacht- en omschakelingspremie en zelfs slachtoffers omschakeling.
4 – Verordening (EEG) nr. 1078/77 van de Raad van 17 mei 1977 tot invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelproducten en voor de omschakeling van het melkveebestand (PB L 131, blz. 1).
5 – Verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk- en zuivelproducten (PB L 90, blz. 13).
6 – Conclusie van 18 september 2003 in de gevoegde zaken Bouma/Raad en Commissie en Beusmans/Raad en Commissie (C‑162/01 P en C‑163/01 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
7 – Conclusie in de gevoegde zaken C‑162/01 P en C‑163/01 P (aangehaald in voetnoot 6, punten 6‑26).
8 – PB L 84, blz. 2.
9 – PB L 139, blz. 12.
10 – PB L 110, blz. 27.
11 – Verordening tot wijziging van verordening (EEG) nr. 857/84 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 68, blz. 1).
12 – C‑104/89 en C‑37/90, Jurispr. blz. I‑3061.
13 – PB C 198, blz. 4.
14 – PB L 196, blz. 6.
15 – En wel, zoals vastgesteld in artikel 2 van deze verordening, overeenkomstig artikel 3 bis, lid 3, van verordening nr. 857/84 krachtens verordening nr. 764/89 op 29 maart 1991, respectievelijk verordening nr. 1639/91 op 1 juli 1993.
16 – Punten 14‑21.
17 – Zie punten 27 en 41 van het bestreden arrest.
18 – Punt 30 van het bestreden arrest.
19 – Zie punt 31.
20 – Punten 38‑42 van het bestreden arrest.
21 – Punten 44‑49 van het bestreden arrest.
22 – Punt 50 van het bestreden arrest.
23 – Punten 59 en 60 van het bestreden arrest.
24 – Punt 61 van het bestreden arrest.
25 – Punten 62‑72 van het bestreden arrest.
26 – Punt 73 van het bestreden arrest.
27 – Arrest van 27 januari 1994 (C‑98/91, Jurispr. blz. I‑223, punt 15).
28 – Beschikking van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 3 juli 1996 (94/1619/060/198).
29 – In het bijzonder punt 32 van het bestreden arrest.
30 – Zie arrest Mulder II (aangehaald in voetnoot 12, punt 22).
31 – Zie o.a. arresten van 5 oktober 1988, Hamill/Commissie (180/87, Jurispr. blz. 6141, punt 14), en 4 oktober 1979, Dumortier Frères e.a./Raad (64/76, 113/76, 167/78, 239/78, 27/79, 28/79 en 45/79, Jurispr. blz. 3091, punt 21).
32 – Zie o.a. arresten van 9 december 1965, Laminoirs de la Providence e.a./Hoge Autoriteit (29/63, 31/63, 36/63, 39/63–47/63, 50/63 en 51/63, Jurispr. blz. 1198, 1233 e.v.), en 14 juli 1967, Kampffmeyer e.a./Commissie (5/66, 7/66 en 13/66–24/66, Jurispr. blz. 306, 325 e.v.).
33 – Zie inzake het verbreken van het causaal verband door de gelaedeerde bijvoorbeeld de conclusie van advocaat-generaal Van Gerven van 28 januari 1992 in de zaak Mulder II (arrest aangehaald in voetnoot 12, punt 38) alsook arrest van 29 september 1982, Oleifici Mediterranei (26/81, Jurispr. blz. 3057, punt 23).
34 – Voor een voorbeeld van een soortgelijk geval waarin geen sprake kon zijn van aansprakelijkheid voor de schade als gevolg van de onrechtmatige toepassing van een bepaalde voorwaarde voor communautaire financiering, omdat niet was aangetoond dat was voldaan aan de overige voorwaarden voor deze financiering, zie arrest Gerecht van 18 mei 1995, Wafer Zoo/Commissie (T‑478/93, Jurispr. blz. II‑1479, punt 49).
35 – Zie arrest van 17 april 1997, EARL de Kerlast (C‑15/95, Jurispr. blz. I‑1961, punt 17), en arrest Herbrink, aangehaald in voetnoot 27, punt 13.
36 – Zie o.a. arresten van 28 april 1988, Mulder (120/86, Jurispr. blz. 2321, punt 24), en Von Deetzen (170/86, Jurispr. blz. 2355, punt 13), en 3 december 1992, Wehrs (C‑264/90, Jurispr. blz. I‑6285, punt 8); zie ook mijn uiteenzetting betreffende het vertrouwensbeginsel in mijn conclusie van 18 september 2003 in de gevoegde zaken C‑162/01 P en C‑163/01 P (aangehaald in voetnoot 6, in het bijzonder de punten 74 e.v.)
37 – Zie arrest Herbrink (aangehaald in voetnoot 27, punt 13).
38 – Arrest Herbrink (aangehaald in voetnoot 27, punt 15).
39 – Zie o.a. arresten van 6 maart 2003, Niemann (C‑14/01, Jurispr. blz. I‑2279, punt 56); 15 februari 1996, Duff e.a. (C‑63/93, Jurispr. blz. I‑569, punt 20), en 10 januari 1992, Kühn (C‑177/90, Jurispr. blz. I‑35, punt 14).
40 – Zie o.a. arresten van 30 september 2003, Biret/Raad en Commissie (C‑93/02 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 60); 10 juli 2003, Commissie/Fresh Marine (C‑472/00 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 23); 9 juni 1992, Lestelle/Commissie (C‑30/91 P, Jurispr. blz. I‑3755, punt 28); 19 mei 1994, SEP/Commissie (C‑36/92 P, Jurispr. blz. I‑1911, punt 33), en 12 november 1996, Ojha/Commissie (C‑294/95 P, Jurispr. blz. I‑5863, punt 52).
41 – Zie in het bijzonder punten 58‑69.
42 – Zie het betoog van rekwirant inzake het tweede en het derde middel in hogere voorziening in de punten 27 en 28 van de repliek.
43 – Hierna blijf ik in het kader van het betoog van partijen spreken van artikel 43 van het Statuut-EG.
44 – Beschikking president Gerecht van 21 maart 1997, Antonissen/Commissie en Raad (T‑179/96 R, Jurispr. blz. II‑425).
45 – De datum waarop de stuiting van de verjaring, zoals rekwirant stelt, overeenkomstig artikel 10, lid 2, van verordening nr. 2187/93 eindigde.
46 – Hierna spreek ik van artikel 46 van het Statuut.
47 – Zie beschikking Hof van 18 juli 2002, Autosalone Ispra/Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (C‑136/01 P, Jurispr. blz. I‑6565, punt 56).
48 – Zie o.a. arrest van 5 april 1973, Giordano/Commissie (11/72, Jurispr. blz. 417, punt 6).
49 – Arrest van 30 mei 1989 (20/88, Jurispr. blz. 1553, punt 12).
50 – Zie o.a. arresten Gerecht van 25 november 1998, Steffens/Raad en Commissie (T‑222/97, Jurispr. blz. II‑4175, punten 37‑41), en 9 december 1997, Quiller en Heusmann/Raad en Commissie (T‑195/94 en T‑202/94, Jurispr. blz. II‑2247, punt 136); zie ook Ton Heukels/Alison McDonnell, „Limitation of the Action for Damages Against the Community: Considerations and New Developments„, in: Ton Heukels/Alison McDonnell, The Action for Damages in Community Law, 1997, blz. 217 (239 e.v.).
51 – Zie o.a. arrest Quiller en Heusmann/Raad en Commissie (aangehaald in voetnoot 50, punten 137‑139 en 142), en arrest van 16 april 1997, Hartmann/Raad en Commissie (T‑20/94, Jurispr. blz. II‑595, punten 135‑140); zie ook S. Hackspiel, Kommentar zu Artikel 43 in: H. von der Groeben/J. Thiesing/C. Ehlermann (Ed.), Kommentar zum EU-/EG-Vertrag, 5e uitgave 1997, volume 4, 858 (punt 6); M. Núñez Müller, Die Verjährung außervertraglicher Schadenersatzansprüche gegen die EG, EuZW 20/1999, blz. 611 (614 e.v.).
52 – In punt 73 van het bestreden arrest verklaart het Gerecht dan ook dat de reeds ingetreden verjaring „niet is gestuit of geschorst”.
53 – Zie in het bijzonder arresten van 5 juni 2003, O’Hannrachain/Parlement (C‑121/01 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 35); 8 mei 2003, T. Port/Commissie (C‑122/01 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 27); 2 oktober 2001, EIB/Hautem (C‑449/99 P, Jurispr. blz. I‑6733, punt 44), en 7 november 2002, Hirschfeldt (C‑184/01 P, Jurispr. blz. I‑10173, punt 40).
54 – Zie punt 63 van het bestreden arrest.
55 – Zie punten 64‑72 van het bestreden arrest.
Full & Egal Universal Law Academy