CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. TIZZANO
van 26 september 2002 (1)
Zaak C-193/01 P
Pitsiorlas
tegen
Raad van de Europese Unie en Europese Centrale Bank
„Hogere voorziening tegen arrest van Gerecht van eerste aanleg – Toegang tot documenten van Raad – Weigering van toegang tot Bazel-Nyborg-akkoord ter versterking van Europees Monetair Stelsel – Ontvankelijkheid van beroep bij Gerecht”
1. De onderhavige zaak betreft de hogere voorziening van Pitsiorlas tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 14 februari 2001, Pitsiorlas/Raad en ECB (T-3/00, Jurispr. blz. II-717) waarbij zijn beroep tot nietigverklaring van een besluit van de Raad van 30 juli 1999 niet-ontvankelijk is verklaard. Bij dat besluit wees de Raad zijn verzoek om toegang tot het Bazel-Nyborg-akkoord ter versterking van het Europees Monetair Stelsel af.
Rechtskader
2. Zoals bekend is in besluit 93/731/EG van de Raad van 20 december 1993 betreffende toegang van het publiek tot documenten van de Raad (2) het beginsel vastgelegd dat het publiek toegang heeft tot de documenten van de Raad en zijn hierin de toepasselijke voorwaarden en procedure gepreciseerd.
3. In het kader van de onderhavige conclusie dient in de eerste plaats te worden gewezen op artikel 2, leden 1 en 2, dat luidt als volgt:
1. Het verzoek om toegang tot een document van de Raad wordt schriftelijk aan de Raad gericht. Het moet voldoende nauwkeurig geformuleerd zijn en met name de gegevens bevatten waarmee bepaald kan worden om welk document of welke documenten het gaat. In voorkomend geval wordt de aanvrager om een nadere omschrijving verzocht.
2. Wanneer het opgevraagde document is opgesteld door een natuurlijke of rechtspersoon, een lidstaat, een andere instelling of een ander orgaan van de Gemeenschap dan wel een andere nationale of internationale instelling, moet het verzoek niet tot de Raad, maar rechtstreeks tot de opsteller van het document worden gericht.
4. Verder wordt volgens artikel 6 elk verzoek om toegang tot een document van de Raad [...] behandeld door de bevoegde diensten van het Secretariaat-generaal, die voorstellen welk gevolg daaraan moet worden gegeven. Artikel 7 bepaalt:
1. Binnen een maand wordt aan de verzoeker door de bevoegde diensten van het Secretariaat-generaal schriftelijk meegedeeld dat zijn verzoek is ingewilligd, dan wel dat het voornemen bestaat het af te wijzen. In het tweede geval wordt hem ook de reden hiervan meegedeeld alsmede dat hij binnen een maand een confirmatief verzoek tot herziening van dit besluit kan indienen en dat bij gebreke hiervan zijn oorspronkelijke verzoek geacht zal worden te zijn ingetrokken.
2. Wordt een verzoek niet binnen een maand na de indiening ervan beantwoord, dan geldt dit als een weigering, behalve indien de verzoeker binnen een maand bovenbedoeld confirmatief verzoek indient.
3. Het besluit tot afwijzing van een confirmatief verzoek, dat genomen moet worden binnen de maand na de indiening ervan, moet met redenen omkleed zijn. Het wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de verzoeker meegedeeld, samen met de inhoud van de artikelen 138 E en 173 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap [thans artikelen 195 EG en 230 EG] betreffende de voorwaarden waarop natuurlijke personen zich tot de ombudsman kunnen wenden, respectievelijk de toetsing van de wettigheid van de handelingen van de Raad door het Hof van Justitie.
4. Wordt het confirmatief verzoek niet binnen een maand na de indiening ervan beantwoord, dan geldt dit als een weigering.
Feiten en procesverloop
De aan het geding ten grondslag liggende feiten
5. De bestreden beschikking geeft de feiten weer als volgt:
1. Verzoeker bereidt zich voor op een doctoraat in de rechtsgeleerdheid aan de universiteit van Thessaloniki (Griekenland).
2. Bij schrijven van 6 april 1999 , ontvangen bij het secretariaat-generaal van de Raad op 9 april daaraanvolgend, diende hij krachtens besluit 93/731/EG van de Raad van 20 december 1993 betreffende toegang van het publiek tot documenten van de Raad (PB L 340, blz. 43), zoals gewijzigd bij besluit 96/705/Euratom, EGKS, EG van de Raad van 6 december 1996 (PB L 325, blz. 19), een verzoek in om toegang te krijgen tot het Bazel-Nyborg-akkoord ter versterking van het Europees Monetair Stelsel (EMS), goedgekeurd tijdens de vergadering van de informele Raad van ministers van Economische Zaken en Financiën van 12 september 1987 in Nyborg (Denemarken).
3. In zijn brief van 11 mei 1999 , welke op 15 mei 1999 ter kennis is gebracht van verzoeker, gaf het secretariaat-generaal van de Raad hem het volgende antwoord: Het secretariaat-generaal heeft uw verzoek aandachtig bestudeerd, maar uit het feit dat het document niet kon worden gevonden, leid ik af dat het hoogstwaarschijnlijk gaat om een document van de [Europese Centrale Bank]. U kunt zich dan ook beter rechtstreeks tot laatstgenoemde wenden [...]
4. Bij brief van 8 juni 1999 , ingeschreven bij het secretariaat-generaal van de Raad op 10 juni daaraanvolgend, diende verzoeker een confirmatief verzoek in krachtens artikel 7, lid 1, van besluit 93/731.
5. Bij brief van 5 juli 1999 deelde het secretariaat-generaal van de Raad verzoeker mee, dat het niet mogelijk was binnen de door artikel 7, lid 3, van besluit 93/731 gestelde termijn van één maand een besluit te nemen, en dat daarom was besloten deze termijn te verlengen krachtens artikel 7, lid 5, waarvan de tekst luidt: Bij wijze van uitzondering kan de secretaris-generaal, mits de betrokkene daarvan vooraf in kennis wordt gesteld, de in lid 1, eerste zin, en lid 3 van dit artikel genoemde termijnen met één maand verlengen.
6. Gelijktijdig verzocht verzoeker bij brief van 28 juni 1999 aan de directeur Externe betrekkingen van de Europese Centrale Bank (ECB) om toegang tot voornoemd document krachtens besluit 1999/284 van de ECB van 3 november 1998 inzake toegang van het publiek tot de documentatie en archieven van de Europese Centrale Bank (PB 1999, L 110, blz. 30). Na de afwijzing van dit verzoek bij brief van 6 juli 1999 , verzocht verzoeker bij brief van 27 juli 1999 om een hernieuwd onderzoek op basis van artikel 23.3 van het Reglement van orde van de ECB van 7 juli 1998 (PB 1998, L 338, blz. 28), zoals gewijzigd op 22 april 1999 (PB 1999, L 125, blz. 34).
7. Bij brief van 2 augustus 1999, op 8 augustus daaraanvolgend ter kennis gebracht van verzoeker, stelde het secretariaat-generaal van de Raad verzoeker op de hoogte van het besluit van de Raad van 30 juli 1999 houdende afwijzing van zijn confirmatief verzoek (hierna: besluit van de Raad). Dit besluit luidt als volgt: Na een grondig onderzoek hebben wij vastgesteld, dat het in uw verzoek genoemde document betrekking heeft op het verslag van het Comité van presidenten inzake de versterking van het EMS, dat het Comité van presidenten van de centrale banken van de lidstaten in Nyborg op 8 september 1987 heeft gepubliceerd. De regels betreffende de administratieve werking van het EMS hebben nooit deel uitgemaakt van het gemeenschapsrecht; bijgevolg heeft de Raad dienaangaande nog nooit een besluit moeten nemen. Aangezien het gevraagde document is opgesteld door de presidenten van de centrale banken, verzoeken wij u uw verzoek rechtstreeks tot de presidenten van de centrale banken of tot de ECB te richten.
8. In diezelfde brief wijst het secretariaat-generaal verzoeker ook op de bepalingen van de artikelen 195 EG en 230 EG, voorzover deze betrekking hebben op de voorwaarden waarop men zich tot de ombudsman kan wenden en de wettigheid van de handelingen van de Raad kan doen toetsen door het Hof van Justitie.
9. Bij brief van 8 november 1999 , op 13 november daaraanvolgend ter kennis gebracht van verzoeker, werd hij op de hoogte gesteld van het besluit van het Comité van presidenten van de centrale banken om hem geen toegang te verlenen tot het betrokken document (hierna: besluit van de ECB)
(cursiveringen van mij).
6. Bij brief van de ECB van 6 juli 1999 werd rekwirants verzoek om toegang afgewezen met de volgende motivering:de documenten van het Comité van presidenten van de centrale banken van de lidstaten zijn niet gedekt door het besluit van de ECB (ECB/1998/12), maar door artikel 23, lid 3, van het reglement van orde van de ECB (PB L 125 van 19 mei 1999, blz. 34), volgens hetwelk de documenten van het Comité van presidenten vrij toegankelijk worden na dertig jaar. Het spijt mij dus u niet te kunnen helpen.
7. Pas in het daaropvolgende besluit van de ECB van 8 november 1999 dat de afwijzing van rekwirants verzoek bevestigde, werd vermeld dat het Bazel-Nyborg-akkoord eigenlijk geen in één enkel document gegoten akkoord tussen partijen is, maar slechts bestaat in de vorm van rapporten en notulen, opgesteld door het Comité van presidenten en het Monetair Comité. Meer bepaald preciseerde de ECB in de loop van de procedure voor het Gerecht (3) dat het Bazel-Nyborg-akkoord in wezen bestaat uit twee documenten: i) het Rapport du Comité des gouverneurs sur le renforcement du SME (opgesteld te Bazel op 8 september 1987), waarnaar het besluit tot weigering van toegang van de Raad verwijst; ii) een rapport van het Monetair Comité, een adviesorgaan van de Raad (4) , met als titel: Le renforcement du SME ─ Rapport du président du Comité monétaire à la réunion informelle des ministres des Finances, Nyborg, du 12 septembre 1987. Op basis van deze twee rapporten heeft de Raad op de informele bijeenkomst van Nyborg van 12 september 1987 officieel de noodzakelijke wijzigingen vastgesteld die in de werking van het EMS-akkoord van 13 maart 1979 (5) dienden te worden aangebracht.
De procedure voor het Gerecht en de bestreden beschikking
8. Zoals gezegd werd Pitsiorlas door de ECB bij besluit van 8 november 1999 , waarvan hem kennis is gegeven op 13 november daaraanvolgend, definitief toegang tot het Bazel/Nyborg-akkoord geweigerd en vernam hij dat dit akkoord bestaat uit rapporten en notulen die niet alleen zijn opgesteld door het Comité van presidenten van de centrale banken van de lidstaten, maar ook door het Monetair Comité, dat, zoals gezegd, een adviesorgaan van de Raad is, en dus verantwoordelijk is voor de toegang tot de desbetreffende documenten. Aangezien rekwirant dit besluit ongeldig achtte en uit de motivering ervan ook de ongeldigheid van het besluit van de Raad van het 30 juli 1999 afleidde (waarbij in wezen was ontkend dat het Bazel-Nyborg-akkoord documenten van de Raad omvatte), heeft hij bij verzoekschrift van 20 januari 2000 krachtens artikel 230 EG de twee besluiten samen voor het Gerecht van eerste aanleg aangevochten.
9. Zonder op de zaak ten gronde in te gaan heeft de Raad, onder verwijzing naar artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht gesteld dat het beroep, voorzover het gericht was tegen zijn besluit van 30 juli 1999, niet-ontvankelijk was, onder meer omdat het te laat was ingesteld. Ter weerlegging van deze exceptie heeft rekwirant gesteld dat de niet-inachtneming van de termijn te wijten was aan een verschoonbare dwaling daar hij was misleid door de betrokken instellingen die hem er met opzet toe hadden aangezet het besluit van de Raad niet onmiddellijk aan te vechten maar te wachten op een bevestigend antwoord van de ECB. Het had meer bepaald geen zin onmiddellijk op te komen tegen het besluit van de Raad, daar deze uitdrukkelijk had ontkend in het bezit van het vereiste document te zijn; pas dankzij het ─ overigens met aanzienlijke vertraging genomen ─ bevestigend besluit van de ECB heeft hij begrepen dat de Raad hem ten onrechte de toegang had geweigerd.
10. Bij beschikking van 14 februari 2001 heeft het Gerecht de exceptie van de Raad aanvaard en het beroep van Pitsiorlas dus niet-ontvankelijk verklaard voorzover het [was] gericht tegen het besluit van de Raad van 30 juli 1999.
11. Het Gerecht heeft er met name aan herinnerd dat ingevolge artikel 230, vijfde alinea, EG [...] de termijn voor het instellen van een beroep twee maanden [bedraagt], te rekenen, al naar het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, vanaf de dag van kennisgeving aan de verzoeker, of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, juncto bijlage II bij het Reglement voor de procesvoering van het Hof, moet deze termijn bovendien worden verlengd met een termijn wegens afstand van tien dagen voor partijen die hun verblijfplaats hebben in Griekenland (punt 19). In casu is het besluit van de Raad bij brief van het secretariaat-generaal op 8 augustus 1999 ter kennis gebracht van verzoeker. Vermeerderd met een termijn wegens afstand van tien dagen, is de termijn voor het instellen van beroep tegen dit besluit derhalve verstreken op 18 oktober 1999 om middernacht (punt 20). Aangezien het verzoekschrift was ingediend op 20 januari 2000, kwam het Gerecht tot de conclusie dat het beroep te laat was ingesteld (punt 21).
12. Met betrekking tot de door rekwirant gestelde verschoonbare dwaling heeft het Gerecht bovendien het volgende verklaard:
22 Volgens vaste rechtspraak kan een verschoonbare dwaling onder buitengewone omstandigheden wel tot gevolg hebben dat de verzoeker geen termijnverzuim wordt aangerekend (arresten Hof van 18 oktober 1977, Schertzer/Parlement, 25/68, Jurispr. blz. 1729, punt 19, en 5 april 1979, Orlandi/Commissie, 117/78, Jurispr. blz. 1613, punt 11; beschikking Hof van 26 oktober 2000, Oostenrijk/Commissie, C 165/99, niet gepubliceerd in Jurisprudentie, punt 17). Dit is met name het geval wanneer de betrokken instelling zich aldus heeft gedragen dat dit gedrag, op zich of in beslissende mate, bij een burger te goeder trouw die alle zorgvuldigheid aan de dag legt die van een marktdeelnemer met normale kennis van zaken mag worden verwacht, tot een begrijpelijk misverstand heeft geleid (zie arresten Blackman/Parlement, reeds aangehaald, punt 34, en Bayer/Commissie, reeds aangehaald, punt 26).
23 In casu heeft verzoeker evenwel geen enkel bewijs aangedragen voor zijn stelling dat de Raad zich op een dergelijke wijze heeft gedragen. Integendeel, in de brief van het secretariaat-generaal waarin verzoeker het besluit van de Raad werd meegedeeld, werd hij overeenkomstig artikel 7, lid 3, van besluit 93/731 tevens op de hoogte gesteld van de inhoud van de artikelen 195 EG en 230 EG, die betrekking hebben op de voorwaarden waaronder men zich tot de ombudsman kan wenden, en op de toetsing van de wettigheid van de handelingen van de Raad door het Hof van Justitie. Bij een burger die de normale zorgvuldigheid aan de dag legt, kon derhalve geen twijfel bestaan omtrent het definitieve karakter van dit besluit en de krachtens artikel 230 EG geldende beroepstermijn.
24 Aangezien de door verzoeker aangevoerde omstandigheden niet als buitengewone omstandigheden kunnen worden beschouwd die een verschoonbare dwaling opleveren, dient het beroep tot nietigverklaring, voorzover het is gericht tegen het besluit van de Raad, bijgevolg niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De procedure voor het Hof
13. Bij op 7 mei 2001 ingestelde hogere voorziening heeft Pitsiorlas de beschikking van het Gerecht aangevochten. Hij verzoekt het Hof de hogere voorziening ontvankelijk en gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te vernietigen, al zijn conclusies in eerste aanleg toe te wijzen en dienvolgens het besluit van de Raad van 30 juli 1999 nietig te verklaren, of subsidiair de zaak voor behandeling ten gronde terug te verwijzen naar het Gerecht en de Raad te verwijzen in de kosten van de twee instanties. Ter ondersteuning van zijn verzoek tot vernietiging van de beschikking van het Gerecht heeft Pitsiorlas in het bijzonder gesteld: i) schending van artikel 114, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht; ii) schending van het beginsel van equality of arms; iii) onjuiste uitlegging van het besluit van de Raad; iv) onjuiste feitelijke vaststellingen waardoor artikel 42 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie is geschonden; v) niet-toepassing of subsidiair te restrictieve toepassing van de gemeenschapsrechtspraak over de verschoonbare dwaling.
14. In zijn memorie van antwoord heeft de Raad alleen gesteld dat de hogere voorziening te laat is ingesteld en het Hof verzocht ze kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren. Pas ter terechtzitting heeft deze instelling rekwirants grieven tegen de bestreden beschikking kort beantwoord.
Analyse
De ontvankelijkheid
15. Volgens de Raad is de hogere voorziening niet-ontvankelijk en had zij uiterlijk op 3 mei 2001 (twee maanden en tien dagen na de kennisgeving van de beschikking van het Gerecht op 23 februari 2001 (6) ) moeten worden ingesteld, terwijl het verzoekschrift pas op 7 mei daaraanvolgend ter griffie van het Hof is neergelegd.
16. Zoals rekwirant heeft opgemerkt, is deze exceptie evenwel ongegrond aangezien de Raad ten onrechte eraan voorbijgaat dat het verzoekschrift, dat inderdaad op 7 mei 2001 is neergelegd, reeds de avond van 2 mei 2001 per telefax ter griffie was ingekomen en de volgende morgen was ingeschreven. Het nieuwe lid 6 van artikel 37 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalt namelijk: [...] de dag waarop een kopie van het ondertekende origineel van een processtuk [...] per telefax of door middel van enig ander technisch communicatiemiddel waarover het Hof beschikt, ter griffie binnenkomt, [wordt] voor de berekening van de procestermijnen in aanmerking genomen, mits het ondertekende origineel van het stuk, vergezeld van de bijlagen en afschriften bedoeld in lid 1, tweede alinea, uiterlijk tien dagen later ter griffie wordt neergelegd. (7) Derhalve moet de hogere voorziening mijns inziens ontvankelijk worden verklaard.
Ten gronde
17. Bij de behandeling van de zaak ten gronde lijkt het mij om proceseconomische redenen geboden onze aandacht op het vijfde middel van Pitsiorlas te concentreren. Met dit middel verwijt rekwirant het Gerecht dat het heeft geoordeeld dat de te late instelling van het beroep niet te wijten is aan een verschoonbare dwaling.
18. Meer bepaald heeft het Gerecht volgens hem het bestaan van een verschoonbare dwaling te formalistisch beoordeeld door overdreven belang te hechten aan de vermelding in het bestreden besluit dat beroep krachtens artikel 230 EG kon worden ingesteld. Het Gerecht had daarentegen rekening moeten houden met de specifieke elementen en bijzondere omstandigheden van de onderhavige zaak, met name met de weinig correcte houding van de Raad en de ECB, waardoor zij hem hebben misleid: de ene door het bestaan van het rapport van het Monetair Comité over de versterking van het EMS te verzwijgen, de andere door de vaststelling van het besluit waarin dit rapport wordt vermeld uit te stellen tot na het verstrijken van de termijn waarbinnen het besluit van de Raad kon worden aangevochten. In deze bijzondere omstandigheden kon hij immers geen grotere zorgvuldigheid aan de dag leggen, mede gelet op de uitzonderlijke ingewikkeldheid van het Bazel-Nyborg-akkoord en het gebrek aan transparantie dat het monetair beleid in het algemeen kenmerkt. Het Gerecht heeft dus het recht geschonden door te oordelen dat de te late instelling van het beroep niet was gerechtvaardigd door een verschoonbare dwaling.
19. De Raad heeft deze argumenten betwist en ter terechtzitting opgemerkt dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat de te late instelling van het beroep niet te wijten was aan een verschoonbare dwaling in de zin van de gemeenschapsrechtspraak. Zijns inziens heeft rekwirant namelijk niet aangetoond dat de Raad hem door zijn gedrag heeft misleid, aangezien de uitdrukkelijke vermelding dat beroep krachtens artikel 230 EG kon worden ingesteld, duidelijk wees op het definitieve karakter van het besluit.
20. In de eerste plaats herinner ik eraan dat het begrip verschoonbare dwaling, dat zijn oorsprong rechtstreeks vindt in het streven de eerbiediging van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel te verzekeren, [...] volgens vaste rechtspraak slechts betrekking [kan] hebben op uitzonderlijke omstandigheden waarin de betrokken instelling zich op zodanige wijze heeft gedragen dat dit gedrag, op zichzelf of in beslissende mate, bij een burger te goeder trouw die alle zorgvuldigheid aan de dag legt die van een justitiabele met normale kennis van zaken mag worden verwacht, tot een begrijpelijk misverstand heeft geleid. (8) Volgens de rechtspraak kan dit met name het geval zijn wanneer de te late instelling van een beroep is veroorzaakt doordat de betrokken instelling onjuiste informatie heeft verstrekt die bij een dergelijke justitiabele tot een begrijpelijk misverstand kan leiden, of wanneer een dergelijk misverstand is ontstaan door de schending door de betrokken instelling van bepaalde interne regels, zoals bijvoorbeeld een gedragscode. (9)
21. Zoals gezegd heeft het Gerecht in de bestreden beschikking geoordeeld dat de te late instelling van het beroep niet kon worden gerechtvaardigd door een verschoonbare dwaling, omdat Pitsiorlas niet had aangetoond dat de Raad zich op zodanige wijze had gedragen dat dit gedrag bij een burger te goeder trouw die alle zorgvuldigheid aan de dag legt die van een justitiabele met normale kennis van zaken mag worden verwacht, tot een begrijpelijk misverstand heeft geleid. Aangezien het bestreden besluit vermeldde dat beroep krachtens artikel 230 EG kon worden ingesteld, was het Gerecht van oordeel dat bij een burger die de normale zorgvuldigheid aan de dag legt, geen twijfel (kon) bestaan omtrent het definitieve karakter van dit besluit en de [...] geldende beroepstermijn.
22. Ik ben het evenwel met Pitsiorlas eens dat het Gerecht de rechtspraak over de verschoonbare dwaling veel te formalistisch en te restrictief heeft toegepast.
23. Mijns inziens is het Gerecht namelijk ten onrechte eraan voorbijgegaan dat het bestreden besluit bij rekwirant de verkeerde indruk heeft gewekt dat het Bazel-Nyborg-akkoord geen document van de Raad omvatte. Doordat het bestreden besluit de presidenten van de centrale banken als auteurs van het gevraagde document aanwees, kon rekwirant er alleen maar van uitgaan dat de Raad zijn verzoek om toegang niet kon inwilligen omdat het akkoord slechts het rapport van het Comité van presidenten (en dus niet tevens het rapport van het Monetair Comité over de versterking van het EMS) omvatte. Pitsiorlas vertrouwde op deze inlichtingen en had dus geen enkele reden om een besluit aan te vechten waarbij toegang werd geweigerd tot een document waarvan het bestaan zelf in wezen werd ontkend.
24. Het spreekt namelijk voor zich dat de gemeenschapsinstellingen slechts op een verzoek tot toegang [kunnen] ingaan, indien deze documenten bestaan, zoals het voor zich spreekt dat op grond van het vermoeden van wettigheid van de communautaire handelingen moet worden aangenomen dat een document waartoe om toegang is verzocht, niet bestaat indien de betrokken instelling dit verklaart, tenzij het bestaan ervan blijkt op basis van relevante en onderling overeenstemmende bewijzen. (10) Aangezien rekwirant geen enkele aanwijzing had over het bestaan van het rapport van het Monetair Comité over de versterking van het EMS, kon hij dus slechts geloof hechten aan de verklaring van de Raad dat het Bazel-Nyborg-akkoord slechts het rapport van het Comité van presidenten omvatte zodat hij geen enkele reden had om het besluit te betwisten.
25. Bijgevolg is het feit dat Pitsiorlas het besluit van 30 juli 1999 niet tijdig heeft aangevochten, te wijten aan het gedrag van de Raad. Pas via het besluit van de ECB van 8 november 1999, waarvan hem op 13 november daaraanvolgend kennis is gegeven, vernam hij namelijk dat het Bazel-Nyborg-akkoord bestond uit rapporten en notulen die waren opgesteld door het Comité van presidenten en het Monetair Comité, dus ook door een adviesorgaan van de Raad. Pas dan kon hij dus beginnen twijfelen aan de juistheid van het besluit van de Raad en tot de overtuiging komen dat deze instelling het bestaan van het rapport van het Monetair Comité opzettelijk had verzwegen. Toen hij zijn vergissing ─ die te wijten was aan de Raad ─ inzag stelde hij op 20 januari 2000 beroep in tegen het besluit waarin deze instelling het bestaan van het rapport van het Monetair Comité had verzwegen, waardoor zij hem de toegang hiertoe had belet.
26. Voorts kan rekwirant mijns inziens niet worden verweten dat zij zich niet heeft gedragen als een burger te goeder trouw die alle zorgvuldigheid aan de dag legt die van een justitiabele met normale kennis van zaken mag worden verwacht. Na ontvangst van de eerste weigeringsbrief van de Raad van 11 mei 1999, waarin werd gezegd dat het verlangde document waarschijnlijk afkomstig was van de ECB, heeft Pitsiorlas de nodige zorgvuldigheid aan de dag gelegd en op 28 juni 1999 zijn verzoek om toegang tot deze laatste gericht. En indien de ECB reeds in haar antwoord van 6 juli 1999 had gewezen op het bestaan van het rapport van het Monetair Comité, had Pitsiorlas natuurlijk direct kunnen twijfelen aan de rechtmatigheid van het daaropvolgende besluit van de Raad van 30 juli 1999. Desondanks gaf Pitsiorlas opnieuw blijk van zorgvuldigheid en verzocht hij de ECB op 27 juli 1999 om herziening, waarop zij pas op 8 november 1999 antwoordde, dus lang na het verstrijken van de termijn van een maand van artikel 5, lid 3, van besluit 1999/284/EG van 3 november 1998 inzake toegang van het publiek tot de documentatie en archieven van de Europese Centrale Bank.
27. In deze omstandigheden heeft rekwirant zich mijns inziens stellig gedragen als een burger die de normale zorgvuldigheid aan de dag legt. Hieraan doet niet af dat Pitsiorlas, na het besluit van de ECB van 8 november 1999 te hebben ontvangen, op basis van de inmiddels ontvangen inlichtingen een nieuw verzoek om toegang bij de Raad had kunnen indienen. Mijns inziens was Pitsiorlas immers (uiteraard afgezien van het probleem van de beroepstermijn) hoe dan ook gerechtigd om zich tot de gemeenschapsrechter te wenden om te verzoeken om nietigverklaring van het besluit van de Raad van 30 juli 1999. Zoals het Gerecht reeds heeft uitgelegd, beoogt besluit 93/731 uitvoering te geven aan het beginsel van een zo ruim mogelijke toegang van de burger tot informatie, teneinde het democratische karakter van de instellingen en het vertrouwen van het publiek in het bestuur te versterken. Evenmin als besluit 94/90 stelt het de toegang tot de gewenste documenten afhankelijk van een specifieke rechtvaardiging. Degene aan wie de toegang tot een document of een gedeelte van een document is geweigerd, heeft bijgevolg alleen al op grond daarvan belang bij nietigverklaring van de afwijzing, zodat het procesbelang evenmin verdwijnt omdat de gewenste documenten openbaar zouden zijn geworden. (11)
28. Mijns inziens kan Pitsiorlas dus geen gebrek aan zorgvuldigheid worden verweten omdat hij bij een instelling die hem een misleidend antwoord had gegeven, geen nieuw verzoek om toegang heeft ingediend, maar ervoor heeft gekozen haar besluit aan te vechten. De zorgvuldigheid die nodig is om de te late instelling van het beroep op basis van een verschoonbare dwaling te kunnen rechtvaardigen, moet namelijk alleen worden getoetst aan de voorwaarden voor betwisting van het besluit tot weigering van toegang, terwijl de wijze waarop rekwirant te werk gaat om de betrokken documenten te verkrijgen irrelevant is. Zoals blijkt uit voormeld arrest verdwijnt het belang om een weigering te betwisten namelijk hoe dan ook niet omdat een nieuw verzoek tot toegang zou kunnen worden ingediend of omdat rekwirant actieve pogingen heeft ondernomen om de vereiste documenten te verkrijgen.
29. Ik kom dan ook tot de slotsom dat het Gerecht het recht heeft geschonden door ervan uit te gaan dat de te late instelling van het beroep door Pitsiorlas niet gerechtvaardigd was door een verschoonbare dwaling in de zin van de gemeenschapsrechtspraak. Het vijfde middel treft dus doel zodat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd zonder dat de andere middelen van Pitsiorlas hoeven te worden onderzocht.
30. Aangezien in de bestreden beschikking de exceptie van niet-ontvankelijkheid die de Raad krachtens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht had opgeworpen, is aanvaard zonder dat het beroep ten gronde is behandeld, moet de zaak mijns inziens naar het Gerecht worden teruggewezen voor een debat op tegenspraak tussen partijen. De beslissing omtrent de kosten moet dus worden aangehouden.
Conclusie
31. Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
─ De beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 14 februari 2000 in zaak Pitsiorlas/Raad en DE ECB (T-3/00) wordt vernietigd.
─ De zaak wordt teruggewezen naar het Gerecht voor behandeling ten gronde.
─ De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
1 – Oorspronkelijke taal: Italiaans.
2 – PB L 340 blz. 43. Bovendien herinner ik eraan dat dit besluit is ingetrokken door besluit 2001/840/EG van de Raad van 29 november 2001 tot wijziging van het reglement van orde van de Raad (PB L 313, blz. 40), na de vaststelling van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).
3 – Verweerschrift van de ECB, punten 3 en 4.
4 – Het Monetair Comité bestond van 1958 tot 1998. Zoals bekend is het door artikel 105 EEG-Verdrag ingesteld als adviesorgaan van de Raad, teneinde de coördinatie van het monetair beleid der lidstaten in de volle omvang die nodig is voor de werking van de gemeenschappelijke markt, te bevorderen. Deze bepaling bleef van kracht tot 1 november 1993, op welke datum zij met de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht is vervangen door artikel 109 C, lid 1, EG-Verdrag (thans artikel 114 EG). Op 1 januari 1999 is het Monetair Comité met het begin van de derde fase van de Economisch Monetaire Unie ontbonden en vervangen door het Economisch en Financiëel Comité.
5 – Accord fixant entre les banques centrales des Etats membres de la Communauté économique européenne les modalités de fontionnement du système monétaire européen.
6 – Zie in dit verband artikel 49 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie en artikel 81, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
7 – Artikel 37, lid 6, is ingevoerd door de Wijzigingen van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van Justitie van 28 november 2000 (PB L 322, blz. 1).
8 – Beschikking Gerecht van 21 maart 2002, Laboratoire Monique Remy/Commissie (T-218/01, Jurispr. blz. II-2139, punt 30), waarin in deze zin worden aangehaald arrest Gerecht van 29 mei 1991, Bayer/Commissie (T-12/90, Jurispr. blz. II-219, punten 28 en 29), bevestigd bij arrest Hof van 15 december 1994, Bayer/Commissie, (C-195/91 P, Jurispr. blz. I-5619, punt 32), beschikking Gerecht van 9 juli 1997, Fichtner/Commissie (T-63/96, Jurambt. blz. I-A-189 en II-563, punt 25), bevestigd bij beschikking Hof van 25 juni 1998, Fichtner/Commissie (C-312/97 P, Jurispr. blz. I-4135), en beschikking Gerecht van 3 februari 1998, Polyvios/Commissie (T-68/96, Jurispr. blz. II-153, punt 43).
9 – Ibidem.
10 – Arrest van 25 juni 2002, British American Tobacco (Investments)/Commissie (T-311/00, Jurispr. blz. II-2781, punt 35), waarin ook wordt herinnerd aan het arrest van 12 oktober 2000, JT's Corporation/Commissie (T-123/99, Jurispr. blz. II-3269, punt 58).
11 – Arrest van 17 juni 1998, Svenska Journalistförbundet/Raad (T-174/95, Jurispr. blz. II-2289, punten 66, 67 en 69).
Full & Egal Universal Law Academy