CONCLUSIE VAN ADVOCAAT‑GENERAAL
P. LÉGER
van 25 september 2003 (1)
Zaak C‑194/01
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Republiek Oostenrijk
„Niet-nakoming – Milieu – Richtlijn 75/442/EEG – Europese afvalcatalogus – Richtlijn 91/689/EEG – Europese lijst van gevaarlijke afvalstoffen – Omzetting – Nationale lijsten – Uitsluiting – Verweermiddel – Betwisting van rechtmatigheid van gemeenschapscatalogi – Ontoelaatbaarheid”
1. Met het onderhavige beroep krachtens artikel 226 EG verzoekt de Commissie vast te stellen dat de Republiek Oostenrijk de op haar rustende verplichtingen krachtens de volgende bepalingen niet is nagekomen:
– richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen(2), zoals gewijzigd bij richtlijn 91/156/EEG van de Raad van 18 maart 1991(3) (hierna: „gewijzigde richtlijn 75/442”);
– beschikking 94/3/EG van de Commissie van 20 december 1993 houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van richtlijn 75/442(4) (hierna: „Europese afvalcatalogus” of „EAC”);
– richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen(5), zoals gewijzigd bij richtlijn 94/31/EG van de Raad van 27 juni 1994(6) (hierna: „gewijzigde richtlijn 91/689”), en
– beschikking 94/904/EG van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van richtlijn 91/689(7) (hierna: „lijst van gevaarlijke afvalstoffen” of „LGA”).
2. De Commissie is van mening dat de Oostenrijkse autoriteiten niet de nodige maatregelen hebben vastgesteld om te voldoen aan de Europese afvalcatalogus, aan de lijst van gevaarlijke afvalstoffen alsmede aan de bijlagen I en II bij de gewijzigde richtlijn 91/689.
I – Rechtskader
A – De communautaire wetgeving
3. De gewijzigde richtlijn 75/442 stelt de communautaire regels betreffende het beheer en de verwijdering van afvalstoffen vast(8). Haar voornaamste doelstelling is de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de schadelijke invloeden veroorzaakt door het ophalen, het transport, de behandeling, de opslag en het storten van afvalstoffen(9).
4. Artikel 1, sub a, van de gewijzigde richtlijn 75/442 definieert het begrip afvalstoffen. Het luidt als volgt:
„In deze richtlijn wordt verstaan onder […] afvalstof: elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.
De Commissie stelt uiterlijk op 1 april 1993 volgens de procedure van artikel 18 een lijst op van de afvalstoffen die tot de categorieën van bijlage I behoren. Deze lijst wordt periodiek opnieuw bezien en zo nodig volgens dezelfde procedure gewijzigd.”
5. Artikel 18 van de gewijzigde richtlijn 75/442 bepaalt:
„De Commissie wordt bijgestaan door een comité bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten en voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie.
De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. […]
De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het comité.
Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het comité of indien geen advies is uitgebracht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.
[…]”
6. De Commissie heeft de in artikel 1, sub a, van de gewijzigde richtlijn 75/442 genoemde lijst vastgesteld bij beschikking 94/3, namelijk de EAC. Punt 5 van de inleiding van bijlage I bij deze beschikking houdt het volgende in: „[h]et is de bedoeling dat de EAC fungeert als een referentielijst die ervoor zorgt dat in de hele Gemeenschap dezelfde terminologie wordt gebruikt, zodat werkzaamheden voor het beheer van afvalstoffen efficiënter kunnen worden uitgevoerd”.
7. De gewijzigde richtlijn 91/689 stelt bijzondere regels vast met betrekking tot het beheer van gevaarlijke afvalstoffen. Zij beoogt de voorwaarden voor de verwijdering en het beheer van gevaarlijke afvalstoffen te verbeteren(10). In de vijfde overweging van de considerans wordt gezegd „dat, om het beheer van gevaarlijke afvalstoffen in de Gemeenschap doeltreffender te maken, de definitie van gevaarlijke afvalstoffen moet worden verfijnd en geüniformiseerd […]”.
8. Artikel 1, lid 4, van de gewijzigde richtlijn 91/689 definieert het begrip gevaarlijke afvalstoffen als volgt:
„In deze richtlijn worden verstaan onder ‚gevaarlijke afvalstoffen’:
– alle afvalstoffen die voorkomen op een lijst die overeenkomstig de procedure van artikel 18 van richtlijn 75/442/EEG en op basis van de bijlagen I en II van deze richtlijn uiterlijk zes maanden vóór de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn is opgesteld. Deze afvalstoffen moeten een of meer van de in bijlage III vermelde eigenschappen bezitten. […]
– alle andere afvalstoffen die naar het oordeel van een lidstaat een of meer van de in bijlage III vermelde eigenschappen bezitten. Dergelijke gevallen worden bekendgemaakt aan de Commissie en overeenkomstig de procedure van artikel 18 van Richtlijn 75/442/EEG, met het oog op aanpassing van de lijst, aan een hernieuwd onderzoek onderworpen.”
9. Beschikking 94/904 van de Raad stelt de lijst van gevaarlijke afvalstoffen, de LGA, vast. Volgens punt 1 van de inleiding van de bijlage bij deze beschikking zijn de diverse soorten gevaarlijke afvalstoffen van de LGA volledig gedefinieerd door middel van een code van zes cijfers.
B – Het Oostenrijkse recht
10. In het Oostenrijkse recht is de algemene regeling betreffende het beheer van afvalstoffen opgenomen in het Bundesgesetz über die Vermeidung und Behandlung von Abfällen (Abfallwirtschaftsgesetz) van 6 juni 1990(11) (federale wet tot voorkoming en behandeling van afval)(12).
11. Volgens § 2, lid 5, van deze wet, zoals gewijzigd in 1998(13), bepaalt de minister voor Milieu, Jeugd en Gezin welke afvalstoffen als gevaarlijk zijn te beschouwen. Volgens hetzelfde voorschrift kan de bevoegde minister daartoe bepaalde „ÖNORMEN” verbindend verklaren. De „ÖNORMEN” zijn normen die door het Oostenrijks normalisatie-instituut zijn vastgelegd.
12. De ÖNORM S 2100 van 1 september 1997 bevat de Oostenrijkse afvalcatalogus(14). In deze regeling, die als zodanig niet verbindend is, is de lijst van gewone afvalstoffen en de lijst van gevaarlijke afvalstoffen opgenomen. Vaststaat dat de ÖNORM S 2100 deze afvalstoffen volgens een methode indeelt die verschilt van de methode die wordt gehanteerd in de Europese afvalcatalogus en de lijst van gevaarlijke afvalstoffen.
13. In augustus 1997 heeft de minister voor Milieu, Jeugd en Gezin de Verordnung über die Festsetzung von gefährlichen Abfällen und Problemstoffen (Festsetzunggsverordnung 1997) vastgesteld(15) (besluit houdende aanwijzing van stoffen als gevaarlijke afvalstoffen en probleemstoffen; hierna: „besluit van 1997”).
14. § 3, lid 1, van dit besluit bepaalde dat de afvalstoffen genoemd in de ÖNORM S 2100, die in bijlage I (bij dit besluit) was opgenomen, als gevaarlijk moesten worden beschouwd. § 3, lid 2, van het besluit van 1997 voorzag echter in een wijziging van deze lijst vanaf 1 juli 2000. Het bepaalde:
„Vanaf 1 juli 2000 worden als gevaarlijk beschouwd de afvalstoffen die vallen onder het [LGA]. De minister van Milieu, Jeugd en Gezin zal deze lijst vóór 1 juli 2000 bekendmaken in het Bundesgesetzblatt.”
15. Op 30 juni 2000, de dag vóór de inwerkingtreding van deze bepaling, heeft de minister van Landbouw, Bosbouw, Milieu en Water de Verordnung mit der die Festsetzungsverordnung 1997 geändert wird vastgesteld(16) (besluit tot wijziging van het aanwijzingsbesluit van 1997; hierna: „besluit van 2000”). Bij dit besluit is § 3, lid 2, van het besluit van 1997 ingetrokken en is een bepaling ingevoegd, volgens welke het aldus gewijzigde besluit van 1997 de omzetting van de gewijzigde richtlijn 91/689 en van de lijst van gevaarlijke afvalstoffen vormt.
II – Precontentieuze procedure
16. Volgens de Commissie waren de EAC, de LGA en de gewijzigde richtlijnen 91/689 en 75/442 niet juist omgezet in de Oostenrijkse wetgeving, en zij heeft de Oostenrijkse autoriteiten op 14 juli 1999 een aanmaningsbrief gezonden.
17. In haar antwoord van 8 oktober 1999 betoogt de Oostenrijkse regering meer bepaald dat de EAC, de LGA alsmede de bijlagen I en II bij de gewijzigde richtlijn 91/689 juist waren omgezet door de ÖNORM S 2100 en het besluit van 1997. De Oostenrijkse autoriteiten hebben dit standpunt herhaald in een brief van 2 november 2000, in antwoord op het met redenen omkleed advies van de Commissie van 27 juli 2000.
18. De Commissie heeft derhalve op 4 mei 2001 het onderhavige beroep ingesteld.
III – Vorderingen en middelen der partijen
19. In dit beroep voert de Commissie drie grieven aan tegen de Oostenrijkse autoriteiten(17).
20. In de eerste plaats klaagt de Commissie dat de Oostenrijkse autoriteiten de EAC niet in nationaal recht hebben omgezet. Zij stelt dat krachtens artikel 249, vierde alinea, EG de beschikking houdende vaststelling van de EAC verbindend is voor de erin genoemde adressanten, namelijk de lidstaten. Zij herinnert er eveneens aan dat volgens punt 5 van de inleiding de EAC bedoeld is als een gemeenschappelijke referentie‑ en terminologielijst voor afvalstoffen, die geldt voor de hele Gemeenschap. Toepassing van de EAC op nationaal vlak is dan ook noodzakelijk om een doeltreffend gemeenschapsbeleid voor afval te garanderen.
21. In de tweede plaats is de Commissie van mening dat de Oostenrijkse autoriteiten de LGA onjuist in nationaal recht hebben omgezet. De Commissie betoogt dat de LGA een bestanddeel is van de definitie van „gevaarlijke afvalstof” in de zin van de gewijzigde richtlijn 91/689 en dat overeenkomstig de vijfde overweging van de considerans van deze tekst een verfijnde en uniforme definitie van het begrip „gevaarlijke afvalstoffen” is vereist in de Gemeenschap. De nationale maatregelen ter omzetting van de LGA dienen dus getrouw het vastgelegde gemeenschapsstelsel te volgen.
22. De Commissie voert aan dat de LGA echter nooit is gebruikt in het Oostenrijkse recht. § 3, lid 2, van het besluit van 1997, volgens welke de LGA per 1 juli 2000 in werking zou treden, is de dag vóór het van kracht worden immers ingetrokken door het besluit van 2000.
23. In de derde plaats verwijt de Commissie de Oostenrijkse autoriteiten dat zij de bijlagen I en II bij de gewijzigde richtlijn 91/689 niet hebben omgezet. Volgens haar zijn de lidstaten verplicht om de gewijzigde richtlijn 91/689 volledig om te zetten, met inbegrip van de betwiste bijlagen.
24. De Republiek Oostenrijk betwist deze grieven.
25. Wat de eerste grief betreft, betoogt de Oostenrijkse regering dat de EAC niet in nationaal recht hoefde te worden omgezet. Volgens haar heeft deze regeling geen bindende kracht en is zij geen bestanddeel van het begrip „afvalstof” in de zin van de gewijzigde richtlijn 75/442. De Oostenrijkse regering voert aan dat de ÖNORM S 2100 in elk geval alle afvalstoffen van de EAC bevat, zodat de EAC wel degelijk is omgezet. In dit verband merkt zij op dat de nationale afvalstoffenlijst (de ÖNORM S 2100) gedetailleerder en efficiënter is dan de EAC, omdat deze nationale lijst de afvalstoffen indeelt op basis van hun eigenschappen en niet naar hun oorsprong.
26. Met betrekking tot de tweede grief onderstreept de Oostenrijkse regering dat het gemeenschapsrecht haar niet verplicht tot een letterlijke omzetting van de LGA. Zij herinnert eraan dat richtlijnen krachtens artikel 249, derde alinea, EG voor de lidstaten verbindend zijn ten aanzien van het te bereiken resultaat, maar niet ten aanzien van de vorm en de middelen. In casu is het door gewijzigde richtlijn 91/689 beoogde resultaat bereikt, aangezien de ÖNORM S 2100 en het besluit van 1997 de wezenlijke inhoud van de EAC hebben omgezet.
27. De Oostenrijkse regering legt eveneens uit dat § 3, lid 2, van het besluit van 1997 als doel had om de Oostenrijkse classificatie op te heffen (§ 3, lid 1, en bijlage I bij het betrokken besluit) en over te gaan op de gemeenschapslijst (de LGA). Deze bepaling is in 2000 ingetrokken omdat de Oostenrijkse autoriteiten de vooruitgang bij de herziening van de LGA ontoereikend achtten.
28. De Oostenrijkse regering is van mening dat de Oostenrijkse lijst van gevaarlijke afvalstoffen nauwkeuriger, strenger en geschikter is dan de LGA omdat deze lijst de afvalstoffen indeelt naar hun eigenschappen en niet naar hun oorsprong. Overneming van de LGA in haar huidige stand zou een ernstige verslechtering van de milieukwaliteit in Oostenrijk met zich brengen. De Oostenrijkse afvalstoffenlijst houdt daarenboven geen enkel risico in voor de werking van de interne markt, aangezien de Oostenrijkse autoriteiten de coördinatie tussen de nationale (afvalstoffen)codes en de communautaire codes waarborgen.
29. Wat ten slotte de derde grief betreft, is de Oostenrijkse regering van mening dat de bijlagen I en II bij de gewijzigde richtlijn 91/689 niet hoefden omgezet te worden in nationaal recht. Volgens haar waren deze bijlagen bestemd voor gebruik in het kader van de procedure van de totstandkoming van de LGA, maar hoefden ze niet te worden opgenomen in de nationale wetgeving van de lidstaten.
30. De Oostenrijkse regering verzoekt het Hof derhalve het beroep te verwerpen en de Commissie in de kosten te verwijzen.
IV – Analyse
31. De eerste twee grieven van de Commissie stellen identieke vragen aan de orde, betrekking hebbend op de beoordelingsruimte van de lidstaten bij de overneming van de EAC en de LGA alsmede op de rechtmatigheid van de gemeenschapscatalogi. Ik zal ze dus samen behandelen alvorens de derde grief, betreffende de niet-omzetting van de bijlagen I en II bij de gewijzigde richtlijn 91/689, te bespreken.
A – De eerste twee grieven (niet-uitvoering van de EAC en de LGA)
32. Het staat vast dat de Oostenrijkse afvalstoffencatalogi niet overeenstemmen met de EAC en de LGA. ÖNORM S 2100 en het besluit van 1997 delen de afvalstoffen in aan de hand van hun eigenschappen en samenstelling, terwijl de gemeenschapscatalogi deze stoffen classificeren volgens de oorsprong(18). De Oostenrijkse lijsten wijken derhalve af van de nomenclatuur en de indeling als vastgesteld op gemeenschapsvlak.
33. Mijns inziens vloeit uit de aard van de betrokken handelingen voort dat de eerste twee grieven gegrond zijn.
34. Deze grieven hebben namelijk geen betrekking op de niet‑omzetting van een gemeenschapsrichtlijn. De Commissie wenst te zien vastgesteld dat de Oostenrijkse autoriteiten „beschikkingen” in de zin van artikel 249, vierde alinea, EG onjuist hebben uitgevoerd. De EAC en de LGA zijn inderdaad beschikkingen (van de Commissie en van de Raad) die tot de lidstaten zijn gericht.
35. Volgens artikel 249, vierde alinea, EG, is een beschikking „verbindend in al haar onderdelen voor degenen tot wie zij uitdrukkelijk is gericht”. Anders dan een richtlijn, die slechts verbindend is ten aanzien van het te bereiken resultaat(19), zijn alle bepalingen van een beschikking verbindend. Zij verbiedt dus elke onvolledige of selectieve toepassing(20), zodat de lidstaten tot wie zij is gericht, er onverkort aan moeten voldoen. De lidstaten kunnen slechts de rechtsvorm kiezen van de regeling die de beschikking in de nationale rechtsorde omzet(21).
36. Bijgevolg hebben de lidstaten geen enkele discretionaire bevoegdheid bij de omzetting van de EAC en de LGA, in tegenstelling tot wat de Republiek Oostenrijk betoogt.
37. Weliswaar kan het Hof een gemeenschapshandeling volgens de rechtspraak herkwalificeren. De werkelijke aard van een handeling, aldus het Hof, volgt niet louter uit de kwalificatie die eraan is gegeven door degene van wie zij afkomstig is(22) of uit de wijze waarop zij tot stand is gekomen(23). Indien bijvoorbeeld bepalingen van een verordening geen algemene strekking hebben, moeten ze volgens het Hof worden beschouwd als een bundel individuele beschikkingen(24). Evenzo is een beschikking met rechtsgevolgen voor een op abstracte en algemene wijze aangewezen categorie van personen ondanks haar opschrift „beschikking” als een maatregel van algemene strekking te kwalificeren(25). Ten slotte kan het Hof toetsen of een richtlijn in de zin van artikel 249, derde alinea, EG niet een specifieke bepaling bevat, die het karakter van een individuele beschikking heeft(26).
38. In casu betwist de Oostenrijkse regering niet dat de EAC en de LGA echte beschikkingen zijn. Zij heeft nimmer gesteld dat de kwalificatie van de bestreden handelingen onjuist is.
39. Mijns inziens hebben de EAC en de LGA in elk geval niet de kenmerken van een „richtlijn” in de zin van artikel 249, derde alinea, EG.
40. Enerzijds was de keuze om de EAC en de LGA als beschikkingen uit te vaardigen, een doelbewuste keuze van de gemeenschapswetgever. Zoals bekend, zou richtlijn 75/442 oorspronkelijk geen gemeenschapslijst van afvalstoffen bevatten. Artikel 1, sub a, van deze richtlijn beperkte zich ertoe, afvalstoffen te definiëren als „elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet of zich moet ontdoen”. Bij de wijziging van richtlijn 75/442 in 1991 was de Raad echter van mening dat het „noodzakelijk [was] de terminologie te harmoniseren en over een vaste definitie van afvalstoffen te beschikken”(27). De EAC is dus vastgesteld met de bedoeling te fungeren als „referentielijst die ervoor zorgt dat in de hele Gemeenschap dezelfde terminologie wordt gebruikt”(28).
41. Evenzo wordt in de vijfde overweging van de considerans van de gewijzigde richtlijn 91/689 gezegd „dat, om het beheer van gevaarlijke afvalstoffen in de Gemeenschap doeltreffender te maken, de definitie van gevaarlijke afvalstoffen moet worden verfijnd en geüniformiseerd”. De LGA is derhalve eveneens vastgesteld met het doel een uniforme definitie van het begrip gevaarlijke afvalstoffen in de Gemeenschap te geven.
42. In deze omstandigheden spreekt het vanzelf dat de gemeenschapswetgever de EAC en de LGA niet in de vorm van richtlijnen kon vaststellen. De lidstaten een zekere vrijheid bij de keuze van vorm en middelen laten was klaarblijkelijk in strijd geweest met bedoeling van de gemeenschapscatalogi, een uniforme definitie en nomenclatuur van (gevaarlijke) afvalstoffen voor de Gemeenschap vast te stellen. Door te kiezen voor een beschikking heeft de gemeenschapswetgever dus doelbewust de discretionaire bevoegdheid van de lidstaten op dit gebied willen opheffen.
43. Anderzijds bevestigt de inhoud van de gemeenschapscatalogi, dat dit echte „beschikkingen” zijn in de zin van artikel 249 EG. De EAC en de LGA beschrijven nauwkeurig en gedetailleerd de diverse categorieën afvalstoffen. Zij delen de stoffen bovendien in volgens een bepaalde rangorde en methode, die in wezen zijn gebaseerd op de oorsprong van de afvalstoffen.
44. Bijgevolg had de Republiek Oostenrijk volgens mij geen enkele discretionaire bevoegdheid bij de omzetting van de EAC en de LGA. Zij was verplicht om de gemeenschapscatalogi volledig en getrouw in nationaal recht om te zetten.
45. Deze conclusie wordt overigens bevestigd door het arrest van 15 januari 2002, Commissie/Luxemburg(29). In die zaak heeft het Hof beslist dat het Groothertogdom Luxemburg zijn verplichtingen niet was nagekomen omdat het een afvalstoffennomenclatuur had vastgesteld die zuiver Luxemburgs was en verschilde van de EAC.
46. De Republiek Oostenrijk betwist deze conclusie echter door de relevantie van de gemeenschapscatalogi in twijfel te trekken. Zij voert tal van argumenten aan om aan te tonen dat de Oostenrijkse lijsten nauwkeuriger, strenger en efficiënter zijn dan de gemeenschapscatalogi.
47. Vanuit juridisch oogpunt kan deze stelling naar mijn mening niet worden aanvaard.
48. Volgens vaste rechtspraak wordt immers in het door het Verdrag gecreëerde stelsel van rechtsmiddelen onderscheiden tussen de beroepen van de artikelen 226 EG en 227 EG, strekkende tot vaststelling dat een lidstaat zijn verplichtingen niet is nagekomen, en die van de artikelen 230 EG en 232 EG, strekkende tot toetsing van de wettigheid van het handelen of nalaten van de gemeenschapsinstellingen. Deze rechtsmiddelen hebben uiteenlopende oogmerken en zijn aan verschillende regels onderworpen. Een lidstaat kan zich derhalve niet op de onwettigheid van een richtlijn beroepen als verweer in een procedure wegens niet-nakoming van de verplichting tot omzetting van diezelfde richtlijn(30). Evenzo kan hij zich niet op de onwettigheid van een tot hem gerichte beschikking beroepen als verweer in een procedure wegens niet-nakoming van diezelfde beschikking(31). Het Hof heeft geoordeeld dat dit slechts kan anders zijn, indien de betrokken handeling zulke ernstige en kennelijke gebreken vertoont dat zij als non-existent moet worden aangemerkt(32).
49. Deze rechtspraak is gebaseerd op het beginsel dat een beschikking of richtlijn van de gemeenschapsinstellingen die niet binnen de in artikel 230 EG gestelde termijn is aangevochten door degene tot wie zij is gericht, te zijnen aanzien definitief wordt(33).
50. De EAC en de LGA zijn weliswaar vastgesteld vóór de toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Europese Unie. De Oostenrijkse autoriteiten hebben dus niet de mogelijkheid gehad om de geldigheid van de gemeenschapscatalogi te betwisten op grond van artikel 230 EG.
51. Deze omstandigheid betekent echter niet dat het verweer van de Republiek Oostenrijk moeten worden aanvaard.
52. Artikel 2 van de akte betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Europese Unie(34) bepaalt immers: „[o]nmiddellijk bij de toetreding zijn de oorspronkelijke Verdragen en de door de Instellingen vóór de toetreding genomen besluiten verbindend voor de nieuwe lidstaten en in deze staten toepasselijk onder de voorwaarden voorzien in deze Verdragen en in deze Akte”. Artikel 10 van de toetredingsakte bepaalt bovendien: „[t]en aanzien van de toepassing van de oorspronkelijke Verdragen en van de door de Instellingen genomen besluiten gelden, bij wijze van overgang, de in deze Akte neergelegde afwijkende bepalingen”.
53. Hieruit volgt dat de toetredingsakte berust op het beginsel van de onmiddellijke en volledige toepassing van het gemeenschapsrecht op de nieuwe lidstaten, en dat slechts kan worden afgeweken van dit beginsel voorzover zulks in de overgangsbepalingen van de betrokken akte met zoveel woorden is voorzien(35).
54. Wat de door de gemeenschapsinstellingen vastgestelde richtlijnen en beschikkingen betreft, bepaalt artikel 168 van de toetredingsakte overigens: „[d]e nieuwe lidstaten stellen de maatregelen in werking die nodig zijn om vanaf het tijdstip van toetreding uitvoering te geven aan de richtlijnen en beschikkingen in de zin van artikel 189 van het EG-Verdrag [thans artikel 249 EG] tenzij in de lijst die is opgenomen in bijlage XIX of in andere bepalingen van de onderhavige Akte een bepaalde termijn is vastgesteld”.
55. Vaststaat dat geen enkele bepaling van de toetredingsakte de Republiek Oostenrijk toestaat af te wijken van de verplichtingen die uit de EAC of de LGA voortvloeien. De toetredingsakte staat haar evenmin toe af te wijken van de verplichtingen van de gewijzigde richtlijnen 75/442 of 91/689.
56. Bijgevolg kan de Oostenrijkse regering mijns inziens de wettigheid van de EAC of de LGA niet met succes betwisten. Deze handelingen maken integraal deel uit van het acquis communautaire, zodat de Republiek Oostenrijk ze volledig diende toe te passen(36).
57. Ter terechtzitting heeft het Hof eveneens gevraagd hoe de lijsten zich tot elkaar verhouden in de nationale rechtsorde. Het heeft de Commissie de vraag gesteld of volgens haar een juiste omzetting van de EAC en de LGA inhoudt dat Oostenrijk de nationale lijsten moet intrekken of dat deze lidstaat ze kan blijven gebruiken naast de gemeenschapscatalogi.
58. Mijns inziens kan de Republiek Oostenrijk niet worden toegestaan de twee soorten lijsten gelijktijdig toe te passen. Volgens vaste rechtspraak moeten de lidstaten immers de krachtens het gemeenschapsrecht op hen rustende verplichtingen uitvoeren met de specificiteit, nauwkeurigheid en duidelijkheid die nodig zijn om te voldoen aan het rechtszekerheidsbeginsel(37). In dit verband is het van weinig belang, dat de betrokken gemeenschapsbepalingen rechtstreeks toepasselijk zijn en dat particulieren zich er dus rechtstreeks op kunnen beroepen tegenover een lidstaat die zijn verplichtingen niet nakomt(38).
59. Gelijktijdige toepassing van op onderscheiden classificatiemethodes gebaseerde gemeenschaps‑ en nationale lijsten brengt evenwel onvermijdelijk verwarring en onzekerheid betreffende het toepasselijke recht mee. Zowel de betrokken personen als de bevoegde overheden zullen niet meer precies kunnen bepalen of zij de gemeenschapscatalogi moeten gebruiken of de nationale lijsten.
60. Daarenboven herinner ik eraan dat het Hof in het arrest Commissie/Luxemburg reeds heeft uitgesloten dat een lidstaat beide soorten lijsten gelijktijdig kan toepassen. In die zaak heeft het Hof beslist dat het Groothertogdom Luxemburg zijn verplichtingen niet was nagekomen omdat het tegelijk met de EAC een zuiver Luxemburgse afvalstoffenlijst had ingevoerd, die verschilde van de EAC.
61. In deze omstandigheden ben ik van mening dat de eerste twee grieven van de Commissie gegrond zijn. Ik geef het Hof derhalve in overweging te beslissen dat de Republiek Oostenrijk haar verplichtingen krachtens artikel 249, vierde alinea, EG alsmede krachtens de betrokken beschikkingen niet is nagekomen door niet de nodige maatregelen te nemen om aan de EAC en de LGA te voldoen.
B – De derde grief (niet‑omzetting van bijlagen I en II bij de gewijzigde richtlijn 91/689)
62. Met haar derde grief verwijt de Commissie de Oostenrijkse autoriteiten dat zij de bijlagen I en II bij de gewijzigde richtlijn 91/689 niet hebben omgezet. Deze bijlagen worden genoemd in artikel 1, lid 4, van de gewijzigde richtlijn 91/689.(39) Zij bevatten een opsomming van de categorieën gevaarlijke afvalstoffen, verdeeld naar gelang van hun aard of de activiteit waarbij zij ontstaan (bijlage I), alsmede van de bestanddelen waardoor de afvalstoffen van bijlage I.B gevaarlijk zijn indien ze de in bijlage III genoemde eigenschappen bezitten (bijlage II).
63. De Oostenrijkse regering betwist niet dat deze twee bijlagen niet zijn omgezet in nationaal recht. Zij betoogt dat deze bijlagen waren bestemd voor gebruik in het kader van de procedure van de totstandkoming van de LGA, maar dat zij niet hoefden opgenomen te worden in de nationale wetgeving van de lidstaten.
64. Naar mijn mening is er geen enkele rechtsgrondslag voor dit standpunt. Noch de gewijzigde richtlijn 91/689, noch de toetredingsakte bevat immers een bepaling die de bijlagen I en II uitsluit van de verplichting tot omzetting omdat zij een onderdeel vormen van het proces van opstelling van de LGA. Mijns inziens maken deze bijlagen juist deel uit van de gewijzigde richtlijn 91/689 en moeten derhalve worden omgezet overeenkomstig artikel 10 van de betrokken richtlijn en van artikel 249, derde alinea, EG.
65. Bijgevolg ben ik van mening dat de derde grief van de Commissie eveneens gegrond is.
V – Conclusie
66. Ik geef derhalve het Hof in overweging om het beroep van de Commissie gegrond te verklaren en als volgt te beslissen:
„1) Door niet de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen ter uitvoering van de beschikkingen 94/3/EG van de Commissie van 20 december 1993 houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, sub a, van richtlijn 75/442/EEG en 94/904/EG van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van richtlijn 91/689/EEG betreffende gevaarlijke afvalstoffen, alsmede ter omzetting van de bijlagen I en II bij richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen, zoals gewijzigd bij richtlijn 94/31/EG van de Raad van 27 juni 1994, is de Republiek Oostenrijk haar verplichtingen krachtens artikel 249, derde en vierde alinea, EG alsmede krachtens de genoemde beschikkingen en richtlijnen niet nagekomen.
2) De Republiek Oostenrijk wordt verwezen in de kosten.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – PB L 194, blz. 39.
3 – PB L 78, blz. 32.
4 – PB 1994, L 5, blz. 15.
5 – PB L 377, blz. 20.
6 – PB L 168, blz. 28.
7 – PB L 356, blz. 14.
8 – Eerste overweging van de considerans.
9 – Derde overweging van de considerans.
10 – Tweede en vierde overweging van de considerans.
11 – BGBl. 1990/325.
12 – Deze wet is in 2002 vervangen door het Bundesgesetz, mit dem ein Bundesgesetz über eine nachhaltige Abfallwirtschaft (Abfallwirtschaftsgesetz 2002) erlassen (BGBl. 2002/102) (federale wet betreffende het duurzame beheer van afvalstoffen). Deze nieuwe wet is echter niet relevant voor dit geding, want zij is vastgesteld na het verstrijken van de termijn bepaald in het met redenen omkleed advies.
13 – BGBl. 1998/151.
14 – Het Hof is door de Oostenrijkse autoriteiten per brief van 4 april 2003 op de hoogte gebracht van deze regeling.
15 – BGBl. 1997/227.
16 – BGBl. 2000/178.
17 – Oorspronkelijk had de Commissie nog andere grieven tegen de Republiek Oostenrijk. Zij verweet haar dat zij bepaalde stoffen had uitgesloten van het toepassingsgebied van de gewijzigde richtlijn 75/442 en dat zij had nagelaten bijlage I bij deze richtlijn om te zetten. Ter terechtzitting heeft de Commissie deze grieven echter uitdrukkelijk ingetrokken, zodat ik mij beperk tot bespreking van de drie door de Commissie gehandhaafde grieven.
18 – Ter terechtzitting heeft de Oostenrijkse regering dit verschil geïllustreerd aan de hand van categorie 30103 van de EAC, ”schaafsel, spaanders en restanten hout, spaanplaat en fineer”. Zij heeft uitgelegd dat, wegens de algemene strekking ervan, deze categorie zowel mechanisch behandelde houtrestanten als chemisch behandelde houtrestanten kan bevatten. Onder het gemeenschapsstelsel vallen deze twee soorten afval onder dezelfde categorie aangezien zij dezelfde oorsprong hebben (houtrestanten). Onder het Oostenrijks stelsel daarentegen behoren deze twee types afval tot verschillende categorieën aangezien hun eigenschappen en samenstelling verschillen.
19 – Artikel 249, derde alinea, EG.
20 – Zie wat een verordening betreft, die eveneens „verbindend in al haar onderdelen” is, het arrest van 7 februari 1973, Commissie/Italië (C‑39/72, Jurispr. blz. 101, punt 20).
21 – Isaac, G., en Blanquet, M., Droit communautaire général, 8ste druk, Armand Colin, Dalloz, Paris, 2001, blz. 146. Met betrekking tot de eigenschappen van de verschillende gemeenschapshandelingen, zie eveneens Louis, J.‑V., Vandersanden, G., Waelbroeck, D., en Waelbroeck, M., Commentaire J. Megret, Le droit de la CEE, volume 10, La Cour de justice, les actes des institutions, 2de druk, Université de Bruxelles, Brussel, 1993, blz. 479 ev.; Van Raepenbusch, S., Droit institutionnel de l'Union et des Communautés européennes, 3de druk, De Boeck Université, Brussel, 2001, blz. 293 ev., alsook Hartley, T., The foundations of European Community Law, 4de druk, Oxford University Press, New York, 1998, blz. 99 ev.
22 – Zie meer bepaald de arresten van 14 december 1962, Confédération nationale des producteurs de fruits et légumes e.a./Raad (C‑16/62 en 17/62, Jurispr. blz. 901, 918), en 31 maart 1971, Commissie/Raad, ”AETR” (C‑22/70, Jurispr. blz. 263, punten 38 ev.).
23 – Zie vooral het arrest van 6 oktober 1982, Alusuisse Italia/Raad en Commissie (C‑307/81, Jurispr. blz. 3463, punt 13).
24 – Arrest van 13 mei 1971, International Fruit Company e.a./Commissie (C‑41/70 tot 44/70, Jurispr. blz. 411, punten 16 tot 21).
25 – Arrest van het Gerecht van 27 juni 2001, Andres de Dios e.a./Raad (T‑166/99, Jurispr. blz. II‑1857, punten 35 tot 44).
26 – Beschikking van 23 november 1995, Asocarne/Raad (C‑10/95 P, Jurispr. blz. I‑4149, punten 28 tot 31).
27 – Richtlijn 91/156 (derde overweging van de considerans).
28 – Inleiding van de EAC-bijlage (punt 5).
29 – C‑196/01, Jurispr. blz. I-569.
30 – Zie meer bepaald de arresten van 27 oktober 1992, Commissie/Duitsland (C‑74/91, Jurispr. blz. I‑5437, punt 10), evenals 25 april 2002, Commissie/Frankrijk (C‑52/00, Jurispr. blz. I‑3827, punt 28), en Commissie/Griekenland (C‑154/00, Jurispr. blz. I‑3879, punt 28).
31 – Zie meer bepaald de arresten van 30 juni 1988, Commissie/Griekenland (C‑226/87, Jurispr. blz. 3611, punten 13 en 14); 10 juni 1993, Commissie/Griekenland (C‑183/91, Jurispr. blz. I‑3131, punt 10); 27 juni 2000, Commissie/Portugal (C‑404/97, Jurispr. blz. I‑4897, punten 34 en 35); 22 maart 2001, Commissie/Frankrijk (C‑261/99, Jurispr. blz. I‑2537, punten 18 en 19), en 13 december 2001, Commissie/Frankrijk (C‑1/00, Jurispr. blz. I‑9989, punt 100).
32 – Zie meer bepaald de arresten van 30 juni 1988, Commissie/Griekenland, reeds aangehaald (punten 15 en 16), en Commissie/Duitsland, reeds aangehaald (punt 11).
33 – Zie als recent voorbeeld van deze vaste rechtspraak, het arrest van 22 oktober 2002, National Farmers' Union (C‑241/01, Jurispr. blz. I‑9079, punt 34, en aangehaalde rechtspraak).
34 – Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 1994, C 241, blz. 21), zoals gewijzigd bij het besluit 95/1/EG, Euratom, EGKS, van de Raad van 1 januari 1995 houdende aanpassing van de documenten betreffende de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Unie (PB L 1, blz. 1; hierna: ”toetredingsakte”).
35 – Zie, naar analogie, arrest van 9 december 1982, Metallurgiki Halyps/Commissie (C‑258/81, Jurispr. blz. 4261, punten 7 en 8).
36 – Zie in deze zin, in een andere context, arrest van 16 februari 1982, Halyvourgiki en Helleniki Halyvourgia/Commissie (C‑39/81, 43/81, 85/81 en 88/81, Jurispr. blz. 593, punten 9 tot 12); arrest Metallurgiki Halyps/Commissie (punten 3 tot 14), en arrest van 13 oktober 1992, Portugal en Spanje/Raad (C–63/90 en C‑67/90, Jurispr. blz. I–5073, punten 31 tot 34).
37 – Zie meer bepaald de arresten van 19 mei 1999, Commissie/Frankrijk (C‑225/97, Jurispr. blz. I‑3011, punt 37); 17 mei 2001, Commissie/Italië (C‑159/99, Jurispr. blz. I‑4007, punt 32), en 20 juni 2002, Mulligan e.a. (C‑313/99, Jurispr. blz. I‑5719, punt 47).
38 – Zie met name de arresten van 25 juli 1991, Emmott (C‑208/90, Jurispr. blz. I‑4269, punten 20 en 21), en 18 januari 2001, Commissie/Italië (C‑162/99, Jurispr. blz. I‑541, punt 22).
39 – Zie boven, punt 8.
Full & Egal Universal Law Academy