Conclusie van de advocaat generaal
1. De onderhavige hogere voorziening is gericht tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 2001, T. Port/Commissie. Dat arrest ligt in de lijn van het arrest van het Hof van 10 maart 1998, T. Port.
2. Zoals bekend, heeft het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) in 1995 twijfel geuit aan de geldigheid van verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen. Het heeft deze verordening voorlopig buiten toepassing gelaten en verschillende prejudiciële vragen aan het Hof voorgelegd. Ook heeft het T. Port GmbH & Co. KG voorlopig toegestaan om een bepaalde hoeveelheid bananen in de Europese Gemeenschap in te voeren. De vraag die nu rijst, is of deze hoeveelheid bananen, die door een rechterlijke instantie voorlopig is vastgesteld, overeenkomstig verordening (EG) 2362/98 van de Commissie in aanmerking kan worden genomen bij de berekening van de aan traditionele marktdeelnemers toegekende referentiehoeveelheid.
I - Juridisch kader
3. Het juridisch kader van het geschil kan als volgt beschreven worden.
4. Bij verordening nr. 404/93 werd een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bananen ingesteld, die in de plaats kwam van de verschillende nationale regelingen. Er werd onderscheid gemaakt tussen bananen uit de Gemeenschap", die in de Gemeenschap worden geoogst, bananen uit derde landen", die afkomstig zijn uit derde landen die niet tot de staten van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-staten) behoren, traditionele ACS-bananen" en niet-traditionele ACS-bananen". Onder traditionele ACS-bananen en niet-traditionele ACS-bananen werd verstaan de hoeveelheden bananen die werden geëxporteerd door de ACS-staten onder, respectievelijk boven de traditioneel door elk van deze staten uitgevoerde hoeveelheden, zoals vastgesteld in de bijlage bij verordening nr. 404/93.
5. Verordening nr. 404/93 voorzag oorspronkelijk in de opening van een jaarlijks tariefcontingent van 2,2 miljoen ton (nettogewicht) voor de invoer van bananen uit derde landen en niet-traditionele ACS-bananen.
6. Artikel 19, lid 1, van verordening nr. 404/93 gaf een onderverdeling van dit tariefcontingent, dat werd geopend ten belope van 66,5% voor de categorie marktdeelnemers die bananen uit derde landen en/of niet-traditionele ACS-bananen hadden afgezet (categorie A), 30% voor de categorie marktdeelnemers die bananen uit de Gemeenschap en/of traditionele ACS-bananen hadden afgezet (categorie B), en 3,5% voor de categorie in de Gemeenschap gevestigde marktdeelnemers die vanaf 1992 waren begonnen andere bananen dan bananen uit de Gemeenschap en/of traditionele ACS-bananen af te zetten (categorie C).
7. Artikel 19, lid 2, eerste volzin, van verordening nr. 404/93 luidde:
Op basis van berekeningen die afzonderlijk zijn uitgevoerd voor elk van de categorieën marktdeelnemers bedoeld in lid 1 [...] ontvangt elke marktdeelnemer invoercertificaten op basis van de gemiddelde hoeveelheden bananen die hij in de laatste drie jaren waarover gegevens beschikbaar zijn, heeft verkocht."
8. Deze invoerregeling werd in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) aangevochten. Bij uitspraak van 25 september 1997 verklaarde het orgaan voor geschillenbeslechting verschillende aspecten van de communautaire regeling onverenigbaar met de WTO-regels.
9. Teneinde aan die uitspraak te voldoen stelde de Raad verordening (EG) nr. 1637/98 van 20 juli 1998 tot wijziging van verordening nr. 404/93 vast. Vervolgens stelde de Commissie verordening nr. 2362/98 vast.
10. In de nieuwe invoerregeling voor bananen komt de verdeling van het contingent over drie verschillende categorieën marktdeelnemers niet meer voor. Verordening nr. 2362/98 voorziet enkel in een verdeling over traditionele marktdeelnemers" en marktdeelnemers-nieuwkomers".
11. Artikel 4 van verordening nr. 2362/98 luidt:
1. Elke traditionele marktdeelnemer die [...] in een lidstaat is geregistreerd, krijgt voor elk jaar voor alle in bijlage I vermelde oorsprongsgebieden samen één enkele referentiehoeveelheid die wordt vastgesteld op basis van de hoeveelheden bananen die hij in de referentieperiode daadwerkelijk heeft ingevoerd.
2. Voor de in 1999 in het kader van de tariefcontingenten en van de traditionele ACS-bananen te verrichten invoer omvat de referentieperiode de jaren 1994, 1995 en 1996."
12. In artikel 5, leden 2, 3 en 4, van verordening nr. 2362/98 is bepaald:
2. Elke marktdeelnemer doet met het oog op de vaststelling van zijn referentiehoeveelheid jaarlijks vóór 1 juli aan de bevoegde autoriteit toekomen:
a) een opgave van het totaal van de hoeveelheden bananen uit de in bijlage I vermelde oorsprongsgebieden die hij in elk van de jaren van de referentieperiode daadwerkelijk heeft ingevoerd;
b) de in lid 3 genoemde bewijsstukken.
3. De daadwerkelijke invoer wordt aangetoond:
a) door overlegging van een kopie van de invoercertificaten die voor het in het vrije verkeer brengen van de vermelde hoeveelheden door de titularis van het certificaat [...] zijn gebruikt, [...] en
b) door het bewijs van de betaling [...] van de op de dag van vervulling van de douaneformaliteiten bij invoer geldende douanerechten."
II - Feiten en procesverloop voor het Gerecht
13. In de loop van de jaren 1989, 1990 en 1991 heeft rekwirante kleine hoeveelheden bananen in de Gemeenschap ingevoerd. Zij heeft dus slechts een beperkt aantal invoercertificaten verkregen voor de jaren 1993, 1994 en 1995.
14. Vanaf 1994 heeft rekwirante extra certificaten aangevraagd bij de bevoegde autoriteiten en verscheidene procedures aanhangig gemaakt bij de Duitse rechterlijke instanties.
15. Bij vier kortgedingbeschikkingen, gegeven tussen 19 mei en 28 juni 1995, heeft het Finanzgericht Hamburg het Hauptzollamt Hamburg-Jonas gelast een bepaalde hoeveelheid door rekwirante in Ecuador gekochte bananen in het vrije verkeer te brengen. Het Finanzgericht Hamburg achtte de verordeningen nrs. 404/93 en (EEG) 478/95 in strijd met bepaalde regels van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (GATT"). Het liet derhalve de genoemde verordeningen voorlopig buiten toepassing en stelde vier prejudiciële vragen aan het Hof. Op grond van deze kortgedingbeschikkingen kon rekwirante een hoeveelheid van 9 860 571 kg bananen onder het tariefcontingent invoeren, zonder invoercertificaat en tegen betaling van de contingentrechten van 75 ECU per ton.
16. Bij arrest van 22 augustus 1995 heeft het Bundesfinanzhof (Duitsland) de beschikkingen van het Finanzgericht Hamburg vernietigd. Op grond van dat arrest heeft het Hauptzollamt Hamburg-Jonas bij beschikkingen van 29 augustus en 1 september 1995 de door rekwirante verschuldigde douanerechten vastgesteld op 850 ECU per ton, dus het bij invoer van bananen buiten het tariefcontingent geldende tarief.
17. Rekwirante heeft toen het Finanzgericht Hamburg verzocht om nieuwe voorzieningen. Bij beschikkingen van 22 en 27 september 1995 heeft het de opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikkingen van het Hauptzollamt Hamburg-Jonas zonder zekerheidstelling gelast. Om dezelfde redenen als uiteengezet in zijn eerdere beschikkingen heeft het Finanzgericht Hamburg de vier oorspronkelijke prejudiciële vragen opnieuw aan het Hof voorgelegd.
18. Bij de vaststelling van haar referentiehoeveelheid voor het jaar 1999 heeft rekwirante verzocht rekening te houden met de hoeveelheid bananen die zij op grond van de kortgedingbeschikkingen van het Finanzgericht Hamburg had ingevoerd. De Duitse autoriteiten hebben dit na raadpleging van de diensten van de Commissie geweigerd.
19. In die omstandigheden heeft rekwirante bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 februari 1999, beroep ingesteld krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 235 en 288, tweede alinea, EG). Zij eiste vergoeding van de schade die zij had geleden doordat de Commissie de Duitse autoriteiten ertoe had gebracht om verscheidene hoeveelheden bananen, in het bijzonder de hoeveelheid die zij had mogen invoeren op grond van de kortgedingbeschikkingen van het Finanzgericht Hamburg, uit te sluiten van haar referentiehoeveelheid voor het jaar 1999.
20. Tot staving van haar beroep voerde rekwirante drie middelen aan: ten eerste schending van de GATT, de Algemene overeenkomst inzake de handel in diensten (GATS) en de Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen, opgenomen in bijlage 1 bij de WTO-overeenkomst; ten tweede schending van het beginsel van gelijke behandeling, en ten derde schending van het beginsel van bescherming van eigendom, het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
III - Het bestreden arrest
21. In het kader van het tweede middel, het enige relevante in het onderhavige geval, betoogde rekwirante dat de vermindering van haar referentiehoeveelheid met de omstreden hoeveelheid strijdig was met het beginsel van gelijke behandeling.
22. Zij bracht in herinnering dat het Finanzgericht Hamburg in zijn kortgedingbeschikkingen de invoer van de omstreden hoeveelheid zonder invoercertificaat had toegestaan tegen betaling van het normale douanerecht. Rekwirante had dit recht ook betaald. Op grond van het beginsel van gelijke behandeling behoorden de ingevolge deze beschikkingen verrichte importen dezelfde rechten te verlenen als importen op grond van invoercertificaten.
23. De Commissie antwoordde hierop dat de door de rechter vastgestelde hoeveelheden bananen als referentiehoeveelheid konden worden toegekend, mits de invoerrechten werkelijk waren betaald en de invoer had plaatsgehad in de referentieperiode.
24. In de onderhavige zaak had rekwirante evenwel niet voldaan aan de eerste voorwaarde. Hoewel de douaneschuld voor de omstreden hoeveelheid door het Hauptzollamt Hamburg-Jonas was vastgesteld, had het Finanzgericht Hamburg de betaling van deze schuld opgeschort zonder dat zekerheid behoefde te worden gesteld. Bovendien was de omstreden hoeveelheid zonder invoercertificaat en dus buiten het tariefcontingent om ingevoerd, zodat daarop het volle tarief van het gemeenschappelijk douanetarief van toepassing was. De Commissie leidde daaruit af dat, zolang dat recht niet was betaald, bij de berekening van de referentiehoeveelheid geen rekening kon worden gehouden met de omstreden hoeveelheid.
25. In het bestreden arrest heeft het Gerecht de argumenten van rekwirante om de volgende redenen afgewezen:
88. Wat ten slotte verzoeksters argument betreft, dat zij zich kon beroepen op een hoeveelheid bananen die het Finanzgericht Hamburg in kort geding heeft vastgesteld, behoeft er slechts op te worden gewezen, dat de Commissie terecht eist, dat de als referentiehoeveelheden in aanmerking te nemen importen werkelijk hebben plaatsgehad. De hoeveelheid waarop verzoekster zich beroept, is echter buiten het tariefcontingent om ingevoerd, zodat daarop het volle tarief van het gemeenschappelijk douanetarief is toegepast. De desbetreffende betaling van de douanerechten is vervolgens bij kortgedingvonnis van het Finanzgericht Hamburg opgeschort. Verzoekster kan dan ook niet eisen, dat deze hoeveelheid bij de bepaling van haar referentiehoeveelheid wordt meegeteld. Het is immers aan verzoekster om aan te tonen dat de betrokken douanerechten inderdaad zijn voldaan; dit heeft zij niet aangetoond. Bovendien heeft de Commissie ter terechtzitting onweersproken verklaard, dat zij de bevoegde Duitse autoriteiten ervan op de hoogte heeft gesteld dat deze hoeveelheid in aanmerking zullen moeten worden genomen indien bedoelde douanerechten zijn betaald."
26. Nadat het Gerecht de overige middelen van rekwirante had afgewezen, concludeerde het dat geen onwettige gedraging was aangetoond die tot aansprakelijkheid van de Gemeenschap kon leiden. Het verwierp derhalve het beroep tot schadevergoeding.
IV - De hogere voorziening
27. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 23 mei 2001, heeft rekwirante de onderhavige hogere voorziening ingesteld. Zij vraagt het Hof het bestreden arrest te vernietigen voorzover het Gerecht haar argumenten met betrekking tot de omstreden hoeveelheid heeft afgewezen.
28. Hoewel het verzoekschrift betrekkelijk onduidelijk is, lijkt het erop dat rekwirante tot staving van haar hogere voorziening twee middelen aanvoert. Het eerste middel betreft schending van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 2362/98, het tweede schending van de rechtspraak van het Hof inzake de bevoegdheid van nationale rechterlijke instanties om in geschillen over gemeenschapsrecht voorlopige maatregelen uit te vaardigen.
29. Ik zal deze middelen achtereenvolgens bespreken.
A - Het eerste middel
30. Met haar eerste middel betoogt rekwirante dat het Gerecht artikel 5, lid 3, van verordening nr. 2362/98 heeft geschonden. Haars inziens heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat zij moest bewijzen dat zij de douanerechten op de buiten het tariefcontingent om verrichte invoer had betaald, om aanspraak te kunnen maken op inaanmerkingneming van de omstreden hoeveelheid in de referentiehoeveelheid.
31. Rekwirante benadrukt dat artikel 5, lid 3, sub b, van verordening nr. 2362/98 alleen het bewijs vereist van de betaling van de op de dag van vervulling van de douaneformaliteiten bij invoer geldende douanerechten". In het onderhavige geval waren de op de dag van de invoer van de omstreden hoeveelheid geldende rechten de door het Finanzgericht Hamburg vastgestelde rechten, te weten de contingentrechten van 75 ECU per ton. Het feit dat het Bundesfinanzhof de beschikkingen van het Finanzgericht Hamburg later heeft vernietigd en dat het Hauptzollamt Hamburg-Jonas de toepasselijke rechten daarna heeft vastgesteld op een tarief van 850 ECU per ton, is zonder belang, gelet op de formulering van artikel 5, lid 3, sub b, van verordening nr. 2362/98. Het Gerecht had dus moeten vaststellen dat de betaling van de contingentrechten voldoende was om de omstreden hoeveelheid in aanmerking te kunnen nemen in de referentiehoeveelheid.
32. Met de Commissie ben ik van mening dat dit middel kennelijk ongegrond is. De stelling van rekwirante miskent dat er over de berekening van de op de dag van [...] invoer geldende rechten" geschil kan bestaan. Zij miskent ook het beginsel van terugwerkende kracht van prejudiciële arresten van het Hof.
33. Het staat vast dat de berekening van de op de dag van [...] invoer geldende rechten" tussen de betrokken partijen in geschil kan zijn. Het kan daarbij gaan om de berekeningswijze van de rechten, de aan het voorschrift van gemeenschapsrecht te geven uitlegging of (zoals in het onderhavige geval) de geldigheid van dat voorschrift. In die gevallen kan het exacte bedrag van de voor de handeling geldende douanerechten klaarblijkelijk niet definitief bekend zijn op de dag van de vervulling van de invoerformaliteiten. Dat bedrag is pas bekend wanneer er een onherroepelijk besluit is. Dat besluit stelt alsdan zeker en definitief het bedrag vast dat op de dag van de vervulling van de douaneformaliteiten moest worden voldaan.
34. Eveneens staat vast dat op grond van de rechtspraak de prejudiciële arresten van het Hof in beginsel terugwerkende kracht hebben. Wat uitleggingsarresten betreft heeft het Hof geoordeeld dat de uitlegging die het geeft aan een voorschrift van gemeenschapsrecht, de betekenis en strekking van dat voorschrift verklaart en preciseert, zoals het sedert het tijdstip van zijn inwerkingtreding had moeten worden verstaan. Het aldus uitgelegde voorschrift is derhalve ook van toepassing op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan vóór het prejudiciële arrest, voorzover is voldaan aan de voorwaarden waaronder het geschil voor de nationale rechter kan worden gebracht. Hetzelfde beginsel is van toepassing op prejudiciële arresten waarin de geldigheid wordt beoordeeld. In het arrest van 26 april 1994, Roquette Frères, heeft het Hof uitdrukkelijk geoordeeld dat een arrest waarbij het Hof bij wege van prejudiciële beslissing de ongeldigheid van een gemeenschapshandeling vaststelt, in beginsel terugwerkende kracht heeft". Dat geldt te meer wanneer het Hof vaststelt dat bij onderzoek van de prejudiciële vragen niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de bestreden handeling kunnen aantasten.
35. De stelling van rekwirante miskent dit beginsel.
36. Ik herinner eraan dat de hoeveelheid van 9 860 671 kg bananen die door rekwirante is ingevoerd op grond van de beschikkingen van het Finanzgericht Hamburg, buiten het tariefcontingent viel. De enige reden waarom zij toestemming kreeg om die hoeveelheid in het kader van dit contingent in te voeren, was dat het Finanzgericht Hamburg twijfelde aan de verenigbaarheid van de verordeningen nrs. 404/93 en 478/95 met de GATT-regels. Het Finanzgericht Hamburg bepaalde dan ook dat de voor de betrokken importen geldende douanerechten" moesten worden berekend tegen het preferentiële tarief van 75 ECU per ton en niet tegen het tarief van 850 ECU per ton.
37. In het aangehaalde arrest T. Port heeft het Hof de beoordeling van het Finanzgericht Hamburg op dit punt echter afgewezen. In antwoord op de door het Finanzgericht Hamburg gestelde prejudiciële vragen heeft het Hof geoordeeld dat de GATT-regels in het onderhavige geval niet van toepassing waren en dat daarop dus geen beroep gedaan kon worden om de verordeningen nrs. 404/93 en 478/95 buiten toepassing te laten.
38. In overeenstemming met het beginsel van de terugwerkende kracht van de prejudiciële arresten had deze beoordeling van het Hof gelding vanaf de dag van de invoer van de omstreden hoeveelheid. Dat betekent dat het bedrag van de voor de omstreden hoeveelheid op de dag van [...] invoer geldende rechten" het tarief voor importen buiten het tariefcontingent om, namelijk 850 ECU per ton, is en altijd had moeten zijn.
39. Zo gezien komt het betoog van rekwirante neer op de stelling dat de werking van prejudiciële arresten van het Hof beperkt kan worden door voorlopige maatregelen die een nationale rechterlijke instantie in kort geding uitvaardigt. Die stelling is klaarblijkelijk in strijd met de rechtspraak, aangezien het Hof zichzelf bij uitsluiting bevoegd acht om de werking in de tijd van prejudiciële arresten te beperken. Zoals de Commissie heeft benadrukt, zou de stelling van rekwirante een ernstige inbreuk betekenen op de beginselen van voorrang en eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht.
40. Onder deze omstandigheden geef ik het Hof in overweging, het eerste middel als kennelijk ongegrond af te wijzen.
B - Het tweede middel
41. Met haar tweede middel betoogt rekwirante dat het Gerecht de rechtspraak inzake de bevoegdheid van nationale rechterlijke instanties om in geschillen over gemeenschapsrecht voorlopige maatregelen uit te vaardigen, heeft geschonden.
42. Volgens rekwirante heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat de omstreden hoeveelheid buiten het tariefcontingent om is ingevoerd. Zij benadrukt dat het Finanzgericht Hamburg in zijn beschikkingen uitdrukkelijk de invoer binnen het kader van het contingent heeft toegestaan. Haars inziens was het Gerecht aan de beslissing van het Finanzgericht Hamburg gebonden geweest. Zij herinnert eraan dat volgens de rechtspraak van het Hof de nationale rechter een gemeenschapshandeling voorlopig buiten toepassing mag laten. De voorlopige rechtsbescherming die aan particulieren wordt toegekend, zou teniet worden gedaan als de beslissing van het Finanzgericht Hamburg kon worden aangetast door het Gerecht.
43. Met de Commissie ben ik van mening dat dit middel kennelijk volledig ongegrond is.
44. In de arresten Zuckerfabrik Süderdithmarschen en Zuckerfabrik Soest en Atlanta Fruchthandelsgesellschaft e.a. I heeft het Hof geoordeeld dat de nationale rechter bevoegd is om een gemeenschapsverordening waarvan de geldigheid wordt betwist, voorlopig buiten toepassing te laten. De nationale rechter kan de tenuitvoerlegging van een op een dergelijke verordening gebaseerde nationale bestuurshandeling opschorten of met betrekking tot een dergelijke nationale bestuurshandeling voorlopige maatregelen toestaan ter regeling van de omstreden rechtsposities of rechtsbetrekkingen. Het Hof heeft de uitoefening van die bevoegdheid echter afhankelijk gesteld van de vervulling van vier voorwaarden. Volgens de aangehaalde arresten mag een nationale rechter opschorting van de tenuitvoerlegging of voorlopige maatregelen alleen toestaan:
- indien die rechter ernstige twijfel omtrent de geldigheid van de gemeenschapshandeling koestert en hij, wanneer de vraag betreffende de geldigheid van de betwiste handeling nog niet aan het Hof is voorgelegd, deze vraag zelf verwijst;
- indien de zaak spoedeisend is in die zin, dat opschorting van de tenuitvoerlegging of voorlopige maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de partij die erom verzoekt, ernstige en onherstelbare schade lijdt;
- indien de rechter naar behoren rekening houdt met het belang van de Gemeenschap;
- indien de nationale rechter bij de beoordeling van al die voorwaarden de uitspraken van het Hof of het Gerecht over de wettigheid van de verordening, of een beschikking in kort geding waarbij op communautair vlak soortgelijke voorlopige maatregelen zijn getroffen, eerbiedigt.
45. Wat de derde voorwaarde betreft heeft het Hof verduidelijkt dat de nationale rechter de plicht heeft om rekening te houden met het belang van de Gemeenschap, dat de betwiste verordening niet overhaast buiten toepassing wordt gelaten. Dat betekent dat wanneer de maatregelen in kort geding financiële risico's voor de Gemeenschap kunnen meebrengen, de nationale rechter van de verzoeker toereikende zekerheden dient te verlangen, zoals borgstelling of sekwestratie.
46. In het onderhavige geval staat evenwel vast dat het Finanzgericht Hamburg niet heeft voldaan aan deze derde voorwaarde. Bij zijn kortgedingbeschikkingen heeft het de invoer van de omstreden hoeveelheid binnen het kader van het tariefcontingent toegestaan zonder zekerheidstelling te eisen. De nationale rechter heeft rekwirante dus vrijgesteld van de betaling van de krachtens de communautaire wetgeving geldende douanerechten, zonder erop toe te zien dat de financiële belangen van de Gemeenschap veiliggesteld werden door middel van zekerheidsstelling of een andere gelijkwaardige maatregel.
47. Onder deze omstandigheden kan rekwirante zich niet met succes beroepen op de rechten die de beschikkingen van het Finanzgericht Hamburg haar zouden hebben toegekend. Nu deze beschikkingen niet voldoen aan de in de rechtspraak gestelde voorwaarden, kunnen zij op geen enkele wijze tot gevolg hebben dat de omstreden hoeveelheid in aanmerking wordt genomen voor de referentiehoeveelheid van rekwirante.
48. Dientengevolge geef ik het Hof in overweging, het tweede middel als kennelijk ongegrond af te wijzen.
V - Conclusie
49. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de hogere voorziening als kennelijk ongegrond af te wijzen en T. Port GmbH & Co. KG te verwijzen in de kosten van de twee instanties.
Full & Egal Universal Law Academy