CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. TIZZANO
van 22 mei 2003 (1)
Zaak C-216/01
Budějovický Budvar, národní podnik
tegen
Rudolf Ammersin GmbH
[verzoek van het Handelsgericht Wien (Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]
„”
I ─ Inleiding
1. In deze zaak wordt het Hof verzocht om een antwoord op enkele vragen betreffende de bescherming van geografische herkomstaanduidingen van levensmiddelen. Daarbij zal het zich ook moeten uitspreken over de vraag, of een internationale overeenkomst inzake de bescherming van geografische aanduidingen tussen een lidstaat en een derde staat behoort tot de overeenkomsten [...] vóór de datum van [...] toetreding gesloten in de zin van artikel 307 EG, ook ten aanzien van de gevolgen die die overeenkomst heeft in de betrekkingen tussen de betrokken lidstaat en een van de staten die na de ontbinding van de oorspronkelijke verdragsluitende derde staat in diens plaats zijn getreden.
2. Die vragen zijn gerezen in een geding tussen een bierbrouwerij in de Tsjechische Republiek en een Oostenrijkse vennootschap die bier verkoopt, over het gebruik door deze vennootschap van de benaming Bud voor bier van oorsprong uit de Verenigde Staten, ofschoon volgens een reeks overeenkomsten uit de jaren 1976 tot 1981 tussen de Republiek Oostenrijk en de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Socialistische Republiek (hierna: Tsjecho-Slowaakse Federatieve Republiek of Tsjecho-Slowakije) die benaming enkel door in Tsjecho-Slowakije gevestigde personen mocht worden gebruikt.
II ─ De toepasselijke regelingen
Het gemeenschapsrecht
De bepalingen van het Verdrag
3. Artikel 28 EG verbiedt, zoals bekend, kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking tussen de lidstaten; artikel 30 EG maakt een uitzondering voor verboden en beperkingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van, onder meer, de bescherming van de industriële en commerciële eigendom.
4. Artikel 307, eerste en tweede alinea, EG bepaalt als volgt: De rechten en verplichtingen voortvloeiende uit overeenkomsten vóór 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, vóór de datum van hun toetreding gesloten tussen een of meer lidstaten enerzijds en een of meer derde staten anderzijds, worden door de bepalingen van dit Verdrag niet aangetast.Voorzover deze overeenkomsten niet verenigbaar zijn met dit Verdrag maken de betrokken lidstaat of lidstaten gebruik van alle passende middelen om de vastgestelde onverenigbaarheid op te heffen. Indien nodig verlenen de lidstaten elkaar bijstand teneinde dat doel te bereiken en volgen in voorkomende gevallen een gemeenschappelijke gedragslijn.
Verordening nr. 2081/92
5. Voor deze zaak is voorts van belang verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (2) (hierna: verordening nr. 2081/92 of de verordening), waarbij een eenvormige regeling voor de gehele Gemeenschap is ingevoerd ter bescherming van beschermde geografische aanduidingen en beschermde oorsprongsbenamingen.
6. Die verordening is vastgesteld wegens het belang van de productie en de distributie van landbouwproducten voor de economie van de Gemeenschap (eerste overweging van de considerans) en in het bijzonder om de diversificatie van de productie en de afzet van kwaliteitsproducten te bevorderen (tweede overweging). Daartoe wordt, ter vervanging van bestaande nationale regelingen, een gemeenschappelijke regeling voor beschermde aanduidingen met betrekking tot de oorsprong van levensmiddelen ingevoerd, die een meer uniforme aanpak en gelijke mededingingsvoorwaarden waarborgt (zevende overweging); deze regeling geldt enkel voor landbouwproducten en levensmiddelen waarvoor er een verband bestaat tussen de kenmerken van het product en de geografische oorsprong ervan (negende overweging).
7. Zoals in de preambule aangekondigd, voorziet het stelsel van de verordening in de registratie van twee soorten beschermde aanduidingen, te weten oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen (tiende overweging). Artikel 2, lid 2, verduidelijkt dit als volgt: In deze verordening wordt verstaan onder:
a) oorsprongsbenaming: de naam van een streek, van een bepaalde plaats of, in uitzonderlijke gevallen, van een land, die wordt gebruikt in de benaming van een landbouwproduct of levensmiddel:
─ dat afkomstig is uit die streek, die bepaalde plaats of dat land, en
─ waarvan de kwaliteit of de kenmerken hoofdzakelijk of uitsluitend aan het geografische milieu, dat factoren van natuurlijke en menselijke aard omvat, zijn toe te schrijven en waarvan de productie, de verwerking en de bereiding in het geografische gebied geschieden;
b) geografische aanduiding: de naam van een streek, van een bepaalde plaats of, in uitzonderlijke gevallen, van een land, die wordt gebruikt in de benaming van een landbouwproduct of levensmiddel:
─ dat afkomstig is uit die streek, die bepaalde plaats of dat land, en
─ waarvan een bepaalde hoedanigheid, de faam of een ander kenmerk aan deze geografische oorsprong kan worden toegeschreven en waarvan de productie en/of de verwerking en/of de bereiding in het bepaalde geografische gebied geschieden.
8. De Commissie geeft toestemming voor inschrijving in het register (artikel 6), wanneer het voor registratie voorgedragen product aan de voorwaarden van het productdossier voldoet (artikelen 4 en 5).
9. Ingevolge artikel 12 kunnen landbouwproducten of levensmiddelen uit derde landen onder bepaalde voorwaarden voor de toepassing van de verordening in aanmerking komen. (3) In elk geval wordt in dit verband rekening gehouden met de bepalingen van internationale overeenkomsten (artikel 12, lid 1).
Overeenkomsten tussen Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije
10. Van belang voor deze zaak is eveneens een verdrag van 11 juni 1976, te Wenen gesloten tussen de Republiek Oostenrijk en de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek, betreffende de bescherming van benamingen ter aanduiding van de herkomst van landbouw- en industrieproducten (hierna: Oostenrijks-Tsjecho-Slowaaks verdrag of bilateraal verdrag). (4)
11. Het verdrag erkent, enerzijds, voor Oostenrijkse producten het uitsluitende gebruik van bepaalde Oostenrijkse herkomstaanduidingen, opgesomd in bijlage A van de op 7 juni 1979 te Praag gesloten uitvoeringsovereenkomst (hierna: uitvoeringsovereenkomst) (5) , en anderzijds, voor Tsjechische en Slowaakse producten het uitsluitende gebruik van bepaalde Tsjechische en Slowaakse herkomstaanduidingen, opgesomd in bijlage B van de uitvoeringsovereenkomst.
12. In artikel 1 van het bilaterale verdrag verbinden de verdragsluitende staten zich met name ertoe, alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de in het verdrag zelf en in de uitvoeringsovereenkomsten bedoelde herkomstaanduidingen, oorsprongsbenamingen en andere benamingen die de herkomst van landbouw- en industrieproducten aanduiden, tegen oneerlijke mededinging in de handel te beschermen.
13. Artikel 2 van het bilaterale verdrag bepaalt:Onder herkomstaanduidingen, oorsprongsbenamingen en andere benamingen die de herkomst in de zin van deze overeenkomst aanduiden, worden alle aanduidingen verstaan die, al dan niet rechtstreeks, betrekking hebben op de herkomst van een product. Een dergelijke aanduiding bestaat in het algemeen uit een geografische benaming. Zij kan echter ook uit andere vermeldingen bestaan wanneer de betrokken kringen in het land van oorsprong daarin, met betrekking tot het aldus benoemde product, een aanduiding van het productieland zien. Genoemde benamingen kunnen naast de aanduiding van een bepaald gebied van geografische herkomst vermeldingen met betrekking tot de kwaliteit van het betrokken product bevatten. Deze bijzondere eigenschappen moeten uitsluitend of in hoofdzaak het gevolg van geografische of menselijke invloeden zijn. (6)
14. In artikel 3, lid 1, wordt gepreciseerd dat[...] de in een krachtens artikel 6 gesloten [uitvoerings]overeenkomst genoemde Tsjecho-Slowaakse benamingen in de Republiek Oostenrijk uitsluitend zijn voorbehouden aan Tsjecho-Slowaakse producten.
15. Artikel 5 bevat een lijst van de landbouw- en industrieproducten waarvoor het bilaterale verdrag de bescherming van de herkomstaanduidingen verzekert. Een van die producten is bier.
16. Voor de bepaling van de beschermde herkomstaanduidingen verwijst artikel 6 vervolgens naar de uitvoeringsovereenkomst. Onder de aanduidingen die uitsluitend voor Tsjechische biersoorten mogen worden gebruikt, worden in bijlage B, voorzover hier van belang, genoemd:
─ Bud
─ Budějovické pivo
─ Budějovické pivo - Budvar
─ Budějovický Budvar
.
17. Wat ten slotte de concrete beschermingsmodaliteiten betreft, bepaalt artikel 7 van het bilaterale verdrag: 1. Indien de krachtens [...] dit verdrag beschermde namen en benamingen in strijd met de onderhavige bepalingen in het kader van een commerciële activiteit worden gebruikt om producten aan te duiden, met name voor hun presentatie of verpakking, of op rekeningen, vrachtbrieven of andere handelsdocumenten dan wel in reclame, worden alle rechterlijke en bestuurlijke maatregelen toegepast waarin de wetgeving van de verdragsluitende staat waar om bescherming wordt verzocht, voorziet ter bestrijding van oneerlijke mededinging of het anderszins beteugelen van onrechtmatige benamingen, onder de bij die wetgeving vastgestelde voorwaarden en met inachtneming van artikel 9.2. Voorzover er in het kader van handelsactiviteiten gevaar voor verwarring bestaat, wordt lid 1 eveneens toegepast wanneer de krachtens het verdrag beschermde benamingen worden gebruikt in gewijzigde vorm of voor andere producten dan die waarvoor zij volgens de in artikel 6 bedoelde overeenkomst zijn bestemd.3. Het bepaalde in lid 1 is eveneens van toepassing wanneer de krachtens het verdrag beschermde benamingen in vertaalde vorm worden gebruikt dan wel met een aanduiding van de daadwerkelijke herkomst, of vergezeld van vermeldingen als soort, type, wijze, imitatie of dergelijke. (7)
Handelingen na de ontbinding van Tsjecho-Slowakije
18. Zoals bekend, is Tsjecho-Slowakije per 1 januari 1993 ontbonden en zijn op zijn grondgebied twee nieuwe staten ontstaan, de Tsjechische Republiek en de Slowaakse Republiek.
19. Enkele dagen voordat het land formeel onafhankelijk werd, op 17 december 1992, nam de Tsjechische Nationale Raad een verklaring aan waarin het heette, dat overeenkomstig de geldende beginselen van internationaal recht en voorzover dit laatste dat bepaalt, de Tsjechische Republiek zich per 1 januari 1993 gebonden zal achten aan de multilaterale en bilaterale verdragen waarbij de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek op die datum partij was. (8)
20. In het voetspoor van deze verklaring bevestigde constitutionele wet nr. 4/1993 van de Tsjechische Republiek vervolgens, dat de Tsjechische Republiek treedt in de krachtens het internationale recht bestaande rechten en verplichtingen van de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek op de datum van opheffing van deze laatste. (9)
21. In de bekendmaking van de bondskanselier met betrekking tot de tussen de Republiek Oostenrijk en de Tsjechische Republiek geldende bilaterale verdragen (BGBl. 1997, III, blz.123, van 31 juli 1997), heet het, voorzover hier van belang: Op basis van een gezamenlijk onderzoek van de bilaterale verdragen tussen de Republiek Oostenrijk en de Tsjechische Republiek door de bevoegde instanties van beide staten is vastgesteld, dat op grond van de algemeen aanvaarde regels van volkenrecht de hierna genoemde bilaterale verdragen op 1 januari 1993, de datum van opvolging van de Tsjechische Republiek op het grondgebied van de voormalige Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek, van kracht waren tussen de Republiek Oostenrijk en de Tsjechische Republiek, en sindsdien door de bevoegde instanties binnen de rechtsstelsels van beide landen worden toegepast:[...]19. Verdrag, op 11 juni 1976 te Wenen gesloten tussen de Republiek Oostenrijk en de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek inzake de bescherming van herkomstaanduidingen, oorsprongsbenamingen en andere benamingen die de herkomst van landbouw- en industrieproducten aanduiden, alsmede het op 30 november 1977 te Wenen gesloten bijbehorende protocol (BGBl. 1981/75)[...]26. Overeenkomst over de toepassing van het verdrag tussen de Republiek Oostenrijk en de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek inzake de bescherming van herkomstaanduidingen, oorsprongsbenamingen en andere benamingen die de herkomst van landbouw- en industrieproducten aanduiden (BGBl. 1981/76).[...] (10)
III ─ De feiten en het procesverloop
22. De Tsjechische bierbrouwerij Budějovický Budvar (11) (hierna: brouwerij Budvar of eenvoudig Budvar), gevestigd in Ceské Budějovice in Bohemen (Tsjechische Republiek), hierna genoemd bij de Duitse naam Budweis (12) , exporteert het bier Budweiser Budvar naar diverse landen, waaronder Oostenrijk. (13)
23. De vennootschap Rudolf Ammersin GmbH (hierna: Ammersin), gevestigd te Wenen (Oostenrijk), drijft een groothandel in dranken. Zij verkoopt onder meer het in de Verenigde Staten geproduceerde bier American Bud. (14)
24. Op 22 juli 1999 vorderde de brouwerij Budvar voor het Handelsgericht Wien (Oostenrijk), dat het Ammersin bij wege van voorlopige maatregel zou worden verboden bij haar commerciële activiteiten met betrekking tot bier en soortgelijke producten gebruik te maken van de benaming Bud of overeenkomstige benamingen die verwarring kunnen wekken, tenzij het producten van Budvar zou betreffen. Verzoekster beriep zich voor deze vordering op schending van het merkenrecht (15) en, wat voor de onderhavige procedure van belang is, op onrechtmatig gebruik van door het bilaterale verdrag van 1977 beschermde herkomstaanduidingen.
25. Het Handelsgericht wees deze vordering toe met zijn beschikking van 15 oktober 1999, die vervolgens door het Oberlandesgericht Wien werd bevestigd. Het beroep tot Revision voor het Oberste Gerichtshof (hierna: OGH) werd niet-ontvankelijk verklaard.
26. Na de beëindiging van de procedure in kort geding neemt het Handelsgericht Wien thans kennis van de zaak ten gronde.
27. In een parallelle procedure tegen de Oostenrijkse importeur van het concurrerende Amerikaanse bier, eerst voor het Landgericht Salzburg en vervolgens voor het Oberlandesgericht Linz, had Budvar overigens op basis van dezelfde rechtsgronden al een overeenkomstige verbodsactie ingesteld; nadat deze vordering door de lagere rechters was toegewezen, werd hun beslissing ten slotte door het OGH bij beschikking van 1 februari 2000 bevestigd. (16) Hierin overwoog het OGH onder meer, dat door de invoer en de verhandeling van het bier American Bud inbreuk werd gemaakt op de Tsjechische herkomstaanduiding Bud, die een beschermde aanduiding is in de zin van het bilaterale verdrag, waarbij het beklemtoonde, dat het opgelegde verbod niet met het EG-Verdrag in strijd is.
28. Het Handelsgericht, dat niet rechtstreeks gebonden is aan de uitspraak van de hoogste rechter in die procedure en dat twijfel koestert aan de verenigbaarheid van die uitspraak met het gemeenschapsrecht, heeft bij beschikking van 26 februari 2001 het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
1) Is de toepassing van een bepaling van een tussen een lidstaat en een derde staat gesloten bilateraal verdrag, volgens welke voor een eenvoudige/indirecte geografische aanduiding die in het land van herkomst noch de naam van een streek, noch van een plaats of een land is, de van elk gevaar van misleiding onafhankelijke absolute bescherming van een gekwalificeerde geografische aanduiding in de zin van verordening nr. 2081/92 wordt gewaarborgd, verenigbaar met artikel 28 EG-Verdrag en/of verordening nr. 2081/92, wanneer bij toepassing van die bepaling de invoer van een goed dat in een andere lidstaat rechtmatig in het verkeer is gebracht, kan worden verhinderd?
2) Geldt dit ook wanneer de geografische aanduiding die in het land van herkomst noch de naam van een streek, noch van een plaats of een land is, in het land van herkomst niet als geografische benaming voor een bepaald product en ook niet als een eenvoudige of indirecte geografische aanduiding wordt opgevat?
3) Gelden de antwoorden op de eerste en de tweede vraag ook, indien het bilaterale verdrag een verdrag is dat de lidstaat vóór zijn toetreding tot de Europese Unie heeft gesloten en na zijn toetreding tot de Europese Unie heeft voortgezet door een verklaring van de bondsregering, met een staat die de opvolger is van de oorspronkelijke verdragsluitende derde staat?
4) Verplicht artikel 307, tweede alinea, EG de lidstaat een dergelijk bilateraal verdrag, dat door die lidstaat vóór zijn toetreding tot de EU met een derde staat werd gesloten, in overeenstemming met het gemeenschapsrecht in de zin van artikel 28 EG en/of verordening nr. 2081/92 aldus uit te leggen, dat de daarin gewaarborgde bescherming voor een eenvoudige/indirecte geografische aanduiding die in het land van herkomst noch de naam van een streek noch van een plaats of een land is, enkel de bescherming tegen misleiding omvat, doch niet de absolute bescherming van een gekwalificeerde geografische aanduiding in de zin van verordening nr. 2081/92?
29. In de procedure voor het Hof zijn opmerkingen ingediend door verzoekster en verweerster in het hoofdgeding, de Oostenrijkse, de Duitse en de Franse regering en de Commissie.
IV ─ Juridische beoordeling
De ontvankelijkheid
30. Alvorens in te gaan op de vragen die de verwijzende rechter aan het Hof heeft gesteld, herinner ik eraan, dat enkele partijen twijfel hebben uitgesproken over de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing. Ik meen die bezwaren meteen te moeten bespreken, althans voorzover zij de ontvankelijkheid van de prejudiciële verwijzing in haar geheel betreffen; op de bezwaren betreffende elk van de vragen afzonderlijk, zal ik op het daarvoor geschikte moment ingaan.
31. In de eerste plaats hebben de gestelde vragen volgens Budvar in werkelijkheid betrekking op de toepassing van een verdrag tussen een lidstaat en een derde staat. Het Hof wordt dus niet verzocht om uitlegging van bepalingen van gemeenschapsrecht, maar van in het nationale recht van een lidstaat opgenomen internationale overeenkomsten, en daartoe is het niet bevoegd.
32. Dit bezwaar lijkt mij niet gegrond. De oplossing van het bij de verwijzende rechter aanhangige geschil hangt weliswaar samen met de toepassing van geldende overeenkomsten tussen Oostenrijk en de Tsjechische Republiek, maar het lijkt mij duidelijk, dat de aan het Hof voorgelegde vragen niet rechtstreeks de uitlegging van die overeenkomsten betreffen, maar die van bepalingen van het Verdrag (de artikelen 28 EG, 30 EG en 307 EG) en van het afgeleide recht (verordening nr. 2081/92). Het is deze uitlegging welke de verwijzende rechter noodzakelijk acht voor de oplossing van het bij hem aanhangige geschil, en voor deze uitlegging is het Hof krachtens artikel 234 EG (ex artikel 177 van het Verdrag) wel degelijk bevoegd.
33. Ook de Commissie heeft, zij het om andere redenen, twijfel aan de ontvankelijkheid van de vragen. Haar bezwaar is dat deze vragen hypothetische problemen betreffen en daarom niet-ontvankelijk zijn.
34. Volgens de Commissie stelt de verwijzende rechter het Hof immers een vraag over de uitlegging van gemeenschapsrecht uitsluitend met het doel een ─ door hem in werkelijkheid niet gedeelde ─ mogelijke uitlegging van het nationale recht te kunnen uitsluiten, te weten de uitlegging die het OGH in zijn beschikking van 1 februari 2000 (zie punt 27 supra) aan het bilaterale verdrag heeft gegeven en volgens welke dat verdrag de benaming Bud absolute bescherming verleent, ongeacht of zij tot verwarring kan leiden of niet.
35. Ook dit bezwaar komt mij ongegrond voor.
36. Het is immers vaste rechtspraak, dat het [i]n beginsel [...] uitsluitend aan de nationale rechter [staat] om, gelet op de bijzonderheden van elk geval, te oordelen over de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis, alsmede over de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, en dat [e]en verzoek van een nationale rechter [...] door het Hof slechts [kan] worden afgewezen, wanneer de door die rechter gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding. (17)
37. Uit de onderhavige verwijzingsbeschikking blijkt mijns inziens voldoende duidelijk, dat naar het oordeel van de verwijzende rechter de benaming in geding absolute bescherming krachtens het bilaterale verdrag geniet, precies zoals ook het OGH in zijn beschikking van 1 februari 2000 heeft beslist. Op grond van het Oostenrijkse recht zou de vordering van verzoekster dan ook moeten worden toegewezen, wat tot een potentiële belemmering voor het intracommunautaire handelsverkeer zou leiden.
38. Zo gezien, lijkt mij geen twijfel mogelijk aan de noodzaak en relevantie van de gestelde vragen. De opgeworpen bezwaren zijn mijns inziens dan ook ongegrond.
De eerste vraag
39. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of met verordening nr. 2081/92 en de artikelen 28 EG en 30 EG verenigbaar is een nationale bepaling van een lidstaat, die voorziet in absolute bescherming voor een geografische aanduiding die zowel eenvoudig is ─ dat wil zeggen geen bijzonder verband legt tussen de oorsprong en de kwaliteit van het product ─ als indirect ─ dat wil zeggen wel een aanwijzing vormt voor de oorsprong van het product, maar niet overeenkomt met de naam van een streek of van een plaats.
40. Hiermee worden eigenlijk twee verschillende vragen over de bescherming van de benaming Bud opgeworpen ─ de eerste betreffende de uitlegging van verordening nr. 2081/92, de tweede betreffende die van de artikelen 28 EG en 30 EG ─ die afzonderlijk behandeld moeten worden.
a) De bescherming van de benaming Bud in het licht van verordening nr. 2081/92
De ontvankelijkheid
41. De Oostenrijkse regering begint met op te merken, dat deze vraag niet-ontvankelijk is voorzover zij naar verordening nr. 2081/92 verwijst. Daar uit de beschikking van de verwijzende rechter nergens blijkt, dat de in geding zijnde benamingen overeenkomstig die verordening zijn of zullen worden geregistreerd, is de kwestie van hun verenigbaarheid met die regeling zuiver abstract en hypothetisch.
42. Laat mij meteen zeggen, dat dit argument mij ongegrond lijkt. De nationale rechter vraagt immers helemaal niet om een uitspraak over de geldigheid van een (niet bestaande) registratie van de in geding zijnde aanduidingen in de zin van verordening nr. 2081/92, maar om uitlegging van die verordening om te kunnen vaststellen, of deze in de weg staat aan het stelsel van het bilaterale verdrag inzake herkomstaanduidingen voor levensmiddelen.
43. Zo gezien, zijn de aan het Hof voorgelegde vragen naar mijn mening niet hypothetisch of abstract, en ik zie dan ook geen reden om de ontvankelijkheid ervan in twijfel te trekken.
Ten gronde
─ Argumenten van partijen
44. Alleen Ammersin, verweerster in het hoofdgeding, stelt voor deze vraag ontkennend te beantwoorden. Haars inziens staat verordening nr. 2081/92 in de weg aan een nationale regeling als hier in geding, die onafhankelijk van het gevaar voor verwarring bescherming verleent aan een indirecte geografische aanduiding, zonder die bescherming afhankelijk te stellen van een rechtstreeks verband tussen de oorsprong en de hoedanigheden van het product.
45. Ammersin betoogt, dat in het systeem van de verordening de absolute bescherming van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen van strikte kwaliteitsvoorwaarden afhangt. In de eerste plaats moet er een rechtstreeks verband bestaan tussen de oorsprong van het product en de kenmerken ervan (artikel 2). In de tweede plaats moet het product voldoen aan de in een speciaal productdossier omschreven kwaliteitseisen, en er is een strenge verificatieprocedure om vast te stellen of dat het geval is (artikelen 4 en 6).
46. De bij de verordening ingevoerde uniforme regeling, aldus Ammersin, kan niet samengaan met een nationale bescherming die eveneens absoluut is, maar afhankelijk van minder strenge voorwaarden. Anders zouden de doelstellingen van de gemeenschapsregeling ─ het bevorderen van de kwaliteit van landbouwproducten en het waarborgen van gelijke concurrentievoorwaarden binnen de gemeenschappelijke markt ─ in gevaar komen.
47. Een zelfde conclusie kan volgens Ammersin worden getrokken uit artikel 17 van de verordening, volgens hetwelk de nationale bescherming van een benaming waarvoor om registratie overeenkomstig de verordening is verzocht, slechts kan worden gehandhaafd gedurende de tijd die voor de communautaire registratie nodig is.
48. Omdat echter nooit om communautaire registratie van de benaming Bud is verzocht, kan zij niet meer ingevolge de bij het bilaterale verdrag ingevoerde nationale regeling beschermd zijn.
49. Daartegenover zijn alle andere partijen van mening, dat verordening nr. 2081/92 zich niet verzet tegen de voortgezette toepassing van de nationale beschermingsregeling op de geografische aanduidingen in geding.
50. Budvar betwist om te beginnen de premisse waarvan de verwijzende rechter lijkt uit te gaan, en betoogt dat de benaming Bud, als afkorting van de naam van de Boheemse stad Budweis, een directe geografische aanduiding is en bovendien een gekwalificeerde aanduiding, omdat zij een link legt tussen het bier en de wereldfaam van de bierbrouwerijtraditie van de stad Budweis. In deze omstandigheden, aldus Budvar, staat verordening nr. 2081/92 er niet aan in de weg, dat een gekwalificeerde geografische aanduiding van een derde land krachtens een nationale regeling wordt beschermd.
51. Subsidiair betoogt Budvar, dat genoemde verordening volgens de rechtspraak van het Hof er niet aan in de weg staat, dat een nationaal rechtsstelsel een van het gevaar voor verwarring onafhankelijke absolute bescherming verleent aan een eenvoudige geografische aanduiding, die geen bijzonder verband onderstelt tussen de herkomst en de kenmerken van het product, omdat een dergelijke geografische aanduiding niet binnen de werkingssfeer van de verordening valt. (18)
52. Dit subsidiaire argument van Budvar wordt in grote trekken gedeeld door de Oostenrijkse regering en de Commissie, die het echter als hoofdargument aanvoeren.
53. Ook volgens de Duitse regering verzet de verordening zich niet in het minst tegen bescherming van de benaming Bud, of deze nu als een eenvoudige dan wel als een gekwalificeerde geografische aanduiding moet worden aangemerkt. In beide gevallen valt zij immers buiten de werkingssfeer van de verordening. In het eerste geval omdat deze enkel geldt voor gekwalificeerde geografische aanduidingen, in het tweede geval omdat zij uitsluitend van toepassing is op gekwalificeerde aanduidingen van producten uit de lidstaten en niet op benamingen van producten uit derde landen, behoudens onder de voorwaarden genoemd in artikel 12, waaraan echter in de betrekkingen met de Tsjechische Republiek niet is voldaan.
54. Ten slotte spreekt ook de Franse regering zich uit voor een bevestigend antwoord op de eerste vraag. In het bijzonder wijst zij erop, dat artikel 12 van de verordening internationale regelingen als die van het Oostenrijks-Tsjecho-Slowaakse verdrag uitdrukkelijk onverlet laat. Bij de omschrijving van de regeling voor geografische aanduidingen van producten uit derde landen, maakt genoemd artikel immers uitdrukkelijk een voorbehoud ten gunste van internationale overeenkomsten en daarmee dus ten gunste van het bilaterale verdrag en de daarin opgenomen speciale regeling.
─ Beoordeling
55. Overgaand tot de beoordeling van de standpunten van partijen, merk ik in de eerste plaats op, dat Budvar de kwestie van de kwalificatie van de benaming Bud volgens het bilaterale verdrag heeft aangesneden en de kwalificatie ervan door de verwijzende rechter afwijst (zie punt 50 supra).
56. Voor die kwalificatie is echter uitlegging noodzakelijk van de bepaling waarmee de regeling van het bilaterale verdrag in het Oostenrijkse recht is geïmplementeerd, en het is vaste rechtspraak, dat in het kader van het bij artikel 177 van het Verdrag ingevoerde stelsel van rechterlijke samenwerking de uitlegging van nationale voorschriften een zaak van de nationale rechter en niet van het Hof is (19) , zoals overigens ook de nationale rechter en niet het Hof bevoegd is voor de uitlegging van de bepalingen van bilaterale verdragen die de lidstaten binden buiten het kader van het gemeenschapsrecht. (20)
57. In het kader van de bevoegdheidsverdeling overeenkomstig artikel 234 EG is het derhalve in eerste instantie de nationale rechter die de in geding zijnde benaming in het licht van het bilaterale verdrag moet kwalificeren, en de door die rechter gegeven uitlegging kan voor het Hof niet ter discussie worden gesteld.
58. Hier wil ik er dus enkel op wijzen, dat volgens de tekst zelf van de prejudiciële vraag de verwijzende rechter de betrokken benaming als een eenvoudige en indirecte benaming heeft aangemerkt, en dat dit dus het uitgangspunt moet zijn voor onze beoordeling van de verenigbaarheid van de regeling met verordening nr. 2081/92.
59. Ik moet echter al meteen zeggen, dat de door de verwijzende rechter gestelde vraag naar mijn mening bevestigend moet worden beantwoord. Anders dan Ammersin, maar in overeenstemming met alle andere partijen, met wier argumenten ik het in grote lijnen eens ben, ben ik van oordeel dat verordening nr. 2081/92 geen beletsel vormt voor het handhaven van de door het bilaterale verdrag geboden absolute bescherming van een eenvoudige aanduiding.
60. In herinner er overigens aan, dat het Hof zich al in zijn arrest Warsteiner van 7 november 2000 met dit probleem heeft beziggehouden.
61. Bij die gelegenheid preciseerde het Hof om te beginnen, dat verordening nr. 2081/92 ingevolge artikel 2, lid 2, slechts betrekking heeft op geografische aanduidingen waarbij er een rechtstreeks verband bestaat tussen een bepaalde hoedanigheid, de faam of een ander kenmerk van het product en zijn specifieke geografische oorsprong (21) , en dat het dus [v]aststaat dat eenvoudige geografische herkomstaanduidingen waarbij, om met de nationale rechter in zijn prejudiciële vraag te spreken, geen verband bestaat tussen de kenmerken van het product en de geografische herkomst ervan, niet onder die definitie vallen en dus niet kunnen worden beschermd krachtens verordening nr. 2081/92. (22) Het Hof besloot, dat [n]iets in verordening nr. 2081/92 [...] er evenwel op [wijst], dat dergelijke geografische herkomstaanduidingen niet krachtens een nationale regeling van een lidstaat kunnen worden beschermd. (23) Daarbij stelde het Hof vast, dat de met verordening nr. 2081/92 nagestreefde doelstelling niet in gevaar kan worden gebracht door de gelijktijdige toepassing van de verordening en van nationale voorschriften inzake de bescherming van geografische herkomstaanduidingen die niet binnen de werkingssfeer van de verordening vallen. (24)
62. Het is niet moeilijk, zo lijkt mij, om in deze overwegingen het antwoord op de vraag van de verwijzende rechter te vinden. Ik concludeer dan ook, dat verordening nr. 2081/92 zich niet verzet tegen de toepassing van een bilateraal verdrag tussen en lidstaat en een derde staat, dat absolute bescherming toekent aan een geografische aanduiding die, hoewel zij niet de naam van een bepaalde streek of plaats in die derde staat is, een product van oorsprong uit een bepaalde streek of plaats in die derde staat aanduidt, zonder evenwel een bijzonder verband te leggen tussen de oorsprong en de hoedanigheden van het product.
b) De bescherming van de benaming Bud in het licht van de artikelen 28 EG en 30 EG
Argumenten van partijen
63. Wat de verenigbaarheid van de regeling van het bilaterale verdrag met de artikelen 28 EG en 30 EG betreft, twijfelt niemand eraan, dat de bescherming van een geografische benaming, al is het maar potentieel, een maatregel is van gelijke werking als een kwantitatieve beperking in de zin van artikel 28 EG. Wegens de verschillen tussen de nationale wettelijke regelingen terzake kan die bescherming immers een belemmering zijn voor de invoer van producten die in andere lidstaten rechtmatig in het verkeer zijn gebracht.
64. Over de mogelijkheid die maatregel te rechtvaardigen, lopen de meningen uiteen: terwijl Ammersin een rechtvaardiging uitgesloten acht, houden de andere partijen de regeling van het bilaterale verdrag voor gerechtvaardigd.
65. In de eerste plaats meent Ammersin, dat de bescherming van de benaming Bud op grond van het bilaterale verdrag niet gerechtvaardigd kan zijn uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom in de zin van artikel 30 EG. Deze bepaling vormt immers een afwijking van het beginsel van het vrije goederenverkeer; als zodanig moet zij restrictief worden uitgelegd en kan zij geen ruimere strekking hebben dan voor de bescherming van het specifieke voorwerp van het betrokken industriële-eigendomsrecht noodzakelijk is.
66. Volgens de rechtspraak van het Hof bestaat het specifieke voorwerp van de bescherming van geografische aanduidingen erin, het gebruik van een plaatsnaam voor te behouden aan de in die plaats gevestigde producenten, maar uitsluitend wanneer de benaming bij de consumenten grote faam geniet. De in geding zijnde benaming, zo vervolgt Ammersin, is daarentegen geen plaatsnaam en geniet evenmin faam bij de consumenten, zodat de bescherming ervan niet gerechtvaardigd is in de zin van artikel 30 EG.
67. Bovendien kan volgens Ammersin de absolute bescherming van een dergelijke benaming ook niet gerechtvaardigd zijn als maatregel van algemeen belang in het kader van de consumentenbescherming. Om de zojuist genoemde redenen kan het gebruik van de naam American Bud voor bier de consument immers op geen enkele manier in verwarring brengen over de oorsprong van het bier en kan het hem in het bijzonder niet in de waan brengen, dat het om bier uit Budweis/Ceské Budějovice gaat.
68. Wat de andere partijen betreft, is om te beginnen Budvar van mening, dat artikel 28 EG niet van toepassing kan zijn op het bij de verwijzende rechter aanhangige geding, omdat Ammersin het door haar in het verkeer gebrachte bier uit een derde land, de Verenigde Staten, importeert en er dus geen verband met het intracommunautaire goederenverkeer is.
69. Ten gronde meent zowel Budvar als de Duitse en de Oostenrijkse regering en de Commissie, dat de bescherming die een lidstaat aan een geografische aanduiding als Bud toekent, ofschoon zij een potentiële belemmering van het goederenverkeer tussen de lidstaten vormt, niettemin gerechtvaardigd is uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom in de zin van artikel 30 EG.
70. Genoemde partijen merken op, dat de bescherming van eenvoudige geografische aanduidingen krachtens bilaterale verdragen volgens 's Hofs rechtspraak gerechtvaardigd is uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom in de zin van artikel 30 EG, mits dergelijke benamingen in de staat van oorsprong geen soortnamen zijn geworden (25) en in die staat dus daadwerkelijk als herkomstaanduiding worden begrepen. (26) Zoals in het bijzonder de Duitse regering beklemtoont, moet de vraag of in het concrete geval aan die voorwaarden is voldaan, door de verwijzende rechter worden beantwoord.
71. Dat Bud mogelijk een eenvoudige herkomstaanduiding is, heeft geen enkel gevolg voor het aan de nationale rechter te geven antwoord. Het specifieke voorwerp van de bescherming van een geografische aanduiding bestaat er immers in, te verhinderen dat producenten van buiten de plaats waarnaar die aanduiding verwijst, onrechtmatig profiteren van de feitelijke of eventueel slechts potentiële renommee van de benaming, ten nadele van de producenten die in die plaats zijn gevestigd. In zoverre kan het bestaan van een rechtstreekse band tussen de hoedanigheden en de oorsprong van het product dus niet als een wezenlijke beschermingsvoorwaarde worden beschouwd.
72. In elk geval, zo stellen Budvar en de Duitse regering subsidiair, is de bescherming van de in geding zijnde benaming ook gerechtvaardigd als een dwingend vereiste van bescherming van de consumenten tegen bedrog en, tegelijkertijd, als waarborg voor eerlijke mededinging. Waar immers de beschermde benaming althans in een gedeelte van de gemeenschappelijke markt als herkomstaanduiding fungeert, kan het gebruik ervan door een niet in Budweis gevestigde persoon een gevaar voor verwarring door associatie opleveren. Een verbod om producten met die aanduiding in het verkeer te brengen, is dan een passende en evenredige beschermingsmaatregel.
Beoordeling
73. Alvorens in te gaan op de in deze procedure voorgedragen standpunten, wil ik eraan herinneren dat, zoals in artikel 23, lid 2, EG uitdrukkelijk wordt bepaald en door het Hof is bevestigd, het in artikel 28 EG neergelegde verbod van kwantitatieve beperkingen in het intracommunautaire handelsverkeer uitsluitend van toepassing is ten aanzien van goederen van oorsprong uit de lidstaten, alsmede goederen die, hoewel van oorsprong uit derde landen, in een lidstaat in het vrije verkeer zijn gebracht. (27)
74. Omdat het in dit geval gaat om het in de handel brengen van bier dat in de Verenigde Staten is geproduceerd, wil ik erop wijzen, dat een nationale maatregel als die waarop de thans besproken prejudiciële vraag betrekking heeft, slechts aan artikel 28 EG moet worden getoetst in zoverre het de invoer in Oostenrijk van in een andere lidstaat in het vrije verkeer gebracht bier betreft.
75. Wat vervolgens de beoordeling van de Oostenrijkse maatregel betreft, herinner ik aan de vaste rechtspraak, dat een nationale wettelijke regeling die het intracommunautaire handelsverkeer al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren, als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking in de zin van artikel 28 EG is te beschouwen. (28)
76. In het hoofdgeding nu gaat het om de bescherming die door een lidstaat, Oostenrijk, wordt toegekend aan een geografische benaming van een derde land, de Tsjechische Republiek, die niet de uniforme communautaire bescherming overeenkomstig verordening nr. 2081/92 geniet.
77. In een dergelijk geval kan, zoals hierboven gezegd, de toepassing van de Oostenrijkse regeling slechts een belemmering voor de invoer van het betrokken bier zijn, indien dit in een andere lidstaat rechtmatig in het verkeer is gebracht. Enkel met deze beperking staat het buiten twijfel, dat die regeling een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking in de zin van artikel 28 EG is.
78. Maar dit is niet het eind van het verhaal: wij zullen nog moeten nagaan, of die maatregel niet krachtens andere bepalingen van het Verdrag, in het bijzonder artikel 30 EG, gerechtvaardigd is.
79. Op dit punt ben ik het met de meeste partijen eens, dat de betrokken maatregel noodzakelijk is voor de bescherming van de industriële en commerciële eigendom en derhalve gerechtvaardigd is in de zin van artikel 30 EG. En met name meen ik, dat deze conclusie uit de communautaire rechtspraak volgt.
80. In het arrest Exportur heeft het Hof zich immers al beziggehouden met de vraag, of de in een bilateraal verdrag geregelde bescherming van eenvoudige geografische benamingen met het EG-Verdrag verenigbaar is. (29)
81. Gevraagd om een uitspraak over de vraag, of de artikelen 30 en 36 van het Verdrag (thans artikelen 28 EG en 30 EG) zich verzetten tegen de absolute bescherming van eenvoudige geografische benamingen, merkte het Hof om te beginnen op, dat die bescherming tot doel had te verhinderen dat de producenten uit een verdragsluitende staat de geografische benamingen van een andere staat gebruiken en aldus profijt trekken van de reputatie van producten van ondernemingen die gevestigd zijn in de streken of plaatsen waaraan die benamingen zijn ontleend (30) , ook wanneer er niet noodzakelijkerwijs een verband bestaat tussen de oorsprong van het product en een bepaalde bijzondere kwaliteit ervan.
82. Een dergelijk doel, zo vervolgde het Hof, dat gericht is op het waarborgen van een eerlijke mededinging, kan worden beschouwd als behorend tot de bescherming van de industriële en commerciële eigendom in de zin van artikel 36 EEG-Verdrag [thans artikel 30 EG], mits [de] benamingen bij de inwerkingtreding van [de] overeenkomst of nadien in het land van oorsprong niet tot soortnaam zijn geworden. (31)
83. Het staat buiten twijfel, dat het Oostenrijks-Tsjecho-Slowaakse verdrag een zelfde doel heeft, want het beoogt te verhinderen dat niet in de Tsjechische Republiek gevestigde personen voor het in de handel brengen van bier een Tsjechische geografische benaming gebruiken, meer bepaald een aanduiding die naar de Boheemse stad Budweis verwijst, en aldus profijt trekken van de faam van het in die stad geproduceerde bier.
84. Het komt mij dan ook voor, dat het beginsel dat het Hof in het arrest Exportur heeft geformuleerd, ook op de onderhavige zaak van toepassing is en dat de Oostenrijkse maatregel als gerechtvaardigd is te beschouwen, in zoverre zij noodzakelijk is voor de bescherming van industriële en commerciële eigendom in de zin van artikel 30 EG.
85. Ik geef het Hof derhalve in overweging op de eerste vraag te antwoorden, dat de artikelen 28 EG en 30 EG zich niet verzetten tegen de toepassing van een bilateraal verdrag tussen een lidstaat en een derde staat, dat absolute bescherming toekent aan een geografische aanduiding die, hoewel zij niet de naam van een bepaalde streek of plaats in die derde staat is, een product van oorsprong uit een bepaalde streek of plaats in die derde staat aanduidt, zonder evenwel een bijzonder verband te leggen tussen de oorsprong en de hoedanigheden van het product, mits die benaming bij de inwerkingtreding van het verdrag of nadien in de staat van oorsprong niet een soortnaam is geworden.
De tweede vraag
86. Met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de artikelen 28 EG en 30 EG (of verordening nr. 2081/92) in de weg staan aan een nationale maatregel die aan in een derde staat gevestigde producenten het gebruik voorbehoudt van een aanduiding die niet geschikt is om in het land van oorsprong een verband te leggen tussen het product en zijn geografische oorsprong, en aan die benaming, onafhankelijk van ieder gevaar voor verwarring, een absolute bescherming toekent.
87. Alle partijen zijn het erover eens, dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, want als er geen enkel verband bestaat tussen de betrokken aanduiding en de plaats van oorsprong van de producten, vormt een dergelijke maatregel een met artikel 28 EG strijdige kwantitatieve beperking en kan zij niet gerechtvaardigd zijn op grond van artikel 30 EG noch op een andere grond.
88. Ook mij lijkt geen ander antwoord mogelijk te zijn, aangezien in een dergelijk geval geen beroep kan worden gedaan op de in artikel 30 EG genoemde rechtvaardigingsgrond van bescherming van de industriële en commerciële eigendom, omdat de betrokken benaming hoe dan ook niet als een geografische aanduiding kan worden aangemerkt.
89. Deze conclusie volgt overigens ook uit de communautaire rechtspraak.
90. Zoals ik eerder al zei (punt 82 supra), heeft het Hof in het arrest Exportur uitgesloten dat vrijwaring van de industriële eigendom wordt aangevoerd als rechtvaardiging voor de bescherming van geografische benamingen wanneer deze benamingen tot soortnamen zijn geworden (32) , dat wil zeggen wanneer de gebruikte aanduiding een naam is die, in de termen van verordening nr. 2081/92, weliswaar verband houdt met de plaats of streek waar dit product of dit levensmiddel oorspronkelijk werd geproduceerd of in de handel gebracht, doch de gangbare naam is geworden van een product of een levensmiddel. (33)
91. Indien dus de bescherming van een aanduiding die oorspronkelijk geschikt was om een verband met de oorsprong van het product te leggen, maar die later tot soortnaam is geworden, geen bescherming van industriële eigendom in de zin van artikel 30 EG is, dan is dat zeker niet het geval met een benaming die nooit geschikt was om een dergelijk verband te leggen.
92. Evenmin kan men stellen dat de absolute bescherming van een dergelijke aanduiding wegens andere dwingende vereisten van algemeen belang noodzakelijk is, in het bijzonder ter bescherming van een eerlijke mededinging.
93. Het is immers volstrekt duidelijk dat ─ waar, zoals in de hypothese van de verwijzende rechter, elke mogelijkheid van misleiding van de consument omtrent de oorsprong van het product is uitgesloten ─ de betrokken benaming zelfs niet potentieel geschikt is om de afnemers een rad voor ogen te draaien of de gebruikers van die benaming onrechtmatig te doen profiteren van een, per definitie niet bestaande, renommee.
94. In een dergelijke situatie zou een nationale bepaling die het uitsluitende gebruik van die benaming voorbehield aan in een bepaalde plaats gevestigde producenten, in het geheel niet noodzakelijk zijn om eerlijkheid in de handel te waarborgen, maar zou zij die producenten juist een ongerechtvaardigd voordeel ten opzichte van hun concurrenten bezorgen.
95. Ik moet het evenwel eens zijn met Budvar en de Duitse en de Oostenrijkse regering waar zij opmerken, dat de benaming Bud niet past in de hypothese waarvan de verwijzende rechter in zijn tweede vraag uitgaat, omdat het daarbij kennelijk gaat om een afkorting van de plaatsnaam Budweis.
96. Het valt mijns inziens immers niet te ontkennen, dat de benaming Bud, indien zij voor bier wordt gebruikt, een Boheemse oorsprong van het product suggereert en associaties wekt met de stad Budweis. Om dat in te zien, behoeft men slechts te denken aan de firmanaam van de gerenommeerde Tsjechische brouwerij, Budweiser Budvar, waarin Budweiser de volle (en grammaticaal correcte) geografische aanduiding van de stad Budweis is, en Budvar een kunstvorm bestaande uit de eerste van de twee lettergrepen van de plaatsnaam (Bud) en het Tsjechische suffix var (bierbrouwerij).
97. Een dergelijke beoordeling is echter van feitelijke aard en valt dus niet binnen de bevoegdheid van het Hof, maar binnen die van de nationale rechter. Deze zal dus moeten vaststellen of de benaming Bud, indien gebruikt in verband met bier, geschikt is om te verwijzen naar de oorsprong van het product en dit met de stad Budweis te associëren.
98. Ik geef het Hof derhalve in overweging op de tweede vraag te antwoorden, dat de artikelen 28 EG en 30 EG in de weg staan aan een nationale maatregel die aan in een derde staat gevestigde producenten het gebruik voorbehoudt van een aanduiding die niet geschikt is om een verband te leggen tussen het product en zijn geografische oorsprong, en aan die benaming, onafhankelijk van ieder gevaar voor verwarring, een absolute bescherming toekent.
De derde vraag
a) Argumenten van partijen
99. Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de regeling van het Oostenrijks-Tsjecho-Slowaakse verdrag onder het bepaalde in artikel 307, eerste alinea, EG valt, ofschoon van Oostenrijkse kant de opvolging in dat verdrag eerst in 1997, dus na de toetreding van Oostenrijk tot de Gemeenschap, officieel bekend is gemaakt.
100. Budvar, de Oostenrijkse, de Duitse en de Franse regering alsook de Commissie bepleiten een bevestigend antwoord op deze vraag met het argument, dat genoemd verdrag lang vóór de toetreding van Oostenrijk tot de Gemeenschap op 1 januari 1995 is gesloten. Dat de bondskanselier eerst in 1997 een officiële bekendmaking heeft doen uitgaan over de tussen Oostenrijk en de Tsjechische Republiek geldende verdragen, is naar hun oordeel van geen enkel belang voor de toepassing van artikel 307 EG, omdat die bekendmaking van de bondskanselier uitsluitend declaratoire waarde had. (34)
101. Het volkenrecht, zo merken de Duitse en de Oostenrijkse regering en de Commissie op, voorziet in een automatische opvolging van de staten die door de ontbinding van een voorgangerstaat zijn ontstaan, in de door deze laatste staat gesloten bilaterale verdragen. De Oostenrijkse regering wijst er met name op, dat het internationale gewoonterecht terzake is vastgelegd in artikel 34, lid 1, van het verdrag van Wenen van 1978 inzake de opvolging van staten in verdragen, dat de regel van de automatische opvolging bevestigt. (35)
102. Uit het bilaterale verdrag, aldus Budvar en de Franse regering, vloeit voor Oostenrijk een volkenrechtelijke verplichting, en niet slechts een eenvoudige bevoegdheid, voort om de in dat verdrag genoemde aanduidingen te beschermen. De omstandigheid dat Oostenrijk thans tevens aan het EG-Verdrag gebonden is, vormt dan ook ingevolge artikel 307, eerste alinea, EG geen beletsel voor de toepassing van het bilaterale verdrag.
103. Volgens Ammersin daarentegen is artikel 307, eerste alinea, EG in casu niet van toepassing, omdat Oostenrijk op het moment van zijn toetreding tot de Gemeenschap niet door het bilaterale verdrag gebonden was. Dit was immers tijdelijk buiten werking tussen 1 januari 1993, toen de oorspronkelijke verdragsluitende staat ophield te bestaan, en 31 juli 1997, toen door de bekendmaking van de bondskanselier de opvolging van de Tsjechische Republiek in dat verdrag werd vastgesteld.
104. Op het moment van de ontbinding van Tsjecho-Slowakije, aldus Ammersin, schreef het volkenrecht de automatische opvolging van de Tsjechische Republiek in het bilaterale verdrag immers nog niet dwingend voor. Vóór genoemde bekendmaking van de bondskanselier van 1997 paste Oostenrijk in zijn buitenlandse betrekkingen integendeel steeds het tabula-rasa -beginsel toe, dat wil zeggen dat wanneer een staat wordt ontbonden, de door deze staat gesloten verdragen vervallen en dat opvolging slechts mogelijk is krachtens een overeenkomst tussen de nieuwe staat en de andere oorspronkelijke verdragsluitende staat (in casu Oostenrijk).
b) Beoordeling
105. Om de door de verwijzende rechter opgeworpen vragen te kunnen beantwoorden, lijkt het mij duidelijk dat wij eerst moeten vaststellen, of het bilaterale verdrag van 1976 vóór de toetreding van Oostenrijk tot de Gemeenschap op 1 januari 1995 tussen Oostenrijk en de Tsjechische Republiek gelding bezat. Enkel indien deze vraag bevestigend kan worden beantwoord, is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 307, eerste alinea, EG voldaan en bestaat er een vóór het van kracht worden van het EG-Verdrag gesloten overeenkomst waaraan een derde land rechten ontleent waarvan het de eerbiediging door de betrokken lidstaat kan verlangen. (36)
106. Gelet op de omstandigheden van deze zaak en in het bijzonder op de ontbinding van de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek op 1 januari 1993, zullen wij eerst moeten nagaan, wat de regels van het volkenrecht bepalen ten aanzien van verdragen in het geval dat een van de verdragsluitende partijen ophoudt te bestaan.
De overeenkomst van Wenen inzake de opvolging van staten in verdragen
107. Zoals wij zagen, draait de discussie om de overeenkomst van Wenen inzake de opvolging van staten in verdragen, waarop enkele partijen een beroep doen, terwijl andere daar niet van willen weten.
108. Om te beginnen merk ik op, dat die overeenkomst pas in 1996 in werking is getreden voor een tamelijk klein aantal staten (zeventien), waaronder de Tsjechische Republiek en de Slowaakse Republiek, maar geen van de huidige lidstaten van de Gemeenschap. Als instrument van het internationale verdragsrecht bindt het die lidstaten en dus ook Oostenrijk niet.
109. Maar dit sluit uiteraard niet uit, dat de bepalingen van bedoelde overeenkomst, zoals in het algemeen die van overeenkomsten tot codificatie van het volkenrecht, ook bindend kunnen zijn voor de staten die ze niet hebben geratificeerd. Volgens de bedoeling van degenen die ze ontwerpen en vaststellen, zijn dergelijke overeenkomsten meestal niet meer dan een codificatie van het geldende internationale gewoonterecht, en de hier besproken overeenkomst vormt daarop geen uitzondering. (37) Het feit dat Oostenrijk zich niet bij die overeenkomst heeft aangesloten, kan dus niet beslissend zijn wanneer zou blijken, dat de voor deze zaak relevante bepalingen ervan enkel de erkenning van bestaande volkenrechtelijke beginselen vormen.
110. Wij zullen daarom de inhoud van die bepalingen moeten onderzoeken, om vast te stellen of zij inderdaad slechts uitdrukking aan dergelijke beginselen geven, dan wel een nieuwe regeling van de materie bevatten.
111. De overeenkomst onderscheidt tussen staten die uit het dekolonisatieproces zijn voortgekomen, aangeduid met de term pas onafhankelijk geworden staten (artikel 24), en andere nieuw gevormde staten (artikel 34).
112. Voor de van koloniale overheersing bevrijde, pas onafhankelijk geworden staten gaat artikel 24 uit van het tabula-rasa -beginsel; automatische opvolging in de voorheen door de koloniale mogendheid gesloten verdragen is in principe dus uitgesloten. (38)
113. Voor alle andere gevallen van nieuwe staatvorming, hetzij door afscheiding hetzij door ontbinding, bevat artikel 34 een tegengestelde regel, gebaseerd op het beginsel van continuïteit van verdragsverplichtingen, die in automatische opvolging van de nieuwe staat in de door de voorgangerstaat gesloten verdragen voorziet. (39)
114. Op deze regel kent de bepaling slechts twee uitzonderingen. Er is geen opvolging wanneer de betrokken staten dat overeenkomen, of wanneer de toepassing van het verdrag op de nieuwe staat onverenigbaar zou zijn met doel en strekking van het verdrag of de werkingsvoorwaarden ervan radicaal zou wijzigen.
115. Ik moet echter meteen zeggen, dat het principe van artikel 34 van de overeenkomst niet de neerslag is van een reeds bestaande algemene volkenrechtelijke norm.
116. Daarvan getuigen om te beginnen de werkzaamheden van de commissie voor internationaal recht, die de overeenkomst heeft voorbereid. De door de commissie benoemde speciale rapporteur, Sir Humphrey Waldock, had uit een onderzoek van de internationale praktijk het tegengestelde beginsel van dat van artikel 34 gedistilleerd, namelijk het tabula-rasa -beginsel, dat uitsluit dat, wanneer er op het grondgebied van een staat een nieuwe staat ontstaat, deze automatisch in de in verdragen neergelegde rechten en verplichtingen van zijn voorganger treedt. (40) Voor het geval van ontbinding van een unie van staten, doch uitsluitend voor dit geval, werd echter een bepaling ad hoc voorgesteld, gebaseerd op het beginsel van automatische opvolging. Pas later breidde het drafting committee van de commissie voor internationaal recht, zonder ook maar de minste verwijzing naar de praktijk, de regel van automatische opvolging uit tot alle gevallen van afscheiding of ontbinding (41) , met uitzondering, zoals gezegd, van de opvolging van door het dekolonisatieproces ontstane staten (artikel 24 van de overeenkomst).
117. Ook de ten tijde van de codificatie heersende doctrine neigde ertoe, het beginsel van automatische opvolging uit te sluiten en de voorkeur te geven aan het tabula-rasa -beginsel, zij het met enkele belangrijke uitzonderingen voor bijzondere soorten verdragen of voor bijzondere situaties van soevereiniteitswisseling. (42)
118. In deze omstandigheden mag men betwijfelen, of op het moment van aanneming van het verdrag van Wenen het in artikel 34 neergelegde beginsel als de uitdrukking van een algemeen erkende volkenrechtelijke regel kon worden beschouwd. (43)
119. Ook kan niet worden gezegd, dat de sluiting van de overeenkomst op zich een aanwijzing kan zijn voor het ontstaan van een nieuwe gewoonterechtelijke norm van die strekking. Naast alle andere overwegingen met betrekking tot de aard en de functie van dergelijke instrumenten, spreekt het feit dat maar zeer weinig staten zich bij de overeenkomst hebben aangesloten, tegen die mogelijkheid; zoals ik eerde opmerkte, hebben slechts zeventien staten ze geratificeerd. (44)
De internationale praktijk na de codificatie
120. Alvorens echter definitieve conclusies te trekken, dienen wij nog de praktijk van na de overeenkomst te onderzoeken, om na te gaan of deze overeenkomst heeft bijgedragen tot het ontstaan van een op het beginsel van automatische opvolging gebaseerde gewoonterechtelijke norm.
121. De praktijk na de codificatie is inderdaad rijk genoeg, want het laatste decennium van de 20e eeuw stond in Europa, zoals wij weten, in het teken van het uiteenvallen van de multinationale staten die na de Eerste en de Tweede Wereldoorlog waren ontstaan. Na 1991 viel eerst de Sovjetunie en daarna Joegoslavië in een groot aantal onafhankelijke staten uiteen, in het eerste geval in een overwegend vreedzaam, in het tweede geval helaas in een vaak bloedig verlopen ontbindingsproces. Vervolgens hield op 1 januari 1993 ook de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek op te bestaan en ontstonden op haar grondgebied op vreedzame wijze twee nieuwe staten, de Tsjechische Republiek en de Slowaakse Republiek.
122. In het volgende zal ik een beeld proberen te schetsen van de praktijk die zich na die gebeurtenissen heeft ontwikkeld, in het bijzonder met betrekking tot bilaterale verdragen. Ik moet echter meteen al zeggen, dat die praktijk mijns inziens getuigt van een belangrijke verandering in het volkenrecht, want zij wekt de indruk dat er vanaf het begin van de jaren negentig een volkenrechtelijke gewoonte is gegroeid die gebaseerd is op het beginsel van continuïteit van verdragsverplichtingen, zij het dat het automatisme minder strak is dan in artikel 34 van de overeenkomst van Wenen is voorzien.
De praktijk van de nieuwe staten
─ Tsjechië en Slowakije
123. De twee door de ontbinding van de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek ontstane staten hebben in algemene beginselverklaringen kond gedaan van hun voornemen om in de door de voorgangerstaat gesloten verdragen te treden. Dit voornemen is uitdrukkelijk verwoord in de plechtige verklaringen van de twee parlementen op de ochtend van de onafhankelijkheid (45) en in de reeds genoemde Tsjechische constitutionele wet nr. 4/1993. (46)
124. Uit de op die verklaringen gevolgde praktijk blijkt overigens, dat die wil tot opvolging consequent is volgehouden en niet op principiële bezwaren van de zijde van de door verdragen met Tsjecho-Slowakije verbonden derde staten is gestuit.
─ De uit de USSR en uit Joegoslavië voortgekomen republieken
125. Ook de meeste staten die na de ontbinding van de Sovjetunie en van Joegoslavië zijn ontstaan, hebben in algemene beginselverklaringen hun voornemen te kennen gegeven om de verdragen waarbij hun voorgangerstaat partij was, voort te zetten.
126. a) Wat de ex-Sovjetunie betreft, zij hier in het bijzonder herinnerd aan de Verklaring van Alma Ata van 21 december 1991, waarin de staten die toen bij de Gemeenschap van Onafhankelijke Staten waren aangesloten, verklaarden dat zij, met inachtneming van ieders grondwettelijke procedures, de nakoming waarborgen van de volkenrechtelijke verplichtingen welke voortvloeien uit de door de voormalige Unie van Socialistische Sovjetrepublieken gesloten overeenkomsten. (47)
127. Door de latere praktijk is de in die verklaring uitgesproken wil in grote lijnen bevestigd, ook al hebben enkele van die staten zich af en toe wat gereserveerder opgesteld.
128. In het bijzonder Azerbeidzjan, Moldavië, Turkmenistan en Oesbekistan, hoewel zich in het algemeen aansluitend bij het beginsel van opvolging in de volkenrechtelijke verplichtingen van de voorgangerstaat, zwakten dit beginsel af door voor de nieuwe staat de bevoegdheid op te eisen om die opvolging voor bepaalde verdragen of categorieën van verdragen uit te sluiten ( facultatieve opvolging). (48)
129. b) In deze context is de praktijk van de Baltische staten, Estland, Letland en Litouwen, daarentegen niet van belang. Weliswaar achtten deze drie republieken zich bij het (her)winnen van hun onafhankelijkheid in 1991 niet gebonden aan de door de USSR gesloten verdragen, maar dit kan niet als een afwijzing van het opvolgingsbeginsel worden opgevat. Het is immers een uitvloeisel van de aanspraak van die republieken op hun erkenning als voortzetting van de Baltische staten die zich in 1918 van het tsaristische Rusland hadden afgescheiden, maar door de USSR in 1940 weer waren geannexeerd. Die aanspraak is overigens meestal stilzwijgend aanvaard door de oorspronkelijke verdragsluitende derde staten, waarvan de meeste de annexatie door de Sovjetunie in 1940 nooit de iure hadden erkend.
130. c) Ook de praktijk van de door het uiteenvallen van Joegoslavië ontstane staten is in grote lijnen gebaseerd op het beginsel van continuïteit van volkenrechtelijke verplichtingen.
131. In het bijzonder Kroatië en Slovenië hebben zich bij het verkrijgen van hun onafhankelijkheid duidelijk uitgesproken voor het beginsel van opvolging in de door Joegoslavië gesloten verdragen (49) , zij het met een voorbehoud ten aanzien van bepaalde categorieën van verdragen (50) , terwijl zij zich in enkele gevallen voorstander van de idee van facultatieve opvolging betoonden. (51)
─ De praktijk van de verdragsluitende derde staten
132. Ook de praktijk van de derde staten (of andere rechtspersonen) die partij zijn bij de overeenkomsten waarvoor het opvolgingsprobleem zich voordoet, verschaft belangrijke aanwijzingen in de zin van continuïteit van rechtsbetrekkingen.
133. Onder die staten zijn het vooral Duitsland en Nederland (52) en, buiten Europa, de Verenigde Staten van Amerika (53) , die zich in het geval van afscheiding of uiteenvallen van staten zonder aarzeling aan het beginsel van automatische opvolging lijken te houden.
134. Met name de Duitse regering heeft dat standpunt tijdens deze prejudiciële procedure uitdrukkelijk bevestigd.
135. De gemeenschapsinstellingen laten zich door hetzelfde beginsel leiden, zoals met name blijkt uit protocol nr. 8 bij de associatieovereenkomst EEG/Tsjechische Republiek betreffende de opvolging door de Tsjechische Republiek ten aanzien van de briefwisseling tussen de Gemeenschap en Tsjecho-Slowakije met betrekking tot doorvoer en de infrastructuur voor vervoer over land. (54) Volgens artikel 1 van dat protocol [nemen d]e Gemeenschap enerzijds en de Tsjechische Republiek anderzijds [...] alle uit bovengenoemde briefwisseling voortvloeiende rechten en verplichtingen over van de Gemeenschap enerzijds en de voormalige Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek anderzijds, zulks gelet op het feit dat, aldus de considerans van het protocol, de Tsjechische Republiek [...] heeft verklaard dat zij alle verbintenissen zal nakomen die voortvloeien uit de overeenkomsten tussen de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek en de Europese Gemeenschappen en dat de Tsjechische Republiek met ingang van 1 januari 1993 een in de rechten van de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek tredende staat is.
136. Naast deze aanwijzingen in de zin van automatische opvolging in verdragen staat de minder eenduidige praktijk van andere staten.
137. Om te beginnen met Italië: hoewel de regering in grote lijnen het beginsel van automatische opvolging lijkt te omarmen (55) , schijnt de rechtspraak toch een bevestigend akkoord of een eenzijdige opvolgingsverklaring van de nieuwe staat noodzakelijk te achten, althans voor bepaalde categorieën van verdragen, bijvoorbeeld uitleveringsverdragen. (56)
138. Verder herinner ik aan de houding van het Verenigd Koninkrijk ten opzichte van de Tsjechische Republiek en de Slowaakse Republiek. In de brief waarmee de Britse eerste minister de Tsjechische en de Slowaakse regering in kennis stelde van de formele erkenning van de twee nieuwe staten, werd uiting gegeven aan de overtuiging van de Britse regering, dat de verdragen die voorheen tussen het Verenigd Koninkrijk en Tsjecho-Slowakije waren gesloten, van kracht zouden blijven as appropriate. (57) In deze precisering kan men, naast de duidelijke erkenning van het beginsel van continuïteit van verdragsbetrekkingen, de bedoeling lezen een zekere speelruimte te bewaren ten aanzien van de uitwerking in de praktijk van de rechtsopvolging, om aan al te rigide automatismen te ontkomen.
139. Ook de Franse en de Zwitserse praktijk onderscheidt zich door een prudente benadering die, ofschoon uitgaande van het beginsel van continuïteit van verdragsbetrekkingen, de definitieve opvolging doet afhangen van de positieve uitslag van onderhandelingen met de nieuwe staat, wat dus het automatische karakter van die opvolging uitsluit. (58)
140. Dit lijkt mij, hoe de afgegeven verklaringen ook mogen luiden, eveneens de strekking van de Oostenrijkse praktijk te zijn, waarvan overigens in deze zaak uiteenlopende interpretaties zijn gegeven (zie punten 101 en 103-104 supra).
141. Uit de rechtspraak van het Oostenrijkse OGH, zowel van vóór als van na de toetreding van Oostenrijk tot de Gemeenschap, valt af te leiden, dat de afwijzing van automatische opvolging ─ die met het traditionele Oostenrijkse standpunt overeenkomt (59) en waarop Ammersin de klemtoon heeft gelegd ─ geenszins betekent, dat ook het beginsel van continuïteit van verdragsverplichtingen wordt afgewezen, want volgens die rechtspraak bestaat er in de tijd die voor de onderhandelingen over de opvolging nodig is, geen juridisch vacuüm, maar blijft Oostenrijk de overeenkomsten toepassen. (60)
142. Overigens kan men niet ontkennen, dat het Oostenrijkse standpunt al vóór de toetreding van het land tot de Gemeenschap niet zo monolithisch was als Ammersin doet voorkomen. Dit blijkt uit een tot de regering van de Tsjechische Republiek gerichte nota van 30 november 1994, waarbij de Oostenrijkse regering een met Tsjecho-Slowakije gesloten handelsverdrag opzegde, doch uitsluitend pro futuro . (61)
Het in casu toepasselijke normatieve beginsel
143. Het komt mij dan ook voor, dat het onderzoek van de praktijk zowel van de nieuwe staten als van de verdragsluitende derde staten een bevestiging oplevert van de in punt 122 supra reeds uitgesproken mening, dat er een gewoonterechtelijke norm is ontstaan, gebaseerd op het beginsel van automatische opvolging, maar minder strikt dan het in artikel 34 van de overeenkomst van Wenen is omschreven, in die zin dat het niet werkt wanneer een van de bij de opvolging betrokken staten verklaart een andere oplossing te verkiezen.
144. In casu is er, zoals wij zagen, aan Oostenrijkse noch aan Tsjechische zijde ook maar de geringste aanwijzing voor een bedoeling om de door het bilaterale verdrag van 1976 ontstane verdragsbetrekkingen te verbreken; er bestaat integendeel volledige overeenstemming tussen de duidelijke en ondubbelzinnige Tsjechische verklaringen van 1992-1993 betreffende de opvolging in de door Tsjecho-Slowakije gesloten verdragen (zie punten 19 en 20 supra), en de Oostenrijkse verklaring vervat in de bekendmaking van de bondskanselier van 1997.
145. Dat de ononderbroken gelding van dat verdrag en van de bijbehorende regelingen door Oostenrijk eerst na de toetreding van dat land tot de Gemeenschap uitdrukkelijk is bevestigd, kan mijns inziens dus geen invloed hebben op de toepassing van artikel 307, eerste alinea, EG op dat verdrag en die regelingen.
146. Ik geef derhalve in overweging de derde vraag aldus te beantwoorden, dat de regeling van het Oostenrijks-Tsjecho-Slowaakse verdrag onder het bepaalde in artikel 307, eerste alinea, EG valt en dus voorrang heeft boven de eventueel daarmee strijdige bepalingen van gemeenschapsrecht, ook nu de statenopvolging in het bilaterale verdrag door Oostenrijk eerst in 1997, na de toetreding van dat land tot de Gemeenschap, officieel bekend is gemaakt.
De vierde vraag
147. Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 307, tweede alinea, EG een rechter in de Gemeenschap verplicht een onder artikel 307, eerste alinea, EG vallende overeenkomst in overeenstemming met het gemeenschapsrecht uit te leggen.
148. Over deze vraag bestaat er tussen de partijen weinig verschil van mening. Afgezien van de Commissie, die zich er niet over uitlaat, zijn alle partijen kort gezegd van mening, dat bij de uitlegging van een internationaal verdrag dat een lidstaat vóór zijn toetreding tot de Gemeenschap heeft gesloten, zoveel mogelijk rekening moet worden gehouden met de communautaire verplichtingen van de betrokken lidstaat. Dit onderstelt evenwel, dat de verdragsbepaling waarom het gaat, niet volstrekt duidelijk is en ruimte laat voor een met het EG-Verdrag conforme uitlegging.
149. Met deze opvatting ben ik het volledig eens.
150. Een uitlegging in overeenstemming met het gemeenschapsrecht is, naar mijn mening, een noodzakelijk vereiste bij de toepassing van een bepaling als artikel 307, tweede alinea, EG, die voor de onderhavige materie concrete invulling geeft aan het in artikel 10 EG neergelegde beginsel van loyale samenwerking.
151. Dit beginsel moet echter overeen worden gebracht met de uitdrukkelijke bepaling van artikel 307, eerste alinea, EG, die de voorrang erkent van de volkenrechtelijke verplichtingen van een lidstaat op grond van vóór diens toetreding tot de Gemeenschap gesloten verdragen.
152. Om geen afbreuk te doen aan de nuttige werking van artikel 307, eerste alinea, EG, moet de nationale rechter, wanneer hij de bepalingen van internationale verdragen zoveel mogelijk conform het gemeenschapsrecht uitlegt, dan ook binnen de grenzen blijven die de regels van het algemene volkenrecht ter zake van de uitlegging van verdragen stellen. In het bijzonder dient hij de verdragsbepaling uit te leggen [...] te goeder trouw [...] overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag, zoals het in artikel 31 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht is geformuleerd. (62)
153. Enkel wanneer met toepassing van die criteria geen zekerheid over de betekenis van de verdragstekst kan worden verkregen, is er echt ruimte voor een conforme uitlegging in de zin van artikel 307, tweede alinea, EG. In dat geval zal de verdragsluitende lidstaat uit de mogelijke uitleggingen van de verdragstekst die moeten kiezen welke het best met zijn gemeenschapsverplichtingen overeenstemt.
154. Ik laat het bij deze algemene opmerking, want het lijkt mij niet gewenst de vraag meer concreet te benaderen en na te gaan, of het Oostenrijks-Tsjecho-Slowaakse verdrag voor meerdere uitleggingen vatbaar is en zo ja, welke daarvan dan de voorkeur verdient.
155. Om die vraag te beantwoorden, zouden wij immers de regeling moeten uitleggen waarmee de uit dat verdrag voortvloeiende volkenrechtelijke verplichting in het Oostenrijkse recht is geïmplementeerd. Maar zoals ik in punt 56 supra al opmerkte, is volgens vaste rechtspraak niet het Hof, maar de nationale rechter bevoegd voor de uitlegging van bepalingen van het op het geschil toepasselijke nationale recht of van bilaterale verdragen die de lidstaten binden buiten het kader van het gemeenschapsrecht.
156. Ik geef derhalve in overweging op de vierde vraag te antwoorden, dat wanneer de betekenis van een door een lidstaat vóór zijn toetreding tot de Gemeenschap gesloten verdrag ─ zoals het op 11 juni 1946 te Wenen gesloten verdrag tussen de Republiek Oostenrijk en de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek inzake de bescherming van benamingen ter aanduiding van de herkomst van landbouw- en industrieproducten ─ onduidelijk is en de uitlegging ervan volgens de relevante bepalingen van het algemene volkenrecht ruimte voor meer betekenissen laat, artikel 307, tweede alinea, EG de verdragsluitende lidstaat verplicht voorrang te geven aan de betekenis die zich het best met zijn gemeenschapsverplichtingen verdraagt.
V ─ Conclusie
157. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof de overweging de door het Handelsgericht Wien gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
1) Verordening nr. 2081/92 verzet zich niet tegen de toepassing van een bilateraal verdrag tussen en lidstaat en een derde staat, dat absolute bescherming toekent aan een geografische aanduiding die, hoewel zij niet de naam van een bepaalde streek of plaats in die derde staat is, een product van oorsprong uit een bepaalde streek of plaats in die derde staat aanduidt, zonder evenwel een bijzonder verband te leggen tussen de oorsprong en de hoedanigheden van het product.
2) De artikelen 28 EG en 30 EG verzetten zich niet tegen de toepassing van een bilateraal verdrag tussen een lidstaat en een derde staat, dat absolute bescherming toekent aan een geografische aanduiding die, hoewel zij niet de naam van een bepaalde streek of plaats in die derde staat is, een product van oorsprong uit een bepaalde streek of plaats in die derde staat aanduidt, zonder evenwel een bijzonder verband te leggen tussen de oorsprong en de hoedanigheden van het product, mits die benaming bij de inwerkingtreding van het verdrag of nadien in de staat van oorsprong niet een soortnaam is geworden.
3) De artikelen 28 EG en 30 EG staan in de weg aan een nationale maatregel die aan in een derde staat gevestigde producenten het gebruik voorbehoudt van een aanduiding die niet geschikt is om een verband te leggen tussen het product en zijn geografische oorsprong, en aan die benaming, onafhankelijk van ieder gevaar voor verwarring, een absolute bescherming toekent.
4) De regeling van het op 11 juni 1976 te Wenen gesloten verdrag tussen de Republiek Oostenrijk en de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek inzake de bescherming van benamingen ter aanduiding van de herkomst van landbouw- en industrieproducten, valt onder het bepaalde in artikel 307, eerste alinea, EG en heeft dus voorrang boven de eventueel daarmee strijdige bepalingen van gemeenschapsrecht, ook nu de statenopvolging in het bilaterale verdrag door Oostenrijk eerst in 1997, na de toetreding van dat land tot de Gemeenschap, officieel bekend is gemaakt.
5) Wanneer de betekenis van een door een lidstaat vóór zijn toetreding tot de Gemeenschap gesloten verdrag ─ zoals het op 11 juni 1946 te Wenen gesloten verdrag tussen de Republiek Oostenrijk en de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek inzake de bescherming van benamingen ter aanduiding van de herkomst van landbouw- en industrieproducten ─ onduidelijk is en de uitlegging ervan volgens de relevante bepalingen van het algemene volkenrecht ruimte voor meer betekenissen laat, verplicht artikel 307, tweede alinea, EG de verdragsluitende lidstaat voorrang te geven aan de betekenis die zich het best met zijn gemeenschapsverplichtingen verdraagt.
1 – Oorspronkelijke taal: Italiaans.
2 – PB L 208, blz. 1.
3 – 1. Onverminderd de bepalingen van internationale overeenkomsten kan een landbouwproduct of een levensmiddel uit een derde land voor toepassing van deze verordening in aanmerking komen, mits:
─ het derde land garanties kan bieden die gelijk zijn aan of gelijkwaardig zijn met die welke in artikel 4 worden bedoeld;
─ in het derde land controleregelingen bestaan welke gelijkwaardig zijn met die welke in artikel 10 zijn vastgesteld;
─ het derde land bereid is de overeenkomstige landbouwproducten of levensmiddelen uit de Gemeenschap een bescherming te bieden welke gelijkwaardig is met die in de Gemeenschap.
4 – Verdrag inzake de bescherming van herkomstaanduidingen, oorsprongsbenamingen en andere benamingen die de herkomst van landbouw- en industrieproducten aanduiden, gesloten te Wenen op 11 juni 1976, met bijbehorend protocol, gesloten te Wenen op 30 november 1977 (BGBl. 1981, blz. 75).
5 – BGBl. 1981, blz. 76.
6 – Niet-officiële vertaling.
7 – Niet-officiële vertaling.
8 – Verklaring van de Tsjechische Nationale Raad aan alle parlementen en naties van de wereld, 17 december 1992. Niet-officiële vertaling.
9 – Niet-officiële vertaling.
10 – Niet-officiële vertaling.
11 – De volledige naam van de vennootschap luidt: Budějovický Budvar, národný podnik, Budweiser Budvar, National Corporation, Budweiser Budvar, Entreprise Nationale, ofwel Bierbrouwerij Bud te Budweis, nationale onderneming. De huidige brouwerij is voortgekomen uit de fusie van de firma Budweiser Brauberechtigtes Bürgerliches Brauhaus, opgericht in 1795 te Budweis, en de firma Tschechische Aktien-Brauerei, later Budvar' Tschechische Aktien-Brauerei geheten, opgericht in 1895 te Budweis. Na de nationalisatie in 1948 werden de twee ondernemingen samengevoegd tot één nationale onderneming, Jihočeské pivovary, waaruit in 1966 de huidige onderneming is ontstaan.
12 – De stad Budweis behoorde oorspronkelijk tot het koninkrijk Bohemen en vervolgens, tot 1918, tot het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk. Vanaf de 16e eeuw bestond er een bloeiende bierbrouwerij-industrie.
13 – Sinds 1795 vervaardigden en verhandelden de ondernemingen waaruit de huidige brouwerij Budvar is voortgekomen, bier onder de benamingen Budweis, Budweiser Bier (in het Tsjechisch Budějevické pivo), Budvar of Budbräu (d.w.z. brouwerij Bud; de Tsjechische term var komt overeen met het Duitse Bräu en duidt de activiteit van het bierbrouwen aan).
14 – De producent van dit bier is de Amerikaanse brouwerij Anheuser-Busch te Saint Louis. Al in 1876 bracht de brouwerij Bavarian Brewery, later omgezet in Anheuser-Busch, op de plaatselijke markt een bier in de handel onder de naam Budweiser, nadien ook afgekort tot Bud. In 1911 schijnt Anheuser-Busch van de toenmalige brouwerijen in Budweis toestemming te hebben gekregen om de benaming op de markten buiten Europa te gebruiken. In 1939 ten slotte verkreeg zij van de Tsjechische brouwerijen het uitsluitend recht op het gebruik van de benaming Budweiser op de Amerikaanse markt. Na de Tweede Wereldoorlog begon Anheuser-Busch haar bier echter ook naar Europa te exporteren (zie beschikking van het Oostenrijkse OGH, aangehaald in voetnoot 16 infra, en arrest van het Zwitserse Bundesgericht van 15 februari 1999, BGE 125 III, blz. 193).
15 – In verscheidene landen, waaronder Oostenrijk, heeft Budvar diverse merken laten registreren, zoals Budvar, Budweiser, Budweiser Budvar, Budweiser Budbräu en Bud.
16 – OGH, beschikking van 1 februari 2002, 4 Ob 13/00s. Tekst te vinden in Bundeskanzleramt ─ Rechtsinformationssystem, .
17 – Zie, onder meer, arresten van 5 december 2000, Guimont (C-448/98, Jurispr. blz. I-10663, punt 22), en 25 juni 2002, Bigi (C-66/00, Jurispr. blz. I-5917, punten 18 en 19).
18 – Arrest van 7 november 2000, Warsteiner Brauerei (C-312/98, Jurispr. blz. I-9187, punt 54).
19 – Aldus, zeer duidelijk, arrest van 12 oktober 1993, Vanacker en Lesage (C-37/92, Jurispr. blz. I-4947, punt 7).
20 – Arrest van 27 november 1973, Vandeweghe (130/73, Jurispr. blz. 1329, punt 2).
21 – Arrest Warsteiner, reeds aangehaald, punt 43. Zie ook arrest van 7 mei 1997, Pistre (C-321/94, C-322/94, C-323/94 en C-324/94, Jurispr. blz. I-2343, punt 35).
22 – Arrest Warsteiner, reeds aangehaald, punt 44.
23 – Ibid., punt 45.
24 – Ibid., punt 49.
25 – Arresten van 10 november 1992, Exportur (C-3/91, Jurispr. blz. I-5529, punt 39), en 4 maart 1999, Consorzio tutela del formaggio Gorgonzola (C-87/97, Jurispr. blz. I-1301, punt 20).
26 – Arrest Exportur, reeds aangehaald, punten 28, 37 en 38.
27 – Zie, onder vele andere, arresten van 15 december 1971, International Fruit Company (51/71-54/71, Jurispr. blz. 1107, punten 8-10), en 15 december 1976, Donckerwolcke (41/76, Jurispr. blz. 1921, punt 17).
28 – Zie, onder meer, arrest van 11 juli 1974, Dassonville (8/74, Jurispr. blz. 837, punt 5).
29 – Het ging in die zaak om het verdrag inzake de bescherming van oorsprongsbenamingen, herkomstaanduidingen en benamingen van bepaalde producten, op 27 juni 1973 te Madrid gesloten tussen de Franse Republiek en de Spaanse Staat.
30 – Arrest Exportur, reeds aangehaald, punt 37.
31 – Ibid.
32 – Ibid., punt 37.
33 – Verordening nr. 2081/92, artikel 3.
34 – In dezelfde zin het OGH in zijn beschikking van 1 februari 2002, 4 Ob 13/00s (zie punt 27 supra), juist met betrekking tot het hier besproken bilaterale verdrag.
35 – Overeenkomst van Wenen van 22 augustus 1978 inzake de opvolging van staten in verdragen. Zie over deze overeenkomst punt 107 e.v. infra; voor de tekst van artikel 34, zie voetnoot 39.
36 – Zie, onder meer, arrest van 10 maart 1998 T. Port (C-364/95 en C-365/95, Jurispr. blz. I-1023, punt 61).
37 – De overeenkomst is het resultaat van een ontwerp, opgesteld door de commissie voor internationaal recht van de Verenigde Naties en vervolgens goedgekeurd door een door de Algemene vergadering van de VN bijeengeroepen internationale conferentie.
38 – Artikel 24 luidt: A bilateral treaty which at the date of a succession of States was in force in respect of the territory to which the succession of States relates is considered as being in force between a newly independent State and the other State party when: (a) they expressly so agree; or (b) by reason of their conduct they are to be considered as having so agreed.
39 – Artikel 34 bepaalt: 1. When a part or parts of the territory of a State separate to form one or more States, whether or not the predecessor State continues to exist: (a) any treaty in force at the date of the succession of States in respect of the entire territory of the predecessor State continues in force in respect of each successor State so formed; (b) any treaty in force at the date of the succession of States in respect only of that part of the territory of the predecessor State which has become a successor State continues in force in respect of that successor State alone. 2. Paragraph 1 does not apply if: (a) the States concerned otherwise agree; or (b) it appears from the treaty or is otherwise established that the application of the treaty in respect of the successor State would be incompatible with the object and purpose of the treaty or would radically change the conditions of its operation.
40 – Zie artikel 21 van het ontwerp, in Fifth report on succession in respect of treaties, by Sir Humphrey Waldock, Special Rapporteur, in Yearbook of the International Law Commission , 1972, vol. II, New York 1974, blz. 39 e.v.
41 – Zie artikelen 20 en 21 van het ontwerp, in International Law Commission, 1191st meeting, in Yearbook of the International Law Commission , 1972, vol. I, New York 1974, blz. 272 e.v.
42 – In die zin, W. E. Hall, A Treatise on International Law , A. P. Higgins Ed., Oxford, 8th ed., 1924 (herdruk 1979, blz. 114 e.v.); L. Hoppenheim, International Law, A Treatise , H. Lauterpacht Ed., vol. I, London, 8th ed., 1955, blz. 158 e.v., i.h.b. blz. 167; Akademie der Wissenschaften der UdSSR, Völkerrecht , Hamburg 1960, blz. 122 e.v. (met verschillende regels voor gevallen van revolutionaire veranderingen, voor van koloniale overheersing bevrijde staten, en voor de overige gevallen); G. Balladore Pallieri, Diritto Internazionale Pubblico, 8. ed., Milano 1962, blz. 224 e.v.; D. P. O'Connell, State Succession in Municipal Law and International Law , vol. II, Cambridge 1967, blz. 88 e.v. (met bijzondere aandacht voor situaties van evolutieve onafhankelijkheid); T. Treves, La continuità dei trattati e i nuovi Stati indipendenti, in Comunicazioni e Studi , XIII, 1969, blz. 303 e.v.; O. Udokang, Succession of New States to International Treaties , Dobbs Ferry, N.Y., 1972, blz. 412-415; D. Nguyen Quoc, Droit International Public , Paris 1975, blz. 431.
43 – In die zin M. Shaw, International Law , 4th ed., Cambridge 1997, blz. 686 e.v.; I. Brownlie, Principles of Public International Law , 5th ed., Oxford 1998, blz. 650, 663; S. Rosenne, Automatic Treaty Succession, in J. Klabbers, R. Lefeber, Essays on the Law of Treaties , The Hague 1998, blz. 99; K. Doehring, Völkerrecht , Heidelberg 1999, blz. 75; B. Conforti , Diritto Internazionale, Napoli 2002, blz. 118 e.v.
44 – Om de voor het in werking treden van de overeenkomst vereiste vijftien ratificaties bij elkaar te krijgen, waren achttien jaar nodig en... het uiteenvallen van een van de staten die tot ratificatie waren overgegaan: Joegoslavië. Juist de opvolgingsverklaringen van de daaruit voortgekomen staten, als laatste die van Macedonië op 7 oktober 1996, waren het die het aantal ratificaties deden aanzwellen en die bepalend waren voor het in werking treden van de overeenkomst. En dat niet alleen: op de diplomatieke conferentie die de tekst van de overeenkomst vaststelde, waren slechts zeventig van de ongeveer honderdzestig toenmaals bestaande staten vertegenwoordigd, en van die zeventig hebben er slechts twintig de tekst ondertekend.
45 – Voor de verklaring van de Tsjechische Nationale Raad, zie punt 20 supra. Voor de overeenkomstige verklaring van de Slowaakse Nationale Raad, zie Association de Droit International, Rapport préliminaire sur la succession d'États en matière de traités, in The International Law Association, Report of the Sixty-Seventh Conference (Helsinki), London 1996, blz. 670.
46 – Zie punt 20 supra.
47 – Niet-officiële vertaling. Voor een Engelse vertaling, zie 21 ILM (1992), blz. 149.
48 – Vgl. Association de Droit International, Rapport préliminaire sur la succession d'États en matière de traités, reeds aangehaald, blz. 675 en 684; zie ook Långström, The Dissolution of the Soviet Union in the Light of the 1978 Vienna Convention on Succession of States in Respect of Treaties, in Eisemann, Koskenniemi, La succession d'États: la codification à l'épreuve des faits , Académie de Droit International de la Haye, The Hague 2000, blz. 773.
49 – Zie artikel 3 van de Sloveense grondwet, aangehaald door Koskenniemi, Report of the Director of Studies of the English-speaking Section of the Centre, in Eisemann, Koskenniemi, o.c., blz. 73, en de onafhankelijkheidsverklaring van de Republiek Kroatië, aangehaald door Ortega Terol, The Bursting of Yugoslavia: An Approach to Practice Regarding State Succession, in Eisemann, Koskenniemi, o.c., blz. 906.
50 – Voor Kroatië, zie artikel 33 van de wet van 26 juli 1991 inzake internationale verdragen, dat de opvolging in door ex-Joegoslavië gesloten verdragen doet afhangen van hun verenigbaarheid met de Kroatische grondwet of rechtsorde, weergegeven door Ortega Terol, o.c., blz. 906. Zie ook Association de Droit International, Rapport préliminaire sur la succession d'États en matière de traités, reeds aangehaald, blz. 685.
51 – Voor Slovenië, vgl. Association de Droit International, Rapport préliminaire sur la succession d'États en matière de traités, reeds aangehaald, blz. 685, en Ortega Terol, o.c., blz. 905 e.v.
52 – Zie Association de Droit International, Rapport préliminaire sur la succession d'États en matière de traités, reeds aangehaald, blz. 689.
53 – Vgl. Dalton, National Treaty Law and Practice: United States, in American Society of International Law, National Treaty Law and Practice (Leigh, Blakeslee, Ederington, Eds.), Washington 1999.
54 – Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Tsjechische Republiek, anderzijds. Protocol nr. 8 betreffende de opvolging door de Tsjechische Republiek ten aanzien van de briefwisseling tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek met betrekking tot doorvoer en de infrastructuur voor vervoer over land (PB 1994, L 360, blz. 2).
55 – Als voorbeelden kunnen worden genoemd een notawisseling met de Tsjechische Republiek, gedaan te Praag op 27 oktober 1997-4 februari 1998, tot wijziging van een overeenkomst van 29 maart 1990 tussen Italië en Tsjecho-Slowakije inzake visa (GURI 15 januari 1999, nr. 11, supplement), en de nota van 24 februari 1995 waarbij Italië ten aanzien van de Republiek Macedonië met onmiddellijke ingang de toepassing heeft opgeschort van een briefwisseling tussen Italië en Joegoslavië, gedaan te Rome op 18 februari 1983, over de erkenning van door universiteiten en instellingen van hoger onderwijs verleende diploma's en titels (GURI 3 mei 1995, nr. 101). Het is duidelijk dat aan beide handelingen de onderstelling ten grondslag ligt, dat er opvolging in de gewijzigde of opgeschorte verdragen had plaatsgehad.
56 – Vgl. Corte d'appello di Roma, 17 oktober 1980, in Riv. dir. int . 1980, blz. 882; Corte d'appello di Torino, 2 juli 1993, Riv. dir. int ., 1994, blz. 197; Corte di cassazione, VI sez. penale, 6 juli 1995, nr. 2828, Jadranko, Cass. Pen . 1996, blz. 3022; Corte di cassazione, sez. penale feriale, 17 augustus 1995, Gligic, Cass. Pen . 1996, blz. 2629.
57 – I can confirm that, as appropriate , we regard Treaties and Agreements in force to which the United Kingdom and the Czech and Slovak Federal Republic were parties as remaining in force between the United Kingdom and the Czech Republic: UKMIL 1993, Part Three: I.B.i., in 65 BYIL (1994) blz. 586 (cursivering van mij).
58 – Voor Frankrijk, zie Association de Droit International, Rapport préliminaire sur la succession d'États en matière de traités, reeds aangehaald, blz. 688. Voor Zwitserland, zie de duidelijke bewoordingen van het communiqué, op 30 maart 1992 uitgegeven door de directie Internationaal publiek recht van het bondsministerie van Buitenlandse zaken, betreffende de opvolging in de met ex-Joegoslavië en de ex-Sovjetunie gesloten verdragen, waar het heet, dat on constate qu'en matière de succession d'État aux traités, il n'existe aucun principe juridique universellement admis, de même qu'il n'y a pas reprise automatique par l'État successeur des droits et obligations de l'État prédécesseur. Il faut pour chaque traité examiner si la reprise des droits et obligations de l'État prédécesseur par l'État nouvellement créé est conforme aux besoins des deux parties contractuels. Cet examen dure souvent un certain temps, pendant lequel il faudra présumer, pour des raisons non pas juridiques mais pratiques, que les traités en question continuent ─ provisoirement ─ à s'appliquer. Het communiqué is opgenomen in Pratique suisse 1992, 6.1, en weergegeven in Council of Europe, State Practice Regarding State Succession and Issue of State Recognition (Klabbers, Koskenniemi, Ribbelink, Zimmermann, Eds.), The Hague 1999, blz. 321.
59 – Zie Association de Droit International, Rapport préliminaire sur la succession d'États en matière de traités, reeds aangehaald, blz. 685 e.v.
60 – Zie OGH 6 oktober 1993, 7 Ob 573/93; 20 januari 1994, 8 Ob 590/93; 11 januari 1996, 15 Os 150/95. De uitspraken zijn te vinden in Bundeskanzleramt ─ Rechtsinformationssystem, .
61 – Nota nr. 11030/94 van 30 november 1994; zie Association de Droit International, Rapport préliminaire sur la succession d'États en matière de traités, reeds aangehaald, blz. 686.
62 – Artikel 31, lid 1, van het Verdrag inzake het verdragenrecht, tot stand gekomen te Wenen op 23 mei 1969.
Full & Egal Universal Law Academy