CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. TIZZANO
van 19 september 2002 ( 1 )
1.
In deze zaak verzoekt Hendrickx, ambtenaar van de Raad van de Europese Unie, het Hof van Justitie om vernietiging van de beschikking van 12 maart 2001 van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vijfde kamer) in zaak T-298/00 (hierna: „bestreden beschikking”) alsmede om nietigverklaring van het besluit van het Europese Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (hierna: „Cedefop” of „Centrum”), dat in die zaak zonder succes is betwist.
2.
In de bestreden beschikking heeft het Gerecht verklaard, dat het door Hendrickx ingestelde beroep tot nietigverklaring van het genoemde besluit van Cedefop tot afwijzing van het door hem na zijn detachering als tijdelijk ambtenaar bij het Centrum te Saloniki (Griekenland) na terugkeer te Brussel (België) ingediende verzoek om betaling van een inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst zonder voorwerp was geraakt.
Het rechtskader
3.
Artikel 20 van het statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: „statuut”) luidt:
„De ambtenaar is verplicht in zijn standplaats te wonen of op zodanige afstand daarvan dat hij niet gehinderd wordt in de uitoefening van zijn werkzaamheden.”
4.
Artikel 24 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna: „RAP”) bepaalt:
„1.
De tijdelijke functionaris die voor een bepaalde tijd van ten minste één jaar is aangesteld, of die een overeenkomst voor onbepaalde tijd heeft aangegaan doch naaide mening van het in artikel 6, eerste alinea, bedoelde gezag gedurende een zodanige periode in dienst zal zijn, ontvangt onder de in artikel 5 van bijlage VII van het statuut bepaalde voorwaarden een inrichtingsvergoeding, die voor een vermoedelijke diensttijd
—
van één jaar of langer, maar korter dan twee jaar, op 1/3 van het in artikel 5 van bijlage VII van het statuut vastgestelde bedrag wordt bepaald,
—
van twee jaar of langer, maar korter dan drie jaar, op 2/3 van het in artikel 5 van bijlage VII van het statuut vastgestelde bedrag wordt bepaald,
—
van drie jaar of langer op 3/3 van het in artikel 5 van bijlage VII van het statuut vastgestelde bedrag wordt bepaald.
2.
De in artikel 6 van bijlage VII van het statuut bedoelde inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst wordt slechts toegekend aan de functionaris die vier dienstjaren heeft volbracht. De functionaris die meer dan één en minder dan vier dienstjaren heeft volbracht, ontvangt een deel van deze inrichtingsvergoeding in de verhouding van de volbrachte diensttijd, waarbij gedeelten van een jaar buiten beschouwing blijven
[...].”
5.
Artikel 5 van bijlage VII bij het statuut bepaalt:
„1.
De ambtenaar in vaste dienst die voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van de ontheemdingstoelage, of die aantoont verplicht te zijn geweest van woonplaats te veranderen ten einde de in artikel 20 van het statuut vermelde verplichtingen na te komen, heeft recht op een inrichtingsvergoeding ten bedrage van twee maanden basissalaris indien hij recht heeft op de kostwinnerstoelage en van één maand basissalaris indien dit niet het geval is [...].
(...)
Op de inrichtingsvergoeding is de voor de standplaats van de ambtenaar vastgestelde aanpassingscoëfficiënt van toepassing.
[...].”
6.
Artikel 6 van bijlage VII bij het statuut bepaalt:
„1.
Bij beëindiging van de dienst heeft de ambtenaar in vaste dienst die voldoet aan de in artikel 5, lid 1, bedoelde voorwaarden, opnieuw recht op een inrichtingsvergoeding ten bedrage van twee maanden basissalaris indien hij recht heeft op de kostwinnersvergoeding en van één maand indien dit niet het geval is, mits hij vier dienstjaren heeft volbracht en in zijn nieuwe betrekking geen soortgelijke vergoeding geniet. [...].
Voor de berekening van deze vier dienstjaren komt in aanmerking de diensttijd, doorgebracht in een der standen genoemd in artikel 35 van het statuut met uitzondering van verlof om redenen van persoonlijke aard.
[...]
Op de inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst is de voor de laatste standplaats van de ambtenaar vastgestelde aanpassingscoëfficiënt van toepassing.”
7.
Volgens artikel 85 van het statuut „(wordt) een onverschuldigd betaald bedrag [...] teruggevorderd, indien de bevoordeelde kennis droeg van de onregelmatigheid van de betaling of indien deze onregelmatigheid zo voor de hand lag dat de bevoordeelde daarvan kennis had moeten dragen”.
8.
Artikel 90 van het statuut bepaalt:
„1.
Iedere in dit statuut bedoelde persoon kan bij het tot aanstelling bevoegde gezag een verzoek indienen om jegens hem een besluit te nemen. Het gezag brengt zijn metredenen omklede besluit binnen vier maanden, te rekenen vanaf de dag van indiening van dit verzoek, ter kennis van de betrokkene. Is bij het verstrijken van deze termijn een antwoord op het verzoek uitgebleven, dan geldt dit als een stilzwijgend besluit tot afwijzing, waartegen een klacht in de zin van lid 2 kan worden ingediend.
2.
Iedere in dit statuut bedoelde persoon kan bij het tot aanstelling bevoegde gezag een klacht indienen tegen een besluit waardoor hij zich bezwaard acht, hetzij omdat dit gezag een besluit heeft genomen, dan wel omdat het geen, bij het statuut verplichte maatregelen heeft genomen. De klacht moet binnen een termijn van drie maanden worden ingediend. Deze termijn gaat in:
[...]
—
op de dag waarop de antwoordtermijn verstrijkt, indien de klacht betrekking heeft op een stilzwijgend besluit tot afwijzing van een krachtens lid 1 ingediend verzoek.
Het gezag brengt zijn met redenen omklede besluit binnen vier maanden, te rekenen vanaf de dag van indiening van de klacht, ter kennis van de betrokkene. Is bij het verstrijken van deze termijn een antwoord op de klacht uitgebleven, dan geldt dit als een stilzwijgend besluit tot afwijzing, waartegen beroep in de zin van artikel 91 kan worden ingesteld.”
9.
Tenslotte bepaalt artikel 91:
„1.
Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen de Gemeenschappen en een van de in dit statuut bedoelde personen, dat betrekking heeft op de wettigheid van een besluit waardoor de deze persoon zich bezwaard acht in de zin van artikel 90, lid 2. Bij geschillen van geldelijke aard heeft het Hof van Justitie volledige rechtsmacht.
2.
Een beroep op het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is slechts ontvankelijk:
—
indien men zich van tevoren tot het tot aanstelling bevoegde gezag heeft gewend met een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, en binnen de aldaar gestelde termijn,en
—
indien op deze klacht een uitdrukkelijk of stilzwijgend besluit tot afwijzing is genomen.
[...]”
De feiten en het procesverloop
10.
De aan het geding ten grondslag liggende feiten zijn duidelijk weergegeven in de punten 2 tot en met 10 van de bestreden beschikking. Ik zal mij dan ook beperken tot vermelding van enkele essentiële punten. Voor de rest verwijs ik naar de beschikking.
11.
Hendrickx, ambtenaar van de Raad en wonende te Brussel, werd op zijn verzoek gedetacheerd bij Cedefop te Saloniki, waar hij vanaf 1 januari 1997 gedurende anderhalf jaar als tijdelijk functionaris heeft gewerkt. Hem is krachtens artikel 24, lid 1, RAP door Cedefop een inrichtingsvergoeding toegekend.
12.
Nadat zijn contract was afgelopen en na een verlofperiode is verzoeker terugverhuisd naar Brussel en heeft hij zijn werkzaamheden bij de Raad hervat. Op 22 juli 1999 heeft hij de directeur van Cedefop medegedeeld dat hij zich weer te Brussel had gevestigd, en heeft hij het tot aanstelling bevoegde gezag om betaling van de desbetreffende inrichtingsvergoeding verzocht.
13.
Op 22 november 1999, na afloop van de in artikel 90, lid 1, van het statuut gestelde termijn, moest het verzoek van Hendrickx geacht worden stilzwijgend te zijn afgewezen. Op 18 februari 2000 heeft verzoeker krachtens artikel 90, lid 2, van het statuut een klacht tegen dit stilzwijgend besluit tot afwijzing ingediend. Ook deze klacht is door het tot aanstelling bevoegde gezag stilzwijgend afgewezen, omdat binnen de statutaire termijn van vier maanden geen besluit was genomen. Daarop heeft Hendrickx bij het Gerecht van eerste aanleg beroep tegen dit afwijzingsbesluit (hierna: „bestreden besluit”) ingesteld.
14.
Op 14 november 2000 nam de directeur van Cedefop een nieuw besluit, waarbij hij verzoeker krachtens artikel 24, lid 2, RAP een inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst toekende ten bedrage van 908485 GRD. Bij hetzelfde besluit, maar met toepassing van artikel 24, lid 1, RAP en artikel 85 van het statuut, heeft de directeur van Cedefop terugbetaling van een ten onrechte aan verzoeker bij zijn indiensttreding te Saloniki als inrichtingsvergoeding toegekend bedrag van 1213572 GRD gevorderd, omdat verzoeker aldaar uiteindelijk minder dienstjaren had volbracht dan de periode van vier jaar waarover deze vergoeding aanvankelijk was berekend. Volgens het besluit moest Hendrickx na verrekening van de aldus begrote schulden en vorderingen het verschil ten bedrage van 305097 GRD terugbetalen.
15.
Het besluit is door Cedefop aan het dossier toegevoegd en het Gerecht is verzocht te verklaren dat het beroep zonder voorwerp was geraakt. Hendrickx heeft zich tegen dat verzoek verzet en heeft, omdat hij van mening was dat het nieuwe besluit gedeeltelijk in de plaats van het bestreden besluit was gekomen, daarom verzocht om zijn oorspronkelijke vordering te mogen wijzigen.
16.
Het Gerecht heeft in de bestreden beschikking vastgesteld, dat bij het besluit van 14 november 2000 aan verzoeker daadwerkelijk is toegekend wat hij met zijn beroep wilde verkrijgen, zodat hij geen procesbelang meer had, en heeft het beroep daarom zonder voorwerp verklaard.
De hogere voorziening
Argumenten van partijen
17.
In het onderhavige geding vecht rekwirant de beschikking van het Gerecht aan met een hogere voorziening die, moet ik bekennen, niet uitmunt door buitengewone helderheid. Primair vordert hij vernietiging van de bestreden beschikking en toestemming om de conclusies van zijn beroep in eerste aanleg aan te passen aan het besluit van de directeur van Cedefop van 14 november 2000. „Subsidiair” — maar eigenlijk gaat het om een andere zelfstandige vordering — verzoekt hij het Hof om vast te stellen dat het genoemde besluit door een onbevoegde autoriteit is genomen en om dus ook dit besluit nietig te verklaren, en verweerder te veroordelen hem 321292 BEF als inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst te betalen, vermeerderd met de kosten van het geding in beide instanties.
18.
Rekwirant voert ter zake aan dat het Gerecht het recht heeft geschonden door te beslissen dat het besluit van 14 november 2000 tegemoet kwam aan zijn verzoek om toekenning van de inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst, zonder echter na te gaan of het aldus toegekende bedrag overeenkwam met het hem verschuldigde bedrag. Bovendien had het Gerecht, alvorens de bestreden beschikking te geven, de wettigheid van dit besluit met betrekking tot de terugvordering van de vermeende onverschuldigde betaling en de verrekening van de schulden moeten nagaan.
19.
Als „tweede middel”, maar kennelijk tot staving van zijn eerste vordering, die hij zelf als primair aanmerkt, voert rekwirant „subsidiair” aan dat het Gerecht het recht heeft geschonden door hem te weigeren zijn vorderingen aan het nieuwe besluit aan te passen. Dit besluit is immers slechts een eenvoudige bevestiging van het bestreden besluit, zodat het volgens 's Hofs rechtspraak ( 2 ) daarvoor in de plaats komt en een nieuw gegeven vormt op grond waarvan een partij krachtens artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering zijn vorderingen mag aanpassen. In het bijzonder zou hem moeten worden toegestaan aan te voeren dat het besluit van 14 november 2000 inbreuk maakt op de rechten die hij krachtens artikel 20 van het statuut en de artikelen 5 en 6 van bijlage VII bij het statuut, alsmede krachtens artikel 24, lid 2, RAP heeft met betrekking tot de berekening van de inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst en de terugvordering van de onverschuldigde betaling van deze vergoeding.
20.
Zoals reeds gezegd, doet Hendrickx (hoewel hij zelf spreekt van „eerste middel”) „subsidiair” een beroep op onbevoegdheid van de directeur van Cedefop om het besluit van 14 november 2000 vast te stellen. Nadat de in artikel 90, lid 2, van het statuut bedoelde administratieve klacht was ingediend, was deze directeur immers niet meer bevoegd om te beslissen op een verzoek krachtens artikel 90, lid 1.
21.
Cedefop stelt daar allereerst en primair tegenover dat Hendrickx geen procesbelang heeft, omdat in het besluit van 14 november 2000 volledig aan zijn verzoek tegemoet is gekomen. De hogere voorziening is dus niet-ontvankelijk
22.
Ten principale en subsidiair is de hogere voorziening in elk geval ongegrond. Anders dan Hendrickx heeft betoogd, is het besluit van 14 november 2000 immers door een bevoegde autoriteit genomen. Het feit dat verzoeker een klacht krachtens artikel 90, lid 2, van het statuut heeft ingediend tegen de stilzwijgende afwijzing van zijn verzoek om de inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst, ontneemt de directeur van Cedefop immers niet zijn bevoegdheid om op dit verzoek te beslissen in de zin van artikel 90, lid 1, van het statuut. Bovendien heeft hij dit besluit pas genomen na afloop van de administratieve klachtprocedure, want de klacht was stilzwijgend door de binnen het Centrum bestaande bevoegde commissie afgewezen.
23.
Met betrekking tot rekwirants vordering zijn conclusies aan het besluit van 14 november 2000 te mogen aanpassen, betoogt Cedefop dat de door hem in casu aangehaalde rechtspraak niet van toepassing is, omdat dit besluit niet alleen geen bevestiging van het bestreden besluit vormt, maar juist exact de vergoeding toekent die in laatstgenoemd besluit was geweigerd. Het bevat bovendien twee andere beslissingen die ten opzichte van het bestreden besluit over heel iets anders gaan, te weten enerzijds terugvordering van het onverschuldigd als inrichtingsvergoeding aan rekwirant betaalde bedrag, en anderzijds verrekening van de onderlinge financiële verplichtingen van partijen. Wanneer het Gerecht verzoeker had toegestaan om het voorwerp van het geding uit te breiden en de zojuist genoemde beslissingen daarbij te betrekken, zou dat hebben betekend dat hij was vrijgesteld van de verplichting om eerst de in artikel 90, lid 2, van het statuut bedoelde klacht in te dienen. Ook om deze reden verzoekt Cedefop om de hogere voorziening ongegrond te verklaren.
Beoordeling
Voorafgaande opmerking
24.
Ondanks de door mij gesignaleerde dubbelzinnigheden van de hogere voorziening, zal ik de „primaire” en de „subsidiaire” vordering afzonderlijk bespreken.
25.
Teneinde in de warboel van argumenten althans een beetje lijn aan te brengen, lijkt het mij nuttig om vooraf te preciseren dat het besluit van de directeur van Cedefop van 14 november 2000 volgens mij als een complex besluit moet worden beschouwd. Het bevat immers drie afzonderlijke beslissingen: een beslissing over de inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst, waarbij aan de volgens rekwirant uit dien hoofde bestaande betalingsverplichting van Cedefop wordt voldaan, een beslissing over de inrichtingsvergoeding en over de terugvordering van het uit dien hoofde onverschuldigd betaalde bedrag, en een beslissing over de verrekening van de in het besluit zelf vastgestelde onderlinge financiële verplichtingen van partijen.
De „primaire” vordering
26.
Ik herinner eraan dat verzoeker „primair” vernietiging van de bestreden beschikking vordert omdat hem niet is toegestaan zijn conclusies aan te passen aan het „nieuwe” besluit dat in de plaats is gekomen van het besluit dat het voorwerp van het geding in eerste aanleg was, voorzover het gaat om de onderdelen van dit besluit betreffende de inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst en betreffende de terugvordering van de inrichtingsvergoeding en de daaruit voortvloeiende verrekening. De primaire vordering bestaat dus uit twee onderdelen, die afzonderlijk moeten worden besproken.
a) Het onderdeel betreffende de inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst
27.
Met betrekking tot dit punt preciseer ik om te beginnen dat ik totaal niet overtuigd ben door het argument van Cedefop dat rekwirant, omdat in de beschikking kennis wordt genomen van een voor hem gunstig besluit (namelijk dat hem de inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst is toegekend), geen belang meer heeft bij aanvechting van dit besluit omdat hij niet in het ongelijk is gesteld in de zin van artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG. ( 3 ) Mijns inziens ontstaat voor rekwirant namelijk een procesbelang, wanneer de betrokken vergoeding eventueel onjuist is beoordeeld en hij daardoor schade lijdt. Bovendien lijkt juist dat te volgen uit de algemene en verwarde grief betreffende schending van zijn statutaire rechten, die rekwirant zelf lijkt aan te voeren tegen het besluit dat de grondslag van de beschikking is (zie boven, punt 19).
28.
Evenmin ben ik overtuigd van het argument van Cedefop dat het besluit van 14 november 2000, wat de betrokken vergoeding betreft, geen nieuw gegeven vormt op grond waarvan verzoeker in de zin van de communautaire rechtspraak zijn conclusies en verweermiddelen mag aanpassen ( 4 ), want het valt moeilijk te ontkennen dat het besluit van 14 november een „nieuw gegeven” vormt. Niettemin ben ik van mening dat ik mij niet met dit probleem behoef bezig te houden, omdat de bestreden beschikking volgens mij in elk geval juist is: de beslissing dat het geding zonder voorwerp is geraakt, is het noodzakelijke gevolg van het gedrag van rekwirant gedurende de procedure in eerste aanleg.
29.
In die procedure heeft Hendrickx immers de mogelijkheid gehad om een standpunt in te nemen over het besluit van Cedefop van 14 november 2000 en over de door verweerder opgeworpen exceptie, dat het geding daardoor zonder voorwerp was geraakt. Hij heeft echter alleen zonder nadere motivering verweer gevoerd tegen de beslissing dat het geding zonder voorwerp was geraakt. Hij wenste integendeel enkel toestemming van het Gerecht om zijn vorderingen te mogen wijzigen, zonder dit verzoek evenwel te motiveren en zonder verder te preciseren in welke zin hij die vorderingen wilde wijzigen. Uit het dossier blijkt in het bijzonder dat Hendrickx zich in dit stadium niet heeft beroepen op schending van zijn statutaire rechten of onbevoegdheid van de autoriteit die het nieuwe besluit heeft genomen.
30.
In dit verband moet ik eraan herinneren, dat volgens artikel 38, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof het verzoekschrift het voorwerp van het geschil moet bevatten; verder bepaalt artikel 42, lid 2, van dit Reglement dat nieuwe middelen niet mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. De partij die van deze buitengewone mogelijkheid gebruik wil maken, moet de nieuwe middelen voordragen tegelijk met het verzoek om dit toe te staan: enkel in deze zin kan de bepaling van de laatste alinea van lid 2, dat „de beslissing over de ontvankelijkheid van het middel wordt aangehouden tot het eindarrest”, worden begrepen. Aangezien Hendrickx het Gerecht nooit duidelijk heeft gemaakt welke nieuwe middelen hij wilde voordragen, moest zijn verzoek dan ook als onregelmatig en zonder voorwerp worden beschouwd. Op zich kon het voorwerp van het geschil niet erdoor worden uitgebreid, aangezien dit voorwerp niet meer dan de door partijen bij de rechter voorgedragen vorderingen en excepties kan omvatten.
31.
In die situatie is het duidelijk dat het Gerecht de procedure niet kon voortzetten door Hendrickx (aangenomen dat aan de voorwaarden daarvoor was voldaan) toe te staan zijn aanvankelijke vorderingen, op grond van een besluit waarbij niet alleen zijn verzoek was ingewilligd maar waartegen hij bovendien ook geen nauwkeurige bezwaren had aangevoerd, te wijzigen in een zin die hij niet verder preciseerde.
32.
Ik concludeer tot kennelijke ongegrondheid van de hogere voorziening voorzover hierin het Gerecht schending van het recht wordt verweten door rekwirant niet toe te staan zijn vorderingen te wijzigen na het besluit waarbij hem de inrichtingsvergoeding bij beëindiging van de dienst was toegekend.
b) De terugvordering van het onverschuldigd betaalde
33.
Ik kom nu bij het verzoek tot vernietiging van de bestreden beschikking voorzover daarin rekwirant niet is toegestaan zijn vorderingen aan te passen aan de in het besluit van 14 november 2000 genomen beslissing over de terugvordering van het hem uit hoofde van de inrichtingsvergoeding onverschuldigd betaalde bedrag. Mijns inziens wordt in dit onderdeel van de hogere voorziening het voorwerp van het geschil wel op onregelmatige en ongeoorloofde wijze uitgebreid.
34.
Rekwirant wil immers voor het Hof de wettigheid van de beslissing betreffende de onverschuldigde betaling van de inrichtingsvergoeding ter discussie stellen, zonder in de procedure voor het Gerecht een desbetreffende grief te hebben aangevoerd. In het bijzonder is daarvan geen enkel spoor terug te vinden in de memorie waarin hij stelling heeft genomen tegen de door verweerder opgeworpen exceptie betreffende het tenietgaan van het voorwerp van het geding en heeft verzocht om toestemming tot wijziging van de vorderingen in zijn verzoekschrift in eerste aanleg.
35.
Wanneer Hendrickx thans wordt toegestaan zijn vorderingen in de aangegeven zin te wijzigen, zou zulks betekenen, zoals in recente rechtspraak van het Hof in herinnering wordt gebracht, dat „het een partij (wordt) toegestaan om een middel dat zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof aan te voeren [en] om bij het Hof, waarvan de bevoegdheid inzake hogere voorziening beperkt is, een geschil aanhangig te maken dat een ruimere strekking heeft dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen”. ( 5 )
36.
Anders dan bij het voorgaande onderdeel kan beoordeling van de gegrondheid ten aanzien van het onderhavige niet aan de orde komen, aangezien het kennelijk niet-ontvankelijk is, wat ambtshalve moet worden vastgesteld.
37.
Ik concludeer dus tot kennelijke niet-ontvankelijkheid van het onderdeel van de hogere voorziening waarin rekwirant de bestreden beschikking betwist omdat hem daarbij niet is toegestaan om zijn vorderingen te wijzigen na de vaststelling van het besluit van 14 november 2000 over de terugvordering van het hem uit hoofde van de inrichtingsvergoeding onverschuldigd betaalde bedrag.
De bevoegdheid van de directeur van Cedefop
38.
Tenslotte beperk ik mij met betrekking tot de „subsidiaire” vordering van rekwirant — die berust op wat hij zelf als „eerste middel” van de hogere voorziening aanmerkt — om te verklaren dat het besluit van 14 november 2000 door een onbevoegde autoriteit is genomen, tot de opmerking dat ook deze grief voor de eerste keer in hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht is opgeworpen. Zij moet dus als kennelijk niet-ontvankelijk worden afgewezen.
Kosten
39.
Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voorzover dit is gevorderd. Aangezien verweerder in die zin heeft geconcludeerd en artikel 70, volgens hetwelk in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt te hunnen laste blijven, in deze zaak niet kan worden ingeroepen omdat het krachtens artikel 122 van dit Reglement slechts van toepassing is indien de hogere voorziening door een instelling is ingesteld, zal Hendrickx in de kosten van deze instantie moeten worden verwezen.
Conclusie
40.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht gedeeltelijk wegens kennelijke ongegrondheid en gedeeltelijk wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid af te wijzen en rekwirant in de kosten van Cedefop in deze instantie te verwijzen.
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 2 ) Rekwirant verwijst in het bijzonder naar de arresten van 3 maart 1982, Alpha Steel/Commissie (14/81, Jurispr. blz. 749, punt 8); 14 juli 1988, Stahlwerke Peine-Salzgit-ter/Commissie ( 103/85, Jurispr. blz. 4131, punt 11), en 15 september 1998, De Persio/Commissie, (T-23/96, JurAmbt blz. I-A-483 en II-1413, punten 32-34).
( 3 ) Volgens deze bepaling staat tegen beslissingen van het Gerecht „hogere voorziening [...] open voor iedere partij die geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld”.
( 4 ) Zie behalve het arrest Alpha Steel, reeds aangehaald, punt 8, arrest van 29 september 1987, Fabrique de fer de Charleroi en Dillinger Hüttenwerke (351/85 en 360/85, Jurispr. blz. 3639, punten 10 en 11), en Stahlwerke Peine-Salzgit-ter/Commissie, reeds aangehaald, punt 11.
( 5 ) Zie arrest van 27 juni 2002, Simon/Commissie (C-274/00 P, Jurispr. blz. I-5999, punt 39). Zie bovendien in dezelfde zin de arresten van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a. (C-136/92 P, Jurispr. blz. I-1981, punt 59); 28 mei 1998, Deere/Commissie (C-7/95 P, Jurispr. blz. I-3111; punt 62), en 16 mei 2002, ARAP e.a./Commissie (C-321/99 P, Jurispr. blz. I-4287, punt 112).
Full & Egal Universal Law Academy