CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 23 januari 2003 (1)
Zaak C-223/01
AstraZeneca A/S
tegen
Lægemiddelstyrelsen
[verzoek van het Østre Landsret (Denemarken) om een prejudiciële beslissing]
„”
1. In deze zaak heeft het Østre Landsret (Denemarken) twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 65/65/EEG van de Raad van 26 januari 1965 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake geneesmiddelen. (2)
2. De vragen gaan vooral over de zogenoemde verkorte procedure van artikel 4, derde alinea, punt 8, sub a-iii (3) , van richtlijn 65/65 (hierna: punt 8, sub a-iii), waarin wordt bepaald dat, wanneer een vergunning voor het in de handel brengen (hierna: VHB) van een bepaald geneesmiddel is afgegeven, een VHB van een generieke vorm van dat geneesmiddel in bepaalde omstandigheden kan worden aangevraagd via een procedure die eenvoudiger is dan die voor de verkrijging van de oorspronkelijke VHB.
3. De verkorte procedure van punt 8, sub a-iii, kan slechts worden toegepast wanneer is aangetoond dat het middel waarvoor vergunning wordt gevraagd, in wezen gelijkwaardig is aan een ander middel (het referentieproduct) dat gedurende een periode van zes dan wel tien jaar in de Gemeenschap is toegelaten. Een tweede voorwaarde voor het gebruik van die procedure is dat het referentieproduct in de handel is in de lidstaat waarop de aanvraag betrekking heeft. Volgens de verwijzende rechter is het onduidelijk op welk tijdstip aan deze tweede voorwaarde moet worden voldaan: moet het referentieproduct in de handel zijn wanneer de aanvraag voor de generieke vergunning wordt ingediend en/of die vergunning wordt afgegeven, dan wel volstaat het dat het op enig moment vóór het indienen van de aanvraag, in de handel is geweest? De verwijzende rechter wil ook opheldering over de betekenis van het begrip in de handel gebracht.
Het relevante communautaire recht
4. De considerans van richtlijn 65/65 luidt: [...] dat elke regeling op het gebied van de productie en de distributie van farmaceutische specialiteiten de bescherming van de volksgezondheid tot voornaamste doelstelling moet hebben;[...] dat dit doel [evenwel] moet worden bereikt door maatregelen die de ontwikkeling van de farmaceutische industrie en de handel in farmaceutische producten binnen de Gemeenschap niet kunnen remmen [...]. (4)
5. Ingevolge artikel 3 van richtlijn 65/65 mag een farmaceutische specialiteit in een lidstaat slechts in de handel worden gebracht, wanneer door de bevoegde instanties van die lidstaat een VHB is afgegeven, of wanneer een vergunning is verleend overeenkomstig verordening (EEG) nr. 2309/93 van 22 juli 1993 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen voor en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling. (5)
6. Volgens artikel 4 van richtlijn 65/65 moet degene die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van het product een aanvraag indienen bij de bevoegde overheidsinstantie van de lidstaat. Bij deze aanvraag moeten een aantal gegevens en bescheiden worden gevoegd, waaronder de in artikel 4, derde alinea, punt 8, vermelde resultaten van fysisch-chemische, biologische of microbiologische, farmacologische en toxicologische alsmede klinische proeven.
7. Ingevolge punt 8, sub a, kan echter in bepaalde omstandigheden, bij wijze van uitzondering, een verkorte aanvraag worden ingediend of een vereenvoudigde procedure worden gevolgd. Voorzover relevant bepaalt punt 8, sub a: [...] de aanvrager [is] niet gehouden de resultaten van de farmacologische en toxicologische proeven dan wel die van klinische proeven te verschaffen, wanneer hij kan aantonen:[...]
iii) [...] dat het geneesmiddel in wezen gelijkwaardig is aan een product dat al minstens zes jaar volgens de geldende communautaire bepalingen in de Gemeenschap is toegelaten en dat in de lidstaat waarop de aanvraag betrekking heeft in de handel wordt gebracht [...].
8. Punt 8, sub a-iii, werd ingelast bij richtlijn 87/21 (6) , waarvan de considerans luidt: [...] dat de ervaring heeft uitgewezen dat het dienstig is, nog duidelijker de gevallen te omschrijven waarin voor het verkrijgen van een vergunning voor een farmaceutische specialiteit die in wezen gelijkwaardig is aan een product waarvoor reeds een vergunning is verleend, de resultaten van farmacologische, toxicologische of klinische proeven niet behoeven te worden verschaft, waarbij ervoor moet worden gewaakt dat innoverende ondernemingen worden benadeeld;[...][...] dat redenen van openbare orde zich ertegen verzetten dat zonder dwingende noodzaak proeven op mens of dier worden herhaald. (7)
9. Volgens artikel 4, derde alinea, punt 11, van richtlijn 65/65 moet de aanvrager van een VHB onder meer afschriften overleggen van iedere in een andere lidstaat verkregen VHB van het betrokken product; die gegevens moeten geregeld worden bijgewerkt.
10. Ingevolge artikel 5 van richtlijn 65/65 wordt de vergunning geweigerd [...] wanneer na verificatie van de in artikel 4 vermelde gegevens en bescheiden blijkt dat de specialiteit bij normaal gebruik schadelijk is of dat de therapeutische werking van de specialiteit ontbreekt of door de aanvrager onvoldoende wordt gemotiveerd, dan wel dat de specialiteit niet de opgegeven kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling bezit.De vergunning zal eveneens worden geweigerd wanneer de tot staving van de aanvraag verstrekte bescheiden en gegevens niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van artikel 4.
11. Artikel 9 bis van richtlijn 65/65 luidt als volgt:De voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon moet, na afgifte van de vergunning, wat de in artikel 4, [derde] alinea, punten 4 en 7, genoemde bereidings- en controlemethoden betreft, rekening houden met de vooruitgang van de wetenschap en techniek en de wijzigingen aanbrengen die nodig zijn om te waarborgen dat het geneesmiddel volgens algemeen aanvaarde wetenschappelijke methoden wordt vervaardigd en gecontroleerd. [...] (8)
12. Artikel 11, eerste alinea, van richtlijn 65/65 bepaalt:De bevoegde overheidsinstanties van de lidstaten schorsen de vergunning voor het in de handel brengen of trekken deze in, wanneer blijkt dat de farmaceutische specialiteit bij normaal gebruik schadelijk is, dan wel dat de therapeutische werking ontbreekt of dat de specialiteit niet de kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling bezit die is opgegeven. [...]
13. Ingevolge artikel 21 van richtlijn 65/65 kan een VHB alleen geweigerd, geschorst of ingetrokken worden om de in deze richtlijn vermelde redenen.
14. Artikel 1 van richtlijn 75/318 (9) bepaalt: De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat de gegevens en bescheiden die krachtens artikel 4, [derde] alinea, [punt] 8, van richtlijn nr. 65/65/EEG bij de aanvraag om een vergunning voor het in de handel brengen van een farmaceutische specialiteit moeten worden gevoegd, worden overgelegd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.[...].
15. De inleiding tot die bijlage (10) bevat de volgende verklaring:[...] om toezicht te houden op de beoordeling van baten en risico's na de verlening van de vergunning, [moeten] alle veranderingen van de gegevens in het dossier, alle informatie die niet in de oorspronkelijke aanvraag is vermeld en alle farmacovigilantieverslagen aan de bevoegde instanties worden meegedeeld.
16. In de voor het geding relevante periode bepaalde richtlijn 75/319 (11) , voorzover van belang: Artikel 4 Voor het onderzoek van de overeenkomstig artikel 4 van richtlijn nr. 65/65/EEG, ingediende aanvraag:
a) dienen de bevoegde instanties van de lidstaten na te gaan of het overgelegde dossier met vorengenoemd artikel 4 in overeenstemming is en te onderzoeken of aan de voorwaarden voor de verlening van de vergunningen voor het in de handel brengen is voldaan; [...] Artikel 29 bis Teneinde te waarborgen dat inzake binnen de Gemeenschap toegelaten geneesmiddelen de geëigende administratieve besluiten worden genomen, rekening houdend met de verkregen gegevens over bijwerkingen van geneesmiddelen bij normaal gebruik, voeren de lidstaten een systeem voor geneesmiddelenbewaking in. Dit systeem zal worden gebruikt voor de verzameling van voor het toezicht op geneesmiddelen nuttige gegevens, met name over bijwerkingen van geneesmiddelen bij de mens en voor de wetenschappelijke beoordeling van deze gegevens.De verzamelde gegevens moeten gerelateerd worden aan de gegevens over de geneesmiddelenconsumptie.Het systeem dient ook gegevens te verzamelen over frequent voorkomend verkeerd gebruik of ernstig misbruik van het geneesmiddel. Artikel 29 ter In deze richtlijn wordt verstaan onder:
─ bijwerking, een reactie die schadelijk en ongewild is en die optreedt bij doses die normaal bij de mens voor preventie, voor het stellen van een diagnose, voor de behandeling van een ziekte of voor de wijziging van een fysiologische functie worden gebruikt;
─ ernstige bijwerking, een bijwerking die dodelijk is, levensgevaar oplevert, invaliditeit of arbeidsongeschiktheid veroorzaakt of tot opname in een ziekenhuis of verlenging daarvan leidt;
─ onverwachte bijwerking, een bijwerking die niet in de samenvatting van productkenmerken wordt vermeld;
─ onverwachte ernstige bijwerking, een bijwerking die zowel ernstig als onverwacht is. Artikel 29 quaterDe voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon wordt voortdurend en zonder onderbreking bijgestaan door een ter zake gekwalificeerde, voor de geneesmiddelenbewaking verantwoordelijke persoon.Deze laatste is belast met:
a) de totstandbrenging en het beheer van een systeem dat waarborgt dat gegevens over alle vermoedelijke bijwerkingen die aan het personeel van de onderneming, waaronder het verkooppersoneel en de artsenbezoekers, worden gerapporteerd, op één punt worden verzameld en geordend;
b) de opstelling voor de bevoegde instanties van de in artikel 29 quinquies genoemde verslagen in de vorm die door deze instantie wordt voorgeschreven, overeenkomstig de relevante communautaire of nationale richtsnoeren;
c) de taak ervoor te zorgen dat aan elk verzoek van de bevoegde instantie om verstrekking van voor de beoordeling van de aan een geneesmiddel verbonden voordelen en risico's benodigde aanvullende gegevens, snel en volledig wordt voldaan, met inbegrip van gegevens over het afzetvolume van of het aantal recepten voor het betrokken geneesmiddel. Artikel 29 quinquies 1. De voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon dient van alle vermoedelijke ernstige bijwerkingen waarvan hij door een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg in kennis wordt gesteld, aantekening te houden en deze onverwijld en uiterlijk binnen 15 dagen na ontvangst van die gegevens aan de bevoegde instanties te melden.2. Voorts houdt de voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon gedetailleerd aantekening van alle andere vermoedelijke bijwerkingen die hem door een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg worden gemeld. Deze aantekeningen gaan vergezeld van een wetenschappelijke beoordeling.Tenzij voor het verlenen van een vergunning andere voorwaarden zijn gesteld, moeten deze aantekeningen op eerste verzoek, en andere tijdens de eerste twee jaar na het verlenen van de vergunning ten minste om de zes maanden en ten minste eenmaal per jaar voor de daaropvolgende drie jaar, bij de bevoegde instanties worden ingediend. Daarna worden deze aantekeningen met tussenpozen van vijf jaar samen met de aanvraag voor verlenging van de vergunning of op eerste verzoek ingediend. Artikel 29 sexies De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om artsen en andere beroepsbeoefenaren in de sector gezondheidszorg ertoe aan te zetten vermoedelijke bijwerkingen bij de bevoegde instantie te melden.De lidstaten kunnen aan artsen specifieke eisen stellen ten aanzien van de melding van vermoedelijke ernstige of onverwachte bijwerkingen, met name wanneer deze melding een voorwaarde is voor het verlenen van de vergunning voor het in de handel brengen. Artikel 29 septies De lidstaten dragen er zorg voor dat meldingen van vermoedelijke ernstige bijwerkingen onverwijld aan het [Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling] en aan de voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon ter kennis worden gebracht, en in elk geval binnen 15 dagen na de melding. Artikel 29 octies Om de uitwisseling van gegevens over geneesmiddelenbewaking binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken stelt de Commissie, in overleg met het Bureau, de lidstaten en de betrokken partijen, richtsnoeren op voor de verzameling, de verifiëring en de presentatie van verslagen over bijwerkingen.Bij de opstelling van deze richtsnoeren dient rekening te worden gehouden met de internationale harmoniseringswerkzaamheden inzake terminologie en classificatie op het gebied van de geneesmiddelenbewaking. Artikel 29 nonies Indien een lidstaat naar aanleiding van de beoordeling van verslagen omtrent bijwerkingen overweegt dat een vergunning voor het in de handel brengen moet worden gewijzigd, geschorst of ingetrokken, stelt hij het Bureau en de voor het in de handel brengen verantwoordelijke persoon hiervan onverwijld in kennis.In noodgevallen kan de betrokken lidstaat het in de handel brengen van een geneesmiddel tijdelijk stopzetten, mits het Bureau daarvan uiterlijk op de volgende werkdag in kennis wordt gesteld.[...] Artikel 33 [...]2. Degene die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van een geneesmiddel is verplicht de betrokken lidstaten onverwijld in kennis te stellen van elke actie die door hem is ondernomen om het in de handel brengen van een product op te schorten of een product uit te handel te nemen onder opgave van de redenen van deze actie indien deze betrekking heeft op de doeltreffendheid van het geneesmiddel of de bescherming van de volksgezondheid. [...]
De feiten en de prejudiciële vragen
17. Deze zaak gaat over het geneesmiddel Losec, naar verluidt het best verkochte medicijn ter wereld, dat dient ter behandeling en voorkoming van maagzweren en reflux oesofagitis (maagzuur). Het bevat omeprazol, een zogenaamde protonpompremmer, die een bepaald mechanisme in de maag, de protonpomp, die de zuurproductie regelt, afremt, waardoor de hoeveelheid geproduceerd maagzuur wordt verminderd.
18. Losec Enterokapsler (Losec Entero-capsules, hierna: Losec-capsules) zijn ontwikkeld door het Astra-concern, en zijn sinds 1989 in Denemarken toegelaten en aldaar in de handel. Op 3 februari 1997 diende AstraZeneca A/S, een Deense vennootschap van het Astra-concern, bij het Lægemiddelstyrelse (de Deense bevoegde instantie in de zin van richtlijn 65/65; hierna: Dienst Geneesmiddelen) een aanvraag in om toelating van Losec Enterotabletter (Losec Entero-tabletten, hierna: Losec-tabletten). De Dienst Geneesmiddelen gaf op 22 september 1997 een VHB af voor deze tabletten.
19. Bij brief van 3 oktober 1997 deelde AstraZeneca mede dat zij voornemens was Losec-capsules per 6 april 1998 in Denemarken uit de handel te nemen. Deze mededeling werd op 19 maart 1998 bevestigd en de VHB werd per 6 april 1998 ingetrokken. Hiermee verviel de toelating van dit geneesmiddel in Denemarken. Vaststaat dat de intrekking van de VHB van Losec-capsules niet berustte op overwegingen die verband hielden met de bescherming van de volksgezondheid.
20. AstraZeneca heeft in het geding voor de nationale rechter verklaard dat Losec-capsules nog steeds zijn toegelaten en worden verkocht in Oostenrijk, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Portugal en het Verenigd Koninkrijk. In enkele van die landen worden Losec-capsules naast Losec-tabletten verkocht. Het staat kennelijk vast dat Losec-tabletten en Losec-capsules zogenaamd therapeutisch equivalent zijn, dat wil zeggen dezelfde werkzame stof (omeprazol) bevatten, en bio-equivalent zijn in die zin dat deze stof bij orale toediening met dezelfde snelheid en in dezelfde mate door het lichaam wordt opgenomen. Behalve hun verschillende presentatie blijken de middelen te verschillen in de manier waarop de werkzame stof is verwerkt (respectievelijk in de vorm van magnesiumzout van omeprazolzuur en in de vorm van omeprazolzuur). Opgemerkt moet worden dat de vraag of Losec-capsules in wezen gelijkwaardig zijn aan Losec-tabletten in de zin van punt 8, sub a-iii, niet aan de orde is in de onderhavige zaak. Het gaat hier alleen om de uitlegging van de in die bepaling vervatte verhandelingsvoorwaarde.
21. Op 23 februari 1998 vroeg Generics (UK) Ltd bij de Dienst voor Geneesmiddelen een VHB aan voor Omeprazol Generics Enterokapsler (hierna: Entero-capsules). Dit is een generiek geneesmiddel en de VHB werd aangevraagd via de verkorte procedure overeenkomstig punt 8, sub a-iii, met als referentieproduct Losec-capsules.
22. De Dienst voor Geneesmiddelen keurde de Entero-capsules goed en gaf hiervoor op 30 november 1980 een VHB af.
23. AstraZeneca stelde beroep in tegen het besluit van de Dienst voor Geneesmiddelen bij het Østre Landsret, waarbij zij met name aanvoerde dat punt 8, sub a-iii, vereist dat er een geldige VHB van het referentieproduct is, zowel ten tijde van de indiening van de aanvraag van de vergunning voor het generieke geneesmiddel als ten tijde van de afgifte ervan.
24. De Dienst voor Geneesmiddelen stelde daartegenover dat punt 8, sub a-iii, in die zin moet worden uitgelegd dat het noodzakelijk en voldoende is, dat er een VHB van het referentieproduct bestaat op het moment van de aanvraag.
25. Generics (UK) Ltd heeft in het geding geïntervenieerd aan de zijde van de Dienst voor Geneesmiddelen.
26. Het Østre Landsret is van mening dat de Deense versie van punt 8, sub a-iii, op dit punt niet helemaal duidelijk is: omstreden is de vraag of de hulpwerkwoorden har været [is (geweest)] enkel zien op de voorwaarde dat het referentieproduct in de Gemeenschap is toegelaten of ook op de voorwaarde dat het in de lidstaat waarop de aanvraag betrekking heeft in de handel is.
27. Het Østre Landsret voegt eraan toe dat partijen het bovendien niet eens zijn over de uitlegging van het begrip in de handel gebracht in punt 8, sub a-iii.
28. De verwijzingsbeschikking beschrijft ook een parallelle nationale procedure bij het Østre Landsret tussen een andere fabrikant van generieke geneesmiddelen, A/S GEA Farmaceutisk Fabrik, en de Dienst voor Geneesmiddelen, die oorspronkelijk ook het voorwerp was van hetzelfde verzoek om een prejudiciële beslissing. Deze fabrikant heeft echter zijn procedure bij het Østre Landsret stopgezet. De verwijzende rechter heeft het Hof dan ook medegedeeld dat a) A/S GEA Farmaceutisk Fabrik geen procespartij meer is, en dat b) het eerste deel van de eerste vraag, en de derde vraag van het oorspronkelijke prejudiciële verzoek worden ingetrokken omdat deze vragen niet van belang zijn voor de procedure tussen AstraZeneca en de Dienst voor Geneesmiddelen.
29. Het Østre Landsret merkt ten slotte op dat het Hof van Justitie weliswaar in het arrest Generics (UK) e.a. (12) heeft vastgesteld onder welke materiële voorwaarden een geneesmiddel in wezen gelijkwaardig is aan het referentieproduct in de zin van artikel 4, derde alinea, punt 8, sub a-iii, maar zich nog niet heeft uitgesproken over de in die bepaling gestelde tijdsvoorwaarden. Daarom heeft het de volgende prejudiciële vragen aan het Hof gesteld:
1) Wanneer een onderneming overeenkomstig artikel 4, derde alinea, punt 8, sub a-iii, van de Eerste geneesmiddelenrichtlijn (richtlijn 65/65/EEG van de Raad, zoals gewijzigd) door middel van een verkorte aanvraag (vereenvoudigde procedure) een vergunning voor het in de handel brengen aanvraagt en stelt dat het product waarvoor de vergunning wordt gevraagd, in wezen gelijkwaardig is aan een referentieproduct dat gedurende de vereiste tijdsduur overeenkomstig de richtlijn in de Gemeenschap toegelaten was, is het dan noodzakelijk en voldoende, dat het referentieproduct: [...] (13)
b) op het tijdstip van de aanvraag nog steeds wordt verhandeld in de lidstaat waarop de aanvraag betrekking heeft, of
c) zowel op het tijdstip van de aanvraag als op het tijdstip van afgifte van de vergunning voor het in de handel brengen nog steeds wordt verhandeld in de lidstaat waarop de aanvraag betrekking heeft?
2) Impliceert het begrip in de handel gebracht ( markedsført) in artikel 4, derde alinea, punt 8, sub a-iii, dat het voldoende en noodzakelijk is, dat er een toelating in de vorm van een vergunning voor het in de handel brengen van het referentieproduct bestaat in de lidstaat waarop de aanvraag betrekking heeft?
De eerste vraag
30. Met zijn eerste vraag wil de verwijzende rechter in wezen weten of bij een aanvraag van een VHB overeenkomstig punt 8, sub a-iii, het referentieproduct zowel op het tijdstip van de aanvraag als op het tijdstip van de afgifte van die vergunning, dan wel alleen op het tijdstip van de aanvraag in de handel moet zijn.
31. De oorspronkelijk versie van de eerste vraag bevatte ook een derde optie, volgens welke het voldoende is dat het referentieproduct op enig moment vóór de indiening van de aanvraag in de handel is geweest. Dit deel van de eerste vraag werd echter door de nationale rechter ingetrokken, omdat het verband hield met de bij hem aanhangige procedure tussen A/S GEA Farmaceutisk Fabrik en de Dienst voor Geneesmiddelen, die vervolgens werd stopgezet. Dat neemt niet weg dat de derde optie in de oorspronkelijke versie van de eerste vraag een mogelijke uitlegging van punt 8, sub a-iii, vormt. Bovendien wordt deze uitlegging voorgestaan door Generics, de Nederlandse regering en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA. Ik zal deze optie dan ook in dit stadium niet uitsluiten.
Opmerkingen van partijen
32. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door AstraZeneca, Generics (interveniënte bij de nationale rechter), de Deense regering, zowel in haar hoedanigheid van lidstaat als namens de Dienst voor de Geneesmiddelen, de Nederlandse en de Noorse regering, de Commissie en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, die, met uitzondering van de Nederlandse regering, alle vertegenwoordigd waren op de mondelinge behandeling.
33. AstraZeneca is van mening dat er slechts sprake is van een geldige VHB overeenkomstig punt 8, sub a-iii, wanneer het referentieproduct zowel ten tijde van de indiening van de aanvraag als ten tijde van de afgifte van die vergunning in de handel is.
34. Generics, de Nederlandse regering en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA menen dat het voldoende is dat het referentieproduct op enig moment in de lidstaat waarop de aanvraag betrekking heeft, in de handel is geweest; het is niet noodzakelijk dat het ten tijde van de indiening van de aanvraag of de afgifte van de vergunning in de handel is.
35. Volgens de Deense en de Noorse regering alsmede de Commissie moet het referentieproduct op het tijdstip van de aanvraag nog steeds in de handel zijn in de lidstaat waarop de aanvraag betrekking heeft.
36. AstraZeneca baseert haar standpunt hoofdzakelijk op overwegingen in verband met de bescherming van de volksgezondheid. Zij merkt op dat wanneer eenmaal een VHB is afgegeven voor een generiek geneesmiddel, de vergunninghouder verplicht is toezicht te houden op het gebruik van het middel en actuele informatie te verschaffen ter zake van de geneesmiddelenbewaking en andere gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van de veiligheid en werking van het middel. Zolang geen vergunning voor het generieke geneesmiddel is verleend, zal de bevoegde instantie van de lidstaat waar de aanvraag is ingediend ─ die moet beoordelen of bij de afgifte van de vergunning is voldaan aan de criteria betreffende kwaliteit, veiligheid en werking ─ zich moeten verlaten op de vergunning voor het referentieproduct en de daaruit voortvloeiende verplichtingen voor de houder ervan. Wanneer de vergunning van het referentieproduct wordt ingetrokken, verdwijnt deze verplichting tot geneesmiddelenbewaking volledig en de bevoegde instantie kan er dan ook niet op rekenen dat de haar ter beschikking staande gegevens en bescheiden volledig en actueel zijn. De bevoegde instantie zal weliswaar nog steeds dossiers hebben die zij zelf kan actualiseren aan de hand van de informatie die zij verkrijgt van andere lidstaten via de normale samenwerking tussen de lidstaten, maar deze samenwerking veronderstelt volgens AstraZeneca dat de vergunning in andere lidstaten blijft bestaan, hetgeen niet noodzakelijkerwijs het geval zal zijn; de uitlegging van de toepassingsvoorwaarden van de verkorte procedure kan niet afhangen van specifieke omstandigheden die zich mogelijkerwijs niet zullen voordoen.
37. Generics, de Nederlandse regering en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA bestrijden deze argumenten en wijzen in het bijzonder op de door richtlijn 75/319 (14) opgelegde verplichting tot geneesmiddelenbewaking, die zelfs na intrekking van de oorspronkelijke vergunning van kracht blijft. De Nederlandse regering stelt dat wanneer er geen vergunning voor een bepaald middel is, dat middel niet kan worden verkocht en er dus ook geen nieuwe informatie over de neven- en bijwerkingen beschikbaar komt. Zij merkt op dat in elk geval niet alleen de vergunninghouder de bevoegde instanties in kennis moet stellen van de vermoedelijke bijwerkingen, aangezien ingevolge artikel 29 sexies van richtlijn 75/319 de lidstaten alle nodige maatregelen moeten nemen om artsen en andere beroepsbeoefenaren in de sector gezondheidszorg ertoe aan te zetten deze gegevens te melden. Bovendien moeten de lidstaten elkaar ingevolge artikel 29 septies op de hoogte stellen van alle bijwerkingen. De bevoegde instanties zijn dan ook in staat het dossier actueel te houden, zelfs wanneer er geen nationale vergunning is. Generics en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA benadrukken ook dat gegevens verkregen kunnen worden via de samenwerking met de bevoegde instanties van de lidstaten waar de capsules nog in de handel zijn.
38. Indien voor de afgifte van een generieke vergunning vereist was dat het referentieproduct op het moment van de indiening van de vergunningsaanvraag in de handel was, zou de fabrikant van het referentieproduct de producenten van het generieke middel op doeltreffende wijze ervan zou kunnen weerhouden gebruik te maken van de verkorte procedure, waardoor punt 8, sub a-iii, zou worden uitgehold. Dit zou in strijd zijn met de in de considerans van richtlijn 87/21 (15) uiteengezette doelstellingen van punt 8, sub a-iii, waaronder de beperking van proeven op mens of dier (die vereist zijn bij de indiening van een aanvraag volgens de volledige procedure). De Nederlandse regering voegt daaraan toe dat blijkens de considerans van richtlijn 87/21 punt 8, sub a-iii, beoogt te preciseren in welke gevallen de verkorte procedure kan worden toegepast. Er dient dus te worden voorkomen dat deze procedure in de verschillende lidstaten op uiteenlopende wijze wordt toegepast. Als deze bepaling in die zin wordt uitgelegd dat een generiek middel in de ene lidstaat wel, maar in een andere lidstaat niet op de markt kan worden gebracht, alleen omdat het referentieproduct in die laatste lidstaat niet meer in de handel is ten tijde van de aanvraag van de vergunning, zou dat leiden tot een versnippering van de interne markt voor geneesmiddelen, hetgeen niet de bedoeling kan zijn geweest van de wettelijke regeling.
39. De Noorse regering en de Commissie zijn ook van mening dat, wanneer de VHB van het referentieproduct wordt ingetrokken vóór de afgifte van de generieke vergunning, maar het referentieproduct nog steeds in andere lidstaten in de handel is, de bevoegde instantie van de lidstaat waar de aanvraag is ingediend, zijn verplichting tot geneesmiddelenbewaking kan nakomen in het kader van de in richtlijn 75/319 voorziene informatie-uitwisseling; bovendien zal die instantie nog het dossier hebben van de oorspronkelijke volledige aanvraag. De Deense regering acht het echter niet van belang of het referentieproduct nog steeds in andere lidstaten in de handel is, aangezien richtlijn 65/65 (16) ─ anders dan verordening nr. 2309/93 (17) , die in een centrale VHB voorziet ─ een regeling invoert waarbij de instanties van iedere lidstaat vergunningen afgeven voor in die lidstaat op de markt te brengen geneesmiddelen. Niettemin is de bescherming van de volksgezondheid volgens haar verzekerd, omdat de bevoegde instantie van de lidstaat waarop de aanvraag voor het generieke geneesmiddel betrekking heeft, beschikt over alle noodzakelijke gegevens betreffende het referentieproduct, dat immers op grond van een volledige aanvraag is toegelaten. De nationale instanties kunnen op die wijze toezicht houden op hetgeen in de handel wordt gebracht en een product kan slechts in de handel worden gebracht, wanneer deze instanties ten minste een keer een aanvraag hebben behandeld volgens de volledige procedure. Juist omdat de instanties de noodzakelijke informatie hebben, is de verkorte procedure van toepassing.
40. De Deense regering en de Commissie stellen dat de formulering van punt 8, sub a-iii, in de Engelse, Franse en Duitse versie duidelijk is. De Commissie voegt daaraan toe dat artikel 4 van richtlijn 65/65 alleen betrekking heeft op de voorwaarden voor de aanvraag van een VHB en dus niet op de afgifte van die vergunning. Aangezien het tijdstip van de indiening van de aanvraag beslissend is om te bepalen of aan de voorwaarden voor de afgifte van de vergunning voor het generieke product is voldaan, moet de VHB van het referentieproduct op het moment van de indiening van die aanvraag geldig zijn. De Deense en de Noorse regering zijn ook van mening dat de door AstraZeneca voorgestane uitlegging de houder van een VHB in staat zou stellen generieke kopieën te weren door die vergunning te laten intrekken.
Beoordeling
41. De relevante volzin van punt 8, sub a-iii, luidt als volgt:[...] de aanvrager [is] niet gehouden de resultaten van de farmacologische en toxicologische proeven dan wel die van klinische proeven te verschaffen, wanneer hij kan aantonen [...] dat het geneesmiddel in wezen gelijkwaardig is aan een product dat [...] in de lidstaat waarop de aanvraag betrekking heeft in de handel wordt gebracht.Generics, die zich vooral op de Engelse versie concentreert, omschrijft die formulering als zijnde op zijn best onduidelijk en op zijn slechtst dubbelzinnig wat het vereiste van verhandeling in de betrokken lidstaat betreft. Na een grondige analyse van de doelstellingen en de wetsgeschiedenis van richtlijn 87/21 (18) , waarbij die bepaling werd ingevoerd, komt Generics tot de conclusie dat punt 8, sub a-iii, aldus moet worden uitgelegd dat het referentieproduct ten minste op enig ogenblik vóór het indienen van de vergunningsaanvraag voor het generieke geneesmiddel in de betrokken lidstaat toegelaten moet zijn geweest. Dit standpunt wordt gedeeld door de Nederlandse regering en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA.
42. Ik ben het daarmee niet eens. Punt 8, sub a-iii, mag dan al niet duidelijk aangeven of daarin het tijdstip van de indiening van de aanvraag dan wel dat van de afgifte van de generieke vergunning wordt bedoeld, deze bepaling kan volgens mij niet de betekenis hebben die Generics daaraan geeft. Als de aanvrager moet aantonen dat het referentieproduct in de handel wordt gebracht, kan hij dat niet doen door aan te tonen dat het op enig moment in de handel is geweest, maar het nu niet meer is; deze twee uitdrukkingen zijn niet synoniem.
43. Deze uitlegging volgt ondubbelzinnig uit de Engelse versie. Zoals de Deense regering en de Commissie stellen, vindt zij ook steun in de Franse en de Duitse versie. Wanneer de daarin gebruikte termen in hun gewone betekenis worden verstaan, is aan de gestelde tijdsvoorwaarde (19) niet voldaan wanneer wordt aangetoond dat het referentieproduct op enig moment voor de aanvraag van de generieke vergunning in de handel is geweest, maar het op het moment van de indiening van de aanvraag niet meer is. De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA geeft overigens toe dat een letterlijke uitlegging van punt 8, sub a-iii, die conclusie met zich brengt.
44. Ik wijs de door Generics, de Nederlandse regering en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA voorgestelde en door de verwijzende rechter in zijn ingetrokken vraag 1, sub a, overwogen oplossing dan ook af.
45. Ik ben het evenmin eens met de interpretatie van AstraZeneca, namelijk dat er slechts sprake is van een geldige VHB overeenkomstig punt 8, sub a-iii, wanneer er zowel op het moment van de indiening van de aanvraag als op het moment van de afgifte van de vergunning een VHB van het referentieproduct bestaat. Volgens mij staat de opzet van deze bepaling aan die uitlegging in de weg. Zoals de Commissie uiteenzet, gaat het in artikel 4 van richtlijn 65/65 om vergunningsaanvragen volgens de verkorte procedure. Om een VHB van een geneesmiddel te verkrijgen, moet ingevolge de eerste alinea van dit artikel, degene die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen ervan een aanvraag indienen bij de bevoegde overheidsinstantie van de lidstaat. De derde alinea van artikel 4 vereist dat bij deze aanvraag een aantal specifieke gegevens en bescheiden worden gevoegd. Die gegevens en bescheiden hebben duidelijk betrekking op het tijdstip van de indiening van de aanvraag. Daaronder vallen ingevolge artikel 4, derde alinea, punt 8, de resultaten van fysisch-chemische, biologische of microbiologische proeven, farmacologische en toxicologische alsmede klinische proeven. Punt 8, sub a-iii, bepaalt dat de aanvrager niet gehouden [is] de resultaten van [die proeven] te verschaffen, wanneer hij kan aantonen [...] dat het geneesmiddel in wezen gelijkwaardig is aan een product dat [...] in de lidstaat waarop de aanvraag betrekking heeft in de handel wordt gebracht. Noch de opzet noch de formulering van deze bepaling biedt steun voor het standpunt dat de verplichting om aan te tonen dat het referentieproduct in de handel is, blijft bestaan tot de afgifte van de generieke vergunning.
46. AstraZeneca stelt met enige klem dat indien haar uitlegging niet door het Hof wordt aanvaard, de bevoegde instantie van de lidstaat waarop de aanvraag betrekking heeft, niet in staat zal zijn haar verplichting tot geneesmiddelenbewaking te vervullen. Dit argument lijkt in het bijzonder gebaseerd te zijn op twee bepalingen op dit gebied. Ik zal eerst de tekst van deze bepalingen onderzoeken en mij vervolgens richten op de eigenlijke preoccupaties van AstraZeneca.
47. Om te beginnen verwijst AstraZeneca naar artikel 4, sub a, van richtlijn 75/319 (20) , volgens welke de bevoegde instanties van de lidstaten dienen te onderzoeken of aan de voorwaarden voor de verlening van de vergunningen voor het in de handel brengen is voldaan. AstraZeneca stelt dat ingevolge dat voorschrift de bevoegde instanties moeten nagaan of op het tijdstip van afgifte van de vergunning aan de criteria van kwaliteit, veiligheid en werking is voldaan.
48. Ik ben er niet van overtuigd dat deze betekenis uit artikel 4, sub a, kan worden afgeleid. De volledige tekst luidt als volgt: Voor het onderzoek van de overeenkomstig artikel 4 van richtlijn nr. 65/65/EEG, ingediende aanvraag:
a) dienen de bevoegde instanties van de lidstaten na te gaan of het overgelegde dossier met vorengenoemd artikel 4 in overeenstemming is en te onderzoeken of aan de voorwaarden voor de verlening van de vergunningen voor het in de handel brengen is voldaan
. Wanneer de bewoordingen van deze bepaling in hun gewone betekenis worden verstaan, lijken zij betrekking te hebben op het moment waarop de aanvraag wordt ingediend.
49. Ten tweede baseert AstraZeneca haar argument op artikel 5 van richtlijn 65/65 (21) , dat de omstandigheden opsomt waaronder een bevoegde instantie de afgifte van een VHB moet weigeren. Ingevolge de eerste alinea van dat artikel moet de vergunning worden geweigerd wanneer na verificatie van de in artikel 4 vermelde gegevens en bescheiden blijkt dat de specialiteit bij normaal gebruik schadelijk is of dat de therapeutische werking van de specialiteit ontbreekt of door de aanvrager onvoldoende wordt gemotiveerd, dan wel dat de specialiteit niet de opgegeven kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling bezit. AstraZeneca stelt dat de bevoegde instantie bij de afgifte van de vergunning slechts zal kunnen beoordelen of aan de criteria van kwaliteit, veiligheid en werking is voldaan, wanneer het referentieproduct op dat moment nog steeds in de handel is.
50. Ik ben er wederom niet van overtuigd dat de eerste alinea van artikel 5 in die zin kan worden uitgelegd: aangezien de betrokken gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd bij de aanvraag, is de meest voor de hand liggende uitlegging van dit voorschrift dat het ziet op het tijdstip van de indiening van de aanvraag. Aangezien een aanvrager van een generieke vergunning uitdrukkelijk wordt vrijgesteld van de verplichting om bepaalde gegevens en bescheiden te verstrekken, lijkt het bovendien wat op een cirkelredenering om met een beroep op artikel 5 de vergunning te weigeren omdat diezelfde gegevens en bescheiden door de betrokkene na de indiening van zijn aanvraag niet bijgewerkt kunnen worden.
51. Het is echter duidelijk dat de voornaamste doelstelling van de communautaire regelgeving met betrekking tot de handel in geneesmiddelen de bescherming van de volksgezondheid is. (22) AstaZeneca betoogt in wezen dat haar uitlegging moet prevaleren ter voorkoming van schade aan de volksgezondheid en met name dat, ingeval de vergunning van het referentieproduct wordt ingetrokken, de bevoegde instantie niet kan garanderen dat zij bij de afgifte van de generieke vergunning beschikt over bijgewerkte gegevens betreffende de kwaliteit, veiligheid en werking van het referentieproduct.
52. Ik ben het hiermee niet eens.
53. Ten eerste moet degene die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van het middel ingevolge artikel 29 quater van richtlijn 75/319 (23) ervoor zorgen dat gegevens over alle vermoedelijke ernstige bijwerkingen die hem worden gerapporteerd, op één punt binnen de Gemeenschap worden verzameld en geordend en dat aan elk verzoek van de bevoegde instanties om verstrekking van aanvullende gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van de voordelen en risico's van het geneesmiddel, snel en volledig wordt voldaan. Op die manier kan de bevoegde instantie van de lidstaat waar een aanvraag via de verkorte procedure wordt ingediend, als zij dat nuttig acht, zich eerst wenden tot de houder van de VHB van het referentieproduct in een andere lidstaat, voordat zij een vergunning voor het generieke product afgeeft.
54. Ten tweede verlangt artikel 29 quinquies van richtlijn 75/319 (24) dat degene die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van het middel aantekening houdt van alle vermoedelijke ernstige bijwerkingen waarvan hij door een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg in kennis wordt gesteld, en deze gegevens onverwijld aan de bevoegde instanties meldt, en dat hij gedetailleerd aantekening houdt van alle andere vermoedelijke bijwerkingen die hem aldus worden gerapporteerd. Deze aantekeningen moeten periodiek, maar in elk geval op eerste verzoek, bij de bevoegde instanties worden ingediend.
55. De lidstaten moeten alle passende maatregelen nemen om de artsen en andere beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg ertoe aan te zetten vermoedelijke bijwerkingen aan de bevoegde instanties te melden (25) en ervoor zorgen dat meldingen van vermoedelijke ernstige bijwerkingen onverwijld ter kennis worden gebracht van het Bureau en van degene die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van het geneesmiddel. (26)
56. AstraZeneca benadrukt zelf in haar schriftelijke opmerkingen de strengheid van deze verplichtingen als ondersteuning voor haar argument dat de bevoegde instantie van de lidstaat waar de aanvraag voor de generieke vergunning wordt ingediend, niet zal beschikken over bijgewerkte gegevens wanneer de VHB van het referentieproduct eenmaal is ingetrokken. De hierboven genoemde verplichting tot geneesmiddelenbewaking zal echter blijven gelden, zolang er in andere lidstaten een VHB van de referentieproducten voorhanden is.
57. Wanneer de VHB van het referentieproduct wordt ingetrokken om redenen die niets te maken hebben met de veiligheid van het middel, krijgen we een situatie die vergelijkbaar is met die van een parallelimporteur. Hoewel duidelijk uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de parallelle invoer van geneesmiddelen niet valt onder richtlijn 65/65 (27) , is de vraag gerezen of de bevoegde instantie van de lidstaat van invoer in die omstandigheden een passende geneesmiddelenbewaking kan verzekeren, wanneer er geen VHB van het referentieproduct is. In het arrest Ferring (28) stelde het Hof dat, hoewel een adequaat toezicht op de oorspronkelijke versie van het geneesmiddel noodzakelijk blijft in de staat van invoer, een geneesmiddelenbewaking die voldoet aan de eisen van richtlijn 75/319, normaliter kan worden verzekerd door samenwerking met de nationale autoriteiten van de andere lidstaten bij wege van toegang tot de bescheiden en gegevens die door de fabrikant of andere vennootschappen van zijn groep zijn verstrekt voor de oude versie in de lidstaten waarin deze nog op basis van een geldige VHB wordt verkocht.
58. AstraZeneca voert ook aan dat de bevoegde instantie die een aanvraag voor een vergunning behandelt, zal weten dat er in andere lidstaten een VHB voorhanden is, omdat ingevolge artikel 4, derde alinea, punt 11, van richtlijn 65/65 de aanvrager afschriften van iedere in een andere lidstaat verkregen VHB moet overleggen en daarenboven die gegevens geregeld moet bijwerken.
59. De hierboven genoemde verplichting tot geneesmiddelenbewaking blijft inderdaad, zoals AstaZeneca stelt, alleen bestaan zolang het referentieproduct nog in ten minste één andere lidstaat in de handel is. Is dit niet het geval, dan zal er volgens AstraZeneca een leemte zijn: de bevoegde instantie waarbij de aanvraag voor de generieke vergunning wordt ingediend, kan zich er vóór de afgifte van de vergunning niet van vergewissen of haar gegevens ter zake van geneesmiddelenbewaking zijn bijgewerkt.
60. Zoals de Nederlandse en de Noorse regering aanvoeren, is het echter ook waar dat, zolang noch het referentieproduct noch het generieke middel in de Gemeenschap in de handel is, er geen meldingen van bijwerkingen te verrichten vallen. Aangezien het in die omstandigheden dus zinloos is te spreken van bijgewerkte gegevens ter zake van geneesmiddelenbewaking, is het niet juist te stellen dat de bevoegde instantie van de lidstaat waar een aanvraag voor een generieke vergunning wordt ingediend, om die reden haar verplichting tot geneesmiddelenbewaking niet zal kunnen nakomen als de VHB van het referentieproduct wordt ingetrokken vóór de afgifte van de generieke vergunning.
61. Indien de VHB van het referentieproduct wordt ingetrokken om redenen die verband houden met de volksgezondheid, zou het natuurlijk niet passend zijn dat een generieke vergunning wordt afgegeven na intrekking van de eerdere vergunning. Aangezien echter, zoals AstraZeneca in haar schriftelijke opmerkingen uiteenzet, degene die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van een geneesmiddel ingevolge artikel 33, lid 2, van richtlijn 75/319 verplicht is de betrokken lidstaat onverwijld in kennis te stellen van het uit de handel nemen van het middel onder opgave van de redenen als deze gelegen zijn in de bescherming van de volksgezondheid, zal de bevoegde instantie bij wie de aanvraag voor een generieke vergunning is ingediend, in staat zijn dit punt vast te stellen.
62. De door mij voorgestelde uitlegging van punt 8, sub a-iii, weerspiegelt volgens mij de doelstellingen van die bepaling zoals uiteengezet in de considerans van richtlijn 87/21 (29) , die haar heeft ingevoerd. In het bijzonder verzekert zij, zoals de Nederlandse regering benadrukt, dat er geen onnodige herhaling van proeven op mens en dier plaatsvindt, die nodig zou zijn als de aanvrager van een generieke vergunning de verkorte procedure niet kon toepassen ingeval de VHB van het referentieproduct na de indiening van zijn aanvraag werd ingetrokken. Aan de eveneens in de considerans van richtlijn 87/21 genoemde noodzaak ervoor te zorgen dat innoverende ondernemingen niet worden benadeeld, wordt uiteraard tegemoetgekomen door het vereiste in punt 8, sub a-iii, dat het referentieproduct gedurende een periode van zes of tien jaar in de Gemeenschap is toegelaten; bovendien worden octrooirechten, onafhankelijk van de geneesmiddelenvoorschriften, beschermd.
63. Deze uitlegging strookt ook met de interpretatie van deze bepaling zoals die tot uiting komt in de richtsnoeren van de Commissie die gepubliceerd zijn in Voorschriften inzake geneesmiddelen in de Europese Gemeenschap, deel II, Mededeling aan aanvragers van vergunningen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen voor menselijk gebruik in de lidstaten van de Europese Gemeenschap . Deze richtsnoeren weerspiegelen de eensgezindheid van de vertegenwoordigers van de lidstaten in het Comité voor farmaceutische specialiteiten en in het bij verordening nr. 2309/93 (30) opgerichte Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling. Deel II A van deze richtsnoeren draagt de titel Vergunningsprocedures voor het in de handel brengen van geneesmiddelen en de actuele versie (31) ervan luidt:De bevoegde instanties moeten nagaan of het referentieproduct op het tijdstip van de aanvraag nog steeds is toegelaten. Als de [referentie]vergunning wordt ingetrokken na de indiening van een aanvraag voor het generieke product, maar vóór de verlening van de vergunning, kunnen de bevoegde instanties niettemin de vergunning voor het in de handel brengen van het generieke product verlenen mits de intrekking of opschorting van het oorspronkelijke product [sic] niet geschiedde om redenen van volksgezondheid. (32)
64. Deze uitlegging wordt ook voorgestaan door de European Medicines Agencies Co-operation on Legal and Legislative Issues (Coördinatiegroep van Europese geneesmiddelenagentschappen op het gebied van juridische zaken; Emacolex), samengesteld uit ambtenaren-juristen uit de lidstaten, de Europese Commissie en het Bureau. (33)
65. Hoewel de richtsnoeren van de Commissie (34) niet bindend zijn en het standpunt van Emacolex evenmin, is het volgens mij niettemin van belang dat deze beide instanties, die zich bezighouden met de regelgeving voor geneesmiddelen, tot dezelfde uitlegging zijn gekomen.
66. Ik denk niet dat deze uitlegging het de fabrikant van een merkmiddel in de praktijk mogelijk maakt, de fabrikanten van generieke middelen ervan te weerhouden om de verkorte procedure toe te passen door het middel uit de handel te nemen, zoals door verscheidene deelnemers aan de procedure is benadrukt. Ook al is een bepaald middel dat had kunnen dienen als referentieproduct in de zin van punt 8, sub a-iii, in een lidstaat uit de handel genomen, zal een generieke fabrikant vaak nog steeds een vergunning kunnen verkrijgen om het generieke middel in die lidstaat in de handel te brengen. Als een variant van het referentieproduct in de betrokken lidstaat in de handel is, zal op grond van het arrest Generics (35) van het Hof veelal verwezen kunnen worden naar deze nieuwere versie, ook al is deze binnen de zes- of tienjarige termijn voor gegevensbescherming toegelaten. Zoals ik in mijn conclusie van heden in de zaak Novartis (36) aanvoer, is dit mogelijk telkens wanneer een variant verschilt van het oorspronkelijke middel qua farmaceutische vorm, dosis of therapeutisch gebruik.
De tweede vraag
67. Met zijn tweede vraag wil de verwijzende rechter in feite weten of het begrip in de handel gebracht in punt 8, sub a-iii, eenvoudigweg betekent dat voor het referentieproduct een VHB is afgegeven dan wel dat moet worden bewezen dat het daadwerkelijk in de handel wordt gebracht.
68. Behalve de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, die de tweede vraag niet uitdrukkelijk heeft behandeld, zijn alle deelnemers aan de procedure het erover eens dat het referentieproduct in de handel wordt gebracht in de zin van punt 8, sub a-iii, als daarvoor een VHB is afgegeven.
69. Ik deel dit standpunt.
70. Om te beginnen wordt, zoals AstraZeneca, Generics, de Deense, de Nederlandse en de Noorse regering en de Commissie in wezen stellen, de bescherming van de volksgezondheid ─ de voornaamste doelstelling van richtlijn 65/65 (37) ─ niet verzekerd door het bewijs dat het referentieproduct daadwerkelijk in de handel is, maar door de uitgebreide gegevens en bescheiden die de aanvrager ingevolge artikel 4, derde alinea, van richtlijn 65/65 verstrekt om een VHB van dat middel te verkrijgen. Deze door de aanvrager in overeenstemming met de bijlage bij richtlijn 75/319 (38) bijgewerkte gegevens en bescheiden blijven beschikbaar voor de bevoegde instantie van de lidstaat waar de aanvraag voor de generieke vergunning wordt ingediend.
71. Ten tweede heeft dit criterium, zoals de Nederlands regering aanvoert, het voordeel dat het gemakkelijk toepasbaar is, terwijl het moeilijk kan zijn om vast te stellen of een middel al dan niet daadwerkelijk in de handel is, als het al mogelijk is het eens te worden over een definitie: vormt bijvoorbeeld voorbereidende reclame, het aanvaarden van bestellingen of de levering van producten eigenlijk een vorm van handel?
72. Ten derde is die uitlegging volgens AstraZeneca, de Deense en de Nederlandse regering en de Commissie in overeenstemming met de Mededeling aan aanvragers, waarin wordt gesteld: In de handel gebracht moet worden begrepen als toegelaten, omdat het geneesmiddel is toegelaten ingevolge een vergunning om het in de handel te brengen.
73. Ten slotte brengt die uitlegging niet het door de Nederlandse regering, de Commissie en de Toezichthoudende Autoriteit genoemde risico met zich dat een algemene vergunning kan worden afgegeven wanneer een VHB van een referentieproduct bestaat dat in feite om gezondheidsredenen uit de handel is genomen. Ingevolge artikel 33, lid 2, van richtlijn 75/319 (39) is degene die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van een geneesmiddel verplicht de betrokken lidstaten in kennis te stellen van elke actie die door hem is ondernomen om een product uit te handel te nemen onder opgave van de redenen hiervoor indien deze betrekking hebben op de werking van het geneesmiddel of de bescherming van de volksgezondheid, terwijl artikel 11, eerste alinea, van richtlijn 65/65 (40) de bevoegde overheidsinstanties verplicht een vergunning te schorsen of in te trekken, wanneer blijkt dat de farmaceutische specialiteit bij normaal gebruik schadelijk is, dan wel dat de therapeutische werking ontbreekt. Bijgevolg mag een VHB van een referentieproduct dat uit de markt is gehaald om redenen van volksgezondheid, niet blijven bestaan.
Conclusie
74. Ik ben dan ook van mening dat de door het Østre Landsret gestelde vragen moeten worden beantwoord als volgt:Om de verkorte procedure van artikel 4, derde alinea, punt 8, sub a-iii, van richtlijn 65/65/EEG van de Raad van 26 januari 1965 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake geneesmiddelen te kunnen toepassen, moet de aanvrager van een vergunning voor het in de handel brengen aantonen, dat ten tijde van de betrokken aanvraag een geldige vergunning voor het in de handel brengen van het referentieproduct bestaat in de lidstaat waarop de aanvraag betrekking heeft.
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – PB 1965, 22, blz. 369, zoals in het bijzonder gewijzigd bij richtlijn 87/21/EEG van de Raad van 22 december 1986 (PB 1987, L 15, blz. 36), richtlijn 89/341/EEG van de Raad van 3 mei 1989 (PB L 142, blz. 11), en richtlijn 93/39/EEG van de Raad van 14 juni 1993 (PB L 214, blz. 22). Deze regelgeving is met ingang van 18 december 2001 gecodificeerd en vastgelegd in richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311, blz. 67). De relevante bepalingen zijn echter in wezen niet gewijzigd.
3 – Oorspronkelijk ging het om de tweede alinea. Deze is de derde alinea geworden als gevolg van de hierboven in voetnoot 2 aangehaalde wijziging bij richtlijn 93/39.
4 – Eerste en tweede overweging van de considerans.
5 – PB L 214, blz. 1. Communautaire VHB's zijn in casu niet aan de orde.
6 – Aangehaald in voetnoot 2.
7 – Tweede en vierde overweging van de considerans.
8 – Punt vier van deze alinea betreft een korte beschrijving van de bereidingswijze en punt 7 een beschrijving van de door de fabrikant toegepaste controlemethoden.
9 – Richtlijn van de Raad van 20 mei 1975 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de analytische, toxicologisch-farmacologische en klinische normen en voorschriften betreffende proeven op farmaceutische specialiteiten (PB L 147, blz. 1).
10 – Zoals gewijzigd bij richtlijn 91/507/EEG van de Commissie van 19 juli 1991 (PB L 270, blz. 32).
11 – Tweede richtlijn van de Raad van 20 mei 1975 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake farmaceutische specialiteiten (PB L 147, blz. 13), zoals met name gewijzigd bij de richtlijnen 89/341 en 93/39. De artikelen 29 bis tot en met nonies zijn met ingang van 30 juni 2000 gewijzigd bij richtlijn 2000/38/EG van de Commissie van 5 juni 2000 (PB L 139, blz. 28), die de verplichting tot geneesmiddelenbewaking nog aanscherpt.
12 – Arrest van 3 december 1998 (C-368/96, Jurispr. blz. I-7967).
13 – De eerste vraag, sub a, die luidde: a) op het tijdstip van de aanvraag in de lidstaat waarop de aanvraag betrekking heeft, in de handel is geweest, is door de nationale rechter ingetrokken.
14 – Aangehaald in voetnoot 11.
15 – Hierboven weergegeven in punt 8.
16 – Aangehaald in voetnoot 2.
17 – Aangehaald in voetnoot 5.
18 – Aangehaald in voetnoot 2.
19 – wenn er [...] nachweisen kann, [...] dass das Arzneimittel im Wesentlichen einem Erzeugnis gleicht, das [...] in dem Mitgliedstaat, in dem der Antrag gestellt wird, im Verkehr gebracht ist en if he can demonstrate: [...] that the proprietary medicinal product is essentially similar to a product which [...] is marketed in the Member State for which the application is made. De meeste andere taalversies zijn soortgelijk opgebouwd.
20 – Hierboven weergegeven in punt 16.
21 – Hierboven weergegeven in punt 10.
22 – Zie de eerste overweging van de considerans van richtlijn 65/65, hierboven aangehaald in punt 4.
23 – Hierboven weergegeven in punt 16.
24 – Hierboven weergegeven in punt 16.
25 – Artikel 29 sexies van richtlijn 75/319, hierboven weergegeven in punt 16.
26 – Artikel 29 septies van richtlijn 75/319, hierboven weergegeven in punt 16.
27 – Zie de rechtspraak waarnaar het arrest Ferring (C-172/00, Jurispr. blz. I-6891, punten 19-22) summier verwijst.
28 – Aangehaald in voetnoot 27, punten 36 en 38, waarin verwezen wordt naar het arrest van 16 december 1999, Rhône-Poulenc Rorer en May & Baker (C-94/98, Jurispr. blz. I-8789, punt 46).
29 – Hierboven weergegeven in punt 8.
30 – Aangehaald in voetnoot 5.
31 – November 2002.
32 – Hoofdstuk 1, punt 4.2.2., cursivering in oorspronkelijke tekst.
33 – Punt 9.2 van het verslag van de twaalfde bijeenkomst van Emacolex van november 1999 te Helsinki.
34 – Opgemerkt dient echter te worden dat de bijlage bij richtlijn 75/318, aangehaald in voetnoot 9, zoals gewijzigd bij richtlijn 91/507, aangehaald in voetnoot 10, verlangt dat bij de verstrekking van gegevens en bescheiden bij een aanvraag voor een VHB krachtens artikel 4 van richtlijn 65/65 rekening wordt gehouden met de door de Commissie gepubliceerde richtsnoeren. Het Hof heeft bovendien naar deze richtsnoeren verwezen in het arrest Generics, aangehaald in voetnoot 12, punten 31 en 32, in het kader van de uitlegging van een ander aspect van punt 8, sub a-iii.
35 – Aangehaald in voetnoot 12.
36 – C-106/01, Novartis Pharmaceuticals UK.
37 – Zie de eerste overweging van de considerans, hierboven aangehaald in punt 4.
38 – Zie hierboven, punten 14 en 15.
39 – Hierboven weergegeven in punt 16.
40 – Hierboven weergegeven in punt 12.
Full & Egal Universal Law Academy