CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. LÉGER
van 27 april 2004 (1)
Zaak C‑257/01
Commissie van de Europese Gemeenschappen,
ondersteund door: Koninkrijk der Nederlanden,
tegen
Raad van de Europese Unie,
ondersteund door: Koninkrijk Spanje
„Rechtspraak en binnenlandse aangelegenheden – Visumbeleid – Controle en bewaking aan grenzen – Uitvoeringsbevoegdheden voorbehouden aan de Raad van de Europese Unie – Artikel 202 EG – Artikel 1 van besluit 1999/468/EG van de Raad – Specifieke en gemotiveerde gevallen – Begrippen”
1. In deze zaak wordt het Hof voor het eerst verzocht de grenzen van de bevoegdheid van de Raad van de Europese Unie om zich uitvoeringsbevoegdheden voor te behouden, te onderzoeken en te controleren. De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt krachtens artikel 230 EG om nietigverklaring van de verordeningen (EG) nr. 789/2001 van de Raad van 24 april 2001 tot verlening van uitvoeringsbevoegdheden aan de Raad met betrekking tot bepaalde gedetailleerde voorschriften en praktische procedures voor de behandeling van visumaanvragen(2) en nr. 790/2001 van de Raad van 24 april 2001 tot verlening van uitvoeringsbevoegdheden aan de Raad met betrekking tot bepaalde gedetailleerde voorschriften en praktische procedures inzake de uitvoering van de controle en de bewaking aan de grenzen(3) (hierna: „bestreden verordeningen”).
I – Rechtskader
2. Om te beginnen zal ik het rechtskader betreffende de toekenning van uitvoeringsbevoegdheden onderzoeken en vervolgens het gebied waarop de Raad zich deze bevoegdheden in casu heeft voorbehouden.
A – Het voorbehouden van uitvoeringsbevoegdheden door de Raad
3. Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht hebben twee bepalingen van het EG-Verdrag betrekking op de toekenning van uitvoeringsbevoegdheden in het kader van de Gemeenschap, namelijk de artikelen 202 EG en 211 EG.
4. In de tweede afdeling van de verdragsbepalingen inzake de instellingen, met het opschrift „De Raad”, bepaalt artikel 202, aanhef en derde streepje, EG:
„Ter bereiking van de doelstellingen van dit Verdrag en overeenkomstig de bepalingen daarvan
[...]
– verleent de Raad, in de besluiten die hij neemt, de Commissie de bevoegdheden ter uitvoering van de regels die hij stelt. De Raad kan de uitoefening van deze bevoegdheden aan bepaalde voorwaarden onderwerpen. Hij kan zich ook het recht voorbehouden in bijzondere gevallen bepaalde uitvoeringsbevoegdheden rechtstreeks uit te oefenen. De hierboven bedoelde voorwaarden dienen te beantwoorden aan de beginselen en regels die de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, vooraf met eenparigheid van stemmen heeft vastgesteld.”
5. In de derde afdeling van de verdragsbepalingen inzake de instellingen, met het opschrift „De Commissie”, bepaalt artikel 211, vierde streepje, EG:
„Teneinde de werking en de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt te verzekeren
[...]
– oefent de Commissie de bevoegdheden uit welke de Raad haar verleent ter uitvoering van de regels die hij stelt.”
6. Bovendien zijn in besluit 1999/468/EG van de Raad de voorwaarden vastgelegd voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(4) (hierna: „tweede comitologiebesluit”).
7. Artikel 1, eerste alinea, daarvan bepaalt: „Met uitzondering van gemotiveerde bijzondere gevallen waarin de Raad zich op grond van het basisbesluit het recht voorbehoudt bepaalde uitvoeringsbevoegdheden rechtstreeks uit te oefenen, worden aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden verleend overeenkomstig de daartoe in het basisbesluit vastgestelde bepalingen. In die bepalingen worden de belangrijkste elementen van de aldus verleende bevoegdheden vastgesteld.”
B – Het relevante gebied: titel IV van het Verdrag
8. De bestreden verordeningen zijn vastgesteld op grond van enkele bepalingen van titel IV van het Verdrag, met het opschrift „Visa, asiel, immigratie en andere beleidsterreinen die verband houden met het vrije verkeer van personen”. In deze nieuwe titel zijn verschillende bepalingen die al in het EG-Verdrag voorkwamen(5), samengevat en gebieden die voorheen onder de intergouvernementele methode vielen, gecommunautariseerd.
9. Op grond van het Akkoord van Schengen en de bijbehorende uitvoeringsovereenkomst(6), gesloten op 19 juni 1990 (hierna: „SUO”), konden vijf lidstaten overgaan tot geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, zoals door de Commissie in haar Witboek inzake de voltooiing van de interne markt aanbevolen.(7) Het Akkoord van Schengen en de SUO waren het resultaat van bilaterale en multilaterale initiatieven tussen deze lidstaten op genoemd gebied.
10. Titel II van de SUO bevat in de hoofdstukken 2 en 3 de voornaamste regels inzake, respectievelijk, de overschrijding van de buitengrenzen en de visa. De praktische procedures voor de toepassing van deze regels zijn geregeld in het Gemeenschappelijk handboek (hierna: „GH”)(8) wat de controles aan de grenzen betreft en in de Gemeenschappelijke instructies aan de diplomatieke en consulaire beroepsposten (hierna: „GVI”)(9) wat de visa betreft. Deze documenten moeten regelmatig door het Uitvoerend Comité(10) worden bijgewerkt, aangezien het werkinstructies betreft die dagelijks door ambtenaren moeten worden toegepast.
11. Artikel 2, lid 1, van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis(11) in het kader van de Europese Unie(12) bepaalt enerzijds dat de SUO, met inbegrip van de besluiten van het Uitvoerend Comité, vanaf de datum van inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam(13) van toepassing is op de in artikel 1 van dit protocol genoemde dertien lidstaten, en anderzijds dat de Raad in de plaats treedt van het Uitvoerend Comité voor de uitoefening van de bevoegdheden daarvan.
12. Na deze communautarisering van een deel van het Schengen-acquis zijn bij besluit 1999/436/EG(14) het GH en de GVI alsmede alle daarmee verband houdende besluiten van het Uitvoerend Comité in het communautaire kader opgenomen.(15) Het besluit van het Uitvoerend Comité betreffende de definitieve versies van het GH en de GVI, alsmede van hun bijlagen, hebben als rechtsgrondslag de artikelen 62 EG en 63 EG gekregen.(16) De wijziging en de bijwerking van deze documenten moeten voortaan plaatsvinden overeenkomstig de in het gemeenschapsrecht voorziene procedures.
13. Teneinde een kader te scheppen voor de wijzigingen van het GH en de GVI alsmede hun bijlagen heeft de Raad de bestreden verordeningen vastgesteld. De artikelen 62, punten 2 en 3, EG(17), 62, punt 2, sub a en b, EG en 67, lid 1, EG(18) vormen de rechtsgrondslag van deze verordeningen.
14. Artikel 62 EG bepaalt:
„Binnen een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam neemt de Raad volgens de procedure van artikel 67 de volgende maatregelen aan:
1) maatregelen om in overeenstemming met artikel 14 te waarborgen dat personen, ongeacht of het burgers van de Unie dan wel onderdanen van derde landen betreft, bij het overschrijden van de binnengrenzen niet worden gecontroleerd;
2) maatregelen inzake het overschrijden van de buitengrenzen van de lidstaten, houdende:
a) normen en procedures die de lidstaten bij de uitvoering van personencontroles aan die grenzen in acht moeten nemen;
b) voorschriften inzake visa voor voorgenomen verblijven van ten hoogste drie maanden, met inbegrip van:
i) de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum, en van derde landen waarvan de onderdanen zijn vrijgesteld van deze plicht;
ii) de procedures en voorwaarden voor de afgifte van visa door de lidstaten;
iii) een uniform visummodel;
iv) voorschriften betreffende een uniform visum;
3) maatregelen tot vaststelling van de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen vrij kunnen reizen op het grondgebied van de lidstaten gedurende een periode van ten hoogste drie maanden.”
15. Artikel 67 EG bepaalt:
„1. Gedurende een overgangsperiode van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam besluit de Raad met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie of op initiatief van een lidstaat, na raadpleging van het Europees Parlement.
2. Na deze periode van vijf jaar:
– besluit de Raad op voorstel van de Commissie; de Commissie neemt ieder verzoek van een lidstaat om indiening van een voorstel bij de Raad in behandeling;
– neemt de Raad met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement, een besluit teneinde de procedure van artikel 251 toe te passen op alle onder deze titel vallende gebieden, dan wel delen ervan, en de bepalingen betreffende de bevoegdheden van het Hof van Justitie aan te passen.
3. In afwijking van de leden 1 en 2 worden maatregelen als bedoeld in artikel 62, punt 2, onder b), i) en iii), na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement aangenomen.
4. In afwijking van lid 2, worden maatregelen als bedoeld in artikel 62, punt 2, onder b), ii) en iv), na verloop van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam door de Raad aangenomen volgens de procedure van artikel 251.”
C – De bestreden verordeningen
16. Verordening nr. 789/2001 heeft tot doel de uitvoeringsbevoegdheden aan de Raad voor te behouden met het oog op de wijziging en bijwerking van sommige bepalingen van de GVI en haar bijlagen. De zesde overweging van de considerans verwijst naar artikel 17 van de SUO(19) volgens hetwelk het voor bepaalde wijzigingen van de GVI noodzakelijk is dat het Uitvoerend Comité uitvoeringsmaatregelen treft. Zij preciseert eveneens dat waar de Raad in de plaats is getreden van het Uitvoerend Comité en de institutionele regels in het vervolg op de GVI en het GH van toepassing zijn, het passend is om de communautaire procedure voor de vaststelling van bedoelde uitvoeringsbesluiten vast te stellen.
17. De achtste overweging van de considerans van verordening nr. 789/2001 motiveert het feit dat de Raad de uitvoerende bevoegdheden op het gebied van visumaanvragen aan zichzelf houdt, als volgt:
„Aangezien de lidstaten een grotere rol spelen in de ontwikkeling van het visumbeleid – een politiek gevoelig beleidsterrein, met name wanneer het gaat om politieke relaties met derde landen – behoudt de Raad zich het recht voor om gedurende de overgangsperiode van vijf jaar genoemd in artikel 67, lid 1, van het Verdrag, de bovengenoemde gedetailleerde voorschriften en praktische procedures met eenparigheid van stemmen aan te nemen, te wijzigen of bij te werken, in afwachting van een toetsing door de Raad van de voorwaarden waaronder dergelijke uitvoeringsbevoegdheden na afloop van de genoemde overgangsperiode aan de Commissie zullen worden verleend.”
18. Artikel 1 van verordening nr. 789/2001 somt de bepalingen van de GVI en haar bijlagen op die de Raad aldus met eenparigheid van stemmen kan wijzigen.
19. Bij artikel 2 van deze verordening wordt voorts een procedure ingevoerd volgens welke de lidstaten de secretaris-generaal van de Raad in kennis stellen van de wijzigingen die zij in bepaalde delen van de bijlagen van de GVI wensen aan te brengen.
20. Tot slot moeten de delen van de GVI en van haar bijlagen die niet overeenkomstig één van de in verordening nr. 789/2001 genoemde procedures kunnen worden gewijzigd, worden gewijzigd op grond van de bepalingen van titel IV van het Verdrag en inzonderheid de artikelen 62, punten 2 en 3, EG en 67 EG daarvan.
21. Verordening nr. 790/2001, die een identieke structuur heeft als verordening nr. 789/2001, heeft tot doel de uitvoeringsbevoegdheden op het vlak van de wijziging en bijwerking van sommige bepalingen van het GH en zijn bijlagen aan de Raad voor te behouden. De derde overweging van de considerans ervan verwijst naar artikel 8 van de SUO(20), dat op het gebied van de grenscontroles de wijziging en bijwerking van het GH en zijn bijlagen regelt.
22. De vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 790/2001 motiveert het feit dat de Raad de uitvoerende bevoegdheden op dit gebied aan zichzelf houdt, als volgt:
„Aangezien de lidstaten een grotere rol spelen in de ontwikkeling van het grensbeleid – een politiek gevoelig beleidsterrein, met name wanneer het gaat om politieke relaties met derde landen – behoudt de Raad zich het recht voor om gedurende de overgangsperiode van vijf jaar genoemd in artikel 67, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, de bovengenoemde gedetailleerde voorschriften en praktische procedures met eenparigheid van stemmen aan te nemen, te wijzigen of bij te werken, in afwachting van een toetsing door de Raad van de voorwaarden waaronder dergelijke uitvoeringsbevoegdheden na afloop van de genoemde overgangsperiode aan de Commissie zullen worden verleend.”
23. De artikelen 1 en 2 van verordening nr. 790/2001 specificeren de twee in verordening nr. 789/2001 omschreven procedures en bepalen dat de procedure van titel IV van het Verdrag van toepassing is op alle overige wijzigingen en bijwerkingen van de verschillende delen van het GH en zijn bijlagen. Zo somt artikel 1 de bepalingen van het GH en zijn bijlagen op die door de Raad met eenparigheid van stemmen kunnen worden gewijzigd. Artikel 2 van verordening nr. 790/2001 regelt de wijze waarop de lidstaten de secretaris-generaal van de Raad in kennis stellen van de wijzigingen die zij in bepaalde delen van het GH wensen aan te brengen.
II – De procedure en de vorderingen van partijen
24. Op 3 juli 2001 heeft de Commissie bij het Hof beroep krachtens artikel 230 EG ingesteld tegen de Raad. Zij verzoekt het Hof de bestreden verordeningen nietig te verklaren en de Raad in de kosten te verwijzen.
25. De Raad verzoekt het Hof het beroep als ongegrond te verwerpen en de Commissie in de kosten te verwijzen.
26. Bij beschikkingen van de president van het Hof van 10 oktober 2001 en 8 november 2001 zijn het Koninkrijk Spanje en het Koninkrijk der Nederlanden toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Raad, respectievelijk van die van de Commissie.
27. Tot staving van haar beroep voert de Commissie twee middelen aan. In het kader van de bestreden verordeningen zou de Raad zich in strijd met artikel 202 EG en artikel 1 van het tweede comitologiebesluit ten onrechte en zonder afdoende motivering uitvoeringsbevoegdheden hebben voorbehouden.(21)
28. Subsidiair betoogt de Commissie dat de procedure van artikel 2 van de bestreden verordeningen, dat de lidstaten de bevoegdheid toekent om de GVI en het GH te wijzigen en die wijzigingen aan het secretariaat van de Raad mee te delen, in strijd is met artikel 202 EG.
III – De gestelde schending door de Raad van artikel 202 EG en artikel 1 van het tweede comitologiebesluit
A – Argumenten van partijen
29. De Commissie herinnert eraan dat als regel zij de uitvoeringsbevoegdheden uitoefent en dat de Raad zich deze bevoegdheden alleen kan voorbehouden in bijzondere gevallen en mits hij de specificiteit van de situatie die dit voorbehoud rechtvaardigt, motiveert. Zij betoogt dat de Raad deze specificiteit niet heeft aangetoond en dat hij een veel te „algemene” motivering heeft gegeven, die zowel kan gelden voor een willekeurig deel als voor het gehele gebied van titel IV van het Verdrag.(22) De Commissie stelt dat de Raad bovendien de aard en de inhoud van de uitvoeringsbevoegdheden die het voorwerp van de twee bestreden verordeningen vormen, en de daaruit voortvloeiende noodzaak voor de Raad om zelf deze bevoegdheden uit te oefenen, niet heeft gemotiveerd.
30. Nader ingaand op de verschillende door de Raad aangevoerde rechtvaardigingsgronden – die zij in casu niet gefundeerd acht – betoogt de Commissie dat het begrip „grotere rol van de lidstaten” in de overwegingen van de considerans van de bestreden verordeningen moeilijk te begrijpen valt. De enige mogelijke betekenis hiervan zou volgens haar kunnen zijn, dat titel IV van het Verdrag in het kader van de tijdelijke uitzonderingen op de communautaire procedure aan de lidstaten, naast de Commissie, het recht van initiatief verleent. Dit zou evenwel geen enkele betekenis hebben voor het voorbehouden van uitvoeringsbevoegdheden door de Raad.(23)
31. Evenzo vormt volgens de Commissie de gevoeligheid van het visumbeleid en het grensbeleid in geen geval een afdoende reden voor de Raad om de uitvoeringsbevoegdheden aan zich te houden.(24)
32. Ten slotte acht de Commissie het argument van de Raad waarin het verband tussen de gevoeligheid en de politieke relaties met derde landen wordt beklemtoond, evenmin juist. Zij herinnert eraan dat het Verdrag haar in het kader van genoemde relaties op commercieel gebied een institutionele rol toevertrouwt.(25) Zo vallen bijvoorbeeld sinds het Verdrag betreffende de Europese Unie bepaalde aspecten van het visumbeleid reeds op grond van artikel 100 C onder het gemeenschapsrecht en heeft de Raad reeds uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie verleend, met name op gebieden waarvoor absolute geheimhouding geldt.(26)
33. De Nederlandse regering ondersteunt de uiteenzettingen van de Commissie en voegt daaraan toe dat niet valt in te zien waarom de in de bestreden verordeningen bedoelde besluiten politiek dermate gevoelig liggen dat zij niet aan de Commissie kunnen worden toevertrouwd.(27)
34. Ondersteund door het Koninkrijk Spanje voert de Raad hiertegen in wezen aan, dat hij zich de uitvoeringsbevoegdheden rechtmatig en behoorlijk gemotiveerd heeft voorbehouden, overeenkomstig de vereisten van artikel 202 EG. Het voorbehouden van de uitvoeringsbevoegdheden heeft specifiek betrekking op de wijzigingen van bepaalde „gedetailleerde voorschriften en praktische procedures” in de GVI en het GH en niet op andere aspecten van het visumbeleid en het grensbeleid.(28) Daarom wordt ten onrechte aangevoerd dat de motivering van algemene aard is.
35. De redenen die de Raad ertoe hebben gebracht om zich de uitvoeringsbevoegdheden voor te behouden, zijn vermeld in de achtste overweging van de considerans van verordening nr. 789/2001 en de vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 790/2001. Volgens deze overwegingen spelen de lidstaten een grotere rol in de ontwikkeling van het visumbeleid en het grensbeleid, hetgeen de gevoeligheid van deze beleidsterreinen bevestigt, met name wanneer het gaat om de politieke relaties met derde landen.
36. De Raad is van mening dat de gevoeligheid van de gebieden waarop de wijzigingen betrekking hebben zonder meer voortvloeit uit de inhoud van de GVI en het GH, en hij noemt als voorbeeld de wijzigingen in bepaalde delen van deze twee documenten. Zo formuleert het tweede deel van de GVI de criteria teneinde te bepalen, welke lidstaat over de visumaanvragen moet beslissen. Volgens de Raad spreekt het voor zich, dat het wijzigen van deze criteria gevolgen zou kunnen hebben voor de belasting van de verschillende lidstaten dienaangaande.(29) Voorts geeft de Raad het voorbeeld van het gevoelige karakter van het vijfde deel van de GVI en inzonderheid punt 2.3, dat de procedure voorschrijft die moet worden gevolgd wanneer een visumaanvraag niet uitsluitend door de autoriteiten van de lidstaat waar de aanvraag is ingediend kan worden behandeld, maar waartoe de centrale autoriteiten van de andere lidstaten vooraf moeten worden geraadpleegd.
37. Gedurende de gehele schriftelijke procedure heeft de Raad het argument herhaald dat het visumbeleid en het grensbeleid, waarmee de „politieke relaties met derde landen” zijn gemoeid, geen verdere motivering behoeven. Het voorbehouden van de betrokken uitvoeringsbevoegdheden is derhalve naar zijn mening verenigbaar met artikel 202 EG en artikel 1 van het tweede comitologiebesluit, en het is bovendien naar behoren gemotiveerd. Voorts is het in de tijd beperkt tot de overgangsperiode van vijf jaar als voorzien in titel IV van het Verdrag.
B – Beoordeling
38. Partijen zijn het erover eens dat de uitvoeringsbevoegdheden in beginsel aan de Commissie toekomen en dat deze bevoegdheden eveneens betrekking hebben op de nieuwe titel IV van het Verdrag. Zij zijn het er ook over eens, dat de Raad die bevoegdheden in gemotiveerde bijzondere gevallen kan uitoefenen.
39. In casu moet het besluit van de Raad om de uitvoeringsbevoegdheden in het kader van de bestreden verordeningen aan zich te houden, worden onderzocht. Daartoe zal ik om te beginnen nagaan, onder welke voorwaarden de Raad uitvoeringsbevoegdheden kan uitoefenen. Vervolgens zal ik bezien binnen welk kader het Hof deze voorwaarden controleert. Ten slotte zal ik dit kader toepassen op het voorbehouden door de Raad van uitvoeringsbevoegdheden zoals dat in de onderhavige zaak aan de orde is.
1. De voorwaarden waaronder de Raad zich uitvoeringsbevoegdheden kan voorbehouden
40. Volgens de huidige stand van het gemeenschapsrecht bepaalt het Verdrag, zoals gewijzigd bij de Europese Akte, dat de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie worden uitgeoefend, maar dat de Raad kan beslissen dit in specifieke gevallen zelf te doen.
41. Volgens het Verdrag zoals dit luidde vóór de Europese Akte, kon de Raad krachtens artikel 155 EG-Verdrag (thans artikel 211 EG) aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheid verlenen.(30) De Raad was daartoe gerechtigd, doch niet verplicht.(31) Advocaat-generaal Dutheillet de Lamothe heeft de communautaire situatie aangaande de uitvoerende bevoegdheden zeer juist als volgt weergegeven: „1) De Raad heeft institutioneel niet alleen een algemene en fundamentele regelgevende bevoegdheid, maar tevens de bevoegdheid de door hem vastgestelde algemene regels zelf van de nodige uitvoeringsbepalingen te voorzien; 2) Deze bevoegdheid tot uitvoering kan de Raad ofwel zelf uitoefenen ofwel aan de Commissie delegeren”.(32)
42. Naar aanleiding van de bij de Europese Akte ingevoerde wijzigingen is aan artikel 202 EG een derde streepje toegevoegd, volgens hetwelk de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie worden uitgeoefend, terwijl de Raad zich slechts in bijzondere gevallen kan voorbehouden deze rechtstreeks uit te oefenen.(33)
43. Vervolgens zijn de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden bij twee besluiten van de Raad, de zogenoemde „comitologiebesluiten”, gepreciseerd. Besluit 87/373/EEG(34), het zogenoemde „eerste comitologiebesluit”, herhaalt in artikel 1 de bewoordingen van het Verdrag dat de Raad, met uitzondering van bijzondere gevallen, geen uitvoeringsbevoegdheden mag uitoefenen. Het tweede comitologiebesluit, dat het eerste wijzigt en intrekt, preciseert de voorwaarden waaronder uitvoeringsbevoegdheden mogen worden voorbehouden nader door daaraan een motiveringseis toe te voegen. Om te beginnen herinnert het aan de regel en de uitzondering zoals dit in het Verdrag is vastgelegd. Vervolgens preciseert het dat de Raad zich alleen in bijzondere en gemotiveerde gevallen, die in het basisbesluit zijn genoemd, uitvoeringsbevoegdheden kan voorbehouden. Het tweede comitologiebesluit voegt derhalve, voor de toepassing van dit voorbehoud door de Raad, aan de voorwaarde van de specificiteit een motiveringseis toe. Het preciseert evenwel niet wat onder deze voorwaarden moet worden verstaan.(35)
44. Ik constateer bijgevolg dat bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht de Raad slechts bij uitzondering uitvoeringsbevoegdheden kan uitoefenen, namelijk wanneer hij aantoont dat het een bijzonder geval betreft en hij zijn besluit motiveert. Thans moet het begrip „bijzondere gevallen” worden onderzocht.
45. Om te beginnen ben ik van mening dat de omstandigheid dat de Raad zich slechts in bijzondere gevallen uitvoeringsbevoegdheden mag voorbehouden, betekent dat de Raad zulks niet op algemene wijze mag doen.
46. Bevoegdheden kunnen niet voor een geheel gebied worden voorbehouden, doch slechts voor een of meer bijzondere aspecten van een materie waarop de Raad in het basisbesluit de aandacht moet vestigen. De handeling waarbij de Raad zich bevoegdheden voorbehoudt, moet derhalve verwijzen naar de bijzondere gebieden waarvoor het geldt.
47. De bijzondere aard van de situatie vereist eveneens dat het voorbehouden van bevoegdheden tot een bepaalde tijdsduur wordt beperkt. De Raad kan zich deze bevoegdheden niet voor onbepaalde tijd voorbehouden. Het uitzonderingskarakter van dit besluit heeft tot gevolg dat het niet van onbeperkte duur kan zijn.
48. Bijgevolg moet de Raad in de handeling waarmee hij zich uitvoeringsbevoegdheden voorbehoudt, preciseren voor welk bijzonder gebied dit voorbehoud geldt, waarbij hij rekening moet houden met de beperkingen die ik zojuist heb aangegeven.
49. De motivering, zoals we hebben gezien, strekt ertoe het voorbehouden van uitvoeringsbevoegdheden nader te begrenzen. Mijns inziens moet de Raad verklaren waarom hij het voorbehouden van bepaalde bevoegdheden gerechtvaardigd acht.
50. Het Hof heeft zich in zijn reeds aangehaalde arrest Commissie/Raad al indirect kunnen uitspreken over de voorwaarden waaronder de Raad zich uitvoeringsbevoegdheden kan voorbehouden. Het beroep betrof de nietigverklaring van een deel van een verordening inzake coördinatie en bevordering van het visserijonderzoek, waarin de uitoefening van de beslissingsbevoegdheden van de Commissie waren gebonden aan de beheerscomitéprocedure, hetgeen naar de mening van de Commissie in strijd was met haar exclusieve bevoegdheid op het gebied van de begroting. Het Hof verklaarde voor recht, dat de bevoegdheid van de Commissie om de begroting uit te voeren geen wijziging brengt in de bevoegdheidsverdeling die voortvloeit uit de verschillende verdragsbepalingen die de Raad en de Commissie machtigen om op bepaalde gebieden besluiten van algemene strekking of individuele besluiten te nemen.(36)
51. Het Hof heeft eveneens gepreciseerd dat „[n]a de wijziging van artikel 145 door de Europese Akte [...] de Raad slechts in welbepaalde gevallen de uitoefening van bepaalde uitvoeringsbevoegdheden rechtstreeks aan zich [kan] houden, welke beslissing omstandig moet worden gemotiveerd”.(37)
52. Het Hof heeft derhalve sedert 1989 geoordeeld dat de Raad zich slechts in uitzonderingsgevallen uitvoeringsbevoegdheden kan voorbehouden, en mits dit uitvoerig wordt gemotiveerd. Het tweede comitologiebesluit heeft deze rechtspraak dus in de tekst van artikel 1 ervan overgenomen. De reikwijdte daarvan moet thans worden onderzocht.
53. Ik herinner eraan dat artikel 253 EG bepaalt dat de instellingen een algemene verplichting hebben hun handelingen te motiveren. De bestreden verordeningen vallen onder deze verplichting.(38) Aangezien het voorbehouden van uitvoeringsbevoegdheden echter beperkt is tot uitzonderlijke gevallen, moet dit omstandig worden gemotiveerd. Mijns inziens heeft het vereiste van een omstandige motivering tot doel, het uitzonderlijke geval van de uitoefening van uitvoeringsbevoegdheden door de Raad nader te begrenzen en de omkering van regel en uitzondering op het gebied van de toekenning van bevoegdheden te rechtvaardigen.
54. Zo voorziet het gemeenschapsrecht in een uitvoerige motiveringsplicht op grond waarvan de Raad de handeling waarmee hij zich de uitvoeringsbevoegdheden voorbehoudt, naar behoren moet motiveren. Aangezien de motivering echter uitvoerig moet zijn, moet zij niet alleen de feitelijke en juridische redenen vermelden die de Raad aanleiding hebben gegeven een dergelijk besluit te nemen(39), doch eveneens waarom het van belang is dat de Raad bij wijze van uitzondering deze bevoegdheden uitoefent, en niet de Commissie.
55. Elke keer dat de Raad zich bevoegdheden voorbehoudt zonder dat aan deze vereisten is voldaan, wordt mijns inziens het institutioneel evenwicht in het kader van de toekenning en uitoefening van uitvoeringsbevoegdheden, zoals dit uit het Verdrag voortvloeit, in gevaar gebracht.
2. De door het Hof uitgeoefende controle op de voorwaarden waaronder de Raad zich uitvoeringsbevoegdheden kan voorbehouden
56. Thans moet de reikwijdte worden onderzocht van de controle die het Hof kan uitoefenen op het besluit van de Raad zich uitvoeringsbevoegdheden voor te behouden. De controle van het Hof moet betrekking hebben op de twee hiervoor genoemde cumulatieve voorwaarden: specificiteit en motivering.
57. Het gemeenschapsrecht kent de Raad een discretionaire bevoegdheid toe om zich uitvoeringsbevoegdheden voor te behouden in bijzondere gevallen, die omstandig moeten worden gemotiveerd. Naar mijn mening staat het aan de Raad om in het kader van zijn discretionaire bevoegdheid vast te stellen wanneer van dergelijke, in het Verdrag en het tweede comitologiebesluit genoemde, bijzondere gevallen sprake is. Derhalve kan noch het Hof, noch een andere gemeenschapsinstelling in plaats van de Raad vaststellen wanneer sprake is van bijzondere gevallen waarin de Raad zelf uitvoeringsbevoegdheden kan uitoefenen.
58. Daarentegen ontsnapt een dergelijk besluit niet aan rechterlijk toezicht.(40) Immers, „[w]anneer de instellingen van de Gemeenschap over een dergelijke beoordelingsbevoegdheid beschikken, is de naleving van de door de communautaire rechtsorde [...] geboden waarborgen van des te groter fundamenteel belang”.(41)
59. Evenals de Commissie leid ik hieruit af dat de controle van het Hof zich derhalve moet uitstrekken tot de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de uitoefening door de Raad van deze discretionaire bevoegdheid.(42) Inzonderheid moet het Hof zich door middel van zijn controle ervan verzekeren dat de Raad in het kader van zijn discretionaire bevoegdheid het beginsel van de attributie van uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie niet van zijn inhoud en strekking berooft.
60. Ik herinner eraan dat de door het Hof uitgeoefende rechterlijke controle varieert naar gelang van de betrokken materie. In casu vallen de bestreden verordeningen onder de politieke beoordelingsvrijheid van de instelling.(43) Krachtens vaste rechtspraak van het Hof is de rechterlijke controle van beperkte aard wanneer zij betrekking heeft op de uitoefening van de discretionaire bevoegdheden van de betrokken instelling. Het Hof heeft op verschillende gebieden verklaard dat zijn controle geen betrekking kan hebben op de beoordeling van feiten of economische omstandigheden, noch op beslissingen van economisch beleid(44) met het oog waarop de bestreden maatregelen werden getroffen.(45)
61. Het komt mij voor dat hetzelfde geldt voor politieke aangelegenheden.(46) Het Hof is bevoegd de rechtmatigheid van handelingen te onderzoeken, maar niet om de doelmatigheid daarvan aan een volledige toetsing te onderwerpen.(47) Deze toetsing heeft betrekking op een kennelijke beoordelingsfout, schending van wezenlijke vormvoorschriften en misbruik van bevoegdheid. De controle van het Hof van het bestaan van een bijzondere situatie, dat één van de voorwaarden is waaronder uitvoeringsbevoegdheden mogen worden voorbehouden, is een toetsing op een kennelijke beoordelingsfout. Rekening houdend met deze overwegingen moet thans tot de uitvoering van deze controle worden overgegaan.
3. De controle van het Hof op de door de Raad in casu voorbehouden uitvoeringsbevoegdheden
62. Ik zal nu onderzoeken of de Raad bij zijn besluit om zich de uitvoeringsbevoegdheden tot wijziging van de GVI en het GH alsmede hun respectieve bijlagen voor te behouden, de grenzen van zijn discretionaire bevoegdheid in acht heeft genomen dan wel overschreden.
63. De Commissie en de Raad verwijzen beide naar de achtste overweging van de considerans van verordening nr. 789/2001 en de vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 790/2001, die volgens hen verklaren waarom de Raad het gerechtvaardigd achtte zich uitvoeringsbevoegdheden voor te behouden.
64. Vooraf wil ik verduidelijken dat ook al betreffen de voorbehouden uitvoeringsbevoegdheden alleen bepaalde specifieke aspecten van de GVI en het GH, het communautaire vereiste van specificiteit geen betrekking heeft op de te wijzigen bepalingen, maar op het bijzondere kader waarin dergelijke bevoegdheden worden voorbehouden. Het feit dat de Raad zich alleen uitvoeringsbevoegdheden voorbehoudt op het vlak van de wijziging van bepaalde aspecten van de bestreden verordeningen, speelt geen rol in het kader van het vereiste dat aan het beginsel van specificiteit moet worden voldaan. Volgens het gemeenschapsrecht zijn het immers niet de wijzigingen die specifiek moeten zijn, maar de situatie waarin de Raad zich uitvoeringsbevoegdheden voorbehoudt.
65. Lezing van de achtste overweging van de considerans van verordening nr. 789/2001 en de vijfde overweging van verordening nr. 790/2001 wijst uit dat hun inhoud nagenoeg identiek is. De door de Raad aangevoerde reden om zich uitvoeringsbevoegdheden op het gebied van het visumbeleid voor te behouden, is dezelfde als die hij ten aanzien van het grensbeleid heeft aangevoerd. Wanneer men deze overwegingen leest, krijgt men derhalve de indruk dat het om een standaardformulering gaat waarbij alleen het betrokken gebied varieert. Deze overeenkomst belet mijns inziens echter niet, dat de inhoud kan voldoen aan het vereiste van specificiteit van de situatie, waardoor het voorbehouden van bevoegdheden gerechtvaardigd is.
66. Beziet men de andere identieke overwegingen van de considerans van de bestreden verordeningen, dan stel ik vast dat de Raad, na eraan te hebben herinnerd dat uitvoeringsmaatregelen moeten worden getroffen om sommige bepalingen van de GVI en het GH alsmede hun bijlagen te wijzigen en bij te werken, preciseert dat „[h]et [...] bijgevolg passend [is] om in een communautair besluit de procedure voor de aanneming van bedoelde uitvoeringsbesluiten vast te stellen”.(48)
67. Door in een algemene procedure voor een bepaalde materie te voorzien, hetzij op het gebied van visumaanvragen in het kader van verordening nr. 789/2001, hetzij op het gebied van de controle en de bewaking van grenzen in het kader van verordening nr. 790/2001, heeft de Raad geen rekening gehouden met het in het Verdrag vastgelegde specifieke karakter van het voorbehouden van uitvoeringsbevoegdheden.
68. De Raad heeft besloten een algemeen kader te scheppen voor de uitoefening van uitvoeringsbevoegdheden met betrekking tot de betrokken wijzigingen van de GVI en het GH. Zoals hiervoor is aangetoond, is het in strijd met het specificiteitsvereiste dat voor een volledig gebied bevoegdheden worden voorbehouden. In casu heeft de door de Raad voorgestane algemene procedure betrekking op alle wijzigingen waarvoor uitvoeringsmaatregelen op het gebied van visumaanvragen en grenscontroles nodig zijn.
69. Ten slotte is een dergelijk voornemen in strijd met het institutionele evenwicht zoals dat tot stand is gebracht na de vaststelling van de Europese Akte en na de erkenning van het uitzonderlijke karakter van het voorbehouden door de Raad van uitvoeringsbevoegdheden, aangezien het de Raad in staat stelt de in geding zijnde uitvoeringsmaatregelen op deze twee gebieden in het algemeen en niet alleen in uitzonderlijke gevallen vast te stellen.
70. Derhalve is het besluit van de Raad om zich in de bestreden verordeningen uitvoeringsbevoegdheden voor te behouden, in strijd met artikel 202 EG en artikel 1 van het tweede comitologiebesluit, aangezien het niet de specificiteit van de situatie waarin de uitvoeringsbevoegdheden worden voorbehouden, aantoont. Hieruit volgt dat het door de Commissie aangevoerde middel gegrond is. Het tweede middel behoeft derhalve niet meer te worden onderzocht.
71. Op grond van bovenstaande overwegingen moeten de bestreden verordeningen worden nietig verklaard.
C – Kosten
72. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de Raad in de kosten worden verwezen. Volgens artikel 69, lid 4, van dit Reglement dragen het Koninkrijk Spanje en het Koninkrijk der Nederlanden als interveniërende partijen hun eigen kosten.
IV – Conclusie
73. Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
1) verordening (EG) nr. 789/2001 van de Raad van 24 april 2001 tot verlening van uitvoeringsbevoegdheden aan de Raad met betrekking tot bepaalde gedetailleerde voorschriften en praktische procedures voor de behandeling van visumaanvragen nietig te verklaren;
2) verordening (EG) nr. 790/2001 van de Raad van 24 april 2001 tot verlening van uitvoeringsbevoegdheden aan de Raad met betrekking tot bepaalde gedetailleerde voorschriften en praktische procedures inzake de uitvoering van de controle en de bewaking aan de grenzen nietig te verklaren;
3) de Raad van de Europese Unie in de kosten te verwijzen, en
4) te verstaan dat het Koninkrijk Spanje en het Koninkrijk der Nederlanden hun eigen kosten dragen.
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – PB L 116, blz. 2.
3 – PB L 116, blz. 5.
4 – Besluit van 28 juni 1999 (PB L 184, blz. 23).
5 – Zie artikel 100 C EG-Verdrag (ingetrokken bij het Verdrag van Amsterdam), waarvan de inhoud naar artikel 62 EG is overgebracht.
6 – Het Schengen-acquis – Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek gesloten Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (PB 2000, L 239, blz. 19).
7 – COM/85/310 def.
8 – Het GH is een gids voor ambtenaren die controles aan de buitengrenzen uitvoeren. Het bevat zowel regelgeving als praktische instructies (PB 2002, C 313, blz. 97).
9 – De GVI richten zich tot consulaire ambtenaren met het oog op de gebruikelijke behandeling van visumaanvragen. Zij bevatten bepalingen van het Schengen-akkoord en praktische procedures. Verder omvatten zij verschillende besluiten van het Uitvoerend Comité (PB 2002, C 313, blz. 1).
10 – Krachtens titel VII van de SUO wordt een Uitvoerend Comité opgericht, een orgaan samengesteld uit één vertegenwoordiger op ministerieel niveau van elke partij bij de SUO, dat met eenparigheid van stemmen beslissingen neemt.
11 – Het Schengen-acquis omvat het Akkoord van Schengen, de SUO en alle daaruit voortvloeiende handelingen.
12 – Dit protocol is bij het Verdrag van Amsterdam gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.
13 – Dat wil zeggen 1 mei 1999.
14 – Besluit van de Raad van 20 mei 1999 tot vaststelling, in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie, van de rechtsgrondslagen van elk van de bepalingen of besluiten die het Schengen-acquis vormen (PB L 176, blz. 17).
15 – In titel IV van het Verdrag.
16 – Besluit van 28 april 1999 [SCH/Com-ex (99) 13] (PB 2000, L 239, blz. 317).
17 – Verordening nr. 789/2001 betreft de wijzigingen van de GVI en haar bijlagen.
18 – Verordening nr. 790/2001 betreft de wijzigingen van het GH en zijn bijlagen.
19 – „Het Uitvoerend Comité stelt gemeenschappelijke regels vast voor de behandeling van visumaanvragen, ziet toe op een juiste toepassing van deze regels en past deze aan gewijzigde situaties en omstandigheden aan.”
20 – „Het Uitvoerend Comité neemt de nodige beslissingen met betrekking tot de praktische details van de grenscontrole en de grensbewaking.”
21 – Verzoekschrift (punt 11).
22 – Verzoekschrift (punt 25).
23 – Dit is ook met nadruk aangevoerd door de Nederlandse regering, die van mening is dat een dergelijke bewering niet duidelijk is en slechts een algemene motivering behelst (punten 22 en 23 van haar memorie in interventie).
24 – Verzoekschrift (punten 31 e.v.).
25 – Ibidem (punt 32).
26 – Zie in deze zin verordening (EG) nr. 1683/95 van de Raad van 29 mei 1995 betreffende de invoering van een uniform visummodel (PB L 164, blz. 1).
27 – Memorie in interventie (punt 25).
28 – Verweerschrift (punt 13).
29 – Verweerschrift (punt 16).
30 – Arrest van 24 oktober 1989, Commissie/Raad (16/88, Jurispr. blz. 3457, punten 10 en 12).
31 – Arrest van 17 december 1970, Köster (25/70, Jurispr. blz. 1161, punt 9).
32 – Conclusie in de zaak Internationale Handelsgesellschaft (Jurispr. 1970, blz. 1145) (arrest van 17 december 1970, 11/70, Jurispr. blz. 1125).
33 – Het is vermeldenswaard dat artikel 211 EG bij de Europese Akte niet is gewijzigd.
34 – Besluit van de Raad van 13 juli 1987 tot vaststelling van de voorwaarden die gelden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (PB L 197, blz. 33).
35 – Zie dienaangaande het ontwerp-Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa, bij consensus aangenomen door de Europese Conventie op 13 juni en 10 juli 2003, voorgelegd aan de voorzitter van de Europese Raad te Rome op 18 juli 2003. In artikel 36 daarvan, onder het opschrift „Uitvoeringshandelingen” worden deze voorwaarden mijns inziens ietwat duidelijker geformuleerd: „Indien het nodig is dat bindende handelingen van de Unie volgens eenvormige voorwaarden worden uitgevoerd, kunnen bij die handelingen aan de Europese Commissie, of in naar behoren gemotiveerde specifieke gevallen […] aan de Raad van Ministers uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend” (blz. 35, cursivering van mij).
36 – Punt 16.
37 – Arrest Commissie/Raad, reeds aangehaald (punt 10, cursivering van mij).
38 – Zie arrest Hof van 15 mei 1997, Siemens/Commissie (C-278/95 P, Jurispr. blz. I-2507, punt 17), en arrest Gerecht van 6 februari 1998, Interporc Im- und Export/Commissie (T-124/96, Jurispr. blz. II-231, punt 53). Volgens vaste rechtspraak heeft de motivering een tweeledig doel. Enerzijds strekt zij ertoe dat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen om hun rechten te kunnen verdedigen, en anderzijds stelt zij de rechter in staat zijn toezicht op de rechtmatigheid van de maatregel uit te oefenen.
39 – Anders gezegd, „het door de instelling nagestreefde doel, wat het wezenlijke betreft” (zie arrest van 19 november 1998, Verenigd Koninkrijk/Raad, C-150/94, Jurispr. blz. I-7235, punt 26).
40 – Temeer daar de Raad als tegengewicht het zogenoemde „comitologiestelsel” heeft ingesteld voor de uitoefening door de Commissie van uitvoeringsbevoegdheden. Dit stelsel, dat is geïnstitutionaliseerd en door het Hof goedgekeurd, geeft een nog groter gewicht aan het beginsel dat bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht het institutionele evenwicht vereist, dat de uitvoeringsbevoegdheden worden uitgeoefend door de Commissie, in overeenstemming met de voorwaarden van artikel 1 van het tweede comitologiebesluit.
41 – Arrest van 21 november 1991, Technische Universität München (C-269/90, Jurispr. blz. I-5469, punt 14).
42 – Verzoekschrift (punt 21).
43 – Artikel 7 EG bepaalt: „Iedere instelling handelt binnen de grenzen van de haar door dit Verdrag verleende bevoegdheden.” In het kader van de verdeling van de bevoegdheden tussen de instellingen kan de rechter niet de plaats innemen van de wetgever bij diens politieke beslissingen. Zie in deze zin Hamilton A., Federalist nr. 78, „It can be of no weight to say that the courts, on the pretense of a repugnancy, may substitute their own pleasure to the constitutional intentions of the legislature. This might as well happen in the case of two contradictory statutes; or it might as well happen in every adjudication upon any single statute. The courts must declare the sense of the law; and if they should be disposed to exercise will instead of judgment, the consequence would equally be the substitution of their pleasure to that of the legislative body.”
44 – Zie in deze zin artikel 33 EGKS, waarin het Hof bevoegd werd verklaard uitspraak te doen op elke schending van de verdragsbepalingen of uitvoeringsregelingen; wanneer zijn onderzoek echter leidde tot een beoordeling van economische feiten of omstandigheden, was zijn controle beperkt tot het onderzoek van een kennelijke schending van deze bepalingen. Zie inzonderheid op het gebied van beschermende maatregelen, arrest van 11 februari 1999, Antillean Rice Mills e.a./Commissie (C-390/95 P, Jurispr. blz. I-769), en de rechtspraak van het Gerecht inzake dumping (arrest van 17 juli 1998, Thai Bicycle/Raad, T-118/96, Jurispr. blz. II-2991).
45 – In het arrest van 11 juli 1985, Remia e.a./Commissie (42/84, Jurispr. blz. 2545), heeft het Hof geoordeeld: „Ofschoon het Hof in het algemeen een volledig onderzoek instelt naar de vraag, of aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 85, lid 1, is voldaan, vereist de vaststelling van de toelaatbare duur van een concurrentieverbod, vervat in een overeenkomst tot overdracht van een onderneming, een ingewikkelde economische beoordeling zijdens de Commissie. Bij de toetsing van die beoordeling dient het Hof zich derhalve te beperken tot de vraag, of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de motivering afdoende is, of de feiten juist zijn weergegeven en of geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling dan wel van misbruik van bevoegdheid” (punt 34).
46 – Zie de rechtspraak van het Hof op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, inzonderheid arrest van 13 november 1990, Fedesa e.a. (C-331/88, Jurispr. blz. I-4023), en, op het gebied van het gemeenschappelijk handelsbeleid, arrest van 14 juli 1988, Fediol/Commissie (187/85, Jurispr. blz. 4155), waarin het Hof heeft geoordeeld dat betreffende „de eventuele grenzen van een rechterlijke toetsing van het besluit moet worden vastgesteld dat het Hof volgens zijn eigen rechtspraak (zie inzonderheid het arrest van 4 oktober 1983, zaak 191/82, Fediol/Commissie, Jurispr. blz. 2913), [‘heeft de rechter het toezicht uit te oefenen dat in het geval van een discretionaire bevoegdheid van de overheid normalerwijze tot zijn taak behoort’, punt 30]) ook in het geval van discretionaire bevoegdheid van de Commissie op het betrokken gebied moet nagaan, of de Commissie de bij de betrokken bepalingen aan de klagers toegekende processuele waarborgen in acht heeft genomen, of zij de feiten niet kennelijk verkeerd heeft beoordeeld […]” (punt 6).
47 – In het arrest van 17 december 1981, Ludwigshafener Walzmühle Erling e.a./Raad en Commissie (197/80–200/80, 243/80, 245/80 en 247/80, Jurispr. blz. 3211), heeft het Hof geoordeeld: „De bevoegde gemeenschapsinstellingen beschikken bij hun beleidsvorming op dit gebied over een ruime beoordelingsbevoegdheid, niet alleen met betrekking tot de vaststelling van de feitelijke grondslag voor hun actie, maar ook bij de omschrijving van de in het kader van de verdragsbepalingen nagestreefde doelstellingen en de keuze van de geschikte actiemiddelen” (punt 37).
48 – Zevende overweging van de considerans van verordening nr. 789/2001 en vierde overweging van de considerans van verordening nr. 790/2001.
Full & Egal Universal Law Academy