CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. LÉGER
van 14 november 2002 ( 1 )
1.
Ten einde de melkproductie in de Europese Gemeenschap te verminderen, heeft de gemeenschapswetgever in 1984 een controlesysteem ingevoerd op grond waarvan aan de producenten een referentiehoeveelheid, gewoonlijk „melkquotum” genoemd, wordt toegekend en een extra heffing wordt opgelegd voor het gedeelte van hun productie dat deze hoeveelheid overschrijdt.
2.
In het arrest van 15 januari 1991, Ballmann ( 2 ), heeft het Hof beslist dat de door een landbouwer in de door hem gepachte installaties gerealiseerde melkproductie aan zijn eigen referentiehoeveelheid moet worden toegerekend, wanneer hij de productieeenheden voor de exploitatie waarvan hij bepaalde installaties heeft gepacht, zelfstandig beheert en een duidelijke scheiding tussen de door de pachter respectievelijk de verpachter geproduceerde hoeveelheden melk gewaarborgd is.
3.
In deze zaak wenst het Verwaltungsgericht Weimar (Duitsland) in wezen te vernemen, of het door het Hof in het arrest Ballmann ingenomen standpunt ook van toepassing is wanneer de door de landbouwer op het moment van de toekenning van een referentiehoeveelheid geëxploiteerde productie-eenheden, en die welke hij heeft gepacht, zich op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek bevinden. Om precies te zijn, is aan de verwijzende rechter een situatie voorgelegd waarin de pachter de productie van de hem toegekende referentiehoeveelheid heeft verplaatst naar de door hem gepachte installaties die zich bevinden in een gemeente die bij een oude deelstaat van de Bondsrepubliek Duitsland is ingedeeld.
I — Rechtskader
A — De gemeenschapsregeling
4.
De regeling van de extra heffing op melk is ingevoerd bij verordening (EEG) nr. 856/84. ( 3 ) Deze heffing vormde een aanvulling op die welke in 1977 was ingesteld op alle aan melkfabrieken geleverde hoeveelheden melk en op bepaalde verkopen van zuivelproducten op de boerderij. ( 4 )
5.
Verordening nr. 856/84 voorzag in de vaststelling van een gegarandeerde totale hoeveelheid voor de gehele Gemeenschap; deze hoeveelheid moest tussen de lidstaten worden verdeeld aan de hand van de gedurende een bepaald jaar op hun grondgebied geleverde melkhoeveelheden. Vervolgens moest elke lidstaat zijn gegarandeerde hoeveelheid tussen zijn producenten verdelen door hun een individuele referentiehoeveelheid toe te kennen. Bij overschrijding van deze individuele referentiehoeveelheid in een periode van twaalf maanden, van 1 april tot en met 31 maart, moest de producent een extra heffing betalen, die bestemd was om het in de handel brengen van dit overschot te financieren. ( 5 ) Deze heffing diende te worden betaald door de producent of de koper van de melk, waarbij laatstgenoemde het recht had om de heffing aan de producent door te berekenen.
6.
De algemene voorschriften voor de toepassing van deze regeling zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 857/84. ( 6 ) In deze verordening heeft de gemeenschapswetgever onder meer bepaald, dat de lidstaten binnen hun gegarandeerde hoeveelheid een nationale reserve kunnen aanleggen ten einde rekening te houden met de bijzondere situatie van bepaalde producenten. ( 7 ) In artikel 7, lid 1, is het beginsel van de koppeling tussen de referentiehoeveelheid en het bedrijf vastgelegd. ( 8 ) In artikel 12, sub c, respectievelijk sub d, van verordening nr. 857/84 worden definities van de begrippen producent en bedrijf gegeven. ( 9 ) Deze bepalingen heeft het Hof in het reeds genoemde arrest Ballmann uitgelegd, waarbij het in punt 2 van deze conclusie vermelde standpunt is ingenomen.
7.
Verordening nr. 857/84 is ingetrokken bij verordening (EEG) nr. 3950/92. ( 10 ) Deze verordening, zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening (EG) nr. 751/1999 ( 11 ) (hierna: „verordening nr. 3950/92”), vormt de in deze procedure relevante tekst.
8.
De opzet van de bij verordening nr. 3950/92 ingevoerde regeling van de extra heffing is in grote lijnen dezelfde als die van verordening nr. 856/84. ( 12 ) Zo worden aan elke lidstaat twee totale referentiehoeveelheden toegekend, één voor de leveringen aan melkfabrieken en één voor de rechtstreekse verkoop aan consumenten. Artikel 3 van verordening nr. 3950/92 bepaalt dat „de sommen van de individuele referentiehoeveelheden voor leveringen respectievelijk voor de rechtstreekse verkoop [...] niet groter (mogen) zijn dan de overeenkomstige totale hoeveelheden die voor elke lidstaat worden vastgesteld”. Deze totale hoeveelheden zijn vastgesteld in een tabel in artikel 3, lid 2, eerste alinea, van deze verordening
9.
Vervolgens wordt in artikel 4 van verordening nr. 3950/92, lid 1, bepaald dat „de individuele referentiehoeveelheid beschikbaar op het bedrijf, [...] gelijk (is) aan de op 31 maart 1993 beschikbare hoeveelheid, die zo nodig voor elk van de tijdvakken zodanig wordt aangepast dat de sommen van de individuele referentiehoeveelheden voor leveringen respectievelijk voor de rechtstreekse verkoop de in artikel 3 bedoelde overeenkomstige totale hoeveelheden niet overschrijden”. Volgens lid 2 wordt de individuele referentiehoeveelheid van leveringen aan melkfabrieken of van rechtstreekse verkoop aan consumenten op verzoek van de producent verhoogd of vastgesteld om rekening te houden met veranderingen die van invloed zijn op zijn leveringen en/of zijn rechtstreekse verkoop. Deze verhoging of vaststelling is slechts mogelijk als de andere referentiehoeveelheid van de producent met dezelfde hoeveelheid wordt verlaagd dan wel wordt opgeheven.
10.
Verordening nr. 3950/92 bepaalt bovendien dat in de nationale reserves alle hoeveelheden worden opgenomen die, om welke reden dan ook, niet of niet langer een individuele bestemming hebben. ( 13 ) Volgens artikel 5, tweede alinea, „worden de referentiehoeveelheden die ter beschikking staan van de producenten die gedurende een periode van twaalf maanden geen melk of andere zuivelproducten in de handel hebben gebracht, gevoegd bij de nationale reserve en kunnen deze overeenkomstig de eerste alinea opnieuw worden toegewezen. Wanneer de producent de productie van melk of andere zuivelproducten hervat binnen een door de lidstaat vast te stellen termijn, wordt hem uiterlijk op de eerste april volgende op de datum van zijn verzoek een referentiehoeveelheid toegekend [...].”
11.
Verordening nr. 3950/92 kent in artikel 7, lid 1, eveneens het beginsel van de koppeling tussen de referentiehoeveelheid en het bedrijf, maar wel met bepaalde uitzonderingen. ( 14 )
12.
De definities van de begrippen producent en bedrijf staan in artikel 9 van verordening nr. 3950/92. Volgens dit artikel wordt „in deze verordening [...] verstaan onder:
[...]
c)
producent: de landbouwexploitant, natuurlijke of rechtspersoon of groepering van natuurlijke of rechtspersonen, waarvan het bedrijf op het geografische grondgebied van de Gemeenschap is gevestigd,
—
die melk of andere zuivelproducten rechtstreeks aan de consument verkoopt,
en/of
—
levert aan de koper;
d)
bedrijf: het geheel van de productie-eenheden die door de producent worden beheerd en die op het geografische grondgebied van de Gemeenschap zijn gevestigd”.
13.
Tenslotte bevat verordening nr. 3950/92 een aantal bepalingen die speciaal op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek van toepassing zijn. Deze bepalingen zijn het uitvloeisel van de bij verordening nr. 3577/90 ( 15 ) vastgestelde aanpassingen van de gemeenschapshandelingen op landbouwgebied teneinde rekening te houden met de bijzondere situatie van dit grondgebied. Wat de melkproductie betreft, overwoog de Raad in verordening nr. 3577/90, dat de herstructurering van de landbouwbedrijven op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek niet in het gedrang mocht worden gebracht door de toepassing van de regeling tot beheersing van deze productie en dat daarom in deze regeling enige versoepelingen moesten worden ingevoerd die strikt beperkt moesten blijven tol bedrijven op dat grondgebied. ( 16 ) Zo bepaalt verordening nr. 3577/90 in bijlage VI dat de totale aan de Bondsrepubliek Duitsland toegekende hoeveelheid een gedeelte omvat, dat speciaal aan het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek is toegewezen. Ook staan daarin een aantal op dit grondgebied toepasselijke bepalingen. ( 17 )
14.
Zoals vermeld in de elfde overweging van de considerans, heeft verordening nr. 3950/92 als doelstelling om de in de regeling tot beheersing van de melkproductie aangebrachte versoepelingen voor het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek te verlengen, „waarbij gewaarborgd dient te worden dat een en ander alleen ten goede zal komen aan dit grondgebied”.
15.
In de tabel van de totale aan de lidstaten toegekende hoeveelheden, in artikel 3, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 3950/92, is bij de Bondsrepubliek Duitsland het speciaal aan het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek toegewezen gedeelte gepreciseerd. ( 18 ) Deze specifieke toewijzing ten gunste van de nieuwe deelstaten van een gedeelte van de aan de Bondsrepubliek Duitsland toegekende totale hoeveelheden is voortgezet tot 31 maart 2000. ( 19 )
16.
Ook is in artikel 4, lid 4, van verordening nr. 3950/92 bepaald dat aan de bedrijven op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek de referentiehoeveelheid voorlopig kan worden toegekend, op voorwaarde dat de aldus toegekende hoeveelheid in de loop van een tijdvak niet wordt gewijzigd. Deze bepaling, die aanvankelijk gold voor het tijdvak van 1 april 1993 tot en met 31 maart 1994, is voor de daaropvolgende tijdvakken tot en met 31 maart 2000 verlengd. ( 20 )
B — De nationale regeling
17.
De Bondsrepubliek Duitsland heeft de overdracht van referentiehoeveelheden geregeld bij de Milchgarantiemengenverordnung van 21 maart 1994 ( 21 ), zoals gewijzigd bij de 33e Änderungsverordnung van 25 maart 1996 ( 22 ) (hierna: „MGV”).
18.
De MGV bevatte met betrekking tot de voor het hoofdgeding relevante periode bijzondere bepalingen voor melkproducenten op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek. Krachtens § 16 a van de MGV golden deze bepalingen „voor melkproducenten wier bedrijf geheel of gedeeltelijk op het in artikel 3 van het Einigungsvertrag bedoelde grondgebied ligt, voor het op dit grondgebied gelegen bedrijf of de daar gelegen delen van het bedrijf, overeenkomstig de hierna volgende bepalingen”.
19.
§ 16 e, lid 1, van de MGV bepaalt:
„Een voorlopige referentiehoeveelheid waarvan in de voorafgaande periode van twaalf maanden minder dan 80 % is geleverd, wordt [...] overeenkomstig de volgende bepalingen vrijgegeven ten gunste van de deelstaat waar het bedrijf of een deel van het bedrijf is gevestigd waaraan de referentiehoeveelheid voorlopig was toegekend [...]”.
II — De feiten van het hoofdgeding
20.
Agrargenossenschaft Alkersleben eG is een landbouwcoöperatie, gevestigd te Alkersleben in de deelstaat Thüringen, een nieuwe deelstaat van de Bondsrepubliek Duitsland, want gelegen op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek. Verzoekster had een voorlopige referentiehoeveelheid van 7625797 kg melk. Deze hoeveelheid was haar door de bevoegde autoriteiten van deze deelstaat toegekend.
21.
In de zomer van 1998 heeft zij een deel van de melkproductie-installatie van een te Kaarßen (Duitsland) gevestigd bedrijf gepacht. In het pachtcontract is bepaald dat de gepachte installaties door de pachter als zelfstandige eenheid worden geëxploiteerd, onder de verantwoordelijkheid van zijn medewerkers, en dat de productie in eigen tanks wordt opgeslagen.
22.
De gemeente Kaarßen bevindt zich eveneens binnen de grenzen van het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek zoals deze ten tijde van de Duitse eenwording in 1990 liepen. Bij een in 1993 gesloten verdrag tussen de deelstaat Mecklenburg-Voorpommeren en de deelstaat Nedersaksen is deze gemeente echter bij laatstgenoemde deelstaat ingedeeld, dat wil zeggen bij een oude deelstaat van de Bondsrepubliek Duitsland.
23.
Verzoekster heeft haar melkveebestand verplaatst naar het door haar gepachte bedrijfsonderdeel te Kaarßen, waar zij de melkproductie heeft voortgezet. Aanvankelijk heeft zij de productie te Alkersleben volledig gestaakt. Van mening dat verzoekster geen melk meer produceerde, heeft het Landesverwaltungsamt Thüringen (Duitsland) bij beschikking van 14 juni 1999 de aan verzoekster krachtens § 16 e MGV toegekende voorlopige referentiehoeveelheid ingetrokken.
24.
Bij beschikking van 9 februari 2000 heeft het Landesverwaltungsamt Thüringen het door verzoekster ingediende bezwaarschrift afgewezen. Daarop heeft verzoekster bij het Verwaltungsgericht Weimar beroep tot nietigverklaring van de beschikking van 14 juni 1999 ingesteld.
III — De prejudiciële vragen
25.
Om te beginnen verklaart het Verwaltungsgericht Weimar, dat uit het arrest Ballmann niet kan worden afgeleid of een landbouwer die melk produceert in installaties die hij heeft gepacht in een andere deelstaat van de Bondsrepubliek Duitsland, zonder zijn op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek gelegen productie-eenheid te exploiteren waarvoor hij een referentiehoeveelheid heeft ontvangen, moet worden beschouwd als een producent in de zin van artikel 9, sub c, van verordening nr. 3950/92. ( 23 )
26.
Vervolgens voert het aan, dat het over verschillende productieinstallaties verdelen van de referentiehoeveelheid die is toegekend aan een bedrijf op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek, in strijd is met de verordeningen nrs. 3577/90 en 3950/92, die de herstructurering van de bedrijven op dit grondgebied beogen, omdat aldus deze productie in de oude deelstaten van de Bondsrepubliek Duitsland kan worden gerealiseerd. Deze verdeling komt bovendien neer op een overdracht van productiehoeveelheden zonder overdracht van de bijbehorende gronden, wat in strijd is met artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 3577/90. ( 24 )
27.
Tenslotte vraagt het zich af, of de voormalige Duitse Democratische Republiek in het kader van de bepalingen betreffende referentiehoeveelheden op één lijn moet worden gesteld met een staat, en zo ja, hoe een gedeelte van zijn grondgebied dat bij een oude deelstaat van de Bondsrepubliek Duitsland is gevoegd, moet worden behandeld.
28.
In het licht daarvan heeft het Verwaltungsgericht Weimar besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Moet artikel 9, sub c, van verordening (EEG) nr. 3950/92 [gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1256/99] of een andere regeling betreffende gegarandeerde hoeveelheden melk op de grondslag van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 januari 1991 (Ballmann, C-341/89, Jurispr. blz. I-25) aldus worden uitgelegd, dat ook de hoeveelheid melk die onder leiding van de exploitant is gemolken van diens koeien die zijn gestald in gepachte stallen op het grondgebied van de voormalige DDR (deelstaat Mecklenburg-Vorpommern), dient te worden toegerekend aan de referentiehoeveelheid die in de nieuwe deelstaten (hier: Freistaat Thüringen) voorlopig aan het op het grondgebied van de voormalige DDR gelegen bedrijf/bedrijfsonderdeel is toegekend?
2)
Of wordt de aldus verkregen hoeveelheid melk toegerekend aan de voorlopig toegekende referentiehoeveelheid van de verpachtende en deels zelf melk producerende landbouwer, en de voorlopig toegekende referentiehoeveelheid ten gunste van de Freistaat Thüringen ingetrokken, wanneer, zoals in casu, het bedrijfsonderdeel waaraan de referentiehoeveelheid werd toegekend en het bedrijfsonderdeel waar de melk wordt geproduceerd, in verschillende deelstaten zijn gelegen, en, in tegenstelling tot voornoemd arrest Ballmann, het bedrijf respectievelijk bedrijfsonderdeel waaraan de referentiehoeveelheid voor melk voorlopig werd toegekend, als het ware alleen nog maar als zetel van het bedrijf wordt aangehouden en daarop minder dan 5 % van de referentiehoeveelheid (veebestand/melkproductie) wordt geproduceerd en geleverd?
3)
Is het voor de beantwoording van deze vragen van belang, dat het bedrijf waaide melk wordt geproduceerd vroeger op het grondgebied van de voormalige DDR was gelegen, maar dit gebied bij een verdrag tussen de deelstaten Niedersachsen en Mecklenburg-Vorpommern deel is gaan uitmaken van het grondgebied van Niedersachsen?”
IV — Beoordeling
A — De eerste twee prejudiciële vragen
29.
Met zijn eerste twee vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 9, sub c, en d, van verordening nr. 3950/92 aldus moet worden uitgelegd, dat de volledige melkproductie die een op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek gevestigde landbouwer zelfstandig heeft gerealiseerd in door hem gepachte, op dit grondgebied gelegen installaties moet worden toegerekend aan de hem voorlopig toegekende referentiehoeveelheid.
30.
De verwijzende rechter tracht aldus vast te stellen of verzoekster in de omstandigheden van het geval moet worden beschouwd als producent in de zin van artikel 9, sub c en d, van verordening nr. 3950/92.
31.
Vooraf moet eraan worden herinnerd, dat volgens de algemene opzet van de regeling betreffende de extra heffing en het reeds genoemde arrest Ballmann ( 25 ) slechts een landbouwexploitant en niet een landbouwbedrijf een referentiehoeveelheid kan ontvangen, en enkel indien hij de hoedanigheid van producent heeft. ( 26 )
32.
Ook kan een toegewezen referentiehoeveelheid niet overeenkomstig artikel 5 van verordening nr. 3950/92 worden geacht ter beschikking te staan en te zijn ingetrokken, wanneer de rechthebbende zijn hoedanigheid van producent heeft behouden.
33.
Om de vragen van de verwijzende rechter te kunnen beantwoorden, moet dus worden vastgesteld of een landbouwexploitant die in het kader van de exploitatie van op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek gelegen productie-eenheden een voorlopige referentiehoeveelheid heeft verkregen en die deze hoeveelheid zelfstandig in andere op ditzelfde grondgebied gelegen, door hem gepachte installaties heeft geproduceerd, moet worden beschouwd als producent in de zin van artikel 9, sub c en d, van verordening nr. 3950/92.
34.
De uitlegging van deze bepaling rechtvaardigt mijns inziens een bevestigend antwoord op deze vraag.
35.
Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een gemeenschapsrechtelijke bepaling niet enkel rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en met de doelstellingen die de regeling waarvan ze deel uitmaakt, nastreeft. ( 27 )
36.
Artikel 9, sub c en d, van verordening nr. 3950/92 bevat geen enkele bijzondere bepaling betreffende de landbouwexploitanten die een geheel van productie-eenheden op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek beheren.
37.
Wij hebben immers gezien dat artikel 9, sub c, van verordening nr. 3950/92 de producent definieert als de landbouwexploitant waarvan het bedrijf op het geografische grondgebied van een lidstaat is gelegen en die melk of andere zuivelproducten rechtstreeks aan de consument verkoopt of aan de koper levert. Artikel 9, sub d, van dezelfde verordening bepaalt dat onder „bedrijf” moet worden verstaan het geheel van de productie-eenheden die door de producent worden beheerd en die op het geografische grondgebied van een lidstaat liggen. ( 28 )
38.
Uit de begrippen „producent” en „bedrijf” in onderling verband volgt dus dat de hoedanigheid van producent moet worden toegekend aan elke persoon die een geheel van op het grondgebied van een lidstaat gevestigde productie-eenheden beheert en die melk of zuivelproducten verkoopt of levert.
39.
In het kader van deze procedure kunnen wij daaruit de twee volgende consequenties trekken.
40.
De eerste is dat de hoedanigheid van producent niet afhankelijk is van de voorwaarde dat de rechthebbende op een referentiehoeveelheid deze geheel of gedeeltelijk produceert in de productie-eenheden die hij exploiteerde toen deze hoeveelheid hem werd toegekend.
41.
Deze uitlegging wordt bevestigd in het arrest Ballmann ( 29 ). Immers, met zijn beslissing dat de melkproductie die door een landbouwer is gerealiseerd in de door hem gepachte installaties aan zijn eigen referentiehoeveelheid moet worden toegerekend ( 30 ), heeft het Hof erkend dat een producent zijn referentiehoeveelheid kan produceren in door hem na de toekenning van deze hoeveelheid gepachte installaties. Daarmee volgde het Hof de conclusie van de advocaatgeneraal, dat het beginsel van de koppeling tussen de referentiehoeveelheid en de grond niet inhield dat deze hoeveelheid moet worden geproduceerd met behulp van de productie-eenheden waarmee de als basis voor de vaststelling van de referentiehoeveelheid genomen melkproductie is verkregen. ( 31 )
42.
De tweede consequentie die uit de tekst van artikel 9, sub c en d, van verordening nr. 3950/92 kan worden getrokken, is dat de hoedanigheid van producent niet moet worden beoordeeld aan de hand van de productie-eenheden die door de betrokkene in een regio of op een afgebakend gedeelte van het grondgebied van een lidstaat worden beheerd. Integendeel, uit de tekst van de betrokken bepaling volgt uitdrukkelijk, dat deze beoordeling moet geschieden op basis van het gehele geografische grondgebied van een lidstaat. Zoals Commissie stelt ( 32 ), staat het een producent dus vrij om het hem door een lidstaat toegekende melkquotum te produceren op een bedrijfslocatie van zijn keuze op het grondgebied van deze staat.
43.
De tekst van artikel 9, sub c en d, verzet zich er dus tegen, dat een melkproducent die een referentiehoeveelheid heeft verkregen in een op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek gelegen deelstaat, op straffe van verlies van zijn hoedanigheid van producent, gehouden is deze hoeveelheid geheel of zelfs maar gedeeltelijk te produceren in de productie-eenheden die hij exploiteerde ten tijde van de toekenning van deze hoeveelheid, of in installaties die zich uitsluitend in deze deelstaat bevinden.
44.
Deze analyse vindt steun in de wettelijke context van deze bepaling.
45.
Met betrekking tot de wettelijke context van artikel 9, sub c en d, van verordening nr. 3950/92 wil ik herinneren aan de opzet van de regeling betreffende de extra heffing. Deze regeling bestaat om te beginnen uit de toekenning aan de verschillende lidstaten van twee gegarandeerde totale hoeveelheden, één voor leveringen aan melkfabrieken, en één voor de rechtstreekse verkoop aan de consument. Vervolgens moeten de lidstaten deze hoeveelheden op zodanige wijze tussen de op hun grondgebied gevestigde producenten verdelen, dat de som van de individuele referentiehoeveelheden de overeenkomstige totale hoeveelheden niet overschrijdt.
46.
Aan de Bondsrepubliek de Duitsland zijn, evenals aan alle andere lidstaten, gedurende de in casu relevante periode deze twee gegarandeerde totale hoeveelheden toegekend. Zoals reeds gezegd, was tot 31 maart 2000 in de tabel in artikel 3, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 3950/92 gespecificeerd welk aandeel van deze twee totale hoeveelheden speciaal was bestemd „voor leveranties op het grondgebied van de nieuwe Lander” en „voor rechtstreekse verkoop in de nieuwe Länder”. ( 33 )
47.
De bevoegde Duitse autoriteiten moesten deze aandelen dus zodanig over de op het grondgebied van de nieuwe deelstaten gevestigde producenten verdelen, dat de som van de individuele referentiehoeveelheden het niveau van deze gedeelten niet overschreed.
48.
Om te beginnen moet ik erop wijzen, dat artikel 3, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 3950/92 geen enkele beperking bevat van de in artikel 9, sub c en d, van deze verordening bepaalde keuzevrijheid van de producenten met betrekking tot de plaats van productie op het grondgebied van een lidstaat. Uit deze beide bepalingen gezamenlijk valt dus af te leiden, dat de producenten hun plaats van productie op het gehele grondgebied van de nieuwe deelstaten vrij konden kiezen.
49.
Uit de opzet van verordening nr. 3950/92 blijkt vervolgens, dat het grondgebied van de nieuwe deelstaten waarop artikel 3, lid 2, eerste alinea, van deze verordening doelt, moet worden opgevat als het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek.
50.
Deze beoordeling vindt steun in artikel 4, lid 4, van verordening nr. 3950/92. Volgens deze bepaling kon immers „met betrekking tot de bedrijven op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek” de referentiehoeveelheid voorlopig worden toegekend, op voorwaarde dat de aldus toegekende hoeveelheid in de loop van eenzelfde tijdvak niet werd gewijzigd. Op grond van deze bepaling konden de bevoegde Duitse autoriteiten ten gunste van de op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek gevestigde producenten afwijken van de regeling van artikel 4, leden 1 en 2, van verordening nr. 3950/92. Volgens deze bepalingen werden de individuele referentiehoeveelheden van leveringen aan melkfabrieken of rechtstreekse verkoop aan consumenten aan de producenten toegekend op basis van de op 31 maart 1993 beschikbare hoeveelheden. Bovendien kon een referentiehoeveelheid slechts worden toegekend of verhoogd op voorwaarde dat de andere referentiehoeveelheid waarover de betrokken producent beschikte, met dezelfde hoeveelheid werd verlaagd dan wel werd opgeheven. ( 34 )
51.
Deze beoordeling wordt eveneens versterkt door het feit dat de bepalingen van verordening nr. 3950/92 die speciaal de Bondsrepubliek Duitsland betreffen, de lijn voortzetten van die van verordening nr. 3577/90, die een aantal bepalingen bevatte die speciaal voor het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek golden. ( 35 )
52.
Uit de besproken wettelijke context volgt derhalve, dat elke persoon die op het gehele grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek, ongeacht de interne grenzen tussen de nieuwe deelstaten, een geheel van productie-eenheden beheert en die melk of zuivelproducten verkoopt of levert, de hoedanigheid van producent heeft.
53.
Deze beoordeling is in overeenstemming met de doelstelling van de bepalingen van verordening nr. 3950/92 die op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek van toepassing zijn.
54.
Wat de doelstelling van verordening nr. 3950/92 met betrekking tot deze bepalingen betreft, moet worden verwezen naar de elfde overweging van de considerans van deze verordening. Daarin herinnert de gemeenschapswetgever eraan, dat de toepassing van de regeling tot beheersing van de melkproductie de herstructurering van de landbouwbedrijven op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek niet in gevaar mag brengen. En dat de ondervonden moeilijkheden het noodzakelijk maken de versoepelingen van de regeling voor dit grondgebied te verlengen, waarbij evenwel gewaarborgd dient te worden dat zulks alleen aan dit grondgebied ten goede zal komen.
55.
Deze doelstelling en de intentie om de ermee gepaard gaande versoepelingen van de regeling tot beheersing van de melkproductie strikt tot de bedrijven op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek te beperken, waren reeds door de gemeenschapswetgever in verordening nr. 3577/90 aangekondigd. ( 36 ) Deze doelstelling en de uitdrukkelijke verwijzing naar het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek is ook opgenomen in de verordeningen waarbij de voor dit grondgebied bij verordening nr. 3950/92 vastgestelde versoepelingen tot 31 maart 2000 zijn verlengd. ( 37 )
56.
Hieruit volgt dat de gemeenschapswetgever ernaar streefde de herstructurering van landbouwbedrijven op het gehele grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek te bevorderen.
57.
Zoals de verwijzende rechter betoogt ( 38 ), zou deze doelstelling in gevaar zijn gekomen wanneer de referentiehoeveelheden die aan de op dit grondgebied gevestigde producenten waren toegekend buiten dat grondgebied waren geproduceerd. Naar mijn mening verzette deze doelstelling zich er evenzeer tegen, dat de producenten deze referentiehoeveelheden alleen maar mochten produceren in de installaties die zij bij de toekenning van die hoeveelheden exploiteerden. Een dergelijke beperking zou de door de melkproducenten geëxploiteerde productie-eenheden immers hebben vastgepind op de situatie waarin zij zich op dat moment bevonden. De herstructurering van de landbouwbedrijven op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek hield volgens mij in, dat de producenten binnen de grenzen van dit grondgebied alle door hen nuttig geachte wijzigingen en verbeteringen konden aanbrengen met betrekking tot de locatie van hun productie-eenheden.
58.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging te antwoorden dat artikel 9, sub c en d, van verordening nr. 3950/92 aldus moet worden uitgelegd, dat de volledige melkproductie die een op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek gevestigde landbouwer zelfstandig heeft gerealiseerd in installaties die hij heeft gepacht en die op dit grondgebied zijn gelegen, moet worden toegerekend aan de hem voorlopig toegekende referentiehoeveelheid.
B — De derde prejudiciële vraag
59.
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de indeling van de gemeente waarin de gepachte installaties zich bevinden, bij een oude deelstaat van de Bondsrepubliek Duitsland van invloed is op de uitlegging van artikel 9, sub c en d, van verordening nr. 3950/92.
60.
De Duitse regering betwist de ontvankelijkheid van deze vraag, omdat het gemeenschapsrecht niet regelt hoe een deel van het nationale grondgebied dat bij verdrag van een nieuwe naar een oude deelstaat is overgegaan, in het licht van de bepalingen betreffende de melkquota moet worden gekwalificeerd. ( 39 )
61.
Ik deel dit standpunt niet. Volgens vaste rechtspraak is het in het kader van de in artikel 234 EG neergelegde samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de vragen dus betrekking hebben op de uitlegging van het gemeenschapsrecht, is het Hof in beginsel verplicht daarop te antwoorden. ( 40 )
62.
In casu heeft de vraag betrekking op de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht. Het gaat erom, of het voor de uitlegging van artikel 9, sub c en cl, van verordening nr. 3950/92 die uit het onderzoek van de eerste twee vragen volgt, verschil maakt dat de gemeente waarin zich de door verzoekster gepachte installaties bevinden, bij een oude deelstaat van de Bondsrepubliek Duitsland is ingedeeld.
63.
Naar mijn mening moet het antwoord op deze vraag ontkennend zijn.
64.
Zoals reeds gezegd, wordt met de verwijzing naar de nieuwe deelstaten in artikel 3, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 3950/92 het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek bedoeld. ( 41 )
65.
Vervolgens herinner ik eraan dat de gemeenschapswetgever na de Duitse eenwording en wegens het feit dat het gemeenschapsrecht op het gehele grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek moest gaan gelden, enige aanpassingen in de communautaire landbouwregelgeving heeft aangebracht, met name op het gebied van de melkproductie, ten einde rekening te houden met de bijzondere situatie van dit grondgebied. ( 42 )
66.
Zoals de Commissie heeft betoogd ( 43 ), doelt de uitdrukking „grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek” dus op het grondgebied waarop de herstructurering van landbouwbedrijven noodzakelijk was wegens het economische systeem dat daar voordien van kracht was. Het ging dus om het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek zoals dat geografisch was afgebakend op het moment van de Duitse eenwording.
67.
Wij hebben ook gezien, dat de wetgever in verordening nr. 3950/92 de voor het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek in de regeling tot beheersing van de melkproductie aangebrachte versoepelingen wenste te verlengen. Dit concept dekt dus dezelfde territoriale werkelijkheid als op het tijdstip van de eenwording.
68.
Hieruit volgt dat de indeling, na de eenwording, van een gedeelte van dit grondgebied bij een oude deelstaat van de Bondsrepubliek Duitsland niet van invloed is op de toepassing in de betrokken sector van de bepalingen van verordening nr. 3950/92 die voor het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek waren vastgesteld.
69.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging te antwoorden dat de indeling van de gemeente waarin zich de gepachte installaties bevinden, bij een oude deelstaat van de Bondsrepubliek Duitsland, niet van invloed is op de uitlegging van artikel 9, sub c en d, van verordening nr. 3950/92.
V — Conclusie
70.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de vragen van het Verwaltungsgericht Weimar te beantwoorden als volgt:
„1)
Artikel 9, sub c en d, van verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelproducten, zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening (EG) nr. 751/1999 van de Commissie van 9 april 1999 houdende aanpassing van de totale hoeveelheden die zijn vastgesteld in artikel 3 van verordening nr. 3950/92, moet aldus worden uitgelegd, dat de volledige melkproductie die een op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek gevestigde landbouwer zelfstandig heeft gerealiseerd in installaties die hij heeft gepacht en die op dit grondgebied zijn gelegen, moet worden toegerekend aan de hem voorlopig toegekende referentiehoeveelheid.
2)
De indeling van de gemeente waarin zich de gepachte installaties bevinden, bij een oude deelstaat van de Bondsrepubliek Duitsland, is niet van invloed op de uitlegging van artikel 9, sub c en d, van verordening nr. 3950/92, zoals gewijzigd.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) C-341/89, Jurispr. blz. I-25, punt 17.
( 3 ) Verordening (EEG) van de Raad van 31 maart 1984 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (PB L 90, blz. 10).
( 4 ) Zie verordening (EEG) nr. 1079/77 van de Raad van 17 mei 1977 inzake een mcdcvcrantwoordelijkhcidshcffing en maatregelen ter verruiming van de markten in de sector melk en zuivelproducten (PB L 131, blz. 6).
( 5 ) Artikel 5 quatcr van verordening nr. 804/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 856/84.
( 6 ) Verordening van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quatcr van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelproducten.
( 7 ) Derde overweging van de considerans.
( 8 ) Artikel 7, lid 1, luidt: „In geval van verkoop, verhuur of overdracht door vererving van een bedrijf wordt de overeenkomstige referentiehoeveelheid volgens nog vast te stellen bepalingen geheel of gedeeltelijk aan de koper, de huurder of de erfgenaam overgedragen”.
( 9 ) Artikel 12, sub c, definieert de producent als „de landbouwexploitant, natuurlijke of rechtspersoon of groepering van natuurlijke of rechtspersonen, waarvait het bedrijf op het geografische grondgebied van de Gemeenschap is gevestigd, die melk of andere zuivelproducten rechtstreeks aan de consument verkoop, en/of levert aan de koper”. In hetzelfde artikel wordt sub d) bedrijf gedefinieerd als „het geheel van produclie-eenbeden die door de producent worden beheerd en die op het geografische grondgebied van de Gemeenschap zijn gevestigd”.
( 10 ) Verordening van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 405, blz. 1).
( 11 ) Verordening van de Commissie van 9 april 1999 houdende aanpassing van de totale hoeveelheden die zijn vastgesteld in artikel 3 van verordening (EEG) nr. 3950/92 (PB L 96, blz. 11).
( 12 ) Zie punt 5 van deze conclusie.
( 13 ) Dertiende overweging van de considerans.
( 14 ) Zestiende overweging van de considerans.
( 15 ) Verordening van Raad van 4 december 1990 inzake de in verband met de Duitse eenwording in de landbouwsector noodzakelijke overgangsmaatregelen en aanpassingen (PB L 353, biz. 23).
( 16 ) Negende overweging van de considerans van verordening nr. 3577/90.
( 17 ) Bijvoorbeeld de voorwaarden waaronder de individuele referentiehoeveelheden worden vastgesteld (bijlage VI, IV, punten 1 en 2).
( 18 ) Zo is voor de periode 1 april 1998 tot en met 31 maart 1999 aan de Bondsrepubliek Duitsland 27767036 ton voor leveringen toegewezen, waarvan 6242180 ton voor leveringen van de producenten op het grondgebied van de nieuwe Länder, en 97780 ton voor rechtstreekse verkopen, waarvan 11187 ton voor rechtstreekse verkoop in de nieuwe Länder.
( 19 ) Zie bijlage I bij verordening (EG) nr. 749/2000 van de Commissie van 11 april 2000 houdende aanpassing van de totale hoeveelheden als bedoeld in artikel 3 van verordening (EEG) nr. 3950/92 (PB L 90,blz. 4).
( 20 ) Om te beginnen tot het eind van de periode van 1 april 1997 tot en met 31 maart 1998 bij verordening (EG) nr. 1883/94 van de Raad van 27 juli 1994 houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 3950/92 (PB L 97, blz. 25), en vervolgens bij verordening (EG) nr. 551/98 van de Raad van 9 maart 1998 houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 3950/92 tot instelling van een extra heffing in sector melk en zuivelproducten (PB L 73, blz. 1).
( 21 ) BGBl. 1994 I, blz. 586.
( 22 ) BGBl. 1996 I, blz. 535.
( 23 ) Verwijzingsbeschikking (blz. 9).
( 24 ) Verwijzingsbeschikking (blz. 10).
( 25 ) Punt 9.
( 26 ) Zie eveneens arresten van 20 juni 2002, Thomsen (C-401/99, Jurispr. blz. I-5775, punt 32), en Mulligan e.a. (C-313/99, Jurispr. blz. I-5719, punt 30).
( 27 ) Arrest van 14 juni 2001, Kvaerner (C-191/99, Jurispr. blz. I-4447, punt 30 en de aangehaalde jurisprudentie).
( 28 ) Punt 12 van deze conclusie.
( 29 ) In deze zaak werd het Hof geconfronteerd met de volgende situatie. Een melkproducent exploiteerde een boerderij met 60 stalplaatscn, waarvan 20 in een nieuwe stal. Hij kreeg een referentiehoeveelheid toegekend die ongeveer overeenkwam met de melkproductie van 40 Koeien. Hij verpachtte de 20 in de nieuwe stal gelegen stalplaatscn aan een andere melkproducent die zijnerzijds beschikte over een melkquotum dat ongeveer overeenkwam niet de melkproductie van 20 koeien. Dit quotum was hem toegekend op basis van de in zijn eigen bedrijf geproduceerde melk. De bevoegde administratieve instantie liet weten dat de pachter niet als melkproducent in de zin van de gemeenschapsregeling kon worden beschouwd en dat de door hem in de gepachte installaties geproduceerde melk derhalve aan de referentiehoeveelheid van de verpachter zou worden toegerekend.”
( 30 ) Punt 14.
( 31 ) Zie conclusie van advocaatgeneraal Tesauro in de zaak Kallmann (punt 4).
( 32 ) Punt 29 van haar schriftelijke opmerkingen.
( 33 ) Punt 15 van deze conclusie.
( 34 ) In haar schriftelijke opmerkingen heeft de Duitse regering betoogd (punten 17 en 18) dat zii op pronti van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 3950/92 Je referentiehoeveelheid mocht binden aait het bedrijf in het kader waarvan deze was toegekend. Volgens haar voorzag deze bepaling uitdrukkelijk in toekenning van de referentiehoeveemeden aan het bedrijf. Op grond van deze bepaling mocht zij ook de modaliteiten van de voorlopige toekenning van de referentiehoeveelheden vaststellen en bepalen dat tle verplaatsing van de productie naar een andere locatie, bijvoorbeeld door middel van pacht, verboden was. Ik deel dit standpunt niet. De woorden „met betrekking tot de bedrijven op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek ” moeten mijns inziens worden gezien in samenhang met de in de artikelen 4, lid 1. en 7, ltd 1, van verordening nr. 3950/92 bedoelde, op het bedrijf beschikbare referentiehoeveelheid. Zij kunnen niet afdoen aan de opzet van de regeling betreffende de extra heffing volgens welke een referentiehoeveelheid enkel aan een producent kan worden toegekend. Wat de aan tic Duitse autoriteiten verleende mogelijkheid lot toekenning van een voorlopige referentiehoeveelheid betreft, heb ik reeds opgemerkt dat daarmee eenvoudig werd beoogd hen in staat te stellen individuele referentiehoeveelheden soepeler toe te kennen of te verhogen dan voorzien in de regeling van artikel 4, leden 1 en 2, van verordening nr. 3950/92.
( 35 ) Punt 13 van deze conclusie.
( 36 ) Negende overweging van de considerans.
( 37 ) Zie vierde overweging van de considerans van verordening nr. 1883/94, en de considerans van verordening nr. 551/98, waarbij de werking van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 3950/92 werd verlengd.
( 38 ) Zie punt 26 van deze conclusie.
( 39 ) Punt 34 van haar schriftelijke opmerkingen.
( 40 ) Arresten van 15 december 1995, Bosman (C-415/93, Jurispr. blz. I-4921, punt 59), en 24 september 2002, Grundig Italiana, (C-255/00, Jurispr. blz. I-8003, punt 30).
( 41 ) Punt 49 van deze conclusie.
( 42 ) Zie punt 13 van deze conclusie.
( 43 ) Punt 33 van haar schriftelijke opmerkingen.
Full & Egal Universal Law Academy