Conclusie van de advocaat generaal
1. De Commissie verzoekt het Hof te verklaren dat het Koninkrijk België, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/76/EG van de Raad van 1 oktober 1998 tot wijziging van richtlijn 96/26/EG inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg, nationaal en internationaal, en inzake de wederzijdse erkenning van diploma's, certificaten en andere titels ter vergemakkelijking van de uitoefening van het recht van vrije vestiging van bedoelde vervoerondernemers, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2. Artikel 2, van richtlijn 98/76/EG bepaalt:
1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 oktober 1999 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
[...]"
3. Aangezien de Commissie geen gegevens ontving over de omzetting van richtlijn 98/76/EG, heeft zij een procedure in de zin van artikel 226 EG ingeleid en het Koninkrijk België bij brief van 18 februari 2000 aangemaand binnen twee maanden zijn opmerkingen te maken.
4. Bij brief van 21 april 2000 antwoordde de Belgische regering dat de omzettingsmaatregelen in voorbereiding waren.
5. Op 7 september 2000 zond de Commissie het Koninkrijk België een met redenen omkleed advies, waarin zij België voor de omzetting van richtlijn 98/76/EG een termijn van twee maanden stelde.
6. België kondigde in zijn stellingname van 3 oktober 2000 aan, dat de omzetting moest gebeuren door middel van besluiten, die begin 2001 in het Belgisch Staatsblad zouden worden gepubliceerd.
7. Omdat de Commissie daarna geen mededeling over de uitvaardiging van de maatregelen heeft ontvangen, heeft zij op 12 juli 2001 beroep ingesteld. Zij verwijt het Koninkrijk België schending van artikel 249, lid 3, EG en artikel 10 EG, aangezien het tot 1 oktober 1999 niet aan de krachtens richtlijn 98/76/EG op hem rustende verplichtingen had voldaan.
8. Het Koninkrijk België ontkent de schending van het Verdrag niet.
9. Met betrekking tot de voorschriften inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederenvervoer over de weg, betoogt de Belgische regering dat de beginselen van de richtlijn reeds in een op 30 juni 1999 vastgestelde wet zijn opgenomen, maar dat voor de inwerkingtreding nog een koninklijk besluit en een ministerieel uitvoeringsbesluit nodig zijn. Deze vertraging in de omzetting komt volgens de Belgische regering voort uit de betrokkenheid van de regio's en verscheidene regeringsinstanties. Er moet echter van worden uitgegaan dat de bepalingen vóór eind 2001 worden goedgekeurd.
10. Wat de voorschriften inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van personenvervoer over de weg betreft, voor de inwerkingtreding waarvan eveneens een koninklijk besluit en een ministerieel besluit nodig is, wijst de Belgische regering erop dat de regio's hierover nog moeten worden gehoord.
Beoordeling
11. Volgens artikel 10, eerste alinea, EG moeten de lidstaten alle maatregelen treffen die geschikt zijn om de nakoming van de uit handelingen van de instellingen der Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. Tot deze handelingen behoren de richtlijnen die overeenkomstig artikel 249, derde alinea, EG ten aanzien van het te bereiken resultaat verbindend zijn voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd zijn. Dit houdt voor elke lidstaat waarvoor een richtlijn bestemd is, de verplichting in om in het kader van zijn nationale rechtsorde tijdig alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de volle werking van de richtlijn overeenkomstig het ermee beoogde doel te verzekeren.
12. De loutere inleiding van de procedure tot vaststelling van een wet die bestemd is om de omzetting van een richtlijn in nationaal recht te verzekeren, voldoet echter niet aan dit vereiste.
13. Volgens vaste rechtspraak is een eventuele beëindiging van de schending van het Verdrag na afloop van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn niet van invloed op de gegrondheid van het beroep. Zelfs wanneer de desbetreffende wettelijke voorschriften intussen zouden zijn vastgesteld, staat dit dus niet in de weg aan de vaststelling van een niet-nakoming.
14. Tot slot moet erop worden gewezen dat nationale praktijken of situaties van een lidstaat geen rechtvaardiging kunnen opleveren voor de niet-nakoming van uit gemeenschapsrichtlijnen voortvloeiende verplichtingen en termijnen, noch voor een te late of onvolledige omzetting van een richtlijn.
Conclusie
15. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
1. vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/76/EG van de Raad van 1 oktober 1998 tot wijziging van richtlijn 96/26/EG inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg, nationaal en internationaal, en inzake de wederzijdse erkenning van diploma's, certificaten en andere titels ter vergemakkelijking van de uitoefening van het recht van vrije vestiging van bedoelde vervoerondernemers, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;
2. het Koninkrijk België in de kosten te verwijzen.
Full & Egal Universal Law Academy