Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1 In deze hogere voorziening verzoekt het Europees Parlement om vernietiging van het arrest dat op 3 mei 2001 door het Gerecht van eerste aanleg is gewezen in zaak T-99/00, Ignacio Samper/Europees Parlement (hierna: "bestreden arrest").(1) Het bestreden arrest vernietigt het besluit van het Parlement van 9 juni 1999 om de bevordering van Samper tot de rang A 4 in te laten gaan per 1 januari 1998. Het Gerecht gaf daarmee gehoor aan een van de grieven van de rekwirant. Samper betoogde dat zijn promotie in de rang A 4 had moeten gelden met ingang van 1 januari 1997, aangezien onvoldoende rekening was gehouden met het feit dat hij op dat moment reeds gedurende twee jaar als afdelingshoofd had gefunctioneerd. Het Europees Parlement voert in zijn verzoekschrift als middelen aan dat het Gerecht de bewijzen heeft verdraaid en de grenzen van de rechterlijke toetsing heeft overschreden.
II - Feiten en procedure
2 De feiten die aan het geschil ten grondslag liggen, zoals ze in het bestreden arrest zijn weergegeven, kunnen als volgt worden samengevat.
3 Als resultaat van een intern vergelijkend onderzoek waarbij hij als eerste op de lijst van geschikte kandidaten was geplaatst, werd Samper bij besluit van het Parlement van 21 februari 1995 en met ingang van 1 april 1995 aangesteld tot afdelingshoofd in de rang A 3 bij het Voorlichtingsbureau van het Europees Parlement te Madrid. Hij heeft deze functie uitgeoefend tot 18 maart 1999, toen het Hof in zijn arrest in zaak C-304/97 P, Carbajo Ferrero/Parlement(2), het aanstellingsbesluit van het Parlement van 21 februari 1995 nietig heeft verklaard.
4 Ter uitvoering van dat arrest, heeft het Parlement bij besluit van 14 april 1999 de nietigheid van de benoeming van Samper als afdelingshoofd vastgesteld en zijn loopbaan per 1 april 1995 hersteld in de rang A 5, tweede schaal.
5 Bij besluit van 9 juni 1999 heeft het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: "TABG") Samper met terugwerkende kracht per 1 januari 1998 bevorderd in de rang A 4, eerste schaal, overeenkomstig het unaniem uitgebrachte advies van het bevorderingscomité (hierna: "betrokken besluit"). Tegen deze beslissing heeft Samper op 8 september 1999 bezwaar gemaakt, dat door de president van het Parlement op 20 januari 2000 is verworpen.
6 Vervolgens heeft Samper op 20 april 2000 beroep ingesteld bij het Gerecht van eerste aanleg, gericht op de nietigverklaring van het bestreden besluit, voor zover daarin de datum voor bevordering in de rang A 4 werd gesteld op 1 januari 1998, en niet op 1 januari 1997. Samper voerde onder meer aan dat het Parlement bij het vergelijkende onderzoek van zijn verdiensten onvoldoende rekening had gehouden met zijn uitgeoefende verantwoordelijkheden als afdelingshoofd bij het Voorlichtingsbureau te Madrid.
7 In het bestreden arrest wordt uitsluitend ingegaan op deze grief. Volgens het Gerecht berust op het TABG de taak om, met het oog op het herstel van de loopbaan van Samper, zijn verdiensten te onderzoeken in het licht van de resultaten van de bevorderingsronde 1997, gelet op de groep ambtenaren van die lichting die op de nominatie stond te worden bevorderd in de rang A 4, en met name gelet op de ambtenaren die in dat jaar daadwerkelijk tot de rang A 4 zijn bevorderd (punt 39 van het bestreden arrest). Het Gerecht concludeert dat in het kader van het vergelijkende onderzoek van de verdiensten van Samper, het TABG een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door niet voldoende de omstandigheid in overweging te hebben genomen dat Samper gedurende twee jaar met succes de functies van afdelingshoofd had uitgeoefend (punten 52 en 53 van het bestreden arrest). Derhalve verklaart het Gerecht het betrokken besluit nietig, voor zover daarin de datum voor de bevordering van Samper in de rang A 4 is vastgesteld op 1 februari 1998 (punt 54 van het bestreden arrest).
8 In de hogere voorziening, geregistreerd op 13 juli 2001, verzoekt het Parlement het Hof het bestreden arrest van het Gerecht te vernietigen en de zaak definitief af te doen door het door Samper ingestelde beroep tot nietigverklaring ongegrond te verklaren. Subsidiair verzoekt rekwirante de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een nieuwe uitspraak over het door Samper ingestelde beroep tot nietigverklaring. Het Parlement vraagt het Hof tevens te oordelen over de kosten rechtens.
9 Samper verzoekt het Hof de hogere voorziening te verwerpen als klaarblijkelijk niet-ontvankelijk of, subsidiair, als niet gegrond. In ieder geval vraagt Samper het Hof het bestreden arrest te bevestigen en het Parlement te verwijzen in de volledige kosten die zijn gemaakt in de procedures voor de twee instanties.
10 Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.
11 Hierna behandel ik eerst de ontvankelijkheid van de hogere voorziening in zijn geheel, om daarna in te gaan op het tweede middel van het Parlement, betreffende de grenzen van de rechterlijke toetsing. Vervolgens kan de waardering van het eerste middel achterwege blijven. Met dit middel betoogt het Parlement dat het Gerecht enkele feiten niet correct zou hebben weergegeven, waardoor er sprake zou zijn van dwalingen ten aanzien van het recht die voldoende zouden zijn voor het Hof om het bestreden arrest te vernietigen. Het betreft de wijze waarop het Gerecht in punt 40 van het bestreden arrest het "beslissende" criterium voor de bevorderingsronde 1997 aangeeft; de vaststelling van het Gerecht in de punten 46 en 47 dat het bevorderingscomité er ten onrechte van uitging dat rekwirant aanpassingsproblemen had gekend bij de uitoefening van zijn functie van hoofd, en de constatering in punt 48 dat het bevorderingscomité zich uitsluitend zou hebben gebaseerd op de cijfers van de beoordelingsrapporten. Naar mijn oordeel hangen deze onderdelen van het eerste middel, voor zover ze al ontvankelijk zouden zijn, in wezen samen met de grieven die in het kader van het tweede middel zijn aangevoerd.
III - De ontvankelijkheid van de hogere voorziening
A - Argumenten van partijen
12 Sampter betoogt dat het Parlement geen enkel belang zou hebben bij de hogere voorziening. Het Parlement heeft hem bij besluit van 31 juli 2001 reeds per 1 januari 1997 de rang van A 4 toegekend.(3) Volgens Samper betreft het hier een autonome maatregel van het TABG dat geenszins verband houdt met de uitvoering van het bestreden arrest van het Gerecht. Het arrest immers verplicht het Parlement er niet toe hem te bevorderen per 1 januari 1997. De hogere voorziening zou derhalve in zijn geheel kennelijk niet-ontvankelijk zijn.
13 Het Parlement bestrijdt deze opvatting. Het bestreden arrest van 3 mei 2001, waarvan het dictum moet worden gelezen in samenhang met de motivering, zou met name door de overweging in punt 54 dat het betrokken besluit moet worden vernietigd voor zover rekwirant niet per 1 januari 1997 is bevorderd in de rang A 4, geen enkele beoordelingsruimte laten voor de door het TABG te nemen uitvoeringsmaatregel. Het Parlement voegt daaraan toe dat het belang voor het Parlement enerzijds gelegen is in de vrijwaring tegen een eventuele schadevergoedingsactie die Samper zou kunnen instellen, en anderzijds in de mogelijkheid het achterstallige salaris dat ter uitvoering van het bestreden arrest is overgemaakt, van hem terug te vorderen. Overigens wijst het Parlement erop dat de brief die op 16 augustus 2001 door het Parlement aan Samper is verzonden uitdrukkelijk melding maakt van het feit dat de bevordering in de rang A 4 per 1 januari 1997 heeft plaatsgevonden ter uitvoering van het bestreden arrest, en dus niet op grond van eigen overwegingen van het TABG.
B - Beoordeling
14 Uit de vaste rechtspraak van het Hof blijkt dat het bestaan van procesbelang veronderstelt, dat de uitslag van de hogere voorziening in het voordeel van de rekwirant kan zijn.(4) In casu biedt een arrest van het Hof dat het bestreden arrest van het Gerecht vernietigt, het Parlement een zeker voordeel. Het Parlement kan worden gevrijwaard tegen elke vordering van Samper tot vergoeding van schade die hij als gevolg van het betrokken besluit van het TABG heeft geleden.(5) Denkbaar is voorts dat het Parlement bij een eventuele vernietiging van het bestreden arrest het aan Samper betaalde extra salaris terug kan vorderen, indien zijn bevordering niet per 1 januari 1997 hoefde in te gaan, maar met recht kon worden gesteld op 1 januari 1998.
15 Op grond van het voorgaande staat voor mij de ontvankelijkheid vast.
IV - Het middel betreffende de overschrijding van de grenzen van de rechterlijke toetsing
A - Voornaamste argumenten van partijen
16 Het Parlement betoogt dat het Gerecht zijn subjectieve oordeel over de verdiensten van rekwirant in de plaats heeft gesteld van het oordeel van het bevorderingscomité. Dat zou indruisen tegen vaste rechtspraak.(6)
17 Het Gerecht zou in de punten 53 en 54 van het bestreden arrest ten onrechte hebben vastgesteld dat rekwirant zijn functie van hoofd van het voorlichtingsbureau "met succes" heeft uitgeoefend door een subjectieve beoordeling te verrichten in twee stappen, en het laat daarbij na een objectieve vergelijking te maken tussen rekwirant en zijn collega's.
18 De eerste stap die het Gerecht heeft gemaakt betreft de vergelijking van het totaal aantal punten dat aan Samper is toegekend en het aantal dat is gegeven aan vier van zijn collega's. Het Gerecht geeft niet aan waarom het van deze vergelijking uitgaat, maar het lijkt het Parlement duidelijk dat het Gerecht het belang van de verschillen in aantal punten tussen de vijf afdelingshoofden wenst te bagatelliseren. Het Gerecht, aldus het Parlement, vergist zich echter op twee manieren in die vergelijking.
19 Ten eerste zou geen enkele rechtmatige vergelijking van verdiensten van ambtenaren kunnen worden gemaakt door het door hen behaalde totaal aantal punten volledig buiten beschouwing te laten. Ten tweede zou het Gerecht ten onrechte hebben geconstateerd dat het verschil in puntenaantal tussen de ambtenaren gebaseerd zou zijn op een bepaald element van de algemene beoordeling van het rapport. In werkelijkheid, zoals ook blijkt uit de beoordelingsrapporten in kwestie, is het aantal per ambtenaar behaalde punten de totale som van de punten die hem zijn toegekend volgens de acht gestandaardiseerde criteria die de analytische beoordelingen van het rapport vormen.
20 De tweede stap die het Gerecht zet bestaat uit de vergelijking van het algemene oordeel dat over Samper is gegeven - door het Gerecht bestempeld als "lovend" - met dat van drie andere afdelingshoofden die een vergelijkbare beoordeling hadden gekregen. Uit deze vergelijking trekt het Gerecht de conclusie dat die algemene waarderingen "vergelijkbaar" zijn (punt 45, laatste zin, van het bestreden arrest). Door de vergelijking echter slechts te beperken tot de algemene waarderingen, en geen rekening te houden met het feit dat de drie betrokken afdelingshoofden een hoger puntenaantal hadden behaald dan Samper, zou het Gerecht dezelfde fout een tweede keer hebben gemaakt, aangezien niet is vergeleken wat de verdiensten van deze afdelingshoofden zijn.
21 Het subjectieve oordeel van het Gerecht volgens welke Samper zijn functies van afdelingshoofd "met succes" zou hebben verricht, wordt nog minder overtuigend vanwege het feit dat de tweede vergelijking van het Gerecht eveneens selectief is. Het beperkt zich tot de drie collega's die een "vergelijkbare" algemene waardering hadden verkregen.
22 Het Parlement wijst voorts op een ander gevolg van het gebruik van de term "met succes" om de wijze te kwalificeren waarop Samper zijn functies heeft vervuld. Het zal moeilijk zijn bewoordingen te vinden voor prestaties van de andere afdelingshoofden die een hoger aantal punten hebben verkregen. Het Parlement vraagt zich af hoe iemand valt aan te prijzen die zijn functies nog beter heeft vervuld dan "met succes".
23 Derhalve heeft het Gerecht volgens het Parlement, door te stellen dat in werkelijkheid het TABG had moeten oordelen dat Samper zijn functies als afdelingshoofd "met succes" had uitgeoefend, niet slechts in aanzienlijke mate inbreuk gemaakt op de ruime beoordelingsmarge van het TABG, maar eveneens verzuimd aan te tonen dat het TABG een kennelijke beoordelingsfout zou hebben gemaakt en dat het TABG de redelijke grenzen van die marge zou hebben overschreden.
24 Tot slot betoogt het Parlement dat het Gerecht in de punten 52 en 53 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat het TABG geen waarde heeft gehecht aan de taken die rekwirant gedurende de twee jaar als afdelingshoofd de facto "met succes" heeft verricht. Op grond van dit subjectieve oordeel kan niet worden concludeerd dat het bevorderingscomité een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt.
25 In punt 50 van het bestreden arrest wordt de werkmethode van het TABG gekritiseerd die eruit bestond de uitgeoefende verantwoordelijkheden van betrokkenen te vergelijken. Volgens het Gerecht zou "geen enkel element" de veronderstelling kunnen rechtvaardigen dat het TABG een werkelijke vergelijking gemaakt zou hebbben tussen de uitgeoefende verantwoordelijkheden van Samper en de overige afdelingshoofden die zijn gepromoveerd in de rang A 4.
26 Deze kritiek is, aldus het Parlement, onhoudbaar. Volgens vaste rechtspraak bezit het TABG de statutaire bevoegdheid een vergelijkend onderzoek uit te voeren op grond van de werkwijze die zij het meest geschikt acht. Het verslag van de vergadering van het bevorderingscomité van 19 mei 1999 laat stap voor stap en op heldere en doorzichtige wijze de redenering en de toegepaste methode van het comité zien. Daaruit zou duidelijk blijken dat de besluiten van het TABG betreffende het loopbaanoverzicht van Samper zijn genomen op grond van een vergelijkend onderzoek waarbij rekening is gehouden met alle relevante factoren, met name de rapportcijfers, de mobiliteit en de uitgeoefende bevoegdheden, de anciënniteit en de gelijkheid van kansen. Nu de verdiensten van de verschillende ambtenaren erg dicht bij elkaar lagen, was een complex waardeoordeel van het geheel van factoren noodzakelijk. Hoewel het gaat om gevoelige besluiten, zou het besluit van het TABG om Samper in het bevorderingsjaar 1997 niet te promoveren, dat is genomen op grond van de meest geschikte methode, duidelijk zijn gebleven binnen de beoordelingsmarge van het TABG.
27 Het feit dat het Gerecht een andere methode heeft toegepast en een eigen subjectief oordeel heeft gegeen, volstaat niet om de onrechtmatigheid van het besluit van het TABG aan te tonen, zo besluit het Parlement.
28 Samper stelt allereerst vast dat de overwegingen van het Parlement in het kader van het tweede middel van puur feitelijke aard zijn en niet in hogere voorziening kunnen worden aangevoerd.
29 Daarnaast voert Samper aan dat het Gerecht niet zijn eigen subjectieve oordeel over de verdiensten van Samper in de plaats heeft gesteld van die van het TABG. Het Gerecht heeft zich eenvoudigweg beperkt, binnen het kader van zijn rechterlijke controle, tot de constatering van kennelijke fouten die door het TABG zijn gemaakt en tot het vernietigen van het betrokken besluit.
30 Ten aanzien van het argument dat het TABG bij gebreke van uitzonderlijke omstandigheden Samper niet kan bevorderen in het bevorderingsjaar 1997, stelt verweerder vast dat het TABG bij besluit van 30 juli 2001 niettemin heeft besloten Samper per 1 januari 1997 te bevorden. Deze omstandigheid zou een groot deel van de in het kader van het tweede middel aangehaald argumenten van het Parlement weerspreken.
31 In zijn memorie in repliek handhaaft het Parlement zijn opvatting dat het Gerecht bijna volledig zijn oordeel in de plaats heeft gesteld van de waardering van het TABG. Het Parlement vergelijkt bij wijze van voorbeeld bepaalde belangrijke punten van het TABG, die zich heeft geschaard achter de waarderingen van het bevorderingscomité zoals uiteengezet in het verslag van zijn buitengewone vergadering op 19 mei 1999, met bepaalde waarderingen van het Gerecht in het bestreden arrest. Uit deze vergelijking blijkt, aldus het Parlement, dat het Gerecht door eerst het oordeel van Samper als "très honorable" te kwalificeren, en vervolgens als "élogieuse", zijn eigen subjectieve methode heeft toegepast om te komen tot zijn eigen subjectieve eindoordeel, volgens welke de betrokkene zijn functies "avec succès" had uitgeoefend. De kennelijke beoordelingsfout van het TABG bestond er volgens het bestreden arrest uit dat niet de subjectieve methode van het Gerecht is gevolgd, dat niet het subjectieve eindoordeel zoals vastgesteld door het Gerecht is bereikt en, uiteindelijk, dat niet (voldoende) het eindoordeel is gewaardeerd, waardoor het TABG in staat zou zijn Samper te bevorderen met ingang van 1 januari 1997. Het Parlement herhaalt dat hierdoor het Gerecht de grenzen van zijn rechterlijke controlebevoegdheid heeft overschreden, zoals dat is vastgelegd in de communautaire rechtspraak.
B - Beoordeling
32 De grief van het Parlement richt zich op het betoog van het Gerecht dat het TABG ten onrechte geen, dan wel onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat rekwirant zijn functie als afdelingshoofd gedurende twee jaren "met succes" heeft uitgeoefend. Daardoor zou het Gerecht een kennelijke beoordelingsfout hebben gemaakt. Het Gerecht zou zijn subjectieve oordeel in de plaats hebben gesteld van de op objectieve criteria gebaseerde waardering van het TABG.
33 Het middel is mijns inziens ontvankelijk. Het is immers ontleend aan een verkeerde kwalificatie van de feiten en een onjuiste motivering. De vraag of de motivering van een arrest van het Gerecht ontoereikend of tegenstrijdig is, is een rechtsvraag die als zodanig in het kader van een hogere voorziening kan worden aangevoerd.(7)
34 Volgens artikel 45, lid 1, eerste alinea, van het Ambtenarenstatuut, vindt bevordering plaats bij besluit van het TABG en geschiedt de bevordering na een onderzoek waarbij de verdiensten van de ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, onderling worden vergeleken.
35 De reikwijdte van artikel 45 van het Ambtenarenstatuut is in de rechtspraak van het Hof veelvuldig aan de orde geweest, onder meer ten aanzien van de randvoorwaarden die worden gesteld aan de procedure en de beoordelingsbevoegdheid van het TABG en de grenzen van de controle die door de gemeenschapsrechter - het Hof en het Gerecht - kan worden uitgeoefend.
36 Overeenkomstig de vaste rechtspraak beschikt het TABG bij de beoordeling van het dienstbelang en van de kwalificaties en verdiensten van de kandidaten die bij een bevorderingsbesluit als bedoeld in artikel 45 van het Ambtenarenstatuut in aanmerking moeten worden genomen, over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Herhaaldelijk heeft het Hof beklemtoond dat bij bevorderingen het TABG het vergelijkend onderzoek kan uitvoeren "volgens de methode die het daartoe het meest geschikt acht".(8) Zij mag dus rekening houden met verschillende factoren en op grond daarvan naar eigen inzicht een afweging maken.$
37 De aan het TABG toegekende discretionaire bevoegdheid wordt evenwel beperkt door het vereiste dat de onderlinge vergelijking van de verdiensten van de kandidaten zorgvuldig en onpartijdig, in het belang van de dienst en overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling moet geschieden.(9) Indien voor de jaarlijkse bevorderingsronde een procedure en een beoordelingsmethode zijn vastgelegd, dient het TABG zich aan deze regels te houden.(10) Elke bevorderbare ambtenaar mag verwachten dat zijn verdiensten met die van de andere tot de betrokken rang bevorderbare ambtenaren worden vergeleken binnen het bevorderingscomité.(11) Daartoe dient het bevorderingscomité een werkelijke vergelijking te maken met alle voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren, en niet enkel met de verdiensten van bijvoorbeeld de ambtenaren die bovenaan de relevante lijst staan.(12) De bevorderingsbesluiten vooronderstellen dat het TABG bij elke bevorderingsprocedure de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren en de over hen uitgebrachte beoordelingsrapporten vergelijkt. Dit onderzoek moet weliswaar in passende mate betrekking hebben op de periodes die voorafgaan aan de periode waarop de lopende bevorderingsronde slaat, maar ook op deze laatste periode zelf.(13)
38 Het toezicht van de rechter moet zich op dat gebied beperken tot de vraag of de administratie, gelet op de wegen en middelen die haar tot haar oordeel konden brengen, binnen redelijke grenzen is gebleven en niet een kennelijk onjuist gebruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt. De gemeenschapsrechter kan zijn beoordeling van de kwalificaties en verdiensten van de kandidaten derhalve niet in de plaats stellen van de beoordeling van het TABG.(14) Het komt er aldus op neer dat de gemeenschapsrechter zich moet beperken tot een marginale toetsing van het vergelijkend onderzoek dat het TABG verricht, waarbij met name de naleving van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur toetsbaar zijn. Het oordeel behoort bovendien op dusdanige wijze te worden gemotiveerd, dat voor de betrokken partijen en het Hof in hogere voorziening de argumenten van het Gerecht duidelijk kenbaar zijn.
39 Om te bepalen of het Gerecht in het bestreden arrest buiten zijn bevoegdheden is getreden door, zoals het Parlement betoogt, zijn eigen oordeel in de plaats te stellen van de waardering door het TABG, dient eerst te worden onderzocht welke beoordelingsmethode ten grondslag heeft gelegen aan het betrokken besluit.
40 Het TABG heeft, zoals gebruikelijk, het betrokken besluit genomen op basis van een advies van het bevorderingscomité. Het paritair samengestelde bevorderingscomité dat in het betrokken besluit over Samper heeft geoordeeld, is met algemene stemmen tot de aanbeveling gekomen rekwirant bij de bevorderingsronde 1997 niet te bevorderen.
41 In casu was het bevorderingscomité bij haar werkzaamheden gebonden aan de maatstaven die staan vermeld in de Note d'information no. 7 de 1995 concernant la procédure de promotion (informatienotitie nr. 7 van 1995, betreffende de beoordeling van de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren). Het betreft in de eerste plaats het beoordelingsrapport dat is gebaseerd op acht criteria, vermeld in de bijlage van de toepasselijke Directive interne aux comités de promotion de 1992 (interne richtlijn voor bevorderingscomités van 1992): kennis, begrips- en beoordelingsvermogen, vermogen tot het nemen van initiatieven, organisatievermogen, kwaliteit van het werk, regelmaat en snelheid van het werk, taakopvatting, en omgang met de menselijke verhoudingen op het werk. Daarnaast zijn volgens de maatstaven vermeld in de notitie van 1995 van belang het voorafgaande beoordelingsrapport, een eventuele aanbeveling van de directeur-generaal, een eventuele mobiliteit van de kandidaat, en het beginsel dat bij gelijke verdiensten voorrang wordt gegeven aan een vrouw in die groepen waarin dit geslacht is ondervertegenwoordigd.
42 De werkmethode die het onderhavige bevorderingscomité heeft gevolgd blijkt uit het verslag van de buitengewone vergadering van 19 mei 1999. Het comité verplichtte zich ertoe de globale verdienste van Samper te vergelijken met die van andere ambtenaren die voor bevordering naar A 4 in aanraking kwamen. Het besloot bij deze vergelijking niet alleen rekening te houden met het beoordelingsrapport, maar ook de verantwoordelijkheden en de functies van Samper in de overwegingen te betrekken. Bovendien nam het bevorderingscomité zich voor rekening te houden met het verslag van het bevorderingscomité van het betreffende bevorderingsjaar. Daardoor zou rekening gehouden kunnen worden met de specifieke criteria die in het betrokken bevorderingsjaar werden aangehouden. Ten slotte stemde het bevorderingscomité er mee in dat rekening werd gehouden met de beoordelingsrapporten van de andere afdelingshoofden.
43 Het komt mij voor dat het bevorderingscomité procedureel volstrekt in overeenstemming met de interne voorschriften heeft gehandeld. Nergens in het geding voor het Gerecht is overigens gesteld of gebleken dat er op dat punt fouten zijn gemaakt.
44 De enige grief van rekwirant die het Gerecht heeft onderzocht betreft de vermeende omissie van het TABG om bij de vergelijking adequaat rekening te houden met de verdiensten van zijn werkzaamheden, gedurende twee jaar, als hoofd van het Voorlichtingsbureau van het Parlement te Madrid. Zoals gezegd, staat het aan het TABG om aan de betrokken verdiensten bij een vergelijkende waardering van de voor promotie in aanmerking komende kandidaten een kwalificatie te geven. De reikwijdte van de rechterlijke controle is in dit verband beperkt tot de vraag of het TABG onmiskenbaar heeft verzuimd de genoemde verdiensten afdoende bij de beoordeling te betrekken.
45 Welnu, mijns inziens zijn er door het bevorderingscomité geen waarneembare fouten gemaakt en bestaat er geen aanleiding te veronderstellen dat het TABG de betrokken verdiensten van Samper niet of onvoldoende in overweging heeft genomen. Integendeel, ook het Gerecht lijkt te erkennen dat deze verdiensten bij de beoordeling van het TABG zijn betrokken.
46 Naar mijn oordeel heeft het Gerecht in de punten 48 tot en met 51 van het bestreden arrest te weinig gewicht toegekend aan het feit dat het bevorderingscomité in zijn overwegingen diverse malen refereert aan de verdiensten van Samper als afdelingshoofd. Uit de notulen van de vergadering van het bevorderingscomité van 19 mei 1999(15) blijkt immers dat het bevorderingscomité het niveau van de door rekwirant verrichte taken in aanmerking heeft genomen en de beoordelingscijfers van rekwirant dienovereenkomstig heeft aangepast (zijn beoordeling steeg - hypothetisch - van 56 naar 59 punten). Uit de in bestreden arrest aangehaalde passages uit de notulen van de bewuste vergadering van 19 mei 1999 blijkt verder dat de verdiensten van Samper daadwerkelijk zijn vergeleken met die van de in het bevorderingsjaar 1997 in de rang A 4 bevorderde ambtenaren, alsmede met de rapporten van een vijftal ambtenaren die ook voor promotie in aanmerking kwamen en lovende beoordelingen kregen, maar niet zijn bevorderd. Het Gerecht citeert bovendien de notulen, waar wordt vermeld dat de meerderheid van deze (gepromoveerde) ambtenaren gedurende een bepaalde periode de rol van unithoofd heeft vervuld, in functies welke vergelijkbaar zijn met die van afdelingshoofd (punt 50 van het bestreden arrest).(16)
47 De finale afweging van het bevorderingscomité valt voor het bevorderingsjaar 1997 evenwel in het nadeel van Samper uit. Dat is niet gebeurd omdat geen rekening is gehouden met zijn uitgeoefende verantwoordelijkheden, maar omdat anderen naar het oordeel van het bevorderingscomité (nog) beter waren. Het feit dat Samper duidelijke en erkende verdiensten heeft als afdelingshoofd, sluit immers niet uit dat in het kader van de vergelijking wordt vastgesteld dat andere ambtenaren grotere verdiensten hebben - hetzij vanwege de vervulling van de functie van afdelingshoofd, hetzij om andere redenen. Het TABG kon dus in redelijkheid oordelen, dat de verdiensten van Samper de toekenning van nog meer extra punten voor de bevordering niet rechtvaardigen.(17) Het TABG heeft met andere woorden niet kennelijk verkeerd gehandeld, door enerzijds de verdiensten van Samper gunstig te beoordelen, doch anderzijds daaraan niet de conclusie te verbinden dat hij recht kon doen gelden op bevordering.
48 Naar mijn mening heeft het Gerecht daarom niet overtuigend vastgesteld en ook niet vast kunnen stellen dat het comité en dus het TABG in de omstandigheden van het geval niet binnen de redelijke grenzen van haar bevoegdheden is gebleven. Van een "zeker gebrek aan samenhang" (punt 47 van het bestreden arrest) in het oordeel van het bevorderingscomité kan om die reden geen sprake zijn. Het oordeel van het Gerecht dat Samper "met succes" zijn functies heeft vervuld volstaat niet om te oordelen dat het TABG een "kennelijke beoordelingsfout" heeft gemaakt doordat met zijn functievervulling als afdelingshoofd niet of onvoldoende rekening is gehouden (punten 52 en 53 van het bestreden arrest).
49 Daar waar het TABG in overeenstemming met de van toepassing zijnde voorschriften een gemotiveerd en voor toetsing vatbare beoordeling heeft verricht die onmiskenbaar blijft binnen de discretionaire ruimte waarover het beschikt, stelt het Gerecht zijn eigen oordeel daarvoor in de plaats. Ik acht het middel van het Europees Parlement derhalve gegrond. Mijn opvatting wordt bovendien nog versterkt door een aantal bijkomende omstandigheden.
50 Ten eerste meen ik dat het Gerecht uitgaat van een onjuiste premisse door te stellen dat het bevorderingscomité zich uitsluitend zou hebben gebaseerd op de cijfers in het beoordelingsrapport (punt 48 van het bestreden arrest). Zoals uit het voorgaande volgt, is bij het bepalen van de hoogte van die cijfers rekening gehouden met zijn functievervulling als hoofd van het voorlichtingsbureau. Daarnaast blijkt nergens dat het bevorderingscomité de in aanmerking te nemen bijzondere maatstaven - vermeld in punt 41 van deze conclusie - niet op Samper heeft toegepast.
51 Ten tweede staat vast dat in het bevorderingsjaar 1997 de verschillen tussen de betrokken ambtenaren die voor bevordering in aanmerking kwamen minimaal waren. Het betreft in casu bovendien een bijzonder geval, nu het bevorderingscomité behoorde te onderzoeken hoe Samper in de functie van afdelingshoofd van het Voorlichtingsbureau te Madrid had gefunctioneerd, zonder daarbij de omstandigheden te betrekken die tot de nietigheid van zijn benoeming hebben beleid. Om die redenen is het voor de rechter des te meer geboden terughoudend te zijn bij toetsing van de beoordeling van het TABG.
52 In mijn ogen kan de uitspraak van het Gerecht van eerste aanleg dan ook niet in stand blijven. Aan het arrest kleeft een motiveringsgebrek, aangezien het Gerecht niet overtuigend heeft aangetoond dat het TABG kennelijk onjuist van haar bevoegdheden gebruik heeft gemaakt. Nu het Gerecht zich in zijn uitspraak slechts op één van de grieven van Samper heeft gebaseerd, acht ik het zinvol om de zaak terug te verwijzen voor een nieuwe uitspraak.
V - Conclusie
53 Op grond van het voorgaande, geef ik het Hof het volgende in overweging:
1) het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 3 mei 2001, Samper/Parlement (T-99/00) te vernietigen;
2) de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht van eerste aanleg voor een nieuwe uitspraak over het door Samper ingestelde beroep tot nietigverklaring;
3) de beslissing omtrent de kosten aan te houden.
(1) - JurAmbt. blz. I-A-111 en II-507.
(2) - Jurispr. blz. I-1749.
(3) - Bij besluit van 2 augustus 2001 is hij per 1 juni 2001 aangesteld in de rang van A 3.
(4) - Arresten van 19 oktober 1995, Rendo e.a./Commissie (C-19/93 P, Jurispr. blz. I-3319, punt 13), en 13 juli 2000, Parlement/Richard (C-174/99 P, Jurispr. blz. I-6189, punt 33).
(5) - Arrest Parlement/Richard, reeds aangehaald, punt 34. Dit uiteraard afgezien van een vernietiging van het betrokken besluit op andere gronden dan de door het Gerecht in het bestreden arrest behandelde grief. Dat een schadevergoedingsactie niet ondenkbeeldig is, mag blijken uit het feit dat een snellere bevordering Samper de mogelijkheid had geboden om alsnog en wederom te kunnen meedingen naar de functie van hoofd van de afdeling Voorlichting van het Europees Parlement te Madrid. Zijn kandidatuur werd nu niet-ontvankelijk verklaard, aangezien hij niet promovabel was (zie punt 17 van het bestreden arrest).
(6) - Het Parlement verwijst met name naar arrest van het Hof van 4 februari 1987, Boutellier/Commissie (324/85, Jurispr. blz. 529).
(7) - Arrest van 13 december 2001, Pascual Juan Cubero Vermurie/Commissie (C-446/00 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 20).
(8) - Arrest van 1 juli 1976, De Wind/Commissie (62/75, Jurispr. blz. 1167, punt 17).
(9) - Zoals in vaste rechtspraak mede door het Gerecht is uitgemaakt: zie bijvoorbeeld arrest van 8 mei 2001, Caravelis/Parlement (T-182/99, Jurispr. blz. II-1313, punt 33).
(10) - Zie bijvoorbeeld arrest Cubero Vermurie, reeds aangehaald. Deze zaak spitste zich toe op de vraag of het bevorderingscomité bij de toepassing van de in een Gids voor de bevordering neergelegde regels inzake mobiliteit voldoende rekening had gehouden met de specifieke omstandigheden van het geval.
(11) - Zie arrest Carevelis/Parlement, reeds aangehaald, punt 33.
(12) - Zie bijvoorbeeld arrest Carevelis/Parlement, reeds aangehaald, punt 34.
(13) - Arrest Cubero Vermurie, reeds aangehaald, punt 36.
(14) - Arrest Bouteiller, reeds aangehaald, punt 6; en arrest van 21 april 1983, Ragusa/Commissie (282/81, Jurispr. blz. 1245, punten 9 en 13). Herhaaldelijk bevestigd in de rechtspraak van het Hof en het Gerecht van eerste aanleg.
(15) - Zoals onweersproken aangehaald in de punten 36, 37 en 49 van het bestreden arrest.
(16) - Het vindt dit echter een "vage en algemene" opmerking omdat er geen enkele indicatie zou zijn gegeven over de totale periode waarin deze functies zijn vervuld en over de redenen volgens welke deze functies vergelijkbaar zouden zijn met die van een hoofd voorlichting van het Parlement.
(17) - Zie, in vergelijkbare zin, arrest Cubero Vermurie, reeds aangehaald, punt 21.
Full & Egal Universal Law Academy