Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1. De onderhavige zaak heeft betrekking op de keuze van de rechtsgrondslag voor besluit 2001/469/EG van de Raad van 14 mei 2001 betreffende de sluiting namens de Gemeenschap van de overeenkomst tussen de regering van de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Gemeenschap over de coördinatie van programma's voor energie-efficiëntie-etikettering voor kantoorapparatuur (PB L 172, blz. 1) (hierna: Energy Star-overeenkomst"). Evenals in advies 2/00 van 6 december 2001 (Jurispr. blz. I-9713) gaat het hier nogmaals om de afgrenzing van het toepassingsgebied van enerzijds artikel 133 EG inzake de handelspolitiek en anderzijds artikel 175 EG inzake de milieubescherming.
II - Juridisch kader
1) Energy Star-overeenkomst
2. De Energy Star-overeenkomst bevat de volgende voor deze zaak relevante bepalingen:
3. De titel van de overeenkomst is: Overeenkomst tussen de regering van de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Gemeenschap over de coördinatie van programma's voor energie-efficiëntie-etikettering voor kantoorapparatuur".
4. In de preambule van de overeenkomst staat: De regering van de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Gemeenschap [...], geleid door de wens maximale energiebesparingen en milieubaten te realiseren door het aanbod van en de vraag naar energie-efficiënte producten te bevorderen, zijn het volgende overeengekomen:"
5. Artikel I
Algemene beginselen
1. Een gemeenschappelijk pakket specificaties inzake energie-efficiëntie en een gemeenschappelijk logo worden door de Partijen gebruikt met het doel samenhangende doelstellingen voor de fabrikanten vast te stellen, zodat hun individuele inspanningen een maximaal effect sorteren op het aanbod van en de vraag naar de betrokken producttypes.
2. De Partijen maken gebruik van het gemeenschappelijke logo voor het aanduiden van de in bijlage C vermelde goedgekeurde energie-efficiënte producttypes.
3. De Partijen dragen er zorg voor dat de gemeenschappelijke specificaties een aansporing vormen voor voortdurende verbetering van de efficiëntie, waarbij rekening wordt gehouden met de meest geavanceerde technische praktijken op de markt.
4. De Partijen dragen er zorg voor dat de consumenten efficiënte producten aan de hand van het label op de markt kunnen identificeren."
6. Artikel II
Definities
1. In deze overeenkomst wordt verstaan onder:
a) [...]
b) ,gemeenschappelijk logo, het in de VS ingeschreven certificeringsmerk dat is weergegeven in bijlage A en eigendom is van het U.S. EPA;
c) [...]
d) ,Energy Star-etiketteringsprogramma, een door een beheersinstantie beheerd programma waarin gebruik wordt gemaakt van gemeenschappelijke specificaties, merken en richtsnoeren inzake energie-efficiëntie die gelden voor de welbepaalde producttypes;
e) [...]
f) [...]"
7. In bijlage A is het gemeenschappelijke logo vastgelegd en in bijlage B zijn de richtsnoeren voor het gebruik van het logo en de Energy Star-naam opgenomen. In bijlage C zijn de specificaties voor de onder de overeenkomst vallende producten vastgelegd. In de overeenkomst zijn specificaties opgesteld voor de productgroepen computers, beeldschermen, printers, faxapparaten, frankeerapparaten, kopieerapparaten, scanners en multifunctionele apparatuur.
2) Verordening (EG) nr. 2422/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 betreffende een communautair energie-efficiëntie-etiketteringsprogramma voor kantoorapparatuur
8. Aan de Energy Star-overeenkomst is bij verordening nr. 2422/2001 in het gemeenschapsrecht uitvoering gegeven. Deze verordening is op de grondslag van artikel 175, lid 1, EG vastgesteld, hoewel het voorstel van de Commissie artikel 95 EG als rechtsgrondslag had genoemd.
III - De feiten
9. Het Amerikaanse agentschap voor milieubescherming (Environmental Protection Agency; hierna EPA") heeft in 1992 het Energy Star-programma in het leven geroepen. Oorspronkelijk betrof het in de eerste plaats kantoorapparatuur, maar inmiddels is het uitgebreid tot huishoudapparatuur, verwarmings- en koelinstallaties, consumentenelektronica, kantoorapparatuur voor persoonlijk gebruik, waterkoelers, huizenbouw, verlichting, vensters, luchtventilatoren, nooduitgangsborden, dakdekkersmateriaal, transformators, verkeerslichten en andere producten en diensten. In het kader van dit programma zijn regels over het energieverbruik van apparaten en van diensten vastgelegd. Daarbij gaat het om niet-bindende normen. De fabrikanten van de desbetreffende apparatuur kunnen op vrijwillige basis aan dit programma deelnemen. Voor de etikettering van apparatuur die aan de regels voldoet, is het Energy Star-logo ingevoerd.
10. De kantoorapparatuurindustrie, de Europese fabrikanten daarbij inbegrepen, houdt zich in vergaande mate aan de onder dit programma vastgestelde regels en gebruikt het Energy Star-logo voor haar apparaten. Met het oog op deze situatie heeft de Commissie voorgesteld dat de Gemeenschap zich zou aansluiten bij het Amerikaanse programma, in plaats van een eigen programma voor energie-efficiënte kantoorapparatuur te ontwikkelen. Op 1 juli 1999 heeft zij daarom bij de Raad een op artikel 133 EG gebaseerd voorstel ingediend voor een besluit betreffende de sluiting van de Energy Star-overeenkomst met de Verenigde Staten van Amerika.
11. De Raad heeft dat voorstel op 14 december 2000 met eenparigheid van stemmen aangenomen, maar deed dat op de grondslag van artikel 175, lid 1, EG. De overeenkomst is op 19 december 2000 in Washington ondertekend.
12. Bij het bestreden besluit 2001/469/EG van 14 mei 2001 heeft de Raad de overeenkomst goedgekeurd. Dit besluit was wederom gebaseerd op artikel 175, lid 1, EG. De overeenkomst is vervolgens op 7 juni 2001 in werking getreden.
IV - Argumenten en conclusies van partijen
1) Commissie
13. De Commissie vecht de keuze van de rechtsgrondslag voor het besluit van 14 mei 2001 aan. Volgens haar heeft de overeenkomst de vergemakkelijking van het handelsverkeer als doel en inhoud. De overeenkomst stelt de fabrikanten in staat hun apparatuur zowel op de Europese als op de Amerikaanse markt te verhandelen met gebruikmaking van één en hetzelfde etiket, dat door middel van één enkele registratie verkregen kan worden. Op deze wijze worden de fabrikanten van kantoorapparatuur de kosten bespaard die zouden ontstaan door de gebruikmaking van twee verschillende etiketten met elk eigen vereisten en registratieprocedures. Het bestreden besluit had daarom op artikel 133 EG gebaseerd moeten worden.
14. Het doel van de overeenkomst is niet het opzetten van een energie-efficiëntieprogramma, maar de coördinatie van het Europese etiketteringsprogramma met het Amerikaanse. Het alternatief voor het sluiten van de Energy Star-overeenkomst zou de invoering van een eigen Europees energie-efficiëntie-etiket zijn, met eigen normen en een specifieke registratieprocedure. Dat zou het naast elkaar bestaan van twee concurrerende energie-etiketten tot gevolg hebben, met de daaruit voortvloeiende potentiële handelsbelemmeringen.
15. De preambule van de overeenkomst noemt als doel daarvan het streven van de overeenkomstsluitende partijen om door de bevordering van het aanbod van en de vraag naar energie-efficiënte apparatuur maximale energiebesparingen en milieubaten te realiseren. Hieruit blijkt echter alleen wat de redenen van de EPA waren om het Energy Star-programma op te zetten, maar niet het doel van de overeenkomst om door de coördinatie van de verschillende etiketteringsprogramma's een gemeenschappelijk etiket voor beide markten in te voeren.
16. De Commissie baseert haar opvatting ook op de titel van de overeenkomst, die spreekt van de coördinatie van programma's voor energie-efficiëntie-etikettering". Voorts wijst zij op de bewoordingen van de dertiende en de veertiende overweging van haar voorstel voor verordening nr. 2422/2001, waarbij aan de overeenkomst in het gemeenschapsrecht uitvoering werd gegeven.
17. De Commissie beroept zich daarnaast nog op de verdragspraktijk van de Gemeenschap. Op de grondslag van artikel 133 EG zijn met een reeks van derde landen overeenkomsten gesloten over de onderlinge erkenning van technische normen. Bij de Energy Star-overeenkomst, die gemeenschappelijke normen voor energie-efficiënte kantoorapparatuur vastlegt, gaat het om niets anders.
18. Dat de overeenkomst ook milieubescherming tot doel heeft, staat aan haar opvatting niet in de weg. Als een handelsovereenkomst ook rekening houdt met aspecten van milieubescherming, dan is dat in overeenstemming met artikel 6 EG, dat milieubescherming uitroept tot doelstelling waarvan het beleid en het optreden van de Gemeenschap zijn doortrokken. Met een beroep op de rechtspraak van het Hof bepleit de Commissie een ruime uitlegging van het begrip handelspolitiek in de zin van artikel 133 EG. Vanwege het mogelijk handelsbelemmerende karakter van eenzijdig vastgestelde milieubeschermingsbepalingen krijgen milieuaspecten ook in handelsovereenkomsten steeds meer aandacht. Maar zoals de rechtspraak al heeft bevestigd, betekent het feit dat in een handelsovereenkomst ook rekening wordt gehouden met aspecten van milieubescherming, niet dat deze overeenkomst niet meer op de grondslag van artikel 133 EG gesloten kan worden. Tot staving van haar opvatting verwijst de Commissie naar de in het kader van de Wereldhandelsorganisatie gesloten Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen.
19. De door de Raad bepleite strikte uitlegging van het begrip handelspolitiek ziet de Commissie als een stap terug in verhouding tot de tot nu toe geldende rechtspraak en rechtspraktijk. Zij vreest dat dat afbreuk zal doen aan de doeltreffendheid van de gemeenschappelijke handelspolitiek. De onderhavige zaak betreft de afgrenzing tussen de uitsluitende bevoegdheid van de Gemeenschap op het gebied van de buitenlandse handel en de gedeelde bevoegdheid van de Gemeenschap en de lidstaten op het gebied van milieubeschermingsbeleid. De Energy Star-overeenkomst is weliswaar alleen door de Gemeenschap ondertekend, maar uit de door de Raad in de context van de goedkeuring van deze overeenkomst afgelegde verklaring blijkt dat de Raad handelsovereenkomsten die effecten hebben op de milieubescherming, ziet als maatregelen van milieubeschermingsbeleid en dat hij voornemens is die principieel als gemengde overeenkomsten te sluiten. Dat is onaanvaardbaar voor de Commissie.
20. Het feit dat het om niet-bindende voorschriften gaat, sluit niet uit dat het sluiten van de overeenkomst als een maatregel ter vergemakkelijking van de handel beschouwd kan worden. Ook vrijwillige normen kunnen handelsbeperkingen vormen. Het Energy Star-logo is de facto een voorwaarde voor het succesvol in de handel brengen van kantoorapparatuur op de Amerikaanse markt. De overeenkomst heeft tot doel deze de facto handelsbelemmering op te heffen.
21. De verwijzing door de Raad naar verordening (EG) nr. 1980/2000 vindt de Commissie niet steekhoudend. Deze regeling inzake de interne markt heeft niet betrekking op de coördinatie van programma's met andere landen noch op de onderlinge erkenning van certificaten, waar het in de Energy Star-overeenkomst wel om gaat. De keuze van de rechtsgrondslag voor een interne gemeenschapshandeling loopt niet vooruit op de keuze van de rechtsgrondslag voor de goedkeuring van een door de Gemeenschap gesloten overeenkomst.
22. Subsidiair stelt de Commissie dat artikel 175, lid 1, EG in geen geval de rechtsgrondslag voor de sluiting van een internationale overeenkomst kan vormen. Deze bepaling machtigt slechts tot de vaststelling van interne handelingen. In het kader van milieubescherming dienen internationale overeenkomsten veeleer op basis van artikel 174, lid 4, EG te worden gesloten, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld.
23. Ter terechtzitting heeft de Commissie zich nog uitgesproken over advies 2/00. Volgens haar onderscheidt het onderhavige geval zich van het tot het advies aanleiding gevende geval, voorzover over de Energy Star-overeenkomst niet is onderhandeld in het kader van een tot de milieubescherming behorende overeenkomst, zoals dit bij het Protocol van Cartagena het geval was. Daarom staan de constateringen van het Hof in advies 2/00 niet in de weg aan de stelling dat de Energy Star-overeenkomst op de grondslag van artikel 133 EG goedgekeurd moet worden.
24. Op deze gronden concludeert de Commissie tot de nietigverklaring van besluit 2001/469 en tot verwijzing van de Raad in de kosten.
2) Raad
25. De Raad concludeert tot verwerping van het beroep en tot verwijzing van de Commissie in de kosten.
26. Zijns inziens heeft de overeenkomst als doel en inhoud de vermindering van het energieverbruik door de bevordering van de vraag naar en het aanbod van energie-efficiënte kantoorapparatuur. Daarom vindt de Raad artikel 175, lid 1, EG de juiste rechtsgrondslag.
27. De Raad baseert zijn uitlegging op de preambule van de overeenkomst, volgens welke de overeenkomstsluitende partijen wensen [...] maximale energiebesparingen en milieubaten te realiseren [...]".
28. Voorts verwijst de Raad naar artikel I, lid 1, van de overeenkomst, waarin staat dat de overeenkomstsluitende partijen de overeenkomst hebben gesloten opdat hun individuele inspanningen een maximaal effect sorteren op het aanbod van en de vraag naar energie-efficiënte apparaten. Deze wens is ook tot uitdrukking gebracht in de diplomatieke nota's die naar aanleiding van de sluiting van deze overeenkomst uitgewisseld zijn. Daarin staat dat de overeenkomstsluitende partijen, teneinde het effect van hun afzonderlijke energie-efficiëntieprogramma's voor kantoorapparatuur te maximaliseren, van één pakket energie-efficiëntiespecificaties en van een gemeenschappelijk logo gebruik maken.
29. De Raad spreekt tegen dat de overeenkomst de handel vergemakkelijkt. Het logo was al voor de sluiting van de overeenkomst een de facto norm voor de fabrikanten. Europese fabrikanten konden ook zonder de overeenkomst het door de EPA uitgegeven Energy Star-logo gebruiken, door zich bij de EPA te laten registreren.
30. Overigens staat de overeenkomst uitdrukkelijk toe dat de overeenkomstsluitende partijen naast het Energy Star-programma andere energie-efficiëntieprogramma's invoeren. Dat bevestigt dat de overeenkomst het handelsverkeer niet vergemakkelijkt, omdat het geenszins het naast elkaar bestaan van een groot aantal etiketten verhindert.
31. Alles bij elkaar genomen vindt de Raad de overeenkomst neutraal met betrekking tot de handel. Artikel XI, lid 4, bepaalt juist dat geen van de overeenkomstsluitende partijen de invoer, uitvoer, verkoop of distributie van een apparaat zal belemmeren uitsluitend omdat het de energie-efficiëntiemerken van de beheersinstantie van de andere overeenkomstsluitende partij draagt.
32. De overeenkomst creëert hoogstens synergie-effecten. Het handelselement in de overeenkomst is in ieder geval hooguit bijkomstig ten opzichte van het primaire doel van milieubescherming en sluit daarom de toepassing van artikel 175 niet uit.
33. Ook de Raad beroept zich tot staving van zijn stelling op de verdragspraktijk van de Gemeenschap. Er zijn reeds talrijke overeenkomsten gesloten op de grondslag van artikel 175 EG, hoewel zij ook op handelsvraagstukken betrekking hadden. De Raad verwijst naar het Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag en het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, het Verdrag inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan (Verdrag van Bazel), en ook naar de Overeenkomst van Washington inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten. Aan deze laatste is in de Gemeenschap uitvoering gegeven bij verordening (EEG) nr. 3626/82, die inmiddels is vervangen door de op artikel 175 EG gebaseerde verordening (EG) nr. 338/97. In de door de Commissie genoemde overeenkomsten zijn in tegenstelling tot het onderhavige geval bindende en niet slechts vrijwillige normen vastgelegd. Tussen deze beide categorieën bestaat echter een aanzienlijk verschil. Het feit dat artikel 133 EG niet is gebruikt als rechtsgrondslag voor de invoering van andere vrijwillige normen, toont de onjuistheid van de stelling van de Commissie aan dat vrijwillige normen handelsbelemmeringen kunnen vormen.
34. Ook de inhoud van de overeenkomst toont aan dat het in de eerste plaats gaat om energiebesparing. Artikel IV bepaalt dat consumenten worden voorgelicht over het logo en zijn betekenis. Volgens de artikelen IV, V en VIII moet voorzien worden in controles en maatregelen met het oog op een correct gebruik van het logo. De bepalingen over de samenwerking tussen de overeenkomstsluitende partijen en de onderlinge erkenning van de door hen uitgevoerde registraties (artikelen VI, VIII, IX en X, alsook V) dienen ook slechts het doel van een vermindering van het energieverbruik.
35. Tot staving van zijn opvatting verwijst de Raad nog naar interne communautaire maatregelen ter invoering van milieukeuren op vrijwillige basis, die op de grondslag van artikel 175 EG zijn vastgesteld. De Raad verwijst naar verordening (EEG) nr. 880/92 die op de grondslag van het oude artikel 130 S EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 175 EG) is vastgesteld, en beschikking 1999/205/EG van de Commissie van 26 februari 1999. In de overwegingen van de considerans van deze beschikking is uitdrukkelijk verwezen naar het Energy Star-programma en staat dat de in de beschikking genoemde criteria dienen te worden herzien om de energie-eisen aan te passen aan de technologische innovatie, marktontwikkelingen en het Energy Star-programma. De Raad gaat ervan uit dat het als gevolg van de sluiting van de Energy Star-overeenkomst niet nodig was om deze beschikking te verlengen onder de nieuwe regeling, die is ingevoerd bij de eveneens op de grondslag van artikel 175 EG vastgestelde verordening nr. 1980/2000.
36. Bovendien is alleen de opvatting dat het gaat om maatregelen van milieubescherming, verenigbaar met de invoering van eigen milieukeuren door de lidstaten, zoals Blauer Engel, Svanen of het GEA-etiket. Daaruit blijkt de gedeelde bevoegdheid van de Gemeenschap en de lidstaten op dit gebied. Als de invoering van een milieukeur een maatregel van handelspolitiek was, dan zou de Gemeenschap bij uitsluiting bevoegd zijn en zou het optreden van de lidstaten op dit gebied onrechtmatig zijn.
37. Toepassing van artikel 174, lid 4, EG wijst de Raad af onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof. Volgens deze rechtspraak zijn in artikel 174 EG alleen de doelstellingen van het milieubeleid vastgelegd, terwijl artikel 175 EG de rechtsgrondslag vormt voor de gemeenschapshandelingen die ter verwezenlijking van het milieubeleid worden vastgesteld. In advies 2/00 ziet de Raad de bevestiging van zijn opvatting over de keuze van de rechtsgrondslag voor de goedkeuring van de Energy Star-overeenkomst. Bovendien bevat dat advies een duidelijke afwijzing van de keuze van artikel 174 EG als mogelijke rechtsgrondslag.
V - Beoordeling
38. Volgens vaste rechtspraak moet de keuze van de rechtsgrondslag van een handeling berusten op objectieve gegevens, die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn. Tot die gegevens behoren in het bijzonder het doel en de inhoud van de handeling. Indien een handeling meerdere doelen heeft, en één daarvan als hoofddoel of als overwegend doel kan worden aangewezen, terwijl het andere slechts van ondergeschikt belang is, moet de handeling alleen op die rechtsgrondslag worden gebaseerd die is vereist gezien het hoofddoel of het overwegende doel. Als de handeling daarentegen tegelijkertijd doelen nastreeft die onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn, zonder dat het ene secundair en indirect is ten opzichte van het andere, zal die handeling bij wijze van uitzondering op de verschillende desbetreffende rechtsgrondslagen kunnen worden gebaseerd.
39. Ook al zijn de Commissie en de Raad het eens over deze beginselen, ze twisten toch over het resultaat van de toepassing ervan op het onderhavige geval. Terwijl de Commissie ervan uitgaat dat het om een handelspolitieke maatregel gaat, ziet de Raad in de overeenkomst een maatregel van milieubeleid.
40. De Commissie betoogt dat het Hof in het verleden een ruime uitlegging aan het begrip handelspolitiek in de zin van artikel 133 EG heeft gegeven. Dat rechtvaardigt dat overeenkomsten die zich behalve tot de handel ook tot aspecten van milieubescherming uitstrekken, worden gebaseerd op artikel 133 EG.
41. Het Hof heeft inderdaad in advies 1/78 over de overeenkomst betreffende natuurlijke rubber verklaard dat het begrip handelspolitiek niet op zodanige wijze mag worden uitgelegd dat de gemeenschappelijke handelspolitiek zou worden beperkt tot het gebruik van slechts die instrumenten die uitsluitend de traditionele aspecten van de buitenlandse handel kunnen beïnvloeden. In advies 1/94 over de WTO-overeenkomst is het open karakter van het begrip handelspolitiek in de zin van artikel 133 EG bevestigd. Het kan ook zo zijn dat steeds meer internationale handelsovereenkomsten een meervoudig doel hebben, onder andere milieubescherming. Maar de vaststelling dat het Hof een ruime uitlegging aan het begrip handelspolitiek in de zin van artikel 133 EG heeft gegeven, kan niet meer inhouden dan dat het vaststellen van een handelspolitieke maatregel niet is uitgesloten louter omdat er ook rekening wordt gehouden met andere aspecten, zoals bijvoorbeeld milieubescherming. Deze uitlegging alleen leidt er echter niet toe dat de Energy Star-overeenkomst als handelspolitieke maatregel kan worden gekwalificeerd.
42. De verwijzing naar de arresten met betrekking tot maatregelen die onder andere ook milieubescherming betroffen, maar waarin een ander element als overwegend werd beschouwd, lijkt ook niet geschikt om de hier opgeworpen vraag te beantwoorden. Deze arresten stellen immers telkens uitdrukkelijk vast, dat het handels- of internemarktaspect bij de gemeenschapshandeling in kwestie overwegend is en dat een maatregel niet op artikel 175 EG gebaseerd kan worden louter omdat die ook aan milieubescherming raakt. In zoverre bevestigt deze rechtspraak alleen met betrekking tot milieubescherming, wat hierboven in algemene zin over de keuze van de rechtsgrondslag is uiteengezet. Daarom moeten hierna het doel en de inhoud van de Energy Star-overeenkomst onderzocht worden.
1) Bewoordingen en totstandkoming van de Energy Star-overeenkomst
43. Om het doel van de Energy Star-overeenkomst te bepalen moet eerst de titel van de overeenkomst bekeken worden. Volgens de titel heeft de overeenkomst tot doel etiketteringsprogramma's te coördineren. Dit wordt gepreciseerd in die zin dat het gaat om energie-efficiëntie-etiketteringsprogramma's voor kantoorapparatuur. De titel brengt dus twee aspecten ter sprake, coördinatie en etikettering van energie-efficiënte apparatuur.
44. De coördinatie van etiketteringsprogramma's vergemakkelijkt de handel in zoverre dat er één etiket wordt overeengekomen, waaraan uniforme (energie-efficiëntie)normen ten grondslag liggen. Het aantal gebruikte etiketten waarmee de consument bekend moet zijn, wordt op zijn minst verkleind. De fabrikanten behoeven zich bij de productie slechts aan één norm te houden en niet aan verschillende uiteenlopende normen. Bovendien volstaat het voor het gebruik van het etiket om zich bij één van beide in de overeenkomst voorziene beheersinstanties (ingevolge artikel III de Commissie en de EPA) te laten registeren. De andere beheersinstantie erkent deze registratie en daarmee het recht van de betrokken fabrikant om het logo te gebruiken op zijn apparatuur die aan de normen voldoet. De fabrikanten hebben het recht de apparatuur met het Energy Star-logo zowel op de Europese als op de Amerikaanse markt aan te bieden. Dit biedt steun voor de opvatting dat de Energy Star-overeenkomst een handelspolitieke maatregel is.
45. Toch houdt deze uitlegging nog geen rekening met het feit dat het om de coördinatie van etiketteringsprogramma's voor energie-efficiënte apparatuur gaat. De etikettering beoogt de vraag naar en het aanbod van energie-efficiënte apparatuur te bevorderen. Dat moet tot energiebesparingen leiden en daarom kan op grond van dit element van de titel in de overeenkomst in de eerste plaats een maatregel van milieubeleid gezien worden.
46. Hieruit volgt dat de bewoordingen van de titel beide opvattingen rechtvaardigen. Daarom kan de hier opgeworpen vraag naar de keuze van de rechtsgrondslag aan de hand daarvan niet eenduidig beantwoord worden.
47. Voorts moet de preambule van de overeenkomst onderzocht worden. Volgens de preambule hebben de overeenkomstsluitende partijen de overeenkomst gesloten met het doel maximale energiebesparingen en milieubaten te realiseren. Dat doel moet door middel van de bevordering van de vraag naar en het aanbod van energie-efficiënte producten bereikt worden. De Commissie en de Raad zijn het erover eens dat deze preambule vooral het doel van energiebesparing benadrukt. De Commissie ziet daarin echter alleen het bewijs voor de bestaansreden van het Amerikaanse Energy Star-programma; haars inziens wordt daarmee echter niet het doel van de Energy Star-overeenkomst vastgelegd.
48. Ter ondersteuning van de opvatting van de Commissie kan geargumenteerd worden dat de overeenkomst teruggrijpt op het logo en de normen van de EPA. In die zin kan het kloppen dat de preambule de doelstelling van het Amerikaanse Energy Star-programma tot uitdrukking brengt.
49. Toch gaat het volgens de titel van de overeenkomst om de coördinatie van de etiketteringsprogramma's van de overeenkomstsluitende partijen. Het zou niet consequent zijn als in deze context in de preambule van de overeenkomst naar het etiketteringsprogramma van slechts één overeenkomstsluitende partij zou worden verwezen. Het ligt meer voor de hand dat in de preambule het streven van beide overeenkomstsluitende partijen naar energiebesparing en de doelstelling van de door hen met deze bedoeling opgezette etiketteringsprogramma's tot uitdrukking worden gebracht. In zoverre overtuigt de opvatting van de Commissie niet.
50. In de preambule wordt een verband gelegd tussen het doel van energiebesparing en het middel van bevordering van de vraag naar en het aanbod van energie-efficiënte apparatuur. Dat middel moet het marktgedrag van de vragers en aanbieders, en in zoverre de markt voor kantoorapparatuur beïnvloeden. Deze apparaten worden wereldwijd geproduceerd en aangeboden. In zoverre heeft het in de Energy Star-overeenkomst overeengekomen middel betrekking op de handel in kantoorapparatuur. Dit bestanddeel van de preambule benadrukt dus het handelspolitieke uitgangspunt van de overeenkomst. Dientengevolge kan geconcludeerd worden dat ook aan de hand van de preambule de vraag naar het karakter van de overeenkomst als maatregel van handelspolitiek of milieubeleid niet eenduidig beantwoord kan worden.
51. Het doel van de overeenkomst wordt verder nog aangesneden in artikel I, waarin de algemene beginselen van de overeenkomst worden behandeld. Volgens lid 1 van deze bepaling gebruiken de overeenkomstsluitende partijen gemeenschappelijke specificaties inzake energie-efficiëntie en een gemeenschappelijk logo voor de vaststelling van doelstellingen voor de fabrikanten, zodat hun individuele inspanningen een maximaal effect sorteren op het aanbod van en de vraag naar energie-efficiënte apparatuur. Daarachter schuilt het streven het energieverbruik te verminderen en daardoor bij te dragen aan de bescherming van het milieu. Ook dit pleit ervoor de overeenkomst als een maatregel ter bevordering van de bescherming van het milieu te beschouwen.
52. Toch is de in artikel I, lid 1, neergelegde doelstelling van de overeenkomst, net als in de preambule, gekoppeld aan de beschrijving in dezelfde volzin van het onderwerp van de overeenkomst. Het in de overeenkomst overeengekomen middel om het doel van vermindering van het energieverbruik te bereiken bestaat in overeenstemming over gemeenschappelijke specificaties met betrekking tot het energieverbruik van bepaalde kantoorapparatuur en het gebruik van een gemeenschappelijk logo. Door het gebruik van dit logo moet de consument kunnen uitmaken welke van de aangeboden apparaten energie-efficiënte apparaten zijn en zijn keus dienovereenkomstig kunnen bepalen (zie artikel I, lid 4). Zoals reeds is uiteengezet, heeft het overeengekomen middel betrekking op de handel in kantoorapparatuur.
53. Het vorenstaande verduidelijkt dat de overeenkomst op lange termijn tot doel heeft bij te dragen aan de bescherming van het milieu; het daarvoor ingezette middel, waarover de overeenkomstsluitende partijen het in de overeenkomst eens zijn geworden, heeft echter betrekking op de handel.
54. Overeenkomstig de eerder aangehaalde rechtspraak is het daarom de vraag of één van deze beide doelen het primaire doel van de overeenkomst is dan wel of beide doelen onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn, zodat het besluit ter goedkeuring van de overeenkomst op een dubbele rechtsgrondslag vastgesteld moet worden.
55. De onderhavige zaak lijkt vergelijkbaar met het geschil tussen het Parlement en de Raad over de rechtsgrondslag van het programma ter bevordering van de taalverscheidenheid in de Gemeenschap in de informatiemaatschappij. In deze beschikking van de Raad ging het op de lange termijn om de bevordering van de taalverscheidenheid in de Gemeenschap. Aangezien de taal een deel van de cultuur is, lag het voor de hand deze gemeenschapshandeling op zijn minst ook op artikel 128 EG te baseren. De Raad heeft echter uitsluitend artikel 130 EG als rechtsgrondslag gekozen. Het Hof heeft deze handelwijze van de Raad bekrachtigd. Op grond van een analyse van het doel en de inhoud van de beschikking kwam het Hof tot de conclusie dat het gunstige effect van het programma op de verspreiding van culturele werken slechts als een indirect effect moest worden gekwalificeerd ten opzichte van het directe economische effect dat uitging van het programma.
56. Het onderhavige geval wordt gekenmerkt door een soortgelijke situatie. Ook hier gaat het op de lange termijn om een vermindering van het energieverbruik en daarmee om milieubescherming. Het middel waarmee dit doel bereikt moet worden, is echter een maatregel die de handel betreft. Daarom zou men in navolging van het arrest Parlement/Raad (C-42/97) tot de conclusie moeten komen dat artikel 133 EG de geschikte rechtsgrondslag is voor het bestreden besluit van de Raad.
57. De analyse dat de overeenkomst alleen directe gevolgen heeft voor de handel, maar niet voor de bescherming van het milieu, wordt bevestigd door artikel II, sub d. Dat bepaalt dat het Energy Star-etiketteringsprogramma" een door een beheersinstantie beheerd programma is waarin gebruik wordt gemaakt van gemeenschappelijke specificaties, merken en richtsnoeren inzake energie-efficiëntie voor welbepaalde producttypen. De in de overeenkomst vastgelegde producttypen en hun respectieve specificaties inzake energie-efficiëntie zijn opgesomd in bijlage C. De Energy Star-overeenkomst heeft betrekking op de producttypen computers, monitors, printers, faxapparaten, frankeerapparaten, kopieerapparaten, scanners en multifunctionele apparatuur. De in de specificaties inzake energie-efficiëntie vermelde energieverbruikseisen zijn oorspronkelijk door de EPA vastgesteld. Dat blijkt uit beschikking 2001/686 van de Commissie. De overeenkomst neemt deze eisen over, onderwerpt wijziging ervan aan de goedkeuring van beide overeenkomstsluitende partijen (artikel X) en onttrekt ze daarmee aan de mogelijkheid van een eenzijdige wijziging door de EPA.
58. Ook het gebruikte gemeenschappelijke logo bestond al ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Er word teruggegrepen op het Energy Star"-certificeringsmerk dat eigendom is van de EPA (artikel II, onder b).
59. Door het teruggrijpen op reeds vastgestelde energieverbruikseisen en een reeds bestaand logo ligt het voor de hand de Energy Star-overeenkomst op zijn minst in de eerste plaats als een op de handel betrekking hebbende maatregel te beschouwen. Aan de hand van overwegingen van milieubescherming is in ieder geval niet te verklaren waarom rekening is gehouden met de gebruiken op de markt, volgens welke het Energy Star-logo al verregaand werd gezien als de de facto geldende norm, zoals blijkt uit de motivering door de Commissie van het voorstel voor het besluit. Als milieubescherming voorop had gestaan, dan zou het voor de hand gelegen hebben om in de overeenkomst nieuwe, zelfstandige energieverbruikseisen alsook een zelfstandig logo vast te stellen en vooral om bindende normen overeen te komen. Dat is echter niet gebeurd.
60. Met betrekking tot de kantoorapparatuur waarop de overeenkomst betrekking heeft, wordt in de achttiende overweging van de considerans van verordening nr. 2422/2001 uitdrukkelijk gesteld dat een bindend etiketteringsprogramma niet als het meest geschikte instrument wordt beschouwd voor het bereiken van het doel van energiebesparing. Veeleer wordt een etiketteringsprogramma op vrijwillige basis gezien als de meest doeltreffende maatregel om de energie-efficiëntie van kantoorapparatuur te bevorderen.
61. Onder verwijzing naar het niet-bindende karakter van de bepalingen in de Energy Star-overeenkomst is de Raad van mening dat het sluiten van de overeenkomst niet de handel kan dienen. Die opvatting is echter in tegenspraak met verordening nr. 1980/2000. Daarin wordt in de eerste en de vierde overweging van de considerans evenals in artikel 1 bepaald, dat de vrijwillige milieukeur apparatuur moet bevorderen die geringere milieueffecten heeft, doordat de consumenten informatie over de milieueffecten van producten ter beschikking wordt gesteld. De etikettering moet de aandacht van de consument op deze producten vestigen. Deze verordening gaat er dus vanuit dat de etikettering de afzet van de apparatuur en daarmee de handel erin beïnvloedt. In dezelfde zin bepaalt de vierde overweging van de considerans van richtlijn 92/75 dat de verplichte etikettering van apparatuur het publiek ertoe moet aanzetten te kiezen voor die apparatuur die de minste energie verbruikt. Ook in de ter uitvoering van de Energy Star-overeenkomst vastgestelde verordening nr. 2422/2001 wordt in de vierde overweging van de considerans gesteld dat de coördinatie van energie-efficiëntie-etikettering van apparatuur wenselijk is om de nadelige effecten op industrie en handel zo klein mogelijk te houden. In de veertiende overweging van de considerans wordt vastgesteld dat de Energy Star-overeenkomst de internationale handel en de milieubescherming zal vergemakkelijken. Alle genoemde gemeenschapshandelingen tonen derhalve aan dat het niet-bindende karakter van de maatregel niet uitsluit dat de Energy Star-overeenkomst als een handelspolitieke maatregel kan worden beschouwd.
62. De opvatting dat ook niet-bindende etiketteringsregels de handel kunnen raken, wordt bevestigd in de WTO-overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen. Volgens deze overeenkomst komt het niet op het bindend karakter van het voorschrift aan of een maatregel een handelsbelemmering vormt. De overeenkomst is van toepassing zowel op bindende als op niet-bindende voorschriften. Volgens bijlage 1 bij de overeenkomst worden voorschriften waarvan de naleving verplicht is aangeduid als technische voorschriften", en die waarvan de naleving daarentegen niet verplicht is als norm". Beide soorten voorschriften kunnen de kenmerken of de etikettering van een product regelen. De preambule van de overeenkomst geeft de wens aan van de overeenkomstsluitende partijen dat technische voorschriften en normen, onder meer wat het verpakken, merken en etiketteren van goederen en de procedures voor het beoordelen van de conformiteit met technische voorschriften en normen betreft, geen onnodige belemmeringen voor de internationale handel vormen. Dat impliceert dat ook niet-bindende voorschriften inzake etikettering in principe belemmeringen voor de internationale handel kunnen vormen.
63. Het is weliswaar de beslissing van elke fabrikant of hij zich laat registreren en het logo gebruikt voor zijn apparatuur, maar in de Energy Star-overeenkomst wordt al bepaald dat een eventuele registratie bij één van beide beheersinstanties door de andere erkend wordt. Een registratie in Europa is ook geldig in de Verenigde Staten van Amerika en geeft het recht om het logo op de Amerikaanse markt te gebruiken.
64. Aan de andere kant hangt het effect van de in de overeenkomst overeengekomen maatregelen op het milieubeleid er niet alleen van af of de fabrikant besluit zich te laten registreren, maar ook van de aankoopbeslissing van de consument. Het feit dat de naleving van de specificaties op vrijwilligheid berust, pleit eerder tegen de opvatting dat milieubescherming bij het sluiten van de overeenkomst voorop stond. Want of de bescherming van het milieu daadwerkelijk door de overeenkomst bevorderd wordt, hangt louter af van de wil en het gedrag van de consumenten en de fabrikanten. In zoverre moet geconcludeerd worden dat de Energy Star-overeenkomst alleen directe effecten heeft op de handel en hooguit indirect ook effecten op de milieubescherming.
65. Door de invoering van een Europese registratie-instantie en de erkenning door de Amerikaanse EPA van de registraties daarbij wordt in ieder geval de toegang tot het logo vergemakkelijkt. Het feit dat de Europese fabrikanten ook zonder de overeenkomst toegang tot het Energy Star-logo hadden, sluit niet uit dat de overeenkomst als een handelsbevorderende maatregel kan worden beschouwd.
66. Het aanbrengen van het logo op de apparatuur was de facto al noodzakelijk om haar in de VS op de markt te kunnen brengen, zoals de Raad zelf toegeeft. Een regeling die betrekking heeft op de toegang tot de markt is echter een typische handelspolitieke maatregel, zoals blijkt uit de voorbeelden genoemd in artikel 133 EG.
67. Deze uitlegging van de overeenkomst als een in de eerste plaats handelspolitieke maatregel wordt bevestigd door de voorbereidende stukken die tot het bestreden besluit hebben geleid. In de toelichting van haar voorstel voor een besluit zette de Commissie uiteen dat het het beste zou zijn om het Amerikaanse Energy Star-programma in de Gemeenschap in te voeren. Het Energy Star-logo was namelijk al de de facto geldende norm voor kantoorapparatuur die in de VS op de markt moet komen. Bovendien waren de Energy Star-eisen aan het uitgroeien tot een wereldwijd en daarmee ook in de Gemeenschap geldende standaard.
68. Uit de analyse van de bewoordingen en de ontstaansgeschiedenis van de Energy Star-overeenkomst blijkt dus dat zij, wat de normatieve inhoud betreft, in de eerste plaats een handelspolitieke maatregel is. Op milieubescherming heeft zij hoogstens een indirect effect op de lange termijn.
2) Vergelijking met de verdragspraktijk van de Gemeenschap
69. De Commissie en de Raad verwijzen bovendien nog naar de tot nu toe geldende praktijk bij het sluiten van internationale overeenkomsten. De Commissie vergelijkt de overeenkomst met overeenkomsten over de onderlinge erkenning van technische normen, die op artikel 133 EG gebaseerd zijn. De Raad brengt hiertegen in dat deze overeenkomsten op bindende normen betrekking hadden en verwijst ter ondersteuning van zijn eigen stelling naar verschillende overeenkomsten inzake milieubescherming, die naar zijn mening ook op handelsvraagstukken betrekking hadden.
70. Zoals reeds is uiteengezet, is het niet-bindend karakter van de energie-efficiëntiespecificaties niet in tegenspraak met de kwalificatie van de Energy Star-overeenkomst als een maatregel die betrekking heeft op de handel. Dit bezwaar van de Raad overtuigt dus niet.
71. In de Energy Star-overeenkomst worden uniforme specificaties voor bepaalde kantoorapparatuur vastgelegd. In zoverre lijkt zij in ieder geval inhoudelijk vergelijkbaar met de door de Commissie aangevoerde overeenkomsten over technische normen.
72. De Raad noemt verdragen als het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken en het Verdrag van Bazel, die op de grondslag van artikel 175 EG zijn geratificeerd. Aan deze lijst is nog het Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid toe te voegen. Volgens advies 2/00 van 6 december 2001 moet het besluit inzake de sluiting van deze overeenkomst ook op artikel 175 EG gebaseerd worden. De Commissie heeft inmiddels dienovereenkomstig een voorstel ingediend, dat na advies van het Parlement door de Raad op 25 juni 2002 is aangenomen.
73. Er moet echter op gewezen worden dat over alle door de Raad genoemde overeenkomsten in de context van milieubeleid is onderhandeld. Zij betroffen in de eerste plaats milieubescherming en raakten hoogstens bijkomstig of op de tweede plaats aan handelsvraagstukken. Advies 2/00 over het Protocol van Cartagena legt uitdrukkelijk de nadruk op deze context van milieubeleid waarin over het Protocol is onderhandeld. In zoverre is er een wezenlijk verschil tussen de door de Raad genoemde overeenkomsten en de Energy Star-overeenkomst. Hierover is noch in samenhang met een overeenkomst inzake milieubescherming, noch op de grondslag daarvan, noch in het kader van een milieubeschermingsconferentie onderhandeld. Voor de overeenkomst valt geen specifieke internationale context uit te maken.
74. Uit de vergelijking met de verdragspraktijk van de Gemeenschap blijkt daarom een zekere gelijkenis tussen de Energy Star-overeenkomst en overeenkomsten over technische normen, die op de grondslag van artikel 133 EG gesloten zijn. Daarmee worden de in de voorgaande punten uitgewerkte resultaten bevestigd.
3) Vergelijking met andere gemeenschapsrechtelijke etiketteringsnormen
75. De Raad verwijst ter ondersteuning van zijn opvatting naar verordening nr. 880/92, die inmiddels is vervangen bij verordening nr. 1980/2000. Bij verordening nr. 880/92 werd een communautaire milieukeur ingevoerd ter bevordering van apparatuur die gedurende de gehele levenscyclus een verminderd milieueffect heeft. Zoals bij het Energy Star-logo bestaat de bevordering ook hier erin dat door de keur de aandacht van de consumenten op deze producten gevestigd moet worden. Dat moet bijdragen tot een efficiënter gebruik van hulpbronnen en een hoog niveau van milieubescherming (zie de eerste en de vierde overweging van de considerans alsook artikel 1 van verordening nr. 1980/2000). Beide verordeningen zijn als maatregel van milieubescherming op de grondslag van het huidige artikel 175 EG vastgesteld.
76. Het door de Amerikaanse EPA in 1992 in het leven geroepen Energy Star-programma omvat niet alleen de in de overeenkomst geregelde kantoorapparatuur. Integendeel, het strekt zich uit tot huishoudapparatuur, verwarmings- en koelinstallaties, consumentenelektronica, kantoorapparatuur voor persoonlijk gebruik, waterkoelers, huizenbouw, verlichting, vensters, lunchtventilatoren, nooduitgangsborden, dakdekkersmateriaal, transformators, verkeerslichten en andere producten en diensten. Voor een hele reeks van door de EPA met het Energy Star-logo uitgeruste producten staat in de Gemeenschap de bij verordening nr. 880/92 ingevoerde milieukeur ter beschikking.
77. De communautaire milieukeur kan ook voor computers gebruikt worden. In eerste instantie had de Commissie op de grondslag van verordening nr. 880/92 beschikking 1999/205/EG vastgesteld, waarin milieucriteria voor personal computers werden vastgesteld. In de overwegingen van de considerans van deze beschikking wordt melding gemaakt van de onderhandelingen over de Energy Star-overeenkomst en wordt een eventuele herziening van de beschikking in het licht van die overeenkomst in het vooruitzicht gesteld. De beschikking is later inderdaad vervangen bij beschikking 2001/686/EG van de Commissie, die is gebaseerd op verordening nr. 1980/2000. In deze beschikking, die na de inwerkingtreding van de Energy Star-overeenkomst, maar voor de vaststelling van verordening nr. 2422/2001 is vastgesteld, verwijst de Commissie bij het vastleggen van de milieucriteria onder het kopje Energiebesparing" naar de definities van het Energy Star-programma van de Amerikaanse EPA. Al deze gemeenschapshandelingen berusten direct of indirect via de desbetreffende basisverordening op artikel 175 EG en zijn dus als milieubeschermingsmaatregelen vastgesteld.
78. In principe moet met betrekking tot de verwijzing naar de verordeningen nrs. 880/92 en 1980/2000 allereerst worden opgemerkt dat de keuze van artikel 175 EG als rechtsgrondslag voor deze verordeningen niet vooruitloopt op de keuze van de grondslag voor het hier bestreden besluit ter goedkeuring van de Energy Star-overeenkomst. Het gaat om de afgrenzing van het respectieve toepassingsgebied van de artikelen 133 EG en 175 EG. Zoals de verdragspraktijk van de Gemeenschap aantoont, heeft de Gemeenschap in het verleden al overeenkomsten gesloten op de grondslag van beide bepalingen. Het feit dat artikel 175 EG gekozen is als rechtsgrondslag voor een interne gemeenschapshandeling, bewijst op zich nog niet dat dezelfde rechtsgrondslag moet worden gekozen voor de goedkeuring van een internationale overeenkomst die inhoudelijk een vergelijkbare materie regelt. Zo kan artikel 133 EG, dat betrekking heeft op de buitenlandse handel, nooit de rechtsgrondslag vormen voor een maatregel die intracommunautaire gevolgen heeft. Een vergelijkbare functie wordt voor de interne handel wellicht vervuld door artikel 95 EG. Of maatregelen die overeengekomen zijn in op grond van artikel 133 EG geratificeerde internationale overeenkomsten, op de grondslag van artikel 95 EG of op een andere rechtsgrondslag in gemeenschapsrecht moeten worden omgezet, wordt enkel bepaald aan de hand van het toepassingsbereik van artikel 95 EG en de andere in aanmerking komende rechtsgrondslagen, bijvoorbeeld ook artikel 175 EG. Alleen al vanwege deze fundamentele overwegingen is de verwijzing van de Raad naar de verordeningen nrs. 880/92 en 1980/2000 niet overtuigend.
79. Bovendien moet erop worden gewezen dat er, naast de door de Raad genoemde verordeningen, nog andere gemeenschapshandelingen zijn die zich met de etikettering van elektrische apparatuur en het energieverbruik daarvan bezighouden, maar die niet op artikel 175 EG zijn gebaseerd. Richtlijn 92/75/EEG betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen op de etikettering en in de standaard-productinformatie van huishoudelijke apparaten is vastgesteld op de grondslag van artikel 100 A EG-Verdrag, dus de voorloper van artikel 95 EG. Net als de verordeningen nrs. 880/92 en 1980/2000 heeft ook deze richtlijn energiebesparing tot doel, door middel van de bevordering van de vraag naar energie-efficiënte apparatuur (zie de vierde overweging van de considerans).
80. Er moet dus worden vastgesteld dat er interne gemeenschapshandelingen zijn die een vergelijkbaar doel nastreven als de Energy Star-overeenkomst en die ook het middel van de bevordering van het aanbod en de vraag gebruiken, maar die de ene keer worden beschouwd als maatregel van milieubescherming en de andere keer als internemarktmaatregel, dus als maatregel van intracommunautaire handel.
81. Tussen de verordeningen nrs. 880/92 en 1980/2000 enerzijds en richtlijn 92/75 anderzijds bestaat echter in zoverre een verschil dat met de verordeningen, net als met de Energy Star-overeenkomst, een vrijwillig etiketteringssysteem wordt ingesteld, terwijl met de richtlijn een bindend etiketteringssysteem wordt ingevoerd. Zoals boven echter al is uiteengezet (zie punten 61 e.v.), komt het er voor de vraag of de maatregel betrekking heeft op de handel, niet op aan of daarbij bindende dan wel vrijwillige normen worden ingevoerd. In de respectieve consideransen zowel van de verordeningen nrs. 880/92, 1980/2000 en 2422/2001, waarbij een vrijwillig systeem wordt opgezet, als van richtlijn 92/75, waarin in een verplichte etikettering wordt voorzien, wordt duidelijk gesteld dat zij betrekking hebben op de handel.
82. De tussenconclusie kan daarom luiden dat de vergelijking van de Energy Star-overeenkomst met de verordeningen nrs. 880/92 en 1980/2000 alsook met richtlijn 92/75 bevestigt, dat een overeenkomst over het gebruik van een uniforme etikettering in de eerste plaats een maatregel vormt die betrekking heeft op de handel.
4) Invoering van eigen milieukeuren door de lidstaten
83. Tot staving van zijn opvatting voert de Raad ten slotte aan dat enkele lidstaten eigen milieukeuren hebben ingevoerd. Dat zou niet mogelijk zijn als men ervan uitgaat dat de invoering van de Energy Star-overeenkomst een handelspolitieke maatregel is, aangezien de Gemeenschap op het gebied van handelspolitiek bij uitsluiting bevoegd is. Alleen als men daarin een maatregel van milieubescherming zou zien, zou de handelwijze van de lidstaten verklaarbaar zijn, aangezien er op het gebied van milieubescherming gedeelde bevoegdheid is.
84. Artikel 133 EG vestigt de uitsluitende bevoegdheid van de Gemeenschap voor de buitenlandse handel. De invoering van een milieukeur door de lidstaten heeft geen betrekking op de buitenlandse handel van de Gemeenschap, maar eventueel wel op de intracommunautaire handel. In zoverre zou een dergelijke regeling de vraag naar de verenigbaarheid ervan met artikel 28 EG kunnen opwerpen. Zolang er echter geen gemeenschapsrechtelijke harmonisatiemaatregel bestaat, staat juridisch niets aan een dergelijke handelwijze van de lidstaten in de weg, voorzover wordt voldaan aan de eisen van het vrije verkeer van goederen. Dat geldt vooral wanneer het, zoals in de door de Raad genoemde gevallen, gaat om vrijwillige regelingen en de toegang tot de milieukeur ook openstaat voor fabrikanten uit andere lidstaten. De Raad heeft niets naar voren gebracht waaruit blijkt dat dit thans niet het geval is.
85. De conclusie moet daarom luiden dat de invoering van eigen milieukeuren door de lidstaten niet uitsluit dat artikel 133 EG als rechtsgrondslag voor besluit 2001/469 beschouwd kan worden.
5) Samenvatting
86. Samenvattend moet geconcludeerd worden dat de Energy Star-overeenkomst zowel handelsaspecten als milieubeschermingsaspecten inhoudt. Het overeenkomen van gemeenschappelijke energie-efficiëntiespecificaties voor bepaalde kantoorapparatuur en een gemeenschappelijk logo voor de etikettering van de apparatuur die aan die specificaties voldoet, alsook een procedure voor de onderlinge erkenning van registraties, heeft directe effecten op de handel, aangezien de handel in deze apparatuur vergemakkelijkt wordt. Daarentegen gaat daarvan slechts een indirect effect op het milieu uit, aangezien energiebesparingen afhangen van het daadwerkelijke gedrag van de fabrikanten en de consumenten. De overeenkomst heeft daarom in de eerste plaats betrekking op de handel, zodat het besluit ter goedkeuring van de overeenkomst op artikel 133 EG gebaseerd had moeten worden.
6) Subsidiair: de toepassing van artikel 174 EG
87. Subsidiair, voor het geval dat het Hof het niet eens is met de bovenstaande analyse, maar in de Energy Star-overeenkomst in de eerste plaats een maatregel van milieubescherming ziet, moet nog kort ingegaan worden op het door de partijen betwiste vraagstuk of artikel 174 EG dan wel artikel 175 EG de geschikte rechtsgrondslag vormt voor het besluit ter goedkeuring van de overeenkomst.
88. Wat de betekenis van artikel 174, lid 4, EG betreft, moet vastgesteld worden dat deze bepaling alleen de rechtsgrondslag vormt voor gemeenschapshandelingen die de nadere regels vastleggen voor de samenwerking van de Gemeenschap met derde landen en internationale organisaties op het gebied van milieubescherming. Zo is besluit 98/216/EG van de Raad van 9 maart 1998 met betrekking tot de sluiting, namens de Gemeenschap, van het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van woestijnvorming in de landen die te kampen hebben met ernstige droogte en/of woestijnvorming, in het bijzonder in Afrika, op deze rechtsgrondslag gebaseerd.
89. De Energy Star-overeenkomst heeft weliswaar ook betrekking op de samenwerking tussen de beide beheersinstanties (Commissie en EPA) van de te coördineren programma's (zie in het bijzonder de artikelen V, lid 4, VI, IX en X). Zij gaat inhoudelijk echter verder dan dit vraagstuk van bestuurlijke organisatie, doordat zij voorziet in uniforme energie-efficiëntiespecificaties, een uniform logo en de onderlinge erkenning van registraties.
90. In dat opzicht heeft het Hof in het advies over het Protocol van Cartagena met een beroep op de toen geldende rechtspraak vastgesteld dat artikel 174 EG de in het kader van het milieubeleid na te streven doelen vastlegt, terwijl artikel 175 EG de rechtsgrondslag vormt van gemeenschapshandelingen. Voorzover een overeenkomst het toepassingsbereik van artikel 174, lid 4, EG te buiten gaat, zoals in het onderhavige geval, moet artikel 175 EG als rechtsgrondslag genomen worden.
91. Voor het geval dat het Hof de overeenkomst tot het toepassingsbereik van de milieubescherming rekent, is derhalve artikel 175 EG de rechtsgrondslag voor het besluit betreffende de sluiting ervan.
VI - Kosten
92. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, wanneer dit is gevorderd. Aangezien de Raad in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
VII - Conclusie
93. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
1. besluit 2001/469/EG van de Raad van 14 mei 2001 betreffende de sluiting namens de Gemeenschap van de overeenkomst tussen de regering van de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Gemeenschap over de coördinatie van programma's voor energie-efficiëntie-etikettering voor kantoorapparatuur, nietig te verklaren.
2. de Raad in de kosten te verwijzen."
Full & Egal Universal Law Academy