CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. STIX-HACKL
van 11 februari 2003 ( 1 )
I — Inleiding
1.
De onderhavige procedure betreft de toegang tot het beroep van ziekenhuisdirecteur in Frankrijk, in het bijzonder de verenigbaarheid van de Franse toelatingsvoorwaarden met richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten ( 2 ) (hierna: „richtlijn”).
2.
Nadat de Vijfde kamer partijen op 26 juni 2002 had gehoord, heb ik op 12 september 2002 conclusie genomen.
3.
Bij beschikking van 19 november 2002 heeft het Hof ambtshalve besloten de mondelinge behandeling te heropenen. In deze beschikking heeft het Hof erop gewezen dat het wegens het belang van de te behandelen vragen noodzakelijk was ze in voltallige zitting te behandelen.
4.
Daar de diverse standpunten bekend zijn, zal ik hierna alleen de op de tweede terechtzitting aangevoerde argumenten bespreken, die nieuw zijn dan wel een aanvulling betekenen.
II — Motivering
5.
Zoals uit mijn conclusie van 12 september 2002 reeds blijkt, betreft deze procedure in wezen het onderscheid tussen de erkenning van de beroepsopleiding en de aanstelling in overheidsdienst, meer bepaald de uit de richtlijn voortvloeiende beperkingen voor desbetreffende selectieprocedures van de lidstaten. Het hoofdgeding betreft de bijzondere vorm die daaraan in het Franse stelsel is gegeven.
6.
Met de Zweedse regering en de Commissie ga ik ervan uit dat de lidstaten bevoegd zijn om selectieprocedures vast te stellen voor de aanstelling in openbare dienst. Dit kan ook in de vorm van een selectieprocedure, een zogenaamd „concours”, gebeuren. Bij het bepalen van de vorm ervan moeten de lidstaten de gemeenschapsrechtelijke bepalingen evenwel in acht nemen.
7.
Ter terechtzitting heeft de Franse regering er vooral op gewezen dat de tijd van de opleiding aan de École nationale de la santé publique (hierna: „ENSP”) vergelijkbaar is met een proeftijd bij een werkgever. In de overheidsdienst staat dit systeem naast de mogelijkheid om de proeftijd rechtstreeks in de betrokken dienst als „stage” te vervullen. Deze omstandigheid, die enkel een organisatorisch aspect van het nationaal recht is, is evenwel irrelevant voor een gemeenschapsrechtelijke beoordeling van de rechtsvragen. Een arbeidsverhouding valt namelijk niet reeds buiten de toepassing van het gemeenschapsrecht omdat zij tegelijk als opleiding dient.
8.
Tot die gemeenschapsrechtelijke regelingen behoort de hier in het geding zijnde richtlijn die de erkenning van diploma's en de toegang tot gereglementeerde beroepen zoals dat van ziekenhuisdirecteur in Frankrijk regelt.
9.
Wanneer selectieprocedures bepaalde voorwaarden stellen die onder de richtlijn vallen, moeten dus ook de richtlijnbepalingen op de selectieprocedures worden toegepast.
10.
Daar de richtlijn evenwel niet alle aspecten van de toegang tot de arbeidsmarkt regelt, blijven op het niet-geharmoniseerde gebied de regels inzake het vrij verkeer van werknemers, dus artikel 39 EG, van toepassing. In casu gaat het in de eerste plaats om de vraag hoe de selectieprocedure precies moet worden geregeld.
11.
Volgens de Zweedse regering en de Commissie schendt het in het geding zijnde systeem artikel 39 EG.
12.
Met betrekking tot het primaire recht, in casu dus artikel 39 EG, heeft de Franse regering gesteld dat het „concours” het vrij verkeer van werknemers niet beperkt en, subsidiair, dat de beperking in elk geval gerechtvaardigd is. Dienaangaande hebben de Zweedse regering en de Commissie terecht opgemerkt, dat de Franse regering tot dusver niet heeft aangetoond dat de vigerende regeling ook evenredig is. Ik wil hierbij opmerken dat ter terechtzitting helemaal niets is gesteld ter verklaring van de noodzaak en de evenredigheid van de vigerende regeling.
13.
Dat deelneming aan een „concours” geen noodzakelijke maatregel is, blijkt al uit het feit dat er uitzonderingen zijn. Het vigerende Franse systeem voorziet namelijk in de mogelijkheid — waarvan in de praktijk ook gebruik wordt gemaakt — om ook personen zonder diploma van de ENSP op posten in de ziekenhuisadministratie te benoemen.
14.
Tot slot wijs ik erop dat het niet de taak van het Hof is te bepalen hoe een selectieprocedure moet zijn geregeld om in overeenstemming te zijn met het gemeenschapsrecht. Het meest doorzichtig is natuurlijk een systeem dat eerst na de opleiding werkt. Aan een dergelijk — van eventuele examens in het kader van de opleiding gescheiden — „concours” kunnen dan afgestudeerden van de ENSP en houders van buitenlandse diploma's deelnemen. Dat zou ook de vergelijking van alle sollicitanten mogelijk maken.
15.
De oplossing van de onderhavige zaak is — althans juridisch — zonder moeite te vinden in de rechtspraak van het Hof. Dienaangaande herinner ik aan een door de deelnemers aan de procedure jammer genoeg niet aangehaald arrest, namelijk dat betreffende de Spaanse vergelijkende onderzoeken voor artsen. ( 3 ) Volgens de in die zaak toepasselijke nationale regeling moesten ook personen met de vereiste kwalificatie deelnemen aan een selectieprocedure. Zij moesten daarbij voldoen aan dezelfde voorwaarden als de niet-gekwalificeerden, d.w.z. degenen die nog niet specialist waren.
16.
Zoals het Hof in dat arrest heeft verklaard, mag „de ontvangende lidstaat [...] geen andere gebieden toevoegen aan de aanvullende opleiding die de migrerende arts moet volgen, noch hem aan dezelfde toegangsvoorwaarden onderwerpen als een arts die voor de eerste keer een opleiding [...] wenst aan te vatten”. ( 4 )
17.
Deze overwegingen van het Hof zijn duidelijk op de onderhavige zaak toepasbaar, met het gevolg dat eenzelfde „concours” voor gekwalificeerden en niet-gekwalificeerden ongeoorloofd is.
18.
Samengevat is uit de tweede terechtzitting (van 7 januari 2003) niets gebleken waardoor ik mijn eerdere conclusie inhoudelijk zou moeten wijzigen.
III — Conclusie
19.
Gelet op het voorgaande en op de overwegingen in mijn eerdere conclusie denk ik dat ik mijn eerste conclusie kan handhaven. Mitsdien stel ik het Hof voor de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
„1)
Een opleiding aan een opleidingsschool voor ambtenaren, zoals de École nationale de la santé publique te Rennes (Frankrijk) (ENSP), die wordt gevolgd door een aanstelling in vaste dienst bij de overheid, leidt tot een diploma in de zin van richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten.
2)
De bevoegde autoriteit mag de aanstelling in overheidsdienst in de ontvangststaat van ambtenaren van een andere lidstaat die een gelijkwaardig diploma bezitten, niet afhankelijk stellen van bepaalde voorwaarden, met name het slagen voor het toelatingsexamen, zoals in het hoofdgeding wordt verlangd.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Duits.
( 2 ) PB 1989, L 19, blz. 16.
( 3 ) Arrest van 16 mei 2002, Commissie/Spanje, C-232/99, Jurispr. blz. I-4235, betreffende de richtlijn voor artsen (richtlijn 93/16/EEG).
( 4 ) Arrest Commissie/Spanje, aangehaald in voetnoot 3, punt 40.
Full & Egal Universal Law Academy