CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 10 april 2003(1)
Zaak C-290/01
Receveur principal des Douanes françaises de Villepinte
tegen
Derudder & Cie SA
[Verzoek van de Cour de cassation (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„”
1. In deze zaak heeft de Franse Cour de cassation het Hof verzocht om uitlegging van artikel 70, lid 1, van het communautair douanewetboek. (2)
2. De vraag is met name of, wanneer de douaneautoriteiten op basis van hun analyse van monsters van ingevoerde goederen aanvullende invoerrechten verlangen, het een aangever (3) die bij het nemen van de monsters door de douaneautoriteiten aanwezig was zonder dat hij de representativiteit van die monsters heeft betwist, vrijstaat om de geldigheid van het bevel tot betaling van aanvullende invoerrechten te betwisten op grond dat de monsters niet representatief waren.
De relevante communautaire regelgeving
Onderzoek van ingevoerde goederen door de douaneautoriteiten
3. Hoewel de nationale rechterlijke instantie in haar vraag naar het communautair douanewetboek verwijst, zijn de feiten voorgevallen voordat dit wetboek van kracht werd. (4) Ten tijde van de feiten golden richtlijn 79/695/EEG (5) van de Raad en richtlijn 82/57/EEG (6) van de Commissie.
4. Artikel 2 van richtlijn 79/695 bepaalt:
„Om [in de Gemeenschap ingevoerde] goederen in het vrije verkeer te kunnen brengen, moet bij een douanekantoor onder de in deze richtlijn omschreven voorwaarden een aangifte voor het in het vrije verkeer brengen, hierna ‚aangifte’ te noemen, worden ingediend.
De natuurlijke of rechtspersoon die de aangifte doet wordt hierna ‚aangever’ genoemd.”
5. Artikel 9 van richtlijn 79/695 bepaalt, voorzover hier van belang:
„1. Onverminderd de andere te harer beschikking staande controlemiddelen, kan de douane alle of een deel van de aangegeven goederen aan een onderzoek onderwerpen.
[…]
4. De aangever heeft het recht bij het onderzoek van de goederen aanwezig te zijn of zich erbij te laten vertegenwoordigen. De douane kan, indien zij dit nuttig acht, van de aangever eisen dat hij bij het onderzoek aanwezig is of zich erbij laat vertegenwoordigen ten einde haar de nodige bijstand ter vergemakkelijking van dit onderzoek te verlenen.
5. De douane kan bij het onderzoek van de goederen monsters nemen ten behoeve van een analyse of nadere controle. De aan deze analyse of controle verbonden kosten komen ten laste van de betreffende administratieve instantie.”
6. Artikel 10 van richtlijn 79/695 bepaalt, voorzover hier van belang:
„1. De resultaten van de verificatie van de aangifte en de daarbij gevoegde documenten, al dan niet gepaard gaande met een onderzoek van de goederen, dienen als grondslag voor de berekening van de invoerrechten en voor de toepassing van de andere bepalingen die gelden voor het in het vrije verkeer brengen van de goederen. [...]
2. Het bepaalde in lid 1 vormt geen beletsel voor eventuele latere controles door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, noch voor de gevolgen die daaruit krachtens de geldende bepalingen kunnen voortvloeien, met name voor wat betreft een wijziging van het bedrag van de voor de goederen geheven invoerrechten.”
7. Richtlijn 82/57 dient ter uitvoering van een aantal bepalingen van richtlijn 79/695, waaronder artikel 9, leden 1, 4 en 5. (7) Artikel 11 van richtlijn 82/57 bepaalt:
„1. Wanneer de douane besluit de aangegeven goederen slechts gedeeltelijk te onderzoeken, geeft zij aan de aangever of aan diens vertegenwoordiger aan welke goederen zij wil onderzoeken zonder dat deze zich tegen deze keuze kan verzetten.
2. De resultaten van het gedeeltelijk onderzoek gelden voor alle goederen waarop de aangifte betrekking heeft. De aangever kan echter om een aanvullend onderzoek van de goederen verzoeken indien hij van mening is dat de resultaten van het gedeeltelijk onderzoek niet gelden voor de rest van de aangegeven goederen.”
8. Artikel 12 van richtlijn 82/57 bepaalt:
„1. De douane stelt, wanneer zij besluit de goederen aan een onderzoek te onderwerpen, de aangever of diens vertegenwoordiger daarvan in kennis.
2. De aangever of de persoon die hij aanwijst om bij het onderzoek van de goederen aanwezig te zijn, verleent de douane de nodige bijstand om haar taak te vergemakkelijken. […]”
9. Artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 82/57 bepaalt:
„1. Wanneer de douane besluit monsters te nemen stelt zij de aangever of diens vertegenwoordiger daarvan in kennis.
Indien zij zulks wenselijk acht, kan de douane van de aangever eisen dat deze bij de monsterneming aanwezig is of zich daarbij laat vertegenwoordigen ten einde de voor dit doel noodzakelijke bijstand te verlenen.
2. Het nemen van monsters geschiedt door de douane zelf. Deze kan echter verzoeken dat de monsters onder haar toezicht door de aangever of door een door deze laatste aangewezen persoon worden genomen.
De monsters worden genomen volgens de methodes die daarvoor in de douanewetgeving zijn vastgesteld.”
10. Artikel 14, lid 1, van richtlijn 82/57 bepaalt:
„De aangever of de persoon die hij aanwijst om bij de monsterneming aanwezig te zijn is gehouden de douane alle nodige bijstand te verlenen om haar taak te vergemakkelijken.”
11. Artikel 15, eerste alinea, van richtlijn 82/57 bepaalt:
„Wanneer de douane monsters heeft genomen met het oog op een analyse of een diepgaand onderzoek staat zij, wanneer zich daar verder niets tegen verzet, zonder de resultaten van die analyse of dat onderzoek af te wachten de vrijgave van de desbetreffende goederen toe.”
12. Hoewel het douanewetboek niet van toepassing was ten tijde van de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het hoofdgeding, is het nuttig de analoge bepalingen ervan te noemen, aangezien in de bij het Hof ingediende opmerkingen daarnaar wordt verwezen.
13. Artikel 4 van het douanewetboek geeft de volgende definities:
„[…] wordt verstaan onder:
16. douaneregeling:
a) in het vrije verkeer brengen;
[…]
17. douaneaangifte: handeling waarbij een persoon, in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze, het voornemen kenbaar maakt goederen onder een bepaalde douaneregeling te plaatsen;
18. aangever: de persoon die in eigen naam een douaneaangifte doet of de persoon in wiens naam een douaneaangifte wordt gedaan.”
14. Artikel 68, sub b, van het douanewetboek luidt:
„Ten einde de juistheid van de door hen aanvaarde aangiften te verifiëren kunnen de douaneautoriteiten overgaan tot […] het onderzoek van de goederen en het eventueel nemen van monsters voor analyse of grondige controle.”
15. Artikel 69, lid 2, van het douanewetboek luidt:
„De aangever heeft het recht bij het onderzoek van de goederen alsmede, in voorkomend geval, bij de monsterneming aanwezig te zijn. Wanneer zij zulks nuttig achten, eisen de douaneautoriteiten van de aangever dat hij bij het onderzoek van de goederen of de monsterneming aanwezig is of zich daarbij laat vertegenwoordigen ten einde hun de noodzakelijke bijstand te verlenen om dit onderzoek of deze monsterneming te vergemakkelijken.”
16. Artikel 70, lid 1, van het douanewetboek bepaalt:
„Wanneer slechts een gedeelte van de goederen waarop een aangifte betrekking heeft, wordt onderzocht, gelden de resultaten van het onderzoek voor alle goederen van deze aangifte.
De aangever kan evenwel om een aanvullend onderzoek van de goederen verzoeken wanneer hij van mening is dat de resultaten van het gedeeltelijke onderzoek niet voor de rest van de aangegeven goederen gelden.”
17. De eerste alinea van artikel 243, lid 1, van dit wetboek luidt:
„Iedere persoon heeft het recht beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken.”
18. Verordening nr. 2454/93 (8) geeft uitvoering aan verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek.
19. Artikel 240 van verordening nr. 2454/93 bepaalt:
„1. Wanneer de douaneautoriteiten besluiten de goederen aan een onderzoek te onderwerpen, stellen zij de aangever of diens vertegenwoordiger hiervan in kennis.
2. Wanneer de douaneautoriteiten besluiten de aangegeven goederen slechts gedeeltelijk te onderzoeken, delen zij de aangever of diens vertegenwoordiger mede welke goederen onderzocht zullen worden; de aangever of diens vertegenwoordiger kan zich tegen deze keuze niet verzetten.”
20. Artikel 242 van verordening nr. 2454/93 bepaalt:
„1. Wanneer de douaneautoriteiten besluiten monsters te nemen, stellen zij de aangever of diens vertegenwoordiger hiervan in kennis.
2. […]
De monsterneming geschiedt volgens de methoden die ter zake zijn voorgeschreven.”
21. Artikel 243, lid 1, van voormelde verordening bepaalt:
„De aangever of de persoon die hij aanwijst om bij de monsterneming aanwezig te zijn, is gehouden de douaneautoriteiten alle nodige bijstand te verlenen om hun taak te vergemakkelijken.”
Invoerrechten voor rijst
22. Ten tijde van de feiten in het hoofdgeding was ten aanzien van de communautaire invoerrechten voor rijst verordening (EEG) nr. 1418/76 (9) van toepassing. Het staat vast, dat het invoerrecht voor breukrijst lager is dan dat voor rijst die bestaat uit de hele rijstkorrel. (10)
23. „Breukrijst” is in punt 3 van bijlage A bij verordening nr. 1418/76 gedefinieerd als „brokstukken van korrels waarvan de lengte gelijk is aan of kleiner is dan drievierde van de gemiddelde lengte van de gehele korrel”. De korrels dienen te worden gemeten door het nemen van „een representatief monster uit de partij”. (11)
24. In het arrest Van Sillevoldt (12) heeft het Hof uitgemaakt dat, om de gemiddelde lengte van de hele korrel in de zin van punt 3 van bijlage A vast te stellen, moest worden uitgegaan van de gemiddelde lengte van de in een monster van de ingevoerde partij rijst aanwezige hele korrels, met uitsluiting van de nog niet volgroeide rijstkorrels.
25. Artikel 2, lid 2, van verordening nr. 2729/75 (13) bepaalt dat op mengsels van rijst, die zouden kunnen worden ingedeeld in één of meer verschillende groepen of verwerkingsstadia, en op mengsels van breukrijst de heffing wordt toegepast die geldt voor het bestanddeel met het grootste gewichtsaandeel, indien dit ten minste 90 % van het gewicht van het mengsel uitmaakt. Als geen der bestanddelen 90 % of meer van het gewicht uitmaakt, is de hogere heffing van toepassing.
De feiten en de gestelde vraag
26. In 1989 heeft Tang Frères („Tang”) een partij „Thaï flagrant broken rice” ingevoerd. De rijst werd ingevoerd in verscheidene containers, die elk ongeveer 800 zakken van 25 tot 30 kg bevatten. Derudder & Cie SA („Derudder”) verrichtte namens Tang de douaneformaliteiten. Op het aangifteformulier voor het in het vrije verkeer brengen omschreef Derudder de goederen als „breukrijst”.
27. Op de datum van invoer hebben de douaneautoriteiten in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van Derudder zes monsters van de rijst genomen. (14) De verwijzende rechterlijke instantie gaat ervan uit (alhoewel partijen het hier niet over eens lijken te zijn) dat Derudder toen de representativiteit van de genomen monsters niet heeft betwist. Aangezien Derudder had aangegeven dat zij de rijst op de markt wilde brengen, hebben de douaneautoriteiten de rijst direct nadat de monsters waren genomen vrijgegeven.
28. Na analyse van de monsters kwamen de douaneautoriteiten tot de conclusie dat het betrokken mengsel niet ten minste 90 % breukrijst bevatte en dat derhalve het tarief voor hele korrels rijst van toepassing was. De ontvanger van de douane (hierna: „ontvanger”) heeft op 25 mei 1992 tegen Derudder een bevel uitgevaardigd tot betaling van aanvullende invoerrechten. Derudder heeft voor het Tribunal d’instance te Bobigny nietigverklaring van het betalingsbevel gevorderd, onder meer op grond dat de door de douaneautoriteiten bij de analyse van de monsters gebruikte methode onjuist was en dat de monsters niet representatief waren.
29. In april 1993 heeft het Tribunal d’instance uitgesproken dat, om de gemiddelde lengte van hele rijstkorrels in de zin van punt 3 van bijlage A bij verordening nr. 1418/76 vast te stellen, moest worden uitgegaan van de gemiddelde lengte van de in een monster van de ingevoerde partij rijst aanwezige hele korrels, met uitsluiting van de nog niet volgroeide korrels. Alvorens Derudder in het gelijk te stellen, heeft het Tribunal d’instance een deskundigenonderzoek gelast teneinde (i) een van de genomen monsters te analyseren om op basis van de hiervóór uiteengezette methode de gemiddelde lengte van de hele rijstkorrel vast te stellen en (ii) vast te stellen of de partij rijst 90 % breukrijst bevatte.
30. De deskundige bracht in oktober 1994 zijn rapport uit. Zijn conclusie was dat het aandeel breukrijst in de zes aan hem voorgelegde monsters tussen de 59,3% en 77 % bedroeg en derhalve, zoals ook uit de analyse van de douane was gebleken, aanzienlijk lager was dan 90 %. Desalniettemin heeft hij met betrekking tot zowel de onderzoeksmethode als de representativiteit van de monsters bedenkingen geuit. Met betrekking tot de onderzoeksmethode heeft hij in het bijzonder verklaard dat het technisch onmogelijk was om nog niet volgroeide korrels buiten beschouwing te laten omdat er geen middel bestaat om zulke korrels van volgroeide korrels te onderscheiden. Met betrekking tot de representativiteit van het monster heeft de deskundige geconcludeerd dat hij geen bewijs had dat de door de douane genomen monsters representatief waren voor de gehele partij. Hij verklaarde met name dat deze monsters zonder enig steekproefschema waren genomen: het monster van elke container was telkens genomen van één van de ongeveer 800 zakken uit de container, en deze zak had zich telkens geheel vooraan in de container bevonden. Derhalve waren de onderzoeksresultaten in de ogen van de deskundige slechts geldig voor het betrokken monster zelf en konden zij niet worden geëxtrapoleerd om het werkelijke aandeel breukrijst in de gehele container te bepalen.
31. Tijdens de hoorzitting van maart 1996 heeft Derudder gesteld dat de douaneautoriteiten niet hadden aangetoond dat een hoger invoerrecht diende te worden betaald, dat de genomen monsters niet representatief waren zodat het niet mogelijk was om vast te stellen of breukrijst 90 % van het totaal uitmaakte, noch derhalve om het percentage voor hele rijstkorrels toe te passen, dat het volgens de deskundige technisch onmogelijk was om het door het Hof van Justitie voorgestelde onderscheid te maken tussen volgroeide en nog niet volgroeide korrels en dat de door de douane uitgevoerde analyses derhalve niet als bewijs konden dienen. Derhalve konden de autoriteiten niet staande houden dat in casu het invoertarief voor hele rijstkorrels van toepassing was.
32. De ontvanger verzocht het Tribunal d’instance, het deskundigenrapport deels ongeldig te verklaren op grond dat de deskundige buiten het kader van zijn opdracht was getreden door zich uit te spreken over punten die niet aan hem als deskundige waren voorgelegd, te weten de geldigheid van de door het Hof van Justitie voorgestane methodes van monsterneming en de representativiteit van de monsters die in bijzijn van Derudder waren genomen.
33. In mei 1996 heeft het Tribunal d’instance het litigieuze bevel tot betaling nietig verklaard, waarbij het heeft uitgesproken dat de aanwezigheid van de aangever bij het nemen van monsters noch met zich meebracht dat die monsters representatief waren noch dat de aangever de representativiteit hiervan vervolgens niet meer kon betwisten, alsmede dat de deskundige de monsters niet representatief had bevonden.
34. De ontvanger tekende tegen deze beslissing zonder succes hoger beroep aan bij de Cour d’appel de Paris, waarbij hij zich baseerde op dezelfde stellingen als bij het Tribunal d’instance.
35. De Cour de cassation, die het door de ontvanger ingestelde beroep in cassatie met betrekking tot één rechtsvraag ontvankelijk heeft verklaard, heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de prejudiciële vraag gesteld of artikel 70, lid 1, van het douanewetboek aldus dient te worden uitgelegd dat het een aangever die bij het nemen van monsters van de aangegeven goederen door de douaneautoriteiten aanwezig was zonder dat hij evenwel de representativiteit van die monsters heeft betwist, vrijstaat om nadien nietigverklaring van het bevel tot betaling van aanvullende invoerrechten te vorderen op grond dat de monsters niet representatief waren.
36. Tang, die de procedure voor Derudder heeft overgenomen, de Franse en de Italiaanse regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. De Franse regering en de Commissie waren ter terechtzitting vertegenwoordigd.
Analyse
37. In de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen is van alle kanten betoogd dat een aangever die ten tijde van de monsterneming aanwezig was en op dat moment geen bezwaren heeft geuit, het recht heeft om nadien de representativiteit van de monsters te betwisten.
38. Tang, die haar analyse tot het communautair douanewetboek beperkt, lijkt te stellen dat de aangever hiertoe zelfs gerechtigd is nadat de betrokken goederen in het vrije verkeer zijn gebracht en zijn geconsumeerd. De Franse regering en de Commissie menen daarentegen dat de aangever de representativiteit van de monsters slechts kan betwisten zolang de goederen voor nadere monsterneming beschikbaar zijn, terwijl de Italiaanse regering stelt dat dit recht komt te vervallen op het moment waarop de aangever de vaststelling van invoerrechten aanvaardt.
39. Partijen zijn in het bijzonder verdeeld over de toepasselijkheid van artikel 11 van richtlijn 82/57, dat de aangever de mogelijkheid biedt om te verzoeken om een aanvullend onderzoek van gedeeltelijk onderzochte goederen, indien hij van mening is dat de resultaten van het gedeeltelijk onderzoek niet gelden voor de rest van de goederen, en derhalve impliceert (aldus wordt betoogd) dat de resultaten van zo’n onderzoek geldig zijn, tenzij de aangever verzoekt om een nader onderzoek. Tang stelt dat artikel 70, lid 1, van het wetboek – dat in hoofdzaak artikel 11 van richtlijn 82/57 herneemt – enkel op het gedeeltelijke onderzoek van goederen van toepassing is en niet op het nemen van monsters. De Franse regering en de Commissie stellen daarentegen expliciet, en de Italiaanse regering lijkt aan te nemen, dat het gedeeltelijk onderzoek het nemen van monsters omvat.
40. Alhoewel de regelgeving niet geheel en al duidelijk is, ben ik van mening dat Tang’s zienswijze meer in overeenstemming is met de structuur van richtlijn 82/57. Artikel 11 staat in titel II van die richtlijn, die het opschrift draagt: „Controle van de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen”. Titel II is onderverdeeld in vier secties, met de opschriften: „A. Controle van de stukken”, „B. Onderzoek van de goederen”, „C. Het nemen van monsters” en „D. Bevindingen van de douane”. Afdeling B omvat de artikelen 11 en 12; afdeling C omvat de artikelen 13 tot en met 17. Deze structuur suggereert dat het de bedoeling was dat op de begrippen onderzoek van de goederen enerzijds en het nemen van monsters anderzijds verschillende bepalingen van toepassing zouden zijn. Gedeeltelijk onderzoek heeft in deze uitlegging niet betrekking op het nemen van monsters van bijvoorbeeld goederen als de litigieuze, waarvoor het invoerrecht afhankelijk is van de precieze samenstelling. Het betekent eerder onderzoek van een deel van een partij identieke goederen, bedoeld om de juiste douaneclassificatie van dergelijke goederen vast te stellen en in het bijzonder om te controleren of de goederen juist zijn aangegeven. Een en ander wordt duidelijk gesuggereerd door de bewoordingen van artikel 11, dat verwijst naar de „goederen [die de douaneautoriteiten] willen onderzoeken”.
41. De wetgeving is evenwel niet eenduidig. Er dient aan te worden herinnerd dat richtlijn 82/57 een uitvoeringsmaatregel is. Zij dient ter uitvoering van verschillende bepalingen van richtlijn 79/695, waaronder artikel 9, leden 1, 4 en 5, en artikel 10, lid 1. Uit artikel 9, lid 5, van richtlijn 79/695 blijkt duidelijk dat monsterneming een bijzondere vorm van onderzoek van de goederen is. Dit wordt bevestigd door artikel 10, lid 1, van die richtlijn, dat de term monsters niet afzonderlijk vermeldt, maar duidelijk uitgaat van het idee dat „onderzoek van goederen” monsterneming omvat.
42. Het communautair douanewetboek, dat de richtlijnen 82/75 en 79/695 heeft vervangen, is evenmin eenduidig en kan in beide richtingen worden opgevat. Enerzijds kan worden betoogd dat artikel 70 van het wetboek niet op monsterneming van toepassing is aangezien dit artikel, anders dan de artikelen 68 en 69, uitsluitend verwijst naar onderzoek, in het bijzonder gedeeltelijk onderzoek, in plaats van naar zowel onderzoek als monsterneming. Anderzijds kan worden betoogd dat uit de structuur en de bewoordingen van de artikelen 68, sub b, en 69, lid 2, volgt dat de verwijzing in artikel 70, lid 1, naar het onderzoek van een deel van de in de aangifte vermelde goederen, het onderzoek van monsters van deze goederen omvat.
43. Uit de bewoordingen van de betrokken regelgeving volgt derhalve geen beslissend antwoord op de vraag of artikel 11 van richtlijn 82/57 op monsterneming van toepassing is. Evenwel lost deze bepaling de door de Cour de Cassation gestelde vraag geenszins op, aangezien zij de aangever enkel de gelegenheid biedt om nader onderzoek te vragen, zonder te specificeren hoe lang deze mogelijkheid openstaat. Het antwoord op de gestelde vraag volgt veeleer uit de structuur en het doel van de regelgeving.
44. Uit de considerans van richtlijn 79/659 – aan welke richtlijn, zoals hiervoor aangegeven, uitvoering wordt gegeven door richtlijn 82/57 – blijkt duidelijk dat deze beoogde „gemeenschappelijke procedureregels vast te stellen voor het in het vrije verkeer brengen van goederen” en dat deze gemeenschappelijke regels „een juiste toepassing mogelijk moeten maken zowel van de douanerechten, heffingen van gelijke werking, landbouwheffingen en andere in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid vastgestelde belastingen, als van de andere communautaire bepalingen die gelden voor het in het vrije verkeer brengen van goederen; […] dat deze regels […] soepel genoeg moeten zijn om te kunnen worden aangepast aan verschillende omstandigheden”. (15)
45. Richtlijn 82/57 strekte ertoe om „de uniforme toepassing van [deze] gemeenschappelijke regels te waarborgen” (16) en om „praktische en eenvormige regels vast te stellen voor het […] onderzoek van de goederen en het nemen van monsters”. (17)
46. Het zal duidelijk bijdragen tot de verwezenlijking van deze doelstelling, als een aangever het recht heeft om een monster van ingevoerde goederen te betwisten op grond dat het niet representatief is en derhalve niet tot de vaststelling van een juist invoerrecht voor deze goederen kan leiden. Onder dergelijke omstandigheden zal een nadere monsterneming bijdragen tot de juiste toepassing van douanerechten. Derhalve zie ik geen reden om een aangever het recht tot betwisting te ontzeggen op de enkele grond dat hij bij de monsterneming aanwezig was.
47. Bovendien is het recht om beschikkingen van autoriteiten te betwisten een algemeen beginsel, dat ruim dient te worden uitgelegd en dat thans op douanegebied in artikel 243, lid 1, van het douanewetboek is opgenomen. (18) Dit beginsel ligt zowel aan artikel 11 van richtlijn 82/57 als aan de andere bepalingen ten grondslag.
48. Evenwel dient te worden bedacht dat artikel 15 van richtlijn 82/57 bepaalt dat wanneer de douane monsters heeft genomen met het oog op een analyse of een diepgaand onderzoek, zij over het algemeen de vrijgave van de goederen toestaat zonder de resultaten van die analyse of van dat onderzoek af te wachten. Indien de betrokken goederen zijn vrijgegeven en niet langer ter beschikking van de douaneautoriteiten staan, is de situatie duidelijk anders. In een dergelijk geval geldt dat, indien een aangever de mogelijkheid had om de representativiteit van een monsterneming te betwisten, er geen mogelijkheid zou zijn om nadere monsters te nemen en de aangever betaling zou kunnen vermijden van enig door de douaneautoriteiten op basis van de originele monsters gevorderd aanvullend invoerrecht. Zulks zou, zoals de Franse regering en de Commissie naar voren brengen, de juiste toepassing van douanerechten uitsluiten en daarmee tegen de doelstellingen van de regelgeving indruisen.
49. Om die reden zal het over het algemeen in het belang van de aangever zijn om ervoor te zorgen, dat de oorspronkelijke monsters representatief zijn zodat de goederen in het vrije verkeer kunnen worden gebracht. Wanneer de douane besluit monsters te nemen, is zij gehouden de aangever daarvan in kennis te stellen (19) , welke laatste gehouden is de autoriteiten alle nodige bijstand te verlenen om hun taak te vergemakkelijken. (20) De aangever dient er derhalve voor te zorgen dat de oorspronkelijke monsters representatief zijn voor de hele partij.
50. Derhalve vervalt in mijn visie het recht van de aangever om de representativiteit van monsters van een partij ingevoerde goederen te betwisten op het moment waarop deze goederen niet langer voor nadere monsterneming beschikbaar zijn.
51. Tang brengt hiertegen in dat de aangever logischerwijs niet om nader onderzoek kan vragen voordat de resultaten van het onderzoek van de monsters bekend zijn. Tegen die tijd zullen de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht en wellicht niet langer beschikbaar zijn.
52. Mijns inziens sluit dit bezwaar de door mij voorgestelde uitlegging niet uit. Bij monsterneming zijn er twee gronden waarop de resultaten kunnen worden betwist (in het hoofdgeding worden beide gronden aangevoerd, maar slechts één daarvan wordt vermeld in de gestelde vraag).
53. Om te beginnen is het mogelijk dat de aangever het niet eens is met de methode van monsteranalyse. Duidelijk is dat hij zich over die methode geen mening zal kunnen vormen totdat de analyse is uitgevoerd en de resultaten bekend zijn. Evenwel zal het in dat geval normaal gesproken nog steeds mogelijk zijn om nader onderzoek uit te voeren, zelfs als de betrokken goederen in het vrije verkeer zijn gebracht: artikel 17 van richtlijn 82/57 (21) bepaalt dat de douane (i) de monsters dient te bewaren (tenzij deze bij de analyse zijn vernietigd) totdat alle mogelijkheden van beroep van de aangever tegen het besluit dat zij op basis van de resultaten van de analyse heeft genomen, zijn uitgeput, en (ii) deze monsters hierna aan de aangever dient terug te geven. Het moet derhalve in beginsel mogelijk zijn om de analyse opnieuw uit te voeren.
54. Voorts kan het zijn, dat de aangever het niet eens is met de representativiteit van de monsters. In dat geval zou het, zoals gezegd, in strijd zijn met de strekking van de regelgeving als hij de representativiteit nog zou mogen betwisten wanneer deze goederen niet meer voor nadere monsterneming beschikbaar zouden zijn.
55. Wanneer de betrokken goederen eenmaal in het vrije verkeer zijn gebracht, zullen zij daarvoor niet per se – om niet te zeggen normalerwijze niet – beschikbaar zijn. Artikel 13, lid 3, van richtlijn 79/695 bepaalt dat, totdat zij zijn vrijgegeven, „goederen zonder toestemming van de douane niet mogen worden verplaatst noch enigerlei behandeling mogen ondergaan”. (22) Derhalve kunnen tot dat moment nadere monsters worden genomen met de zekerheid dat het gaat om dezelfde goederen als de oorspronkelijk ingevoerde, voor de monsterneming gebruikte goederen.
56. Evenwel staan de goederen, als zij eenmaal zijn vrijgegeven, normaal gesproken niet langer onder controle van de douaneautoriteiten. De aangever kan beweren dat de hele partij ingevoerde goederen nog intact is. Hij moet dit evenwel kunnen bewijzen als hij de representativiteit van de eerdere monsterneming wil betwisten. Als hij onomstotelijk kan aantonen dat de hele partij vrijgegeven goederen daadwerkelijk intact is gebleven en ondanks de behandeling, het transport of de opslag van de goederen, in ieder materieel opzicht onaangetast, dan zie ik geen grond om hem te beletten de representativiteit van dergelijke monsters te betwisten. Er kan op worden gewezen dat artikel 10, lid 2, van richtlijn 79/695 spreekt van „de latere controles door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht”. (23)
57. Wanneer de aangever echter niet het bewijs kan leveren van de identiteit van de goederen en de staat waarin zij zich bevinden, en zeker wanneer aan bederf onderhevige goederen, zoals de litigieuze rijst, intussen in het vrije verkeer zijn gebracht en zijn geconsumeerd, zal nadere monsterneming duidelijk niet langer mogelijk zijn en dient de aangever niet meer het recht te hebben om de oorspronkelijke monsterneming te betwisten op grond dat deze niet representatief is.
58. Ik concludeer derhalve dat noch de richtlijnen 79/695 en 82/57, noch verordening nr. 2913/92 het een aangever die bij het nemen van monsters van ingevoerde goederen door de douaneautoriteiten aanwezig was zonder dat hij de representativiteit van de monsters heeft betwist, belet om vervolgens de representativiteit van de monsters te betwisten, mits de hele partij goederen nog voor nadere monsterneming beschikbaar is en mits het is uitgesloten, dat de staat waarin de goederen zich bevinden intussen is gewijzigd.
59. Ten slotte dienen de opmerkingen van de Commissie met betrekking tot de niet-uitvoering van artikel 11 van richtlijn 82/57 te worden genoemd. De Commissie stelt dat, aangezien richtlijnen geen rechtstreekse horizontale werking kunnen hebben, de douaneautoriteiten zich in hun geschil met de aangever niet rechtstreeks op deze bepaling kunnen beroepen indien zij niet in nationale wetgeving is omgezet. Kennelijk hebben de douaneautoriteiten in het hoofdgeding geen bepaling van nationaal recht ingeroepen, hetgeen erop duidt dat de richtlijn niet in nationaal recht was omgezet. In haar verwijzingsbeschikking noemt de verwijzende rechterlijke instantie evenmin enige bepaling van nationaal recht. Evenwel zou een nationale wettelijke bepaling volgens welke een aangever, indien van ingevoerde goederen niet langer een monster kan worden genomen en deze goederen niet meer kunnen worden onderzocht, de representativiteit van een in dergelijke omstandigheden genomen monster niet meer zou kunnen betwisten, volgens de Commissie in overeenstemming zijn met de bewoordingen en het doel van artikel 11 van richtlijn 82/57.
60. In antwoord op dit argument heeft Frankrijk ter terechtzitting gewezen op artikel 101 van de Franse code des douanes, die kennelijk dateert van 1948, welk artikel het onnodig zou maken om artikel 11 in nationale wetgeving om te zetten. Artikel 101 bepaalt:
„1. Nadat de gedetailleerde aangifte is ingediend, kunnen de douaneautoriteiten indien zij zulks nodig achten alle of een deel van de aangegeven goederen onderzoeken.
2. In geval van betwisting is de aangever gerechtigd de resultaten van het gedeeltelijke onderzoek aan te vechten en te vragen om een volledig onderzoek van de vermeldingen in de aangifte waarop de betwisting betrekking heeft.”
61. Het is niet zonder meer duidelijk dat deze bepaling inderdaad als een juiste omzetting van artikel 11 kan worden beschouwd. Dat lijkt mij echter van weinig belang, aangezien dit artikel 11 mijns inziens irrelevant is en ik tot de conclusie kom dat het antwoord op de gestelde vraag hoe dan ook veeleer besloten ligt in de structuur en de strekking van de communautaire regelgeving dan in de bewoordingen daarvan. Desalniettemin lijkt de algemene stelling van de Commissie steekhoudend: nationale wetgeving die een aangever de mogelijkheid biedt om de representativiteit van een monsterneming te betwisten, is in overeenstemming met de structuur en de strekking van de communautaire regelgeving op voorwaarde dat de goederen voor nadere monsterneming beschikbaar blijven en, voorzover de goederen in de tussentijd in het vrije verkeer zijn gebracht, kan worden aangetoond dat sinds dat moment de hele partij intact is gebleven.
Conclusie
62. Derhalve ben ik van mening dat de door de Cour de cassation gestelde vraag als volgt moet worden beantwoord:
Noch richtlijn 79/695/EEG van de Raad van 24 juli 1979 en richtlijn 82/57/EEG van de Commissie van 17 december 1981 tot vaststelling van een aantal uitvoeringsbepalingen van richtlijn 79/695 inzake de harmonisatie van de procedures voor het in het vrije verkeer brengen van goederen, noch verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, belet een aangever die bij het nemen van monsters van ingevoerde goederen door de douaneautoriteiten aanwezig was zonder dat hij de representativiteit van de monsters heeft betwist, om nadien de representativiteit van de monsters te betwisten, mits de hele partij goederen nog voor nadere monsterneming beschikbaar is en mits is uitgesloten dat de staat waarin de goederen zich bevinden intussen is gewijzigd.
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: „douanewetboek”).
3 – De partij die bij de douane aangifte doet; zie punt 4 hierna voor de voorgaande terminologie.
4 – Artikel 253 van verordening nr. 2913/92 bepaalt dat het wetboek van toepassing is per 1 januari 1994.
5 – Richtlijn van 24 juli 1979 inzake de harmonisatie van de procedures voor het in het vrije verkeer brengen van goederen (PB L 205, blz. 19).
6 – Richtlijn van 17 december 1981 tot vaststelling van een aantal uitvoeringsbepalingen van richtlijn 79/695/EEG van de Raad inzake de harmonisatie van de procedures voor het in het vrije verkeer brengen van goederen (PB L 28, blz. 38).
7 – Zie artikel 26, lid 1, van richtlijn 79/695 en de tweede verwijzing in de aanhef van richtlijn 82/57.
8 – Verordening van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 van de Commissie (PB 1993 L 253, blz. 1).
9 – Verordening van de Raad van 21 juni 1976 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt (PB L 166, blz. 1).
10 – Zie voor een samenvatting van de structuur van de invoerrechten, arrest van het Hof van 6 juni 1990, Van Sillevoldt e.a. (C‑159/88, Jurispr. Blz. I-2215, punt 4).
11 – Verordening nr. 1418/76, bijlage A, punt 2, sub c-i.
12 – Aangehaald in voetnoot 10.
13 – Verordening van de Raad van 29 oktober 1975 inzake de heffingen bij invoer van mengsels van granen, rijst en breukrijst (PB L 281, blz. 18). Met ingang van 1 juli 1995 zijn bij verordening (EG) nr. 3290/94 van de Raad van 22 december 1994 inzake de aanpassingen en de overgangsmaatregelen in de landbouwsector voor de tenuitvoerlegging van de overeenkomsten in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-Ronde (PB L 349, blz. 105), de uitdrukkingen „heffing” en „heffingen” in verordening nr. 2729/75 vervangen door „recht” en „rechten”.
14 – Waar in deze conclusie wordt verwezen naar Derudder, dient hieronder tevens diens vertegenwoordiger te worden verstaan, tenzij anders blijkt uit de context.
15 – Negende en tiende overweging.
16 – Laatste overweging van de considerans van richtlijn 79/695.
17 – Vierde overweging van de considerans van richtlijn 82/57.
18 – Zie punt 18 hiervóór.
19 – Artikel 13, lid 1, van richtlijn 82/57, aangehaald in punt 9 hiervóór; artikel 242, lid 1, van verordening nr. 2454/93 aangehaald in punt 20 hiervóór.
20 – Artikel 14, lid 1, van richtlijn 82/57, aangehaald in punt 10 hiervóór; artikel 243, lid 1, van verordening nr. 2454/93 aangehaald in punt 21 hiervóór.
21 – Zie artikel 246, lid 1, van verordening nr. 2454/93.
22 – Zie artikel 37 van het douanewetboek.
23 – Zie artikel 23 van het douanewetboek.
Full & Egal Universal Law Academy