CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MISCHO
van 22 mei 2003 (1)
Zaak C-296/01
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Franse Republiek
„Niet-nakoming – Richtlijnen 90/219/EEG en 90/220/EEG – Genetisch gemodificeerde organismen”
I ─ Inleiding
1. Met het oog op de bescherming van de volksgezondheid en het milieu zijn bij richtlijn 90/220/EEG van de Raad van 23 april 1990 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu (2) (hierna: richtlijn) geharmoniseerde procedures en criteria ingevoerd ter beheersing van de uit dergelijke doelbewuste introducties voortvloeiende risico's. In wezen moet iedereen die wenst over te gaan tot de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen (hierna: GGO's), de nationale bevoegde instantie daarvan in kennis stellen en van haar daarvoor toestemming verkrijgen. In de richtlijn worden met name de inhoud van het kennisgevingsdossier geregeld, de procedure die de nationale instantie bij het verlenen van toestemming moet volgen, de verplichting om de Commissie en de overige lidstaten informatie te verschaffen, en specifieke maatregelen voor de introducties voor onderzoeks- en ontwikkelingsdoeleinden (en elk ander doel dan het in de handel brengen) of voor introducties met het oog op het in de handel brengen.
2. Volgens de Commissie hebben de Franse autoriteiten gekozen voor uitvoering van de richtlijn per activiteiten- of productensector. Op 6 oktober 2001 waren volgens de Franse regering 88 regelingen betreffende GGO's vastgesteld. De Commissie is evenwel tot slotsom gekomen dat de Franse autoriteiten de richtlijn in bepaalde opzichten onvoldoende en onvolledig hebben uitgevoerd.
3. Aangezien de Commissie de antwoorden van de Franse regering op de aanmaningsbrief van 16 maart 1998 en op het met redenen omkleed advies van 5 april 2000 onvoldoende achtte, heeft zij bij verzoekschrift van 24 juli 2001 beroep wegens niet-nakoming tegen de Franse Republiek ingesteld krachtens artikel 226 EG.
4. De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
─ vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet te zorgen voor een juiste en volledige omzetting van de artikelen 5, punten 1 tot en met 4, 6, leden 2 en 5, 9, lid 3, 11, leden 1 tot en met 3 en 6, 12, leden 3 en 4, en 19, leden 2 tot en met 4, van richtlijn 90/220/EEG, de krachtens deze richtlijn en artikel 249 EG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
─ de Franse Republiek te verwijzen in de kosten.
5. De Franse Republiek concludeert dat het het Hof behage:
─ het gehele beroep te verwerpen;
─ de Commissie te verwijzen in de kosten.
II ─ In rechte
6. Vooraf wil ik de uit de considerans blijkende doelstellingen van de richtlijn in het bijzonder vermelden. Dit zijn:
─ het preventief handelen ter verwezenlijking van een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid en het milieu, wegens de risico's die verbonden zijn aan de introductie van genetisch gemodificeerde organismen (GGO's) (eerste, derde en vijfde overweging van de considerans);
─ de harmonisatie van de wettelijke bepalingen van de lidstaten betreffende de doelbewuste introductie in het milieu van GGO's, gelet op de bestaande verschillen die kunnen leiden tot ongelijke mededingingsvoorwaarden of tot handelsbelemmeringen voor producten die dergelijke organismen bevatten (vierde overweging van de considerans);
─ de totstandbrenging van geharmoniseerde procedures en criteria voor de beoordeling van geval tot geval van de potentiële risico's die verbonden zijn aan de doelbewuste introductie van GGO's in het milieu (achtste overweging van de considerans);
─ de invoering van een communautaire machtigingsprocedure voor het op de markt brengen van een product dat GGO's bevat of eruit bestaat, indien het beoogde gebruik van dat product gepaard gaat met de doelbewuste introductie van organismen in het milieu (dertiende overweging van de considerans).
7. Ik wijs erop dat de richtlijn via de ingevoerde procedures beoogt te verzekeren dat de informatie zo volledig mogelijk is en dat deze daadwerkelijk onder de verantwoordelijke communautaire en nationale instanties wordt verspreid.
8. Bij het onderzoek van de uitvoering van de bepalingen van de richtlijn door de Franse Republiek moet met deze doelstellingen rekening worden gehouden.
A ─ De werkingssfeer van de richtlijn
9. De Commissie verwijt de Franse Republiek, de richtlijn niet te hebben uitgevoerd met betrekking tot de reagentia op basis van GGO's. Haars inziens is de sectoriële uitvoering dus onvolledig.
10. Deze grief komt echter niet voor in de conclusies van het verzoekschrift. Ik geef dus in overweging om deze grief niet te behandelen.
B ─ Artikel 5, punten 1 en 2, van de richtlijn
11. Artikel 5, punt 1, van de richtlijn bepaalt in wezen dat alvorens iemand overgaat tot een doelbewuste introductie van een GGO, hij bij de bevoegde instantie een kennisgeving moet indienen. Deze kennisgeving omvat volgens artikel 5, punt 2, een technisch dossier met de in bijlage II en in artikel 5, punt 2, omschreven gegevens, alsmede een verklaring waarin een schatting wordt gegeven van de aan het gebruik van de GGO's verbonden gevolgen en risico's voor de menselijke gezondheid.
12. De Commissie verwijt de Franse Republiek dat zij artikel 5, punten 1 en 2, van de richtlijn niet volledig in nationaal recht heeft omgezet. De verschillende sectoriële besluiten regelen de inhoud van het technisch dossier slechts gedeeltelijk. Volgens die besluiten moeten de andere gegevens worden uitgewerkt bij ministerieel besluit. Er zijn echter enkel drie ministeriële besluiten vastgesteld, namelijk op 21 september 1994,18 juli 1995 en 18 oktober 2000.
13. De Franse regering verwijst naar het ministeriële besluit van 23 december 1999 houdende vaststelling van de inhoud van het technisch dossier bij de aanvraag van een vergunning voor de doelbewuste introductie van GGO's in het kader van experimenten met diergeneesmiddelen, naar het ministeriële besluit van 18 oktober 2000 houdende vaststelling van het technisch dossier bij de aanvraag van een vergunning voor de doelbewuste introductie van GGO's in het kader van biomedisch onderzoek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, en naar het ministeriële besluit van 30 november 2001 houdende vaststelling van de inhoud van het technisch dossier bij de aanvraag van een vergunning voor de doelbewuste introductie van GGO's in het kader van biomedisch onderzoek betreffende delen of producten van het menselijk lichaam die na verwijdering of afname genetisch zijn gemodificeerd. Zij voegt hieraan toe dat andere besluiten in voorbereiding zijn.
14. De memories van de Franse regering en de chronologie tonen volgens mij voldoende aan dat de Franse Republiek op de datum van het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies vastgestelde termijn, te weten 5 juni 2000, de bepalingen van artikel 5, punten 1 en 2, van de richtlijn niet volledig en op bevredigende wijze in nationaal recht had omgezet. De niet-nakoming staat op dit punt dus vast.
C ─ Artikel 5, punt 3, van de richtlijn
15. Artikel 5, punt 3, van de richtlijn bepaalt dat de bevoegde instantie mag toestaan dat voor introducties van een combinatie van GGO's op dezelfde plaats of van hetzelfde GGO op verschillende plaatsen voor een zelfde doel en binnen een beperkte periode één enkele kennisgeving wordt gedaan.
16. De Commissie stelt dat de bepaling van artikel 5, punt 3, van de richtlijn niet in de besluiten 93-1117 (stekken, zaden en planten), 94-539 (fytofarmaceutische producten die geheel of ten dele uit GGO's bestaan) en 95-487 (genetisch gemodificeerde dierlijke organismen) is uitgevoerd.
17. Daartegenover stelt de Franse regering dat artikel 5, punt 3, van de richtlijn louter een mogelijkheid biedt, waarvan de lidstaten al dan niet gebruik kunnen maken.
18. Verder merkt de Franse regering op dat aangezien artikel 11 van wet nr. 92-654 bepaalt dat voor elke doelbewuste introductie en elk gecoördineerd programma van dergelijke introducties een voorafgaande vergunning vereist is, niets de mogelijkheid van één enkele kennisgeving uitsluit.
19. Voor de Commissie is artikel 11 van wet nr. 92-654 echter niet precies genoeg om zelf en zonder uitvoeringsbepaling een nauwkeurige, duidelijke en doorzichtige omzetting van artikel 5, punt 3, van de richtlijn te zijn. Op grond van artikel 11 van wet nr. 92-654 kan niet worden aangenomen, dat is voorzien in de mogelijkheid om te volstaan met één enkele kennisgeving, zeker niet onder de in artikel 5, punt 3, van de richtlijn genoemde omstandigheden, namelijk in geval van introducties op verschillende plaatsen voor een zelfde doel en binnen een beperkte periode.
20. Volgens mij kan niet worden gesteld dat artikel 11, van wet nr. 92-654 volledige uitvoering geeft aan artikel 5, punt 3, van de richtlijn. De gevallen waarin één enkele kennisgeving in de Franse regeling en de richtlijn is toegestaan, dekken elkaar namelijk niet: volgens de richtlijn kan bij een in de tijd gespreid introductieprogramma niet worden volstaan met één enkele kennisgeving en één enkele vergunning, wanneer het niet met een zelfde doel en binnen een zelfde beperkte periode wordt uitgevoerd.
21. De uitvoering van deze bepaling van de richtlijn is dus op dit punt onvolledig en de niet-nakoming staat vast.
D ─ Artikel 5, punt 4, van de richtlijn
22. Artikel 5, punt 4, van de richtlijn bepaalt dat de kennisgeving van de aanvrager informatie moet bevatten over gegevens of resultaten in verband met introducties van dezelfde GGO's of dezelfde combinatie van GGO's die al eerder of nu door hem, hetzij binnen hetzij buiten de Gemeenschap, zijn gemeld door middel van een kennisgeving en/of zijn uitgevoerd.
23. Partijen zijn het erover eens dat alle uitvoeringsbesluiten van wet nr. 92-654 de verplichting voor de kennisgever bevatten om alle elementen te verschaffen op grond waarvan kan worden beoordeeld welke invloed de experimenten op de volksgezondheid of op het milieu hebben.
24. De Commissie is echter van mening dat de in deze besluiten gebruikte term alle de in artikel 5, punt 4, van de richtlijn vereiste elementen niet precies genoeg verwoordt.
25. Volgens haar is artikel 5, punt 4, van de richtlijn in de Franse bepalingen, met uitzondering van de ministeriële besluiten van 18 juli 1995 en 18 oktober 2000, niet uitgevoerd. De Commissie voegt daaraan toe dat de Franse autoriteiten, door te verwijzen naar de besluiten die nog in voorbereiding zijn, zelf toegeven dat de uitvoering onvolledig is.
26. De Franse regering betoogt dat de bepaling van artikel 5, punt 4, van de richtlijn eveneens in het ministeriële besluit van 23 december 1999 is opgenomen.
27. Zij stelt bovendien dat de term alle in de uitvoeringsbesluiten van wet nr. 92-654 is gebruikt om alle in dit verband relevante elementen te bestrijken, waaronder informatie over gegevens of resultaten in verband met reeds eerder aangemelde introducties van dezelfde GGO's of dezelfde combinatie van GGO's, en dat de op dit punt in de besluiten opgenomen precisering in wezen enkel pedagogische waarde heeft.
28. De Franse regering voegt hieraan toe, dat de uitdrukking elke introductie in artikel 11 van wet nr. 92-854, versterkt door de uitdrukking elk gecoördineerd programma, ook betekent dat de informatie die ter ondersteuning van de vergunningaanvraag wordt verstrekt, automatisch informatie over gegevens of resultaten in verband met reeds eerder aangemelde introducties en combinaties van GGO's moet omvatten.
29. Dienaangaande wijs ik erop dat de bepalingen ter uitvoering van artikel 5, punt 3, van de richtlijn beslist niet even precies zijn als de richtlijnbepaling zelf. Het is duidelijk dat wanneer het gaat om een richtlijn het stelsel van het gemeenschapsrecht, vereist dat de nationale uitvoeringsbepalingen even precies zijn als de richtlijnbepalingen, of althans dat duidelijk vaststaat dat hun strekking tenminste die van de richtlijnbepalingen dekt.
30. De uitvoering van de richtlijn moet coherent zijn met het doel ervan in het licht van het bijzondere gebied dat de richtlijn wil regelen. Wat de hier in geding zijnde richtlijn betreft brengt het vereiste van coherentie mee dat een handeling ter introductie van GGO's niet mag worden gescheiden van de context ervan, van vroegere handelingen en van de beoogde gevolgen.
31. Vanuit dit gezichtspunt bezien, brengen de nationale bepalingen mijns inziens onvoldoende dit vereiste tot uiting, dat elke handeling in haar context, in het perspectief van haar bijzonderheden dient te worden geplaatst, en kom ik tot de slotsom dat de niet-nakoming op dit punt eveneens vaststaat.
E ─ Artikel 6, lid 2, van de richtlijn
32. Artikel 6, lid 2, van de richtlijn bepaalt dat het schriftelijke antwoord van de bevoegde instantie, of het nu positief is (de introductie mag plaatsvinden) dan wel negatief (de introductie voldoet niet aan de in de richtlijn genoemde voorwaarden en is afgewezen), binnen 90 dagen na ontvangst van de kennisgeving aan de kennisgever moet worden gezonden.
33. De Commissie erkent dat de sectoriële uitvoeringsbesluiten de bevoegde instantie verplichten om haar besluit binnen een termijn van 90 dagen bekend te maken en dat een vergunningweigering moet worden gemotiveerd. Deze besluiten bepalen echter, dat de vergunning wordt geacht te zijn geweigerd wanneer na afloop van de termijn van 90 dagen geen besluit is genomen. In dat geval zal de weigering van de bevoegde autoriteit uiteraard niet gemotiveerd zijn. Zelfs wanneer de motivering achteraf aan de kennisgever zou worden medegedeeld, wordt niettemin de in de richtlijn gestelde termijn van 90 dagen niet in acht genomen.
34. Artikel 6, lid 2, van de richtlijn is volgens de Commissie dus niet correct in nationaal recht omgezet. Door uitdrukkelijk te bepalen dat stilzwijgen neerkomt op een weigering, waarvan de aanvrager de reden dan niet kent, ontstaat haars inziens het risico dat de Franse bepalingen bij de aanvrager twijfel wekken over de juiste strekking van de rechten die deze richtlijn hem op dit punt verleent.
35. Verder stelt de Commissie dat de omstandigheid dat het schriftelijke antwoord in de praktijk altijd binnen de gestelde termijn aan aanvragers wordt medegedeeld, evenals de hun geboden mogelijkheid om hun rechten bij de rechter te handhaven, niet in de plaats van de uitvoering van de bepalingen van de richtlijn kan komen.
36. Ten slotte verwijst de Commissie naar het arrest van 14 juni 2001 (3) , volgens hetwelk een stilzwijgend besluit niet verenigbaar is met een richtlijn die voorziet in de afgifte van een vergunning.
37. De Franse regering betoogt dat de bepalingen van artikel 6, lid 2, van de richtlijn, wat de kennisgevingstermijn en de verplichting tot motivering van weigeringen betreft, via de artikelen 4 van de besluiten 95-1172 en 95-1173 en artikel 5 van besluit 96-317 zijn geëerbiedigd.
38. Zij acht vermelding van de verplichting tot motivering van een weigering in de uitvoeringsbesluiten van de richtlijn juridisch niet noodzakelijk, omdat individuele bezwarende administratieve besluiten reeds krachtens artikel 1 van wet nr. 79-587 in beginsel, indien niet anders bepaald, moeten worden gemotiveerd. Volgens artikel 3 van deze wet moet de vereiste motivering schriftelijk worden gegeven en een uiteenzetting bevatten van de overwegingen rechtens en feitelijk die aan de beslissing ten grondslag liggen. Volgens artikel 5 van deze wet is een stilzwijgende beslissing in gevallen waarin de uitdrukkelijke beslissing had moeten worden gemotiveerd, niet reeds onrechtmatig wegens het ontbreken van deze motivering. Deze bepaling schrijft echter voor dat op verzoek van de belanghebbende de motivering van een stilzwijgende afwijzende beslissing hem binnen een maand na indiening van dat verzoek wordt medegedeeld. De richtlijn stelt die eis niet.
39. Ook wijst zij erop dat blijkens de bepalingen van wet nr. 2000-321 het in Frankrijk de algemene regel is, dat het ontbreken van een antwoord van de bevoegde administratieve instantie binnen een termijn van twee maanden gelijkstaat aan een stilzwijgend afwijzend besluit. Over de situatie van de kennisgever kan dus geen enkele twijfel bestaan.
40. Zij stelt dat de invoering van een systeem van stilzwijgende vergunningverlening in strijd zou zijn geweest met de geest van de richtlijn, die de doelbewuste introductie van GGO's met waarborgen wil omgeven, met name gelet op de bestaande onzekerheden over hun gevolgen voor de gezondheid en het milieu. Daarom is in de besluiten bepaald dat, wanneer de bevoegde autoriteit binnen de gestelde termijn geen beslissing op de vergunningaanvraag heeft kunnen nemen, zulks neerkomt op een weigering. In het licht van de dwingende eisen van bescherming van de gezondheid en het milieu mag geen onzekerheid bestaan over de gevolgen van het ontbreken van een antwoord van de bevoegde instantie binnen de gestelde termijn.
41. Op dit punt deel ik het standpunt van de Commissie volledig. De richtlijn verplicht de lidstaat immers om binnen 90 dagen na indiening van de kennisgeving een uitdrukkelijk en gemotiveerd besluit te nemen, en de Franse Republiek kan zich ter rechtvaardiging van een duidelijk verschil ten opzichte van de uitdrukkelijke bepalingen van de richtlijn, niet beroepen op het nationale gemene recht, dat het ontbreken van een besluit op één lijn stelt met een stilzwijgend afwijzingsbesluit De niet-nakoming op dit punt staat volgens mij dus eveneens vast.
F ─ Artikel 6, lid 5, van de richtlijn
42. Artikel 6, lid 5, van de richtlijn bepaalt:Indien de bevoegde instantie van mening is dat voldoende ervaring is opgedaan met de introductie van bepaalde GGO's, kan zij bij de Commissie een verzoek indienen voor toepassing van vereenvoudigde procedures voor de introductie van zulke types GGO's. De Commissie stelt, volgens de procedures van artikel 21, passende criteria vast en neemt aan de hand daarvan over elk verzoek een beslissing. De criteria zijn gebaseerd op de veiligheid voor de menselijke gezondheid en het milieu en op de beschikbare bewijzen omtrent deze veiligheid.
43. De Commissie is van mening dat artikel 6, lid 5, van de richtlijn niet is uitgevoerd in besluit 94-46 van 5 januari 1994 tot vaststelling van de voorwaarden voor de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen bestemd voor menselijke consumptie, andere dan planten, zaden, stekken en dieren, of die voorkomen in producten voor de schoonmaak van stoffen en voorwerpen die in contact komen met eetwaren, producten of dranken voor menselijke of diervoeding. Verder wijst zij erop dat de besluiten 93-1177, 94-359 en 95-487, waarbij een vereenvoudigde regeling voor de dossiers is ingevoerd, niet bepalen dat een dergelijk dossier bij de Commissie moet worden ingediend.
44. Volgens de Commissie moet artikel 6, lid 5, van de richtlijn, wil de bevoegde instantie gebruik kunnen maken van de daarin geboden mogelijkheid, noodzakelijkerwijs in nationaal recht zijn omgezet. Deze bepaling beoogt niet de betrekkingen tussen de lidstaten en de Gemeenschap te regelen, maar de details te verduidelijken van een procedure die ten dele op gemeenschapsniveau is gecentraliseerd en waarin de nationale administratieve instanties rechtstreeks met de Commissie kunnen communiceren.
45. De Franse regering beklemtoont het feit dat de richtlijn voorziet in een mogelijkheid en niet in een verplichting. Deze mogelijkheid is afhankelijk van een voorwaarde en een waardeoordeel, namelijk dat naar de mening van de bevoegde instantie voldoende ervaring is opgedaan met de introductie.
46. Wat besluit 94-46 betreft, stelt zij dat tot dusver nog geen enkel dossier is ingediend en dat dus nog geen ervaring is opgedaan. Zodra de ervaring leert dat een vereenvoudigde procedure noodzakelijk is, kan Frankrijk een daartoe strekkend verzoek indienen bij de Commissie, zonder dat zulks in de regeling behoeft te worden gepreciseerd.
47. Ik ben van mening dat de Commissie gelijk heeft, wanneer zij stelt dat de bevoegde instantie bij lezing van de nationale uitvoeringsmaatregelen moet kunnen begrijpen dat zij over een optie beschikt en bij de Commissie een verzoek om toepassing van vereenvoudigde procedures kan indienen, ook al doet dit geval zich nooit voor.
48. Meer in het algemeen betoogt de Franse regering nog dat de bepalingen van de richtlijn die de betrekkingen tussen de lidstaten onderling en met de Commissie regelen, niet in het nationale recht behoeven te worden opgenomen.
49. Dienaangaande sluit ik mij eveneens bij het standpunt van de Commissie aan: niet alleen moet in formele nationale rechtsregels de instantie worden aangewezen die bevoegd is voor de in de richtlijn bedoelde handelingen, maar deze instantie moet in de nationale bepalingen ook een duidelijke omschrijving van haar rechten en verplichtingen op dat gebied kunnen vinden.
50. Artikel 6, lid 5, verleent de bevoegde instantie het recht om rechtstreeks bij de Commissie om toepassing van een vereenvoudigde procedure te verzoeken en daarover dan een besluit van haar te bewerkstelligen. Zoals de Commissie heeft gesteld, regelt deze bepaling dus eigenlijk niet de betrekkingen tussen de lidstaten en de Gemeenschap, maar de modaliteiten van een gedeeltelijk op gemeenschapsniveau gecentraliseerde procedure waarin de nationale administratieve organen rechtstreeks met de Commissie kunnen communiceren. Het is van belang dat dit recht uitdrukkelijk in de uitvoeringsmaatregelen wordt opgenomen. Ook op dit punt staat de niet-nakoming dus vast.
G ─ Artikel 9, lid 3, van de richtlijn
51. Artikel 9 van de richtlijn bepaalt:
1. De Commissie zet een systeem op voor de uitwisseling van de in de kennisgevingen vervatte informatie. De bevoegde instanties zenden de Commissie binnen 30 dagen na de ontvangst van een kennisgeving een samenvatting daarvan. De vorm van deze samenvatting wordt volgens de procedure van artikel 21 door de Commissie vastgesteld.
2. De Commissie stuurt deze samenvatting onmiddellijk naar de overige lidstaten, die binnen 30 dagen via de Commissie dan wel rechtstreeks nadere informatie kunnen vragen of opmerkingen kunnen indienen.
3. De bevoegde instantie stelt de andere lidstaten en de Commissie op de hoogte van de uiteindelijke beslissing die overeenkomstig artikel 6, lid 2, is genomen.
52. De Franse regering is van mening dat artikel 9, lid 3, van de richtlijn niet in nationaal recht behoeft te worden omgezet, aangezien het de betrekkingen tussen de instanties van de lidstaten onderling en met de Commissie regelt. Zij beklemtoont dat de Commissie met betrekking tot andere richtlijnen (namelijk richtlijnen 92/59/EEG van de Raad van 29 juni 1992 inzake algemene productveiligheid (4) , 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (5) , en 98/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juli 1998 tot wijziging van richtlijn 98/34/EG (6) ) genoegen heeft genomen met eenvoudige administratieve praktijken, eventueel vastgelegd in interministeriële circulaires, zoals het geval is in Frankrijk.
53. De Commissie acht dit argument niet relevant. Uit het feit dat zij met betrekking tot de uitvoering van andere richtlijnen dan de hier in het geding zijnde eventueel niet is opgetreden, kan geen enkele conclusie worden getrokken. Zo is bijvoorbeeld artikel 8 van richtlijn 92/59 niet vergelijkbaar met artikel 9, lid 3, van richtlijn 90/220. Volgens de Commissie gaat het in het eerste geval om in spoedgevallen op de lidstaten rustende, van het gemene recht afwijkende verplichtingen die a priori uitzonderlijk moeten blijven, terwijl het in het geval van artikel 9, lid 3, van richtlijn 90/220 gaat om een op een instantie van de betrokken lidstaat rustende verplichting die een bepaald soort optreden van haar verlangt in een regelmatig toe te passen procedure.
54. Ik geef het Hof in overweging het standpunt van de Commissie te volgen. Artikel 9, lid 3, van de richtlijn legt een duidelijke en precieze verplichting aan de bevoegde instantie van elke lidstaat op, namelijk om de Commissie en de overige lidstaten ─ en daarbij kan het slechts gaan om de overeenkomstige door hen aangewezen instantie- in kennis te stellen van haar uiteindelijke beslissing na de uitwisseling van informatie. Deze beslissing is voor de overige deelnemers aan het systeem van het allergrootste belang, want het gaat juist om de vraag of de introductie van een bepaald GGO uiteindelijk is toegestaan of geweigerd (artikel 6, lid 2).
55. De bevoegde instanties van elke lidstaat moeten dus via nationale rechtsregels kennis kunnen nemen van deze belangrijke verplichting, zodat zij niet ook nog de richtlijn behoeven te raadplegen om na te gaan of zij aan al hun verplichtingen hebben voldaan.
H ─ Artikel 11, lid 1, en bijlagen II en III, van de richtlijn
56. Artikel 11, lid 1, van de richtlijn bepaalt de inhoud van de kennisgeving die de fabrikant of de importeur die een product in de Gemeenschap invoert, moet indienen bij de bevoegde instantie van de lidstaat waarin dit product voor de eerste keer in de handel wordt gebracht. De bijlagen II en III specificeren de informatie en gegevens die de kennisgeving moet bevatten.
57. De Commissie is van mening dat deze bepalingen van de richtlijn slechts gedeeltelijk door de Franse autoriteiten in nationaal recht zijn omgezet. Zij stelt dat de beschrijving van de inhoud van het dossier in de verschillende sectoriële besluiten beperkt blijft tot de elementen betreffende de beoordeling van de gevolgen van introducties voor de gezondheid en het milieu, tot het standaarddossier dat haar ter informatie moet worden toegezonden en tot de informatiefiche voor het publiek. Volgens deze besluiten worden de andere elementen van het technisch dossier vastgesteld bij ministerieel besluit. Er zijn echter slechts drie ministeriële besluiten vastgesteld (het besluit van 21 september 1994 betreffende de sector stekken, zaden en planten, het besluit van 18 juli 1995 betreffende andere sectoren van de menselijke consumptie en betreffende de schoonmaak van stoffen en voorwerpen die in contact komen met eetwaren, producten of dranken voor menselijke of diervoeding, en het besluit van 18 oktober 2000 betreffende biomedisch onderzoek). Volgens de Commissie geven deze drie besluiten geen uitvoering aan de vereisten van artikel 11, lid 1, tweede streepje, en leggen zij zelfs niet de verplichting op tot mededeling van de minimumgegevens die worden genoemd in de bijlagen, waarvoor trouwens geen enkele uitvoeringsmaatregel is genomen.
58. Volgens de Franse regering zijn de verplichtingen van artikel 11, lid 1, en de bijlagen II en III van de richtlijn uitgevoerd bij artikel 15 van wet nr. 92-654, dat het in de handel brengen van producten die geheel of ten dele uit GGO's bestaan, afhankelijk stelt van een voorafgaande vergunning.
59. Voor de categorieën producten waarvoor specifieke vergunningsprocedures gelden alvorens zij in de handel mogen worden gebracht, is in artikel 17 van die wet bepaald dat voor deze specifieke procedures en de procedure van wet nr. 92-654 één vergunning wordt afgegeven volgens bij bestuursrechtelijke maatregel vastgestelde modaliteiten.
60. Met betrekking tot geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik die uit GGO's bestaan, wijst de Franse regering erop dat het in de handel brengen ervan afhankelijk is van op gemeenschapsniveau afgegeven vergunningen. Aangezien voor het in de handel brengen van hoogtechnologische geneesmiddelen een communautaire vergunning nodig is, behoeft volgens de Franse autoriteiten geen uitvoeringsmaatregel te worden genomen.
61. Voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik, generatoren, kits en precursoren die uit GGO's bestaan en waarvoor geen communautaire vergunning voor het in de handel brengen nodig is, bepaalt artikel 18 van besluit 95-1172 dat de nationale vergunning voor het in de handel brengen of de tijdelijke gebruiksvergunning gelijkstaat aan een vergunning krachtens artikel 15 van de wet. Voor dat geval bepaalt artikel 20-I van besluit 95-1172 dat de vergunningaanvraag vergezeld moet gaan van een technisch dossier dat alle elementen bevat om de invloed van het geneesmiddel of het product op de volksgezondheid en op het milieu te kunnen beoordelen, en waarvan de inhoud wordt vastgesteld bij besluit van de minister van volksgezondheid.
62. Het in artikel 20-I bedoelde besluit is nog niet door de Franse autoriteiten genomen, want deze geneesmiddelen en producten worden nog klinisch onderzocht, maar de situatie zal opnieuw door de Franse autoriteiten worden beoordeeld in het kader van de uitvoering van richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van richtlijn 90/220/EEG. (7)
63. Voor de overige in besluit 96-850 van 20 september 1996 bedoelde gezondheidsproducten die niet door sectoriële bepalingen worden bestreken, zal de inhoud van het technisch dossier worden vastgesteld in het in voorbereiding zijnde ministeriële besluit.
64. De Commissie erkent dat artikel 11 van de richtlijn niet van toepassing is ─ en dus niet behoeft te worden uitgevoerd ─ op geneesmiddelen voor menselijk of diergeneeskundig gebruik die bestaan uit GGO's en waarvoor een communautaire vergunning voor het in de handel brengen nodig is.
65. Wel wijst de Commissie erop dat:
─ de verschillende sectoriële besluiten niet alle informatie vermelden die in het technisch dossier moet worden opgenomen, en dat de regeling van de inhoud van deze dossiers via ministeriële besluiten nog onvolledig is;
─ de drie door de Franse regering genoemde besluiten niets bepalen met betrekking tot de voorwaarden voor het in de handel brengen van het product, met inbegrip van de bijzondere voorwaarden voor gebruik en behandeling en een voorstel voor etikettering en verpakking, dat tenminste de volgens bijlage III vereiste gegevens moet omvatten.
66. Ik sluit mij bij het standpunt van de Commissie aan: de maatregelen ter uitvoering van artikel 11, lid 1, en van bijlagen II en III van de richtlijn zijn onvolledig; de enige door de Franse Republiek genoemde algemene bepaling, namelijk artikel 15 van wet nr. 92-654, vereist slechts een voorafgaande vergunning, afgegeven na onderzoek van de risico's die het in de handel brengen voor de volksgezondheid en het milieu meebrengt en bevat dus bij lange na niet alle in de betrokken bepalingen van de richtlijn genoemde informatie. Ik kom dus ook op dit punt tot de slotsom dat de niet-nakoming vaststaat.
I ─ Artikel 11, leden 2 en 3, van de richtlijn
67. Volgens artikel 11, lid 2, van de richtlijn vermeldt de kennisgever in de voorafgaande kennisgeving tevens gegevens over of resultaten met introducties van dezelfde GGO's of dezelfde combinatie van GGO'S die hij al eerder of op dat ogenblik binnen of buiten de Gemeenschap heeft aangemeld via een kennisgeving en/of heeft verricht. Artikel 11, lid 3, bepaalt dat de kennisgeving ook mag verwijzen naar gegevens of resultaten afkomstig van kennisgevingen die al eerder door andere kennisgevers zijn ingediend, op voorwaarde dat deze daarvoor schriftelijk toestemming hebben verleend.
68. De Commissie stelt dat deze bepalingen in geen enkele regeling zijn opgenomen, behalve in het ministeriële besluit van 18 juli 1995 betreffende andere sectoren van de menselijke consumptie en betreffende de schoonmaak van stoffen en voorwerpen die in contact komen met eetwaren, producten of dranken voor menselijke of diervoeding, en in het besluit van 18 oktober 2000 betreffende biomedisch onderzoek.
69. De Franse regering merkt op dat voor diergeneesmiddelen geen enkele uitvoeringsmaatregel noodzakelijk is, omdat de vergunning op gemeenschapsniveau wordt afgegeven, wat de Commissie erkent.
70. Voor het overige wijst de Franse regering erop, dat de uitvoering van deze bepalingen ligt op het terrein van de bij de artikelen 20-I van besluit 95-1172 (geneesmiddelen voor menselijk gebruik) en 21-II van besluit 96-850 (overige producten) bedoelde besluiten.
71. De Commissie betoogt dat alle uitvoeringsbesluiten van wet nr. 92-654 verwijzen naar de verplichting voor de aanvrager om in het kader van zijn aanvraag de elementen te verschaffen op grond waarvan de invloed van experimenten op de volksgezondheid en het milieu kan worden beoordeeld. Daarmee hebben de Franse autoriteiten volgens de Commissie in de genoemde bepalingen niet met de noodzakelijke precisie vastgesteld welke elementen de kennisgever in het kennisgevingsdossier moet opnemen.
72. Naar de mening van de Commissie doet de Franse regering tevergeefs een beroep op artikel 8 van de richtlijn (betreffende kennisgevingen achteraf), aangezien artikel 11, leden 2 en 3, een duidelijke en onvoorwaardelijke verplichting invoert waaraan op het moment van de kennisgeving moet worden voldaan
73. Ik ben het eens met de Commissie, dat artikel 11, leden 2 en 3, van de richtlijn in de Franse bepalingen niet voldoende volledig en precies is uitgevoerd, en ik kom tot de slotsom dat de niet-nakoming ook op dit punt vaststaat.
J ─ Artikel 11, lid 6, van de richtlijn
74. Ingevolge artikel 11, lid 6, van de richtlijn dient de kennisgever, indien vóór of na de schriftelijke toestemming nieuwe gegevens ten aanzien van de risico's van het product voor de menselijke gezondheid of het milieu aan het licht komen, onmiddellijk:
─ de in lid 1 bedoelde informatie en voorwaarden te herzien,
─ de bevoegde instantie in te lichten, en
─ de maatregelen te nemen die nodig zijn om de veiligheid van de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen.
75. De Franse regering is van mening dat de uitvoering van artikel 11, lid 6, van de richtlijn wordt verzekerd door artikel 19 van wet nr. 92-654, waarin is bepaald dat iedereen de administratie moet inlichten over elk nieuw gegeven en alle maatregelen moet nemen die nodig zijn om de volksgezondheid en het milieu te beschermen.
76. Haars inziens is aan de verplichting van artikel 11, lid 6, eerste streepje, van de richtlijn noodzakelijkerwijze voldaan, wanneer de betrokken persoon de bevoegde instantie inlicht en de noodzakelijke maatregelen ter bescherming van de gezondheid en het milieu neemt.
77. Op het eerste gezicht lijkt deze opmerking juist. Anderzijds biedt de tekst van de bepaling steun aan het standpunt van de Commissie, dat de drie verplichtingen van artikel 11, lid 6, van de richtlijn onderling complementair en onderling verschillend zijn, en afzonderlijk in nationaal recht moeten worden omgezet. Aangezien zij bovendien stelt dat de eerste van de drie op de kennisgever rustende verplichtingen (namelijk de verplichting om de informatie en voorwaarden onmiddellijk te herzien) in geen van de sectoriële besluiten is overgenomen, moet ik tot de slotsom komen dat de niet-nakoming ook op dit punt vaststaat.
K ─ Artikel 12, leden en 3 en 4, van de richtlijn
78. Artikel 12, lid 3, van de richtlijn bepaalt dat ingeval de bevoegde instantie het kennisgevingsdossier met een gunstig advies aan de Commissie zendt, dit dossier een samenvatting van de kennisgeving dient te bevatten alsmede een uiteenzetting van de door de bevoegde instantie voorgestelde voorwaarden om toestemming te verlenen voor het in de handel brengen van het product.
79. Volgens artikel 12, lid 4, van de richtlijn is de bevoegde instantie verplicht om de Commissie en de andere lidstaten in kennis te stellen van nieuwe door de kennisgever toegezonden gegevens over de risico's van het product, indien zij aanvullende gegevens ontvangt als bedoeld in artikel 11, lid 6, van de richtlijn.
80. De Commissie stelt dat artikel 12, lid 3, van de richtlijn niet volledig is omgezet, omdat slechts in twee ministeriële besluiten gewag wordt gemaakt van een samenvatting van het dossier met de aanvraag van een vergunning voor het in de handel brengen. Bovendien bevat geen van de regels die de uitvoering van de richtlijn moeten verzekeren, de verplichting voor de bevoegde instantie om bij de toezending aan de Commissie de door haar voorgestelde voorwaarden om toestemming te verlenen voor het in de handel brengen van het product uiteen te zetten. De Commissie voegt hieraan toe, dat artikel 12, lid 4, slechts is uitgevoerd in de besluiten 94-359, 95-1172 en 96-850. Bovendien is deze bepaling niet in nationaal recht omgezet voor de niet door de uitvoeringsmaatregelen bestreken sectoren.
81. Volgens de Commissie preciseert artikel 12, leden 3 en 4, van de richtlijn de modaliteiten van een procedure waarin de nationale administratieve instanties verplicht zijn bepaalde gegevens aan de Commissie en aan de andere lidstaten toe te zenden. Ook is het noodzakelijk dat deze instanties uit het nationale recht kunnen opmaken in welk rechtskader zij hun activiteiten verrichten.
82. De Franse regering herhaalt dat de bepalingen die voorzien in de toezending van informatie aan de andere lidstaten en aan de Commissie, niet in nationaal recht behoeven te worden omgezet.
83. Op dit punt kan ik slechts bevestigen wat ik reeds eerder heb gezegd, namelijk dat elke lidstaat in de uitvoeringsmaatregelen de op de bevoegde instanties rustende verplichtingen moet preciseren.
84. Met betrekking tot de toezending van de uiteenzetting van de voorwaarden die voor de vergunning voor het in de handel brengen gelden, verwijst de Franse regering naar de artikelen 20-VI van besluit 95-1172 en 22 van besluit 96-850, die bepalen dat de bevoegde instantie het dossier aan de Commissie toezendt, in voorkomend geval met vermelding van bijzondere voorwaarden. Verder is artikel 12, lid 4, van de richtlijn uitgewerkt in de artikelen 21 respectievelijk 25 van de besluiten 95-1172 en 96-850.
85. Daartegenover stelt de Commissie stelt dat de in artikel 20-VI van besluit 95-1172 genoemde bijzondere voorwaarden limitatief zijn opgesomd, wat niet in artikel 12, lid 3, van de richtlijn is voorzien. Wat besluit 96-850 betreft, herinnert de Commissie eraan dat de werkingssfeer ervan beperkt is.
86. Uit het voorgaande volgt dat de grieven van de Commissie op dit punt eveneens gegrond zijn en dat de niet-nakoming dus vaststaat.
L ─ Artikel 13, leden 3 en 4, van de richtlijn
87. In haar verzoekschrift wijst de Commissie erop dat artikel 13, leden 2 en 4, van de richtlijn niet zijn uitgevoerd. Aangezien de Commissie deze bepalingen evenwel niet in de conclusies vermeldt, behoeft het Hof dit punt naar mijn mening niet te onderzoeken.
M ─ Artikel 19, leden 2 en 3, van de richtlijn
88. Artikel 19, lid 2, van de richtlijn bepaalt dat de kennisgever kan aangeven dat bepaalde informatie in een op grond van deze richtlijn ingediende kennisgeving vertrouwelijk moet worden behandeld, indien de openbaarmaking van deze gegevens een nadelige invloed kan hebben op zijn concurrentiepositie. In dit geval moeten verifieerbare redenen worden aangevoerd. Artikel 19, lid 3, bepaalt dat de bevoegde instantie na voorafgaand overleg met de kennisgever besluit welke informatie vertrouwelijk blijft, en dat zij de kennisgever op de hoogte brengt van haar beslissing.
89. De Commissie merkt op dat de aanvrager van een vergunning voor introductie of voor het in de handel brengen volgens artikel 21, lid 1, van wet nr. 92-654 weliswaar de bevoegde instantie kan laten weten dat openbaarmaking van bepaalde ter ondersteuning van zijn aanvraag verstrekte informatie zijn belangen zou kunnen schaden of dat die informatie wettelijk beschermde geheimen raakt, maar dat deze wet van de kennisgever niet verlangt om verifieerbare redenen aan te voeren. Behalve besluit 94-359 voorziet geen enkel sectorieel besluit in de verplichting voor de kennisgever om verifieerbare redenen aan te voeren.
90. Wat artikel 19, lid 3, van de richtlijn betreft, voorzien noch wet nr. 92-654 noch de sectoriële uitvoeringsbesluiten (behalve besluit 94-359 betreffende fytofarmaceutische producten) volgens de Commissie in de verplichting om met de kennisgever te overleggen en hem op de hoogte te brengen zodra het besluit is genomen.
91. De Franse regering stelt dat de uitvoering van artikel 19, leden 2 en 3, wat de kern van deze bepaling betreft, volgt uit artikel 21 van wet nr. 92-654 en uit sectoriële bestuursrechtelijke bepalingen.
92. Volgens de Franse regering lijkt de Commissie niet te weten dat naar Frans bestuursrecht in de regel degene die om vertrouwelijkheid verzoekt, de noodzaak daarvan moet aantonen.
93. Met betrekking tot artikel 19, lid 3, van de richtlijn is de Franse regering van mening dat het bestuursrecht voldoende is om een precieze uitvoering te verzekeren, want daarin is bepaald dat
─ beslissingen, met name afwijzende, moeten worden gemotiveerd (artikel 1 van wet nr. 79-587);
─ individuele bestuursrechtelijke beslissingen worden genomen na een procedure op tegenspraak waarin de betrokkene de gelegenheid krijgt opmerkingen in te dienen (artikel 23 van wet nr. 2000-321).
94. Wat de uitvoering van artikel 19, lid 2, van de richtlijn betreft, geef ik het Hof in overweging om het standpunt van de Commissie te aanvaarden. Gelet op de belangen die de richtlijn wil beschermen, moet het verzoek om vertrouwelijke behandeling mijns inziens berusten op verifieerbare redenen en in uitdrukkelijke uitvoeringsbepalingen worden geregeld.
95. Met betrekking tot de uitvoering van artikel 19, lid 3, van de richtlijn kan men zich echter afvragen of de algemene beginselen van het Franse bestuursrecht niet de noodzakelijke procedurele waarborgen verschaffen. Ik geef in overweging om de Franse Republiek hier het voordeel van de twijfel te gunnen.
N ─ Artikel 19, lid 4, van de richtlijn
96. Artikel 19, lid 4, van de richtlijn luidt als volgt: De vertrouwelijkheid is in geen geval van toepassing op de volgende informatie wanneer deze overeenkomstig de artikelen 5 of 11 wordt verstrekt:
─ de beschrijving van het GGO of de GGO's, naam en adres van de kennisgever, het doel van de introductie en de plaats van introductie;
─ de methoden en plannen met betrekking tot de monitoring van het GGO, of de GGO's, en de noodmaatregelen;
─ de evaluatie met betrekking tot de te verwachten effecten, met name de pathogene effecten en/of de milieuschade.
97. Volgens de Commissie bevatten alle sectoriële uitvoeringsbesluiten van wet nr. 92-654 een standaardbepaling die de aanvrager van een vergunning voor introductie verplicht om bij het dossier van de vergunningaanvraag een informatiefiche voor het publiek te voegen. De lijst met gegevens die op deze fiche moeten voorkomen, maakt geen gewag van de plaats van introductie en de naam en het adres van de kennisgever. Voorzover de Franse autoriteiten aan de uit artikel 19, lid 4, van de richtlijn voortvloeiende vereisten uitvoering hebben willen geven door middel van een informatiefiche voor het publiek, moet deze fiche alle gegevens bevatten die volgens dit artikel niet vertrouwelijk kunnen blijven. De Commissie wijst er verder op dat het ministeriële besluit van 21 september 1994, dat in de bijlage de inhoud van de informatiefiche voor het publiek preciseert, niets vermeldt over informatie betreffende noodplannen, anders dan besluit 93-1177 waarvan het toch geacht wordt een uitvoeringsmaatregel te vormen.
98. De Franse regering stelt dat artikel 19, lid 4, van de richtlijn is uitgevoerd bij artikel L.513.3-II van de code de l'environnement (voorheen artikel 21 van wet nr. 92-654), dat ─ evenals overigens artikel 19, lid 4, van de richtlijn ─ rechtstreeks toepasselijk is. De Franse wet maakt onderscheid tussen de gevallen waarin niet-vertrouwelijke gegevens worden meegedeeld in het kader van een aanvraag voor doelbewuste introductie met het oog op onderzoek, en de gevallen waarin het gaat om een aanvraag voor het in de handel brengen. Bijlage II bij de richtlijn bepaalt immers dat sommige gegevens die moeten voorkomen in de kennisgevingen uit hoofde van artikel 5 van de richtlijn voor introductie met het oog op onderzoek, niet vereist zijn voor kennisgevingen uit hoofde van artikel 11 van de richtlijn voor het in de handel brengen. De Commissie zoekt in de sectoriële besluiten dus ten onrechte uitvoeringsbepalingen van artikel 19, lid 4, van de richtlijn.
99. Dat bepaalde informatie die de richtlijn als niet-vertrouwelijk aanmerkt, namelijk de plaats van introductie en de naam en het adres van de kennisgever, ontbreken in de informatiefiche waarin de standaardbepaling van wet nr. 92-654 voorziet, doet volgens de Franse regering niet af aan hun niet-vertrouwelijke aard. Deze gegevens moeten krachtens de artikelen 1 en 6 van wet nr. 78-753 van 17 juli 1978 houdende verschillende maatregelen tot verbetering van de betrekkingen tussen de overheid en het publiek (8) op verzoek aan het publiek worden meegedeeld.
100. Wat het biomedisch onderzoek betreft, voegt de Franse regering daaraan toe dat zij het niet wenselijk heeft geacht een te ruime bekendheid te geven aan de naam en het adres van de plaats van dat onderzoek, teneinde het goede verloop ervan te waarborgen.
101. Ik ben het oneens met het standpunt van de Commissie dat, voorzover de Franse autoriteiten aan de uit artikel 19, lid 4, van de richtlijn voortvloeiende eisen uitvoering hebben willen geven door middel van een informatiefiche voor het publiek, deze fiche alle gegevens moet bevatten die volgens dit artikel niet vertrouwelijk kunnen blijven.
102. Artikel 19, lid 4, betreft de overeenkomstig de artikelen 5 of 11 verstrekte informatie. In deze bepalingen gaat het evenwel om de kennisgevingen aan de bevoegde instantie.
103. Uit de richtlijn vloeit geenszins voort dat een lidstaat die kiest voor openbaarmaking van een informatiefiche voor het publiek, daarin alle niet-vertrouwelijke informatie moet opnemen die de kennisgever aan de bevoegde instantie heeft moeten meedelen.
104. De niet-vertrouwelijkheid van bepaalde informatie volgens de richtlijn moet worden onderscheiden van een verplichting om deze informatie bekend te maken. De Franse regering is dus terecht van mening dat de uit de bestuurswet voortvloeiende verplichting om het verzoek om informatie in te willigen voldoende uitvoering geeft aan de betrokken bepalingen van de richtlijn. Dit zou anders zijn, wanneer de Franse autoriteiten in de praktijk zouden weigeren om de verzoeken om informatie in te willigen, wat de Commissie echter niet stelt.
105. Ik concludeer dat de niet-nakoming op dit punt niet vaststaat.
III ─ Conclusie
106. Ik geef het Hof dus in overweging om
─ vast te stellen dat de Franse Republiek, door artikel 5, punten 1, 2, 3, 4, artikel 6, leden 2 en 5, artikel 9, lid 3, artikel 11, leden 1, 2, 3 en 6, artikel 12, leden 3 en 4, alsmede artikel 19, leden 2 en 3, van richtlijn 90/220/EEG van de Raad van 23 april 1990 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu, niet juist en volledig in nationaal recht om te zetten, de krachtens deze richtlijn en artikel 249 EG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
─ het beroep voor het overige te verwerpen;
─ de Franse Republiek in de kosten te verwijzen.
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – PB L 117, blz. 15.
3 – Arrest Commissie/België (C-230/00, Jurispr. blz. I-4591).
4 – PB L 228, blz. 24.
5 – PB L 204, blz. 37.
6 – PB L 217, blz. 18.
7 – JOFR van 18 juli 1978, blz. 2851.
8 – JORF van 18 juli 1978, blz. 2851.
Full & Egal Universal Law Academy