CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. STIX-HACKL
van 27 februari 2003 (1)
Zaak C-311/01
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Koninkrijk der Nederlanden
„Niet-nakoming – Toepassing van socialezekerheidsregelingen op werknemers die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen – Uitkeringen bij werkloosheid – Grensarbeiders – Recht op uitkering bij het zoeken naar werk in een andere lidstaat”
I ─ Inleiding
1. Met het onderhavige beroep verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen, dat het Koninkrijk der Nederlanden de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 69 en 71 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (2) (hierna: verordening).
2. De bezwaren van de Commissie betreffen de door de hoogste Nederlandse rechterlijke instanties als rechtmatig beschouwde weigering van de Nederlandse dienst voor arbeidsbemiddeling om in Nederland wonende volledig werkloze grensarbeiders de mogelijkheid te geven om zich met behoud van hun recht op werkloosheidsuitkering naar een andere lidstaat te begeven om aldaar werk te zoeken.
II ─ Verordening nr. 1408/71
3. De veertiende en de vijfentwintigste overweging van de considerans luiden als volgt:Overwegende dat er met name inzake ziekte en werkloosheid specifieke regels nodig zijn voor grensarbeiders en seizoenarbeiders, teneinde rekening te houden met hun specifieke situatie.Overwegende dat het vanuit deze opvatting en teneinde het zoeken naar werk op het grondgebied van de verschillende lidstaten te vergemakkelijken, nodig is de werkloze werknemer gedurende een beperkte periode recht te geven op de werkloosheidsuitkeringen als voorzien bij de wetgeving van de lidstaat waaraan hij laatstelijk onderworpen was.De relevante bepalingen van artikel 1 luiden als volgt: Definities[...]
o) wordt onder bevoegd orgaan verstaan:[...]
ii) het orgaan dat aan de betrokkene prestaties verschuldigd is of zou zijn indien hij of één of meer van zijn gezinsleden woonden op het grondgebied van de lidstaat, waarop zich dit orgaan bevindt, of
[...]
q) wordt onder bevoegde staat verstaan de lidstaat op het grondgebied waarvan het bevoegde orgaan zich bevindt.
Artikel 69, leden 1 en 2, van de verordening luidt als volgt: Voorwaarden en beperkingen voor de handhaving van het recht op uitkering
1. De volledig werkloze werknemer die voldoet aan de in de wettelijke regeling van een lidstaat gestelde voorwaarden voor het recht op uitkering, en die zich naar het grondgebied van een of meer andere lidstaten begeeft om aldaar werk te zoeken, behoudt het recht op deze uitkering onder de hieronder aangegeven voorwaarden en beperkingen:
a) vóór zijn vertrek dient hij gedurende ten minste vier weken na de aanvang van zijn werkloosheid als werkzoekende ingeschreven te zijn geweest en ter beschikking van de diensten voor arbeidsbemiddeling van de bevoegde staat te zijn gebleven. De bevoegde diensten of organen kunnen hem evenwel toestemming geven vóór het verstrijken van deze termijn te vertrekken;
b) hij dient zich als werkzoekende in te laten schrijven bij de diensten voor arbeidsbemiddeling van iedere lidstaat naar het grondgebied waarvan hij zich begeeft en zich aan het aldaar uitgeoefende toezicht te onderwerpen. Voor het aan de inschrijving voorafgaande tijdvak wordt deze voorwaarde geacht te zijn vervuld indien deze inschrijving plaatsvindt binnen een termijn van zeven dagen sedert de datum waarop de betrokkene niet meer ter beschikking stond van de diensten voor arbeidsbemiddeling van de staat waarvan hij het grondgebied heeft verlaten. In buitengewone gevallen kunnen de bevoegde diensten of organen deze termijn verlengen;
c) het recht op uitkering wordt gehandhaafd gedurende een tijdvak van ten hoogste drie maanden, sedert de datum waarop de betrokkene niet langer ter beschikking stond van de diensten voor arbeidsbemiddeling van de staat waarvan hij het grondgebied heeft verlaten, zonder dat de totale duur waarover uitkering wordt verleend, de duur mag overschrijden, waarover hij krachtens de wettelijke regeling van bedoelde staat recht op uitkering heeft. Deze duur wordt voor seizoenarbeiders bovendien nog beperkt tot de verdere duur van het seizoen waarvoor hij is aangeworven.
2. Indien de betrokkene vóór het verstrijken van het tijdvak waarover hij krachtens lid 1, sub c, recht op uitkering heeft, naar het grondgebied van de bevoegde staat terugkeert, behoudt hij recht op uitkering overeenkomstig de wettelijke regeling van deze staat; hij verliest elk recht op uitkering krachtens de wettelijke regeling van de bevoegde staat indien hij niet vóór het verstrijken van dit tijdvak naar het grondgebied van deze staat terugkeert. In buitengewone gevallen kunnen de bevoegde diensten of organen deze termijn verlengen.
Artikel 70, lid 1, luidt als volgt: In de in artikel 69, lid 1, bedoelde gevallen wordt de uitkering verleend door het orgaan van elk van de staten op het grondgebied waarvan de werkloze werk gaat zoeken.Het bevoegde orgaan van de lidstaat aan de wettelijke regeling waarvan de werknemer tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden onderworpen is geweest, is verplicht het bedrag van deze uitkering te vergoeden.Artikel 71, lid 1, sub a-ii, luidt als volgt: De werkloze werknemer die tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden op het grondgebied van een andere dan de bevoegde lidstaat woonde, heeft recht op uitkering overeenkomstig de volgende bepalingen:a) [...]
ii) de volledig werkloze grensarbeider heeft recht op uitkering volgens de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont, alsof die wettelijke regeling tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden op hem van toepassing was geweest; deze uitkering wordt door en voor rekening van het orgaan van de woonplaats verleend.
III ─ De feiten, de precontentieuze procedure en het procesverloop
4. Nederland weigert aan volledig werkloze grensarbeiders die een uitkering bij werkloosheid (hierna: uitkering) krijgen op grond van het feit dat zij in Nederland wonen, die uitkering door te betalen zolang zij zich in een andere lidstaat bevinden om daar werk te zoeken. Volgens een nationale rechterlijke uitspraak in laatste aanleg strookt die Nederlandse administratieve praktijk met de verordening.
5. Van mening dat de verordening in Nederland niet naar behoren werd toegepast, heeft de Commissie de Nederlandse regering op 29 mei 1998 aangemaand daarover binnen twee maanden opmerkingen in te dienen.
6. Van oordeel dat het antwoord van de Nederlandse regering van 2 oktober 1998 het vermoeden van niet-nakoming niet had weggenomen, heeft de Commissie het Koninkrijk der Nederlanden op 30 juli 1999 een met redenen omkleed advies doen toekomen waarin zij de weigering om volledig werkloze grensarbeiders die op basis van hun woonplaats in Nederland een uitkering krijgen, met behoud van hun uitkering werk te laten zoeken in andere lidstaten, als een inbreuk op de artikelen 69 en 71 van de verordening aanmerkte en het Koninkrijk der Nederlanden verzocht binnen twee maanden de noodzakelijke maatregelen te treffen. De Nederlandse regering heeft bij brief van 8 oktober 1999 geantwoord.
7. Van mening dat het Koninkrijk der Nederlanden niet aan zijn verplichtingen had voldaan, heeft de Commissie bij verzoekschrift van 7 augustus 2001, ingeschreven ter griffie van het Hof op dezelfde dag, krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld tegen het Koninkrijk der Nederlanden.
8. De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
1) vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden de krachtens de artikelen 69 en 71 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, door volledig werkloze grensarbeiders de mogelijkheid te ontzeggen gebruik te maken van de door artikel 69 van de verordening geschapen mogelijkheid om zich onder de in dat artikel genoemde voorwaarden met behoud van hun werkloosheidsuitkering naar het grondgebied van één of meer lidstaten te begeven teneinde aldaar werk te zoeken;
2) het Koninkrijk der Nederlanden te verwijzen in de kosten.
IV ─ Schending van het Verdrag
A ─ Argumenten van partijen
9. De Commissie is van mening dat de verordening voorziet in cumulatieve toepassing van de artikelen 71, lid 1, sub a-ii, en 69 van de verordening (hierna: artikelen 71, lid 1, sub a-ii, en 69) door het bevoegde orgaan van de staat waar de betrokken werknemer zijn vaste woonplaats heeft (hierna: woonstaat).
10. De Commissie baseert zich om te beginnen op de bewoordingen van artikel 71, lid 1, sub a-ii, waaruit blijkt dat een volledig werkloze grensarbeider volledig geïntegreerd is in het stelsel van de woonstaat en een originaire aanspraak heeft op de uitkeringen van die lidstaat. Het als enige bevoegde orgaan in de zin van artikel 1, sub o-ii, van de verordening is bijgevolg dat van de woonstaat. Een en ander geldt ook voor de toepassing van artikel 69.
11. Zij beroept zich voorts op de bewoordingen van artikel 69, lid 1, waar in sub a sprake is van bevoegde staat, en sub b en c van staat waarvan hij het grondgebied heeft verlaten. Aangezien de staat die een volledig werkloze grensarbeider verlaat, de woonstaat is, is deze laatste tevens de bevoegde staat voor de toekenning van de in artikel 69 bedoelde rechten.
12. De Commissie is het niet eens met de Nederlandse regering, die uit de zaken Cochet (3) en Huijbrechts (4) algemeen afleidt dat de staat waar de grensarbeider zijn laatste werkzaamheden heeft verricht (hierna: werkstaat) voor volledig werkloze grensarbeiders de bevoegde staat blijft. Volgens de Commissie heeft het Hof in die arresten enkel vastgesteld dat de door artikel 13, lid 2, sub a, van de verordening voorziene algemene bevoegdheid van de werkstaat door artikel 71, lid 1, sub a-ii, weliswaar opzij wordt gezet, maar opnieuw geldt wanneer de volledig werkloze grensarbeider zijn woonplaats naderhand naar de werkstaat verlegt. Uit deze beide arresten, samen met de arresten van het Hof in de zaken Miehte, de Laat, en Grisvard en Kreitz (5) blijkt dat in het geval van volledig werkloze grensarbeiders in beginsel alleen de woonstaat bevoegd is voor de toekenning van de uitkering.
13. Volgens de Commissie creëert artikel 71, lid 1, sub a-ii, een juridische fictie met betrekking tot de voorwaarden voor het verkrijgen van uitkeringen. Een soortgelijke fictie is vervat in artikel 67 van de verordening, dat de inaanmerkingneming van in andere lidstaten vervulde tijdvakken van verzekering of arbeid regelt. Werklozen die enkel op grond van deze fictie uitkeringen krijgen, kunnen zich ongetwijfeld ook op de toepassing van artikel 69 beroepen. Artikel 69 moet derhalve ook gelden bij uitkeringen die worden verstrekt op grond van artikel 71, lid 1, sub a-ii.
14. De Commissie verwijst bovendien naar de vijfentwintigste overweging van de considerans van de verordening en naar vaste rechtspraak van het Hof. (6) Daaruit blijkt inzonderheid dat de verordening verbiedt grensarbeiders op grond van hun bijzondere situatie te hinderen bij het zoeken naar en het opnemen van werk of de verordening op een voor grensarbeiders nadelige wijze toe te passen.
15. Aangaande het argument van de Nederlandse regering dat het bevoegd orgaan van de woonstaat daardoor de gehele last van de uitkeringen draagt, hoewel het geen bijdragen heeft ontvangen, verwijst de Commissie naar het arrest in de zaak Van Gestel. (7) Daarin is vastgesteld dat de gemeenschapswetgever de lastenverdeling bewust aldus heeft geregeld teneinde de werklozen zo goed mogelijke kansen op reïntegratie in de woonstaat te bieden.
16. De Commissie merkt op dat haar voorstel uit 1980 tot wijziging van artikel 69, waarop de Nederlandse regering zich baseert, meer dan 20 jaar oud is en dat de relevante rechtspraak van het Hof inzake de uitlegging van artikel 71, lid 1, sub a-ii, toentertijd nog niet bestond. Overigens is het volledige toenmalige voorstel tot wijziging ingetrokken en is het voorstel tot wijziging van artikel 69, waarop de Nederlandse regering zich beroept, niet meer opgenomen in het laatste voorstel tot wijziging van de verordening. (8)
17. Volgens de Nederlandse regering kunnen volledig werkloze grensarbeiders die op grond van artikel 71, lid 1, sub a-ii, uitkeringen krijgen in de woonstaat, zich niet terzelfder tijd op artikel 69 beroepen om gedurende de tijd dat zij in een andere lidstaat werk zoeken, verder uitkeringen te krijgen.
18. De woonstaat is niet de bevoegde staat voor de toepassing van artikel 69, lid 1. Uit de bewoordingen van artikel 71, lid 1, sub a-ii, en uit de arresten Cochet, Huijbrechts (9) , Bonaffini e.a. (10) en Testa e.a. (11) blijkt dat de bevoegde staat vóór en tijdens de werkloosheid alleen de werkstaat is.
19. Het recht op uitkeringen is in de woonstaat geen originaire aanspraak. De uitkeringen worden veeleer alleen op grond van de wettelijke regeling van de woonstaat berekend en te zijnen laste toegekend. Een dergelijke situatie is de verordening niet vreemd. Zoals het Hof reeds in het arrest Rebmann (12) heeft vastgesteld, is het zeer goed denkbaar dat een volledig werkloze grensarbeider die uitkeringen krijgt op basis van artikel 71, lid 1, sub a-ii, terzelfder tijd aan de voorschriften van de woonstaat en aan die van de werkstaat onderworpen is.
20. Ook de rechtszekerheid pleit ervoor dat de bevoegde staat in de zin van artikel 69 alleen de werkstaat is. Zo niet zou het begrip bevoegde staat namelijk in één bepaling een verschillende betekenis hebben naargelang het wordt toegepast op volledig werkloze grensarbeiders dan wel op volledig werklozen die in de werkstaat wonen.
21. Ook de vijfentwintigste overweging van de considerans pleit ertegen dat volledig werkloze grensarbeiders uitkeringen van de woonstaat bij het zoeken naar werk kunnen exporteren. In die overweging is uitdrukkelijk sprake van uitkeringen die de werkloze krijgt op basis van de wetgeving waaraan hij laatstelijk onderworpen was, en dus van uitkeringen van de werkstaat.
22. Voorts heeft het opschrift van hoofdstuk 6, afdeling 2, van de verordening, waar artikel 69 deel van uitmaakt, het uitdrukkelijk over werklozen die zich naar een andere dan de bevoegde staat begeven. Uit de arresten Cochet en Huijbrechts (13) blijkt dat de bevoegde staat de werkstaat is.
23. Overigens is het begrip bevoegde staat in artikel 1, sub q, van de verordening gedefinieerd als de lidstaat op het grondgebied waarvan het bevoegde orgaan zich bevindt. Wat een bevoegd orgaan is, is niet bepaald in de onderhavige verordening, maar in verordening (EEG) nr. 574/72 (14) (hierna: toepassingsverordening). Behalve in de bepalingen over andere socialezekerheidsuitkeringen (15) wordt het orgaan van de woonstaat in de toepassingsverordening met betrekking tot uitkeringen bij werkloosheid aan volledig werkloze grensarbeiders alleen in artikel 84 uitdrukkelijk als bevoegd orgaan aangeduid. Dit artikel betreft evenwel alleen de uitvoeringsbepalingen voor de samenstelling van de tijdvakken van verzekering (artikel 80 van de toepassingsverordening betreffende de toepassing van artikel 67 van de verordening), en dus niet de toepassing van artikel 69.
24. Blijkens het arrest in de gevoegde zaken Testa e.a. (16) bevat artikel 69 een bijzondere regeling die de betrokkenen voordelen verleent. Deze voordelen vormen een uitzondering en mogen derhalve enkel onder de in artikel 69 gestelde beperkende voorwaarden worden verleend. Dat blijkt tevens uit het arrest in de zaak Bonaffini e.a. (17)
25. Uit het arrest Bastos Moriana (18) kan bovendien worden geconcludeerd dat artikel 69 alleen van toepassing is op werklozen wier aanspraak op uitkeringen rechtstreeks voortvloeit uit nationale bepalingen, maar niet op volledig werkloze grensarbeiders wier aanspraak op artikel 71, lid 1, sub a-ii, is gebaseerd.
26. Dat artikel 69 niet wordt toegepast op volledig werkloze grensarbeiders, is evenmin in strijd met de doelstelling van de regels inzake vrij verkeer (artikel 39 EG e.v.).
27. Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat artikel 71, lid 1, sub a-ii, ertoe strekt dat een volledig werkloze grensarbeider werk kan zoeken in de woonstaat, aangezien hij daar de meeste kans van slagen heeft. Indien een grensarbeider de in artikel 69 bedoelde rechten zou uitoefenen, zou hij zich echter niet langer in de omstandigheden bevinden die voor het zoeken naar werk het gunstigst zijn.
28. De betrokkenen verliezen bovendien evenmin socialezekerheidsrechten die zij zonder gebruikmaking van hun recht op vrij verkeer zouden hebben. In het arrest Petroni (19) heeft het Hof vastgesteld dat alleen het verlies van een uitkering waarop de werkloze volgens de nationale wettelijke regeling recht heeft, de regels inzake het vrij verkeer schendt. In casu is het recht op uitkeringen evenwel op de verordening gebaseerd.
29. Bovendien strookt de rechtsopvatting van de Commissie niet met artikel 70, lid 1, tweede alinea, van de verordening. Deze bepaling regelt de vergoeding van de uitkeringen die aan een werkloze worden uitbetaald door het orgaan van de lidstaat waar hij op grond van de in artikel 69 bedoelde rechten naar werk zoekt. In die bepaling wordt uitdrukkelijk gesteld dat de vergoeding door het orgaan van de lidstaat moet gebeuren op basis van de wettelijke regeling waaraan de werkloze tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden onderworpen is geweest. Volgens artikel 13, lid 2, van de verordening is die lidstaat de werkstaat. Anders zou het orgaan van de woonstaat bij toepassing van artikel 69 op volledig werkloze grensarbeiders de volledige lasten moeten dragen, ofschoon de betrokken werkloze misschien nooit bijdragen aan dat orgaan heeft betaald.
30. De Nederlandse regering verwijst tot slot naar de historische achtergrond. Een regeling zoals die van artikel 69 bestond niet in de voorgaande verordening en is pas in 1971, na moeilijke onderhandelingen, ingevoerd. In haar wijzigingsvoorstel uit 1980 voorzag de Commissie in de invoeging van een nieuw artikel 69, lid 4, dat bepaalde dat artikel 69 ook gold voor volledig werkloze grensarbeiders die uitkeringen trokken in de woonstaat. Daaruit volgt dat de vigerende versie daarin niet voorziet. Het is juist dat door latere wijzigingen van de verordening thans steeds de wettelijke regeling van de woonstaat van toepassing is op volledig werkloze grensarbeiders, ook voor uitkeringen bij ouderdom, ziekte en invaliditeit en voor gezinsbijslagen. Voor uitkeringen op basis van artikel 69 heeft de gemeenschapswetgever evenwel geen dergelijke regeling ingevoerd.
B ─ Beoordeling
31. Impliciet bevatten de argumenten van partijen kennelijk twee achtereenvolgens te onderzoeken rechtsvragen. Moet artikel 71, lid 1, sub a-ii, van de verordening aldus worden uitgelegd dat de op uitkeringen bij werkloosheid toepasselijke wettelijke regeling van de woonstaat ook dan nog in de plaats van de regels van de werkstaat moeten worden toegepast wanneer de volledig werkloze grensarbeider werk zoekt in een andere lidstaat? Zo ja, moet artikel 69 van de verordening dan aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is wanneer volledig werkloze grensarbeiders werk zoeken en het bijgevolg voorrang heeft op de op grond van artikel 71, lid 1, sub a-ii, van de verordening toepasselijke wettelijke regeling van de woonstaat?
1. De uitlegging van artikel 71, lid 1, sub a-ii, van de verordening
a) Algemeenheden aangaande de bevoegdheid van een lidstaat voor uitkeringen aan volledig werkloze grensarbeiders
32. Partijen behandelen de vraag van de uitlegging van artikel 71, lid 1, sub a-ii, om te beginnen als een probleem van bevoegdheid van de woonstaat.
33. Anders dan de Nederlandse regering meent, is de bevoegdheid van een lidstaat voor het verstrekken van socialezekerheidsuitkeringen binnen de werkingssfeer van de verordening niet geregeld in artikel 1, sub q, van de verordening. Die bepaling verwijst immers alleen naar artikel 1, sub o-ii, van de verordening, volgens welk die lidstaat bevoegd is op het grondgebied waarvan het bevoegde orgaan zich bevindt. Wat het bevoegde orgaan is, bepaalt artikel 1 van de verordening niet.
34. De bevoegdheid wordt evenmin geregeld door de aanduiding van het bevoegde orgaan in de uitvoeringsverordening, aangezien deze laatste alleen de bepalingen van de verordening concretiseert.
35. De bevoegdheid van een lidstaat blijkt alleen uit de titels II en III van de verordening zelf, die eerst de algemene beginselen en daarna de bijzondere bepalingen voor de verschillende soorten socialezekerheidsuitkeringen bevatten. In die laatste bepalingen wordt de bevoegdheid voor bepaalde bijzondere gevallen, zoals bijvoorbeeld grensarbeiders, geregeld.
36. De principiële bevoegdheidsregeling voor werknemers bevindt zich in artikel 13, lid 2, sub a, van de verordening. Op grond daarvan is over het algemeen de werkstaat bevoegd.
37. In het geval van uitkeringen bij werkloosheid vormt artikel 71, lid 1, sub a-ii, voor volledig werkloze grensarbeiders een van de algemene regel afwijkende regeling, op grond waarvan de betrokkenen alleen recht hebben op uitkeringen van het bevoegde orgaan van de woonstaat en volgens diens wettelijke regeling. Die bepaling heeft het echter niet over de bevoegdheid van de woonstaat, maar stelt dat de grensarbeider recht heeft op uitkeringen volgens de wettelijke regeling [van de woonstaat].
38. Partijen zijn het niet eens over de rol die artikel 71, lid 1, sub a-ii, toebedeelt aan de wettelijke regeling van de woonstaat.
b) Uitlegging van artikel 71, lid 1, sub a-ii, van de verordening in verband met de rol van de wettelijke regeling van de woonstaat
39. De Commissie is kennelijk van mening dat het recht van volledig werkloze grensarbeiders op uitkeringen op grond van artikel 71, lid 1, sub a-ii, rechtstreeks op de wettelijke regeling van de woonstaat berust. In die hypothese is er dus sprake van een conflit mobile , en bepaalt de wettelijke regeling van de woonstaat de rechtsgrondslag van en de regels voor de uitkeringen (hierna: conflicttheorie).
40. De Nederlandse regering meent daarentegen dat volledig werkloze grensarbeiders bij de toepassing van artikel 71, lid 1, sub a-ii, zowel aan de wettelijke regeling van de woonstaat als aan die van de werkstaat onderworpen zijn. Volgens haar is er sprake van export van uitkeringen , waarbij het recht op uitkering is gegrond op de wettelijke regeling van de werkstaat, en de wettelijke regeling van de woonstaat alleen de regels voor de toekenning van de uitkeringen bepaalt (hierna: exporttheorie).
41. Uit de argumenten van partijen kan worden geconcludeerd dat hun verschillen in opvatting de volgende betekenis hebben:
42. Volgens de conflicttheorie geldt alleen de wettelijke regeling van de woonstaat, waaraan evenwel artikel 69, dat voorrang en rechtstreekse werking heeft (20) , in de weg staat.
43. Volgens de exporttheorie is de volledig werkloze grensarbeider op grond van artikel 71, lid 1, sub a-ii, zowel aan de wettelijke regeling van de woonstaat als aan die van de werkstaat onderworpen. Alleen inzake de toekenning van de uitkering verdringt de wettelijke regeling van de woonstaat derhalve die van de werkstaat. De wettelijke regeling van de woonstaat wordt alleen toegepast voorzover dat het zoeken naar werk in die staat vergemakkelijkt. Wordt in een andere lidstaat dan de woonstaat werk gezocht, dan is er geen reden meer voor export van uitkeringen en vindt alleen nog de wettelijke regeling van de werkstaat toepassing. Voor de woonstaat rijst de vraag van de toepassing van artikel 69 dan niet meer.
i) Uitlegging van artikel 71, lid 1, sub a-ii, van de verordening aan de hand van de voornaamste argumenten van partijen
De bewoordingen van artikel 71, lid 1, sub a-ii
44. Beide partijen beroepen zich tot staving van hun rechtsopvatting allereerst op de bewoordingen van artikel 71, lid 1, sub a-ii. De formulering heeft recht op uitkeringen volgens de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont, alsof [...] (21) is echter zeer vaag aangaande de rol van de wettelijke regeling van de woonstaat. Zij bepaalt noch duidelijk dat de wettelijke regeling van de woonstaat de rechtsgrondslag van de uitkeringen vormt, noch dat zij slechts de regels voor die uitkeringen bepaalt. Andere taalversies van artikel 71, lid 1, sub a-ii, zoals bijvoorbeeld die van de procestaal, het Nederlands, of de Engelse, Franse of Spaanse versies, geven evenmin uitsluitsel in deze of gene richting.
De bewoordingen van andere bepalingen van de verordening
45. De Nederlandse regering verwijst voorts naar de bewoordingen van artikel 70, lid 1, tweede alinea, dat de lasten van de toepassing van artikel 69 oplegt aan het bevoegde orgaan van de lidstaat aan de wettelijke regeling waarvan de werknemer [...] tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden onderworpen is geweest. Die bewoordingen lijken de door Nederland verdedigde exporttheorie in zoverre te staven dat bij het zoeken naar werk in een andere lidstaat, dus ook in geval van volledig werkloze grensarbeiders, de wettelijke regeling van de werkstaat moet worden toegepast.
46. Artikel 70, lid 1, tweede alinea, regelt evenwel alleen de vraag welk orgaan van welke lidstaat uiteindelijk moet instaan voor de kosten van de uitkeringen gedurende het zoeken naar werk in een andere lidstaat. (22) Algemene conclusies aangaande de rol van de wettelijke regeling van de woonstaat in verband met artikel 71, lid 1, sub a-ii, kunnen daaruit alleen niet worden getrokken.
47. Het opschrift van artikel 69 en volgende ( Werklozen die zich naar het grondgebied van een andere dan de bevoegde lidstaat begeven) geeft mijns inziens evenmin uitsluitsel over onderhavige vraag. De woonstaat is immers alleen dan bevoegde staat wanneer artikel 71, lid 1, sub a-ii, van de verordening volgens de conflicttheorie (23) moet worden uitgelegd, wat evenwel juist de vraag is.
48. Tot staving van de exporttheorie verwijst de Nederlandse regering tot slot naar de bewoordingen van de vijfentwintigste overweging van de considerans van de verordening, die de doelstelling van artikel 69 weergeeft. Die overweging geeft evenwel evenmin een aanwijzing voor het antwoord op de vraag wat artikel 71, lid 1, sub a-ii, zegt over de rol van de wettelijke regeling van de woonstaat. De vijfentwintigste overweging stelt immers alleen heel algemeen dat aan een werkloze uitkeringen worden toegekend als voorzien bij de wetgeving van de lidstaat waaraan hij laatstelijk onderworpen was. Daarmee kan echter zowel worden gedoeld op de wettelijke regeling van de werkstaat die gedurende de laatste tewerkstelling is toegepast, als op de wettelijke regeling van de woonstaat welke is toegepast na het begin van de werkloosheid, vlak vóór het zoeken naar werk in een andere lidstaat dan de woonstaat. Uit de vijfentwintigste overweging kan derhalve geenszins worden afgeleid dat de gemeenschapswetgever ─ volgens de exporttheorie ─ van mening was dat bij het zoeken naar werk in een andere lidstaat dan de woonstaat alleen nog de wettelijke regeling van de werkstaat moet worden toegepast.
De voorstellen tot wijziging van de verordening
49. De Nederlandse regering beroept zich tot staving van de exporttheorie in verband met artikel 71, lid 1, sub a-ii, op de ontstaansgeschiedenis van de verordening, het ingetrokken wijzigingsvoorstel van de Commissie uit 1980 en het laatste wijzigingsvoorstel uit 1996. (24) Daartegen kan het volgende worden ingebracht: de invoering van artikel 69 kan tussen de lidstaten weliswaar zeer omstreden zijn geweest, maar gelet op de reeds aangehaalde ruime formulering van de vijfentwintigste overweging van de considerans kan daaruit op zich niet worden geconcludeerd dat de gemeenschapswetgever van mening was dat artikel 69 van de verordening niet van toepassing is op uitkeringen voor volledig werkloze grensarbeiders.
50. De uitdrukkelijke bepaling dat artikel 69 van toepassing is op uitkeringen voor volledig werkloze grensarbeiders, die vervat was in het wijzigingsvoorstel van 1980, maar in het laatste voorstel niet meer voorkomt, strekte immers misschien eenvoudigweg tot verduidelijking. Zonder verdere informatie over de beweegredenen van de Commissie voor de indiening van het voorstel uit 1980 en de latere intrekking ervan, kan daaruit alleen niets worden afgeleid dat de exporttheorie staaft. Afgezien daarvan kan de inhoud van wijzigingsvoorstellen van de Commissie in beginsel niet van betekenis zijn voor de uitlegging van een door de Raad vastgestelde versie van een verordening.
De rechtspraak van het Hof
51. Aan de basis van de juridische controverse ligt de uitlegging van de arresten van het Hof in de zaken Cochet en Huijbrechts. (25) In beide zaken ging het om volledig werkloze grensarbeiders die, nadat zij in hun woonstaat uitkeringen hadden beginnen te ontvangen, in hun voormalige werkstaat gingen wonen. Het Hof heeft vastgesteld dat om die uitkeringen te blijven ontvangen, enkel de wettelijke regeling van de werkstaat moest worden toegepast, aangezien ingevolge artikel 71, lid 1, sub a-ii, van de verordening [...] de staat van de laatste werkzaamheden [...] in beginsel de bevoegde staat is (26) en dat de bepalingen van artikel 71 van de verordening het beginsel dat de staat van de laatste werkzaamheden de bevoegde staat is, onverlet [laten]. (27)
52. Het Hof heeft het dus over het beginsel dat de werkstaat bevoegd is. Dat blijkt echter reeds uit het feit dat de bevoegdheid van de woonstaat ingevolge artikel 71, lid 1, sub a-ii, onmiskenbaar een bijzondere regeling vormt ten opzichte van de algemene bevoegdheid van de werkstaat op grond van artikel 13, lid 2, sub a, van de verordening. Een bijzondere regeling heeft evenwel slechts voorrang wanneer aan alle feitelijke voorwaarden daarvoor is voldaan. Dat was in beide gevallen niet (meer) het geval, daar de betrokkenen niet meer in de woonstaat woonden. Op het relevante tijdstip was alleen de werkstaat (nog) in beginsel bevoegd, want de woonstaat en de staat van de laatste werkzaamheden vielen (opnieuw) samen.
53. De volledig werkloze grensarbeiders om wier rechten het in het onderhavige geval gaat, blijven evenwel in de woonstaat wonen, zodat diens wettelijke regeling ingevolge artikel 71, lid 1, sub a-ii, ongetwijfeld van toepassing is. Bijgevolg blijft ook na de aangehaalde arresten de vraag bestaan of de rol van de wettelijke regeling van de woonstaat ingevolge artikel 71, lid 1, sub a-ii, op basis van de conflicttheorie dan wel op basis van de exporttheorie moet worden uitgelegd.
54. Dit geldt ook voor het beroep van de Nederlandse regering op de arresten van het Hof in de zaken Bonaffini e.a. en Testa e.a. (28) In geen van beide zaken ging het over grensarbeiders, zodat de uitlegging van artikel 71, lid 1, sub a-ii, voorzover in casu van betekenis, niet eens aan de orde was.
55. De Nederlandse regering verwijst bovendien naar het arrest in de zaak Rebmann (29) , waarin het Hof haar stelling zou hebben bevestigd dat volledig werkloze grensarbeiders in het kader van artikel 71, lid 1, sub a-ii ─ in de zin van de exporttheorie ─ zowel aan de wettelijke regeling van de woonstaat als aan die van de werkstaat onderworpen kunnen zijn.
56. Die zaak ging over de vraag of de wettelijke regeling van de werkstaat in verband met uitkeringen bij ouderdom wordt opzijgezet door de toepassing van artikel 71, lid 1, sub a-ii, dat evenwel uitsluitend uitkeringen bij werkloosheid betreft. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord, en gesteld dat de bijzondere regeling voor grensarbeiders inzake uitkeringen bij werkloosheid niet tot andere takken van de sociale zekerheid, in casu uitkeringen bij ouderdom, kan worden uitgebreid. In die gevallen leidt een en ander weliswaar tot een gelijktijdige toepassing van de nationale wettelijke regeling van twee lidstaten, maar die zaken zijn hoe dan ook niet vergelijkbaar met het onderhavige geval. (30)
57. De Commissie voert tot staving van haar (conflict)theorie de arresten Miethe, De Laat, en Grisvard en Kreitz (31) aan. Dienaangaande zij vastgesteld dat het Hof in die drie zaken evenmin de vraag moest behandelen welke rol de wettelijke regeling van de woonstaat speelt bij de toepassing van artikel 71, lid 1, sub a-ii, van de verordening.
58. In de zaken Miethe en De Laat ging het er alleen om welke bepaling van artikel 71, lid 1, toepassing moest vinden (sub a of b, respectievelijk sub a-i of sub a-ii), en ging het niet om de inhoud van het bepaalde sub a-ii.
59. De zaak Grisvard en Kreitz betrof de berekening van uitkeringen overeenkomstig artikel 68 van de verordening. In die zaak (32) heeft het Hof vastgesteld: artikel 71, lid 1, sub a-ii [...] schrijft duidelijk voor dat uitsluitend de wettelijke regeling van de staat van de woonplaats moet worden toegepast, en sluit toepassing van de wettelijke regeling van de staat van tewerkstelling, de eventuele regeling inzake het maximaal in aanmerking te nemen loon daaronder begrepen, derhalve uit. Die passage van het arrest staaft evenwel alleen schijnbaar de conflicttheorie. Het arrest moet immers worden beschouwd tegen de specifieke achtergrond van het hoofdgeding, dat handelde over de berekening van het bedrag van uitkeringen. In de zaak Grisvard en Kreitz rees de vraag of op basis van het arrest in de zaak Fellinger (33) , de wettelijke regeling van de werkstaat ook moest worden toegepast op een eventuele regeling inzake het maximaal in aanmerking te nemen loon. Alleen in dat verband heeft het Hof vastgesteld dat artikel 71, lid 1, sub a-ii, duidelijk voor[schrijft] dat uitsluitend de wettelijke regeling van de staat van de woonplaats moet worden toegepast. (34)
Voorlopige conclusie
60. Aangezien derhalve noch de bewoordingen van de betrokken bepalingen van de verordening, noch het wijzigingsvoorstel van de Commissie of de aangehaalde rechtspraak van het Hof voldoende duidelijkheid verschaffen over de uitlegging van artikel 71, lid 1, sub a-ii, aangaande de rol van de wettelijke regeling van de woonstaat, moeten hierna beide uitleggingstheorieën worden onderzocht aan de hand van de doelstelling van de verordening, inzonderheid de bepaling over grensarbeiders.
ii) Uitlegging van artikel 71, lid 1, sub a-ii, aan de hand van de doelstelling van de bepaling
61. Beide partijen erkennen dat de verordening algemeen strekt tot vergemakkelijking van het vrij verkeer van werknemers en bijgevolg niet aldus kan worden uitgelegd, dat het verkrijgen van socialezekerheidsuitkeringen wordt bemoeilijkt of dat zelfs aanspraken verloren gaan die werknemers zonder toepassing van bepalingen van de verordening zouden hebben. (35) De kernvraag van onderhavig geding vereist mijns inziens niet dat in detail wordt ingegaan op de desbetreffende argumenten van partijen. Artikel 71, lid 1, sub a-ii, kan aangaande de rol van de wettelijke regeling van de woonstaat immers niet alleen aan de hand van het vermijden van nadelen of de vergemakkelijking van het vrij verkeer worden uitgelegd.
62. Artikel 71, lid 1, sub a-ii, kan heel algemeen niet als een louter sociale regel worden beschouwd. Deze bepaling weerspiegelt veeleer een afweging door de gemeenschapswetgever van meerdere belangen (die van volledig werkloze grensarbeiders, van het betrokken uitkeringsorgaan en van de verschillende nationale arbeidsmarkten van de lidstaten).
63. Het is juist dat ─ zoals het Hof reeds heeft vastgesteld (36) ─ artikel 71, lid 1, sub a-ii, er ook toe strekt volledig werkloze grensarbeiders gemakkelijker werk te verschaffen, daar de kansen op werk in de woonstaat in beginsel het grootste zijn.
64. De daaruit voortvloeiende verplichting om zich bij het zoeken naar werk uitsluitend (37) te onderwerpen aan de arbeidsbemiddeling van de woonstaat, kan daardoor evenwel slechts gedeeltelijk worden verklaard. Volledig werkloze grensarbeiders zijn immers, zelfs wanneer het zoeken naar werk wegens de toestand van de arbeidsmarkt in de woonstaat weinig kans op succes biedt (38) , in beginsel gedwongen zich eerst ter beschikking te stellen van de arbeidsbemiddeling van de woonstaat. Daaruit volgt dat de arbeidsmarkt van de woonstaat hoe dan ook een eerste recht op de werknemer heeft. Omgekeerd echter kan de werknemer dus niet noodzakelijk voor de arbeidsbemiddeling kiezen die hem de meeste kans op succes biedt.
65. De in artikel 71, lid 1, sub a-ii, vervatte regel inzake de verdeling van de lasten kan evenmin alleen worden verklaard doordat het vrij verkeer van werknemers moet worden bevorderd of dat nadelen moeten worden verhinderd. Voor werknemers die gebruik maken of hebben gemaakt van het vrij verkeer, is het wellicht over het algemeen immers niet belangrijk wie instaat voor de lasten van de uitkeringen wanneer zij werkloos worden. De verdeling van de lasten behoort trouwens ─ zoals het Hof heeft vastgesteld (39) ─ tot de discretionaire bevoegdheid van de gemeenschapswetgever.
66. Aangezien artikel 71, lid 1, sub a-ii, dus verschillende belangen in evenwicht moet brengen, rijst de vraag welke van die belangen voor de conflicttheorie pleiten en welke voor de exporttheorie.
67. Het ligt voor de hand dat de conflicttheorie als voordeel heeft dat de juridische constructie duidelijk is, hetgeen gunstig is voor de volledig werkloze grensarbeider en het betrokken uitkeringsorgaan.
68. De exporttheorie lijkt daarentegen alleen de belangen van het orgaan van de woonstaat te dienen, aangezien zij leidt tot twijfel of dit orgaan artikel 69 moet toepassen op volledig werkloze grensarbeiders (administratieve afwikkeling, verdeling van de lasten). Artikel 69 betreft weliswaar enkel een uitzonderlijke situatie (het zoeken naar werk in een andere lidstaat), maar toch kan niet worden uitgesloten dat de exporttheorie op zich ook gevolgen kan hebben voor de uitlegging van artikel 71, lid 1, sub a-ii, in zijn geheel. Bij toepassing van die theorie kan algemeen de vraag rijzen of volledig werkloze grensarbeiders recht hebben op bepaalde sociale voorzieningen die op grond van het nationale recht voortvloeien uit de toekenning van uitkeringen bij werkloosheid op grond van de eigen wettelijke regeling (bijvoorbeeld steun inzake huisvesting, voordeeltarieven inzake openbaar vervoer). Aangezien het recht op uitkeringen volgens de exporttheorie immers niet op de wettelijke regeling van de woonstaat, maar op die van de werkstaat berust, kan onduidelijk zijn of is voldaan aan de voorwaarden voor het recht op zulke voorzieningen op grond van het nationale recht. Die rechtsonzekerheid voor volledig werkloze grensarbeiders strookt mijns inziens niet met de vermelde belangenafweging.
69. Er zijn dus geen redenen die duidelijk pleiten voor de exporttheorie van de Nederlandse regering. Voor de conflicttheorie van de Commissie pleiten daarentegen de eenvoud en de rechtszekerheid.
70. Derhalve moet worden geconcludeerd dat wanneer aan alle feitelijke voorwaarden van artikel 71, lid 1, sub a-ii, is voldaan, het recht op uitkeringen is gegrond op de wettelijke regeling van de woonstaat en dat het volgens die regeling moet worden toegekend.
71. Wanneer een volledig werkloze grensarbeider zich naar een andere lidstaat dan de woonstaat begeeft om werk te zoeken, blijft dus de wettelijke regeling van de woonstaat op de uitkeringen van toepassing. Dit geldt zo lang is voldaan aan de feitelijke voorwaarden van artikel 71, lid 1, sub a-ii. (40)
2. De toepasselijkheid van artikel 69 van de verordening op volledig werkloze grensarbeiders
72. Zo op volledig werkloze grensarbeiders ook bij het zoeken naar werk in een andere lidstaat in beginsel de wettelijke regeling van de woonstaat wordt toegepast, moet nog worden uitgemaakt of artikel 69 van de verordening aldus moet worden uitgelegd dat het ook van toepassing is op het zoeken naar werk door volledig werkloze grensarbeiders.
73. Dienaangaande moet allereerst worden nagegaan of artikel 69 zelf aanknopingspunten bevat waaruit af te leiden valt dat het niet van toepassing is op volledig werkloze grensarbeiders. Noch de bewoordingen van het opschrift van hoofdstuk 6, afdeling 2, van de verordening, noch de bewoordingen van artikel 69, lid 1, zelf verzetten zich evenwel tegen de toepassing ervan op volledig werkloze grensarbeiders.
74. Zoals gezegd vormt de wettelijke regeling van de woonstaat in geval van toepassing van artikel 71, lid 1, sub a-ii, de enige rechtsgrondslag van de uitkeringen en bepaalt zij de regels voor de verstrekking ervan.
75. Tot slot kan worden aangenomen dat ook artikel 69 is gebaseerd op een belangenafweging tussen de werknemer, de arbeidsmarkten van de betrokken lidstaten en de nationale organen voor uitkeringen bij werkloosheid (41) : die afweging van belangen pleit voor de toepassing van artikel 69 op volledig werkloze grensarbeiders.
76. Om te beginnen helpen de rechten van artikel 69 volledig werkloze grensarbeiders werk te vinden, aangezien bijkomende werkmogelijkheden, namelijk in een andere lidstaat, worden geboden. Tegelijkertijd dient de toepassing van artikel 69 op volledig werkloze grensarbeiders ook het evenwicht van de verschillende nationale arbeidsmarkten . Weliswaar kan de arbeidsmarkt van de woonstaat daardoor het door artikel 71, lid 1, sub a-ii, voorziene voordeel tegenover andere lidstaten ( eerste recht) verliezen, maar anderzijds stelt artikel 69, lid 1, sub a, als voorwaarde om in een andere lidstaat werk te gaan zoeken, dat de werkloze gedurende ten minste vier weken vruchteloos als werkzoekende moet zijn ingeschreven.
77. Wat de verdeling van de lasten betreft blijkt het volgende: volledig werkloze grensarbeiders aan wie de rechten van artikel 69 worden ontzegd, zullen er doorgaans van afzien in een andere lidstaat werk te zoeken indien zij daardoor hun recht op uitkeringen verliezen. Wanneer die werklozen evenwel in de woonstaat blijven, moeten de bevoegde organen van die staat hen op grond van de algemene bevoegdheid in het kader van artikel 71, lid 1, sub a-ii, verder uitkeringen verstrekken. Dat artikel 69 niet wordt toegepast op volledig werkloze grensarbeiders, zou de verdeling van lasten ten nadele van het orgaan van de woonstaat dus nauwelijks beïnvloeden. Artikel 69 heeft echter juist tot doel de duur van de ontvangst van uitkeringen in de bevoegde lidstaat te verkorten, door het mogelijk te maken ook in andere lidstaten werk te zoeken. (42)
78. Samengevat moet dus worden vastgesteld dat niets zich verzet tegen de toepassing van artikel 69 op volledig werkloze grensarbeiders.
V ─ Resultaat
79. Vastgesteld moet dus worden, dat de toepassing van artikel 71, lid 1, sub a-ii, van de verordening tot een conflit mobile leidt en dat dienovereenkomstig alleen de wettelijke regeling van de woonstaat de rechtsgrondslag vormt en de regels bepaalt voor de uitkeringen bij werkloosheid aan volledig werkloze grensarbeiders. De wettelijke regeling van de woonstaat is derhalve ook dan van toepassing wanneer volledig werkloze grensarbeiders zich tijdelijk in een andere lidstaat bevinden om er werk te zoeken.
80. Artikel 69 is van toepassing op volledig werkloze grensarbeiders. Wanneer aan de daarin gestelde voorwaarden is voldaan, moet een lidstaat het zoeken naar werk in een andere lidstaat overeenkomstig die bepaling steunen.
81. Een lidstaat die volledig werkloze grensarbeiders uitkeringen bij werkloosheid ontzegt, wanneer zij zich met inachtneming van artikel 69 van de verordening naar een andere lidstaat begeven om aldaar werk te zoeken, of een orgaan van die lidstaat dat nalaat de nodige maatregelen te treffen voor de uitoefening van de in artikel 69 van de verordening bedoelde rechten, schendt derhalve artikel 71, lid 1, sub a-ii, en artikel 69 van de verordening.
VI ─ Conclusie
82. Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
1) vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden de krachtens de artikelen 69 en 71 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, door volledig werkloze grensarbeiders de mogelijkheid te ontzeggen gebruik te maken van de door artikel 69 van de verordening geschapen mogelijkheid om zich onder de in dat artikel genoemde voorwaarden met behoud van hun werkloosheidsuitkering naar het grondgebied van één of meer lidstaten te begeven teneinde aldaar werk te zoeken;
2) het Koninkrijk der Nederlanden te verwijzen in de kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – PB L 149, blz. 2.
3 – Arrest van 7 maart 1985, Cochet (145/84, Jurispr. blz. 801).
4 – Arrest van 13 maart 1997, Huijbrechts (C-131/95, Jurispr. blz. I-1409).
5 – Arresten van 12 juni 1986, Miethe (1/85, Jurispr. blz. 1837); 15 maart 2001, De Laat (C-444/98, Jurispr. I-2229), en 1 oktober 1992, Grisvard en Kreitz (C-201/91, Jurispr. blz. I-5009).
6 – Arresten van 15 december 1976, Mouthaan (39/76, Jurispr. blz. 1901); 27 mei 1982, Aubin (227/81, Jurispr. blz. 1991); 9 juni 1964, Nonnenmacher (92/63, Jurispr. blz. 613); 29 juni 1988, Rebmann (58/87, Jurispr. blz. 3467), en 21 februari 2002, Rydergård (C-215/00, Jurispr. blz. I-1817), alsmede arresten Miethe (aangehaald in voetnoot 5), De Laat (aangehaald in voetnoot 5) en Grisvard en Kreitz (aangehaald in voetnoot 5).
7 – Arrest van 29 juni 1995, Van Gestel (C-454/93, Jurispr. blz. I-1707).
8 – CNS 96/0004 (PB C 68, blz. 11).
9 – Aangehaald in voetnoten 3 en 4.
10 – Arrest van 10 juli 1975, Bonaffini e.a. (27/75, Jurispr. blz. 971).
11 – Arrest van 19 juni 1980, Testa e.a. (41/79, 121/79 en 796/79, Jurispr. blz. 1979).
12 – Aangehaald in voetnoot 6.
13 – Aangehaald in voetnoten 3 en 4.
14 – Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 74, blz. 1).
15 – Artikel 19 bis, lid 2, artikel 23, tweede alinea, artikel 31, lid 2, en artikel 93, lid 2.
16 – Aangehaald in voetnoot 11.
17 – Aangehaald in voetnoot 10.
18 – Arrest van 27 februari 1997, Bastos Moriana e.a. (C-59/95, Jurispr. blz. I-1071).
19 – Arrest van 21 oktober 1975, Petroni (24/75, Jurispr. blz. 1149).
20 – Tenzij uit artikel 69 zelf kan worden geconcludeerd dat de bepaling niet geldt voor volledig werkloze grensarbeiders; zie daarover nr. 73 en volgende.
21 – Cursivering van mij.
22 – De bepaling regelt evenwel niet de verplichtingen van de lidstaten krachtens artikel 69 tegenover werklozen (bijvoorbeeld afgifte van de noodzakelijke verklaringen E 303/0 tot en met E 303/5 overeenkomstig artikel 83 van de uitvoeringsverordening).
23 – Zie hiervóór, nummer 39.
24 – Aangehaald in voetnoot 8.
25 – Aangehaald in voetnoten 3 en 4.
26 – Arrest aangehaald in voetnoot 4 (punt 26).
27 – Arrest aangehaald in voetnoot 3 (punt 15).
28 – Aangehaald in voetnoten 10 en 11.
29 – Aangehaald in voetnoot 6.
30 – Overigens blijkt reeds uit de verordening zelf dat export van uitkeringen met de daaruit volgende gelijktijdige toepassing van twee nationale rechtsorden in beginsel mogelijk is. Een voorbeeld daarvan is het gewone geval van de toepassing van artikel 69. De wettelijke regeling van de staat die een werknemer verlaat, vormt de rechtsgrondslag van de uitkering, de wettelijke regeling van de lidstaat waarin de werknemer werk zoekt, bepaalt de regels voor de uitkeringen.
31 – Alle aangehaald in voetnoot 5.
32 – Aangehaald in voetnoot 5 (punt 16).
33 – Arrest van 28 februari 1980, Fellinger (67/79, Jurispr. blz. 535). In dit arrest had het Hof vastgesteld dat bij volledig werkloze grensarbeiders, wier rechten op grond van artikel 67 van de verordening worden bepaald door samenstelling van verzekerings- of tewerkstellingstijdvakken, de grootte van de uitkering in afwijking van artikel 68 van de verordening op basis van het laatste loon in de staat van tewerkstelling moet worden berekend.
34 – Arrest Grisvard en Kreitz, aangehaald in voetnoot 5 (punt 16).
35 – Arresten Petroni (aangehaald in voetnoot 19) en Bastos Moriana e.a. (aangehaald in voetnoot 18).
36 – Arrest Mouthaan (aangehaald in voetnoot 6).
37 – In tegenstelling tot de in casu bedoelde echte grensarbeiders hebben volledig werkloze onechte grensarbeiders bijvoorbeeld de keuze [artikel 71, lid 1, sub b-ii, van de verordening en het arrest Miethe (aangehaald in voetnoot 5)].
38 – Werknemers werken doorgaans immers precies dan als grensarbeider wanneer de buitenlandse arbeidsmarkt algemeen aantrekkelijker is.
39 – Arrest van Gestel, aangehaald in voetnoot 7, (punt 26): Dit gevolg was echter gewild door de communautaire wetgever, die de werkgever de beste kansen op reïntegratie in het arbeidsproces heeft willen bieden.
40 – Vooral de gebruikelijke woonplaats in de zin van het centrum van belangen; zie zaak Aubin (aangehaald in voetnoot 6).
41 – Zie punt 61 e.v.
42 – Tevens zij vermeld dat de betrokkene ingevolge artikel 69, lid 2, elk recht op uitkering verliest indien hij zich niet vóór het verstrijken van drie maanden opnieuw ter beschikking stelt van de arbeidsbemiddeling van de woonstaat.
Full & Egal Universal Law Academy