CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. STIX-HACKL
van 20 maart 2003 (1)
Zaak C-313/01
Christine Valia Morgenbesser
tegen
Consiglio dell'Ordine degli Avvocati di Genova
[verzoek van de Corte suprema di cassazione (Italië) om een prejudiciële beslissing]
„Vrijheid van vestiging – Advocaat – Voorwaarden voor toelating tot en uitoefening van het beroep – Frans staatsburger met Franse maîtrise en droit en woonachtig in Italië – Voorwaarden voor inschrijving in nationaal register van praticanti”
I ─ Inleiding
1. De onderhavige zaak heeft betrekking op de erkenning van een in Frankrijk behaalde maîtrise en droit (diploma na vier van de vijf jaar rechtenstudie) ten behoeve van de inschrijving in het Italiaanse register van praticanti (advocaat-stagiaires). Het gaat hierbij om de uitlegging van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten, van richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (hierna: richtlijn 89/48) (2) , alsmede van richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven (hierna: richtlijn 98/5). (3)
II ─ Juridisch kader
A ─ Gemeenschapsrecht
2. Naast de bepalingen inzake de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten zijn in het onderhavige geval richtlijn 89/48 en richtlijn 98/5 van belang.
1. Richtlijn 89/48/EEG
3. Met richtlijn 89/48 is een algemeen stelsel ingevoerd van erkenning van hogeronderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten. Ingevolge artikel 2 is deze richtlijn van toepassing op alle onderdanen van een lidstaat die als zelfstandige of loontrekkende een gereglementeerd beroep in een ontvangende lidstaat willen uitoefenen.
4. Artikel 1 van richtlijn 89/48 bepaalt onder andere: In deze richtlijn wordt verstaan onder:
a) diploma: alle diploma's, certificaten en andere titels dan wel elk geheel van dergelijke diploma's, certificaten en andere titels:
─ afgegeven door een bevoegde autoriteit in een lidstaat die is aangewezen overeenkomstig zijn wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen,
─ waaruit blijkt dat de houder met succes een post-secundaire studiecyclus van ten minste drie jaar of een gelijkwaardige deeltijdstudie heeft gevolgd aan een universiteit of een instelling voor hoger onderwijs of een andere instelling van hetzelfde opleidingsniveau en, in voorkomend geval, dat hij met succes de beroepsopleiding heeft gevolgd die in aanvulling op de post-secundaire studiecyclus wordt vereist, en
─ waaruit blijkt dat de houder de vereiste beroepskwalificaties bezit om tot een gereglementeerd beroep in die lidstaat te worden toegelaten of om dat uit te oefenen, wanneer de met het diploma, het certificaat of de andere titel afgesloten opleiding overwegend in de Gemeenschap is genoten of wanneer de houder ervan een driejarige beroepservaring heeft opgedaan, gewaarmerkt door de lidstaat die een diploma, een certificaat of een andere titel van een derde land heeft erkend. Alle diploma's, certificaten en andere titels, dan wel elk geheel van dergelijke diploma's, certificaten en andere titels die door een bevoegde autoriteit in een lidstaat zijn afgegeven, worden gelijkgesteld met een diploma in de zin van de eerste alinea, indien daarmee een in de Gemeenschap gevolgde opleiding wordt afgesloten welke door een bevoegde autoriteit in die lidstaat als gelijkwaardig wordt erkend, en daaraan dezelfde rechten inzake toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep zijn verbonden; [...]
c) gereglementeerd beroep: de gereglementeerde beroepsactiviteit of het geheel van gereglementeerde beroepsactiviteiten die in een lidstaat dit beroep vormen;
d) gereglementeerde beroepsactiviteit: een beroepsactiviteit, voorzover de toegang tot of de uitoefening dan wel een van de wijzen van uitoefening daarvan, in een lidstaat krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen direct of indirect afhankelijk is gesteld van het bezit van een diploma. Wijzen van uitoefening van een gereglementeerde beroepsactiviteit zijn met name:
─ de uitoefening onder het voeren van een beroepstitel, indien het voeren van deze titel beperkt blijft tot bezitters van een diploma, dat is vastgelegd in wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen;
[...]
5. Artikel 3 van richtlijn 89/48, dat de grondregels voor de toegang tot en de uitoefening van een gereglementeerd beroep vaststelt, bepaalt: Wanneer in de ontvangende lidstaat de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep afhankelijk wordt gesteld van het bezit van een diploma, mag de bevoegde autoriteit een onderdaan van een lidstaat de toegang tot of de uitoefening van dat beroep onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen gelden, niet weigeren wegens onvoldoende kwalificaties, indien:
a) de aanvrager in het bezit is van het diploma dat door een andere lidstaat is voorgeschreven om tot het betrokken beroep op zijn grondgebied te worden toegelaten dan wel deze activiteit aldaar uit te oefenen, en dat in een lidstaat behaald is, of
b) de aanvrager dit beroep gedurende twee jaar tijdens de voorafgaande tien jaren voltijds heeft uitgeoefend in een andere lidstaat waar dat beroep niet gereglementeerd is in de zin van artikel 1, onder c, en van de eerste alinea van artikel 1, onder d, en een of meer opleidingstitels bezit:
─ die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit in een lidstaat die is aangewezen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van die staat;
─ waaruit blijkt dat de houder met succes een post-secundaire studiecyclus van ten minste drie jaar of een gelijkwaardige deeltijdstudie heeft gevolgd aan een universiteit of een instelling van hoger onderwijs of een andere instelling van hetzelfde opleidingsniveau in een lidstaat, en, in voorkomend geval, dat hij met succes de beroepsopleiding heeft gevolgd die in aanvulling op de post-secundaire studiecyclus wordt vereist,
─ en die hem op de uitoefening van dit beroep hebben voorbereid.
Alle titels, dan wel elk geheel van dergelijke titels die door een bevoegde autoriteit in een lidstaat zijn afgegeven, worden met de in de eerste alinea bedoelde opleidingstitel gelijkgesteld, indien daarmee een in de Gemeenschap gevolgde opleiding wordt afgesloten welke door de lidstaat als gelijkwaardig is erkend, mits de andere lidstaten en de Commissie van deze erkenning in kennis zijn gesteld.
6. Artikel 4 van richtlijn 89/48 staat de ontvangende lidstaat toe om de toegang tot een gereglementeerd beroep afhankelijk te stellen van bepaalde voorwaarden. Zo kan de ontvangende lidstaat van de aanvrager [verlangen]:
a) dat hij beroepservaring aantoont, wanneer de duur van de opleiding waarvan hij melding maakt, krachtens artikel 3, onder a en b, ten minste één jaar korter is dan die welke in de ontvangende lidstaat vereist is
.
2. Richtlijn 98/5
7. Richtlijn 98/5 is zowel op zelfstandigen als op personen in loondienst van toepassing. Het tweede punt van de considerans luidt:Overwegend dat een in een lidstaat volledig bevoegd advocaat reeds op grond van richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten [...] erkenning van zijn diploma kan verlangen; dat die richtlijn de toetreding van de advocaat tot de advocatuur van de lidstaat van ontvangst tot doel heeft; dat daarmee niet wordt beoogd om in de aldaar geldende beroepsvoorschriften wijziging te brengen noch om de migrerende advocaat aan de toepassing van die regels te onttrekken.
8. Artikel 1 van richtlijn 98/5 bepaalt:
1. Deze richtlijn heeft tot doel het vergemakkelijken van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat, hetzij als zelfstandige, hetzij in loondienst, in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie werd verworven.
2. In deze richtlijn wordt verstaan onder:
a) advocaat, de onderdaan van een lidstaat die gerechtigd is zijn beroepswerkzaamheden onder een der volgende beroepstitels uit te oefenen [...].
9. Krachtens artikel 2 heeft elke advocaat het recht permanent in elke andere lidstaat onder zijn oorspronkelijke beroepstitel de in artikel 5 omschreven werkzaamheden van advocaat uit te oefenen.
10. Artikel 5 omschrijft het werkterrein van de advocaat. Ingevolge deze bepaling oefent de onder zijn oorspronkelijke beroepstitel werkzame advocaat dezelfde werkzaamheden uit als de onder de relevante beroepstitel van de lidstaat van ontvangst werkzame advocaat en kan hij met name juridisch advies geven over het recht van de lidstaat van herkomst, het gemeenschapsrecht, het internationale recht en het recht van de lidstaat van ontvangst. In alle gevallen leeft hij de voor de nationale jurisdicties toepasselijke procedureregels na.
B ─ Nationaal recht
11. Voor de inschrijving in het register van praticanti in Italië is vereist dat de betrokkene houder is van een in Italië verworven of door een Italiaanse universiteit erkend rechtendiploma.
12. De belangrijkste bepalingen inzake de toegang tot en de uitoefening van het beroep van avvocato in Italië zijn opgenomen in regio decreto legge nr. 1578/33, Ordinamento delle professioni di avvocato e procuratore (koninklijk voorlopig wetsbesluit nr. 1578/33 houdende organisatie van de beroepen van avvocato en procuratore) van 27 november 1933 (4) (hierna: decreto-legge nr. 1578/33), omgezet in wet nr. 36 van 22 januari 1934 (5) , zoals gewijzigd.
13. Artikel 8 van decreto-legge nr. 1578/33 bepaalt: De houders van een rechtendiploma die de in artikel 17 genoemde stage volbrengen, worden op hun verzoek en na overlegging van een verklaring van de avvocato in wiens praktijk zij werkzaam zijn, ingeschreven in een speciaal register dat wordt bijgehouden door de Raad van de orde bij de rechtbank van het ambtsgebied waar zij wonen. Zij zijn onderworpen aan de tuchtbevoegdheid van deze Raad.Eén jaar na hun inschrijving in het in de eerste alinea bedoelde register worden de praticanti gedurende een periode van ten hoogste zes jaar toegelaten tot de vertegenwoordiging van procespartijen in gedingen bij de rechtbanken van het district waaronder de orde valt die het register bijhoudt, maar enkel voor die zaken welke overeenkomstig de bepalingen die vóór de inwerkingtreding van het decreto legislativo [wetsbesluit] ter uitvoering van wet nr. 254 van 16 juli 1997 van kracht waren, binnen de bevoegdheid van de pretore vielen.In strafzaken kunnen zij bij dezelfde rechtbanken en binnen dezelfde grenzen worden aangewezen als toegevoegd avvocato, het ambt van openbaar ministerie uitoefenen en als verweerder of als vertegenwoordiger van het openbaar ministerie beroep instellen.Voor de uitoefening van de functie van praticante en van de in de tweede alinea bedoelde werkzaamheden is vereist dat de betrokkene ten overstaan van de president van de rechtbank van het district waar hij staat ingeschreven de navolgende eed aflegt: [...].
14. Artikel 17, eerste alinea, van decreto-legge nr. 1578/33 bepaalt: Voor de inschrijving op het tableau van avvocati moet men:1) Italiaans onderdaan zijn of Italiaan uit een gebied dat politiek niet is verenigd met Italië;[...]4) houder zijn van een door een universiteit van de Italiaanse Republiek afgegeven of bekrachtigd rechtendiploma ( laurea in giurisprudenza);5) naar tevredenheid en met goed gevolg gedurende minstens twee opeenvolgende jaren ná het behalen van het diploma een stage hebben volbracht in een kantoor van een avvocato en de civiel- en strafrechtelijke terechtzittingen van de Corte dell'appello of het Tribunale hebben bijgewoond, volgens de voorschriften van de overeenkomstig artikel 101 uit te vaardigen bepalingen, dan wel gedurende dezelfde periode werkzaam zijn geweest als procesvertegenwoordiger in gedingen voor de Preture in de zin van artikel 8;[...]7) woonplaats hebben in het rechtsgebied van het gerecht waar de aanvraag om inschrijving is ingediend.
15. Legge nr. 146, Disposizioni per l'adempimento di obblighi derivanti dall'appartenenza dell'Italia alla Comunità europea, legge comunitaria 1993 (wet nr. 146 houdende bepalingen ter nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit het Italiaanse lidmaatschap van de Europese Gemeenschap, communautaire wet 1993) heeft de nationaliteitsvoorwaarde afgeschaft en bepaalt in artikel 10:De onderdanen van de lidstaten van de Europese Gemeenschap worden voor de inschrijving op het tableau van avvocati overeenkomstig artikel 17, eerste alinea, van decreto-legge nr. 1578/33 van 27 november 1933, [...] houdende organisatie van de beroepen van avvocato en procuratore, gelijkgesteld met Italiaanse onderdanen.
16. Decreto legislativo (wetsbesluit) nr. 115 van 27 januari 1992 inzake de erkenning van diploma's betreffende een in de Europese Gemeenschap gevolgde beroepsopleiding (6) (hierna: decreto legislativo nr. 115/92) beoogt de omzetting van richtlijn 89/48. Artikel 1 bepaalt:
1. De in een lidstaat van de Europese Gemeenschap afgegeven diploma's tot afsluiting van een beroepsopleiding en waarvan het bezit volgens de wettelijke regeling van die staat een voorwaarde voor de uitoefening van een beroep vormt [...], worden in Italië erkend onder de bij dit decreto legislativo vastgestelde voorwaarden.
2. De erkenning wordt aan de gemeenschapsonderdaan verleend om in Italië, als zelfstandige of als loontrekkende, het beroep uit te oefenen dat overeenstemt met het beroep dat hij mag uitoefenen in het land waarin het in vorig lid bedoelde diploma is afgegeven.
3. De diploma's worden erkend indien zij worden overgelegd samen met een verklaring dat de aanvrager met succes een hogeronderwijscyclus van ten minste 3 jaar of een deeltijdstudie van gelijkwaardige duur heeft gevolgd aan een universiteit of een instelling voor hoger onderwijs of een andere instelling die hetzelfde opleidingsniveau verstrekt.
17. Artikel 2 van decreto legislativo nr. 115/92 bepaalt: In dit decreto legislativo wordt verstaan onder beroep:
a) de activiteiten waarvoor de inschrijving bij een orde, op een tableau of op een lijst bijgehouden door de administratie of door een openbare instelling is vereist, indien de inschrijving afhankelijk is gesteld van een beroepsopleiding die aan de in artikel 1, lid 3, gestelde voorwaarden voldoet;
b) openbare of particuliere betrekkingen, indien de toegang hiertoe door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen afhankelijk is gesteld van een beroepsopleiding die aan de in artikel 1, lid 3, gestelde voorwaarden voldoet;
c) de activiteiten die worden uitgeoefend onder het voeren van een beroepstitel die is voorbehouden aan diegenen die een beroepsopleiding hebben gevolgd die aan de in artikel 1, lid 3, gestelde voorwaarden voldoet; [...].
18. Artikel 6 regelt de voorwaarden voor de erkenning en voorziet in een proeve van bekwaamheid voor bepaalde juridische beroepen.
19. Artikel 11 wijst per beroepsgroep de voor erkenning bevoegde autoriteit aan. Binnen de juridische beroepen valt enkel het beroep van avvocato onder deze bepaling. Artikel 12 regelt de wijze waarop de erkenningsaanvraag bij de bevoegde minister moet worden ingediend.
20. Zoals ook uit het arrest van het Hof in de zaak Commissie/Italië (7) blijkt, zijn de in artikel 17, lid 1, punten 1, 4 en 5 van wetsbesluit nr. 1578/33 gestelde eisen inzake het bezit van de Italiaanse nationaliteit afgeschaft bij artikel 10 van legge nr. 146/94, en zijn de voorschriften met betrekking tot het bezit van een Italiaans rechtendiploma en het volbrengen van een stage afgeschaft bij decreto legislativo nr. 115. Zoals de Italiaanse regering ter terechtzitting heeft verduidelijkt, geldt artikel 17, lid 1, punt 4, weliswaar niet meer voor avvocati maar wel nog voor praticanti.
21. Naar Italiaans recht moet in beginsel onderscheid worden gemaakt tussen twee typen praticanti: de gewone praticanti en de patrocinatori, die over ruimere bevoegdheden beschikken. Patrocinatore kan men na één jaar stage worden en gedurende zes jaar blijven.
III ─ De feiten, het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
22. Christine Valia Morgenbesser, een Frans staatsburger die in Italië woont, heeft op 27 oktober 1999 bij de Consiglio dell'Ordine degli Avvocati di Genova (Raad van de orde van advocaten van Genua) een aanvraag tot inschrijving in het register van praticanti ingediend. Zij beriep zich daartoe op de maîtrise en droit die zij in 1996 in Frankrijk had behaald. Na gedurende acht maanden als jurist in een advocatenkantoor te Parijs te hebben gewerkt, is zij in april 1998 bij een advocatenkantoor in Genua gaan werken.
23. Op 4 november 1999 heeft de Raad van de orde van advocaten van Genua haar aanvraag afgewezen op grond van artikel 17, eerste alinea, punt 4, van decreto-legge nr. 1578/33, volgens hetwelk onder andere het bezit van een door een Italiaanse universiteit afgegeven of erkend diploma een voorwaarde is voor inschrijving.
24. Op 2 december 1999 heeft Morgenbesser met inachtneming van de wettelijke bepalingen tegen deze beslissing beroep ingesteld en schending aangevoerd van decreto legislativo nr. 115/92, waarmee richtlijn 89/48 is omgezet in Italiaans recht, alsmede van de bepalingen van het EG-Verdrag inzake de fundamentele vrijheden. Volgens Morgenbesser zou artikel 17, eerste alinea, punt 4, van decreto-legge nr. 1578/33 moeten worden beschouwd als zijnde stilzwijgend opgeheven.
25. Bij beslissing van 12 mei 2000 heeft de Consiglio Nazionale Forense (Nationale Raad van de orde van advocaten) haar beroep verworpen, omdat zij niet gemachtigd was het beroep van advocaat in Frankrijk uit te oefenen, en niet de beroepstitel bezat die vereist is om in het register van praticanti te worden ingeschreven.
26. Het verzoek van Morgenbesser om erkenning van het diploma in Italië werd verworpen door het ministerie van Justitie, dat zich ter zake onbevoegd verklaarde aangezien het een academische titel betrof en niet de erkenning van de uitoefening van het beroep van avvocato. De universiteit van Genua heeft op haar beurt de erkenning van het Franse diploma afhankelijk gesteld van het volgen van een studieprogramma, het slagen voor dertien examens en het maken van een eindscriptie. Morgenbesser kreeg enkel vrijstelling voor zes hoofdvakken en zeven keuzevakken. Tegen de beslissing van de universiteit heeft Morgenbesser beroep ingesteld bij het Tribunale amministrativo regionale della Liguria (Italië). Deze zaak is momenteel aanhangig bij de Consiglio di Stato (Italië).
27. Vervolgens verzocht zij de Corte suprema di cassazione (Italië) om een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen, teneinde een uitspraak te verkrijgen over de uitlegging van de artikelen 10 EG, 12 EG, 14 EG, 39 EG en 43 EG.
28. Niettegenstaande het feit dat haar diploma in Italië niet wordt erkend, verzoekt Morgenbesser om inschrijving in het register van praticanti op grond dat haar in Frankrijk behaalde diploma in Italië automatisch zou moeten worden erkend.
29. Bij beschikking van 19 april 2001, ingekomen bij de griffie van het Hof op 8 augustus 2001 daaraanvolgend, heeft de Corte suprema di cassazione het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzocht om een prejudiciële beslissing met betrekking tot de volgende vraag: Kan, los van erkenning en bekrachtiging, een titel verbonden aan een studie die door een burger van de Gemeenschap is gevolgd in een lidstaat van de Gemeenschap (in casu Frankrijk), in een ander land (in casu Italië) voor de hierboven genoemde doeleinden (8) automatisch geldend worden gemaakt ingevolge de door rekwirante ingeroepen bepalingen van het EG-Verdrag inzake het recht van vestiging en het vrij verkeer van diensten (artikelen 10, 12, 14, 39 en 43 EG, voorheen respectievelijk artikelen 5, 6, 7 A, 48 en 52 EG-Verdrag), alsook artikel 149 (ex 126) van dit Verdrag?
IV ─ De prejudiciële vraag
A ─ Argumenten van de deelnemers aan de procedure
30. Morgenbesser is van mening dat de werkzaamheden van een praticante ─ zelfs wanneer het gaat om een beroepsopleiding tot avvocato ─ onder het begrip beroep in de zin van richtlijn 89/48 vallen. Zij komt tot deze conclusie op basis van artikel 8 van decreto-legge nr. 1578/33 en betoogt dat de werkzaamheden van praticanti het zelfstandig beheer van lopende zaken, het verlenen van advies aan cliënten en, in bepaalde gevallen, de vertegenwoordiging van cliënten als eiser of verweerder behelzen, en dat de beroepsregels van de balie van toepassing zijn. Voorts trekt Morgenbesser dienaangaande een parallel met de rechtspraak van het Hof volgens welke een stagiaire als werknemer moet worden aangemerkt. (9)
31. Morgenbesser stelt zich op het standpunt dat het in artikel 17, eerste alinea, punt 4, van decreto-legge nr. 1578/33 gestelde vereiste van voorafgaande erkenning van het diploma door een Italiaanse universiteit in strijd is met richtlijn 89/48. Deze richtlijn maakt het volgens haar namelijk mogelijk om op basis van een in de ene lidstaat behaald diploma een beroep uit te oefenen in een andere lidstaat.
32. Onder verwijzing naar het arrest Fernández de Bobabilla (10) betoogt Morgenbesser dat het niet logisch is dat een praticante, waarvan het werkterrein in vergelijking met dat van een avvocato beperkt is, verplicht is om zijn diploma door een Italiaanse universiteit te laten erkennen en in beginsel een nieuw studieprogramma overeenkomstig de Italiaanse voorschriften dient te volgen.
33. Voor het geval dat richtlijn 89/48 niet van toepassing zou zijn, voert Morgenbesser subsidiair schending van artikel 43 EG aan. Indien richtlijn 89/48 van toepassing is, kan volgens haar de bevoegde autoriteit niet aanvullend de erkenning van in andere lidstaten behaalde diploma's door de nationale autoriteiten verlangen; diploma's die aan de voorwaarden van deze richtlijn voldoen zijn automatisch gelijkwaardig. De bevoegde autoriteit moet nagaan in hoeverre een door een andere lidstaat afgegeven diploma beantwoordt aan de voorschriften van de ontvangende lidstaat ter zake van kennis en kwalificaties. Indien sprake is van overeenstemming, moeten erkenning en inschrijving in het beroepsregister plaatsvinden.
34.
De Raad van de orde van advocaten van Genua is op basis van zijn opvatting van het nationale recht van mening dat praticanti geen beroep in de zin van richtlijn 89/48 uitoefenen.
35. Voorts betoogt de Raad van de orde dat praticanti krachtens de geldende beroepsregels zelfs geen economische activiteit in de zin van de rechtspraak van het Hof uitoefenen, maar enkel een opleiding volgen. De activiteiten vinden slechts gedurende een bepaalde periode en onder toezicht plaats. Ten slotte ontbreekt het voor de toepasselijkheid van richtlijn 89/48 noodzakelijke eindproduct, namelijk een voltooide opleiding.
36.
De Deense regering is van mening dat een advocaat-stagiaire zich voor de inschrijving in het beroepsregister niet automatisch op een in een andere lidstaat behaald diploma kan beroepen.
37. De Deense regering zet uiteen dat wanneer iemand zich in Denemarken als advocaat-stagiaire wil laten inschrijven, de universiteit van Kopenhagen de gelijkwaardigheid van een in een andere lidstaat behaald diploma dient te bevestigen. Wanneer de uit het buitenlandse diploma blijkende kennis en kwalificaties niet gelijkwaardig zijn, kan het Deense ministerie van Justitie op basis van individuele criteria een aanvullende proefperiode van ten hoogste twee jaar bij een Deense advocaat voorschrijven. De in het arrest Vlassopoulou (11) geformuleerde beginselen eisen een vergelijkend onderzoek. Dit impliceert evenwel geenszins de door Morgenbesser verlangde automatische erkenning van het buitenlandse diploma.
38. Volgens de Deense regering is richtlijn 89/48 niet op de onderhavige zaak van toepassing, omdat zij enkel betrekking heeft op advocaten met een voltooide opleiding en niet op advocaat-stagiaires. Een in een andere lidstaat voltooide stage kan evenwel krachtens artikel 5 van deze richtlijn worden erkend.
39.
De Italiaanse regering betoogt dat de vereisten voor de toelating tot het beroep van avvocato in Italië ─ een afgesloten rechtenstudie, voltooiing van een stage van twee jaar en het slagen voor een examen ─ een waarborg vormen voor de professionele kwaliteit van advocaten. De bepalingen van het EG-Verdrag inzake de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten impliceren op zichzelf niet de automatische erkenning van een diploma in een andere lidstaat. De activiteit van een praticante kan niet worden beschouwd als een gereglementeerd beroep in de zin van richtlijn 89/48. Bovendien gaat het hier om de erkenning van academische titels, hetgeen moet worden onderscheiden van de erkenning van beroepstitels.
40.
De Commissie stelt vast dat ook al zouden de richtlijnen 89/45 en 98/5 niet van toepassing zijn, er rekening moet worden gehouden met de algemene beginselen die met betrekking tot de uitlegging van artikel 43 EG zijn geformuleerd in de arresten Vlassopoulou en Gebhard. (12) In de prejudiciële vraag gaat het erom of, ingeval richtlijn 89/48 niet van toepassing is, artikel 43 EG zelf in de weg staat aan bepaalde nationale voorschriften, in het hoofdgeding met name het vereiste van een gelijkwaardigheidstoetsing van diploma's van andere lidstaten door de nationale universiteit alsmede de verplichting om een studieprogramma te volgen, voor dertien examens te slagen en een eindscriptie te maken.
41. Volgens de Commissie biedt de administratieve praktijk van de Italiaanse universiteiten inzake het vergelijkend onderzoek van diploma's van andere lidstaten in casu niet de mogelijkheid om onderscheid te maken naar gelang van de rechtsorde waarop het buitenlandse diploma betrekking heeft. Zij acht een dergelijke handelwijze in strijd met de Vlassopoulou-rechtspraak, volgens welke de bevoegde autoriteiten van de lidstaten per geval het behaalde diploma aan de nationale wettelijke vereisten moeten toetsen.
42. Subsidiair betoogt de Commissie dat richtlijn 89/48 van toepassing is, indien de activiteit van de praticante als een gereglementeerd beroep dient te worden gekwalificeerd. Ter terechtzitting heeft de Commissie evenwel duidelijk uiteengezet dat haars inziens alleen activiteiten die gewoonlijk op duurzame en permanente wijze worden uitgeoefend, als een beroep in de zin van richtlijn 89/48 kunnen worden beschouwd.
B ─ Beoordeling
43. Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of een communautaire onderdaan een in een andere lidstaat behaald diploma automatisch geldend kan maken.
44. Het gaat in essentie om de vraag of een nationale bepaling die de inschrijving in een beroepsregister afhankelijk stelt van de erkenning door een nationale universiteit, verenigbaar is met richtlijn 89/48, dan wel, indien deze niet van toepassing is, met artikel 43 EG. In het hoofdgeding werd van Morgenbesser geëist dat zij een studieprogramma volgde, slaagde voor dertien examens en een eindscriptie maakte.
45. De Corte suprema di cassazione vermeldt in haar prejudiciële vraag onder andere een reeks bepalingen van primair recht, namelijk de artikelen 10 EG, 12 EG, 14 EG, 39 EG, 43 EG en 149 EG. Alvorens de bepalingen van primair recht te onderzoeken, moet evenwel worden nagegaan of de feiten van het hoofdgeding niet vallen onder de werkingssfeer van een regeling van afgeleid recht die voorziet in een uitputtende harmonisatie. Hiervoor komen in aanmerking richtlijn 89/48 en richtlijn 98/5. Deze richtlijnen verplichten de lidstaten tot een beoordeling van de nationale omzettingsmaatregelen inzake de gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma's. (13)
1. Richtlijn 98/5
46. Wat richtlijn 98/5 betreft, moet worden onderzocht of deze eigenlijk wel van toepassing is op advocaat-stagiaires zoals bedoeld in het hoofdgeding.
47. Zoals uit het tweede punt van de considerans van richtlijn 98/5 blijkt, kan enkel een volledig gekwalificeerde advocaat zich in een andere lidstaat vestigen.
48. Uit artikel 1, lid 1, van richtlijn 98/5 volgt dat deze richtlijn tot doel heeft de permanente uitoefening van het beroep van advocaat te vergemakkelijken. Bijgevolg vormt deze richtlijn een aanvulling op richtlijn 89/48.
49. Volgens artikel 1, lid 2, van richtlijn 98/5 vallen binnen de werkingssfeer van deze richtlijn echter enkel die personen die gerechtigd zijn hun beroepswerkzaamheden onder bepaalde beroepstitels uit te oefenen. Van de in Frankrijk werkzame personen komen enkel die in aanmerking welke hun activiteiten onder de titel van avocat mogen uitoefenen.
50. Richtlijn 98/5 is derhalve niet van toepassing op personen die nog in opleiding zijn, dat wil zeggen die de voorwaarden voor de toegang tot het beroep van advocaat nog dienen te vervullen.
51. Aangezien advocaat-stagiaires in Italië, zoals de aanduiding praticanti al zegt, nog geen advocaten zijn, vallen zij niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn. Dit geldt a fortiori voor personen die niet de kwalificatie voor het beroep van advocaat hebben verworven, bijvoorbeeld door de in de staat van herkomst verplichte examens voor advocaat-stagiaires af te leggen, maar enkel over een rechtendiploma en enige praktijkervaring beschikken.
52. Bijgevolg is richtlijn 98/5 in een geval als dat van het hoofdgeding niet van toepassing.
2. Richtlijn 89/48
53. Vervolgens moet worden nagegaan of richtlijn 89/48 van toepassing is. In het onderhavige geval is hierbij doorslaggevend of het werkterrein van praticanti in Italië onder het begrip gereglementeerd beroep in de zin van de richtlijn valt.
54. Volgens de wettelijke definitie van artikel 1, sub c, van richtlijn 89/48 wordt onder gereglementeerd beroep verstaan de gereglementeerde beroepsactiviteit of het geheel van gereglementeerde beroepsactiviteiten die in een lidstaat dit beroep vormen.
55. Artikel 1, sub d, van de richtlijn omschrijft de gereglementeerde beroepsactiviteit als een beroepsactiviteit, voorzover de toegang tot of de uitoefening dan wel een van de wijzen van uitoefening daarvan, in een lidstaat krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen direct of indirect afhankelijk is gesteld van het bezit van een diploma.
56. Niet alle lidstaten van de Gemeenschap kennen het beroep van advocaat-stagiaire als zodanig, maar naar gelang van de lidstaat vallen hier verschillende activiteiten onder. Zo kan een beroep in slechts één, in meerdere of zelfs in alle lidstaten aan bepaalde voorschriften onderworpen zijn. Het begrip gereglementeerd beroep (14) heeft niet uitsluitend betrekking op het bezit van een diploma of een academische titel (15) , maar wordt gekenmerkt door het feit dat het ook met andere beroepstitels verbonden kan zijn.
57. Of een activiteit gereglementeerd wordt, dat wil zeggen onderworpen aan bepaalde nationale voorschriften, behoort tot de beslissingsbevoegdheid van de betrokken lidstaat. (16)
58. Dit doet evenwel niet af aan het feit dat een autonome gemeenschapsrechtelijke uitlegging van het begrip gereglementeerd beroep moet worden gegeven. Ook de vraag of bepaalde activiteiten een beroep in de zin van richtlijn 89/48 vormen, moet dus naar gemeenschapsrecht worden beoordeeld.
59. Volgens de rechtspraak van het Hof (17) is er sprake van reglementering wanneer de toegang tot of de uitoefening van de activiteit, en daarmee van het beroep, door rechtsvoorschriften wordt geregeld. Dergelijke voorschriften kunnen direct of indirect van aard zijn. Zij zijn direct wanneer wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de betrokken lidstaat een regeling invoeren die deze beroepsactiviteit uitdrukkelijk voorbehoudt aan personen die aan bepaalde voorwaarden voldoen en de toegang daartoe verbiedt voor degenen die niet aan deze voorwaarden voldoen. (18)
60. Alvorens na te gaan of de activiteiten van een praticante in Italië een gereglementeerd beroep in de zin van richtlijn 89/48 vormen, is het nuttig om eerst het beroep van advocaat nader te onderzoeken. Op basis hiervan en binnen dit kader zal ik vervolgens stilstaan bij de activiteiten van de praticanti in Italië.
61. Richtlijn 89/48 heeft betrekking op het beroep van advocaat als eindproduct. Wanneer in een lidstaat de toegang tot het beroep van advocaat bovendien onderworpen is aan de voltooiing van een inleidende praktijkstage die volgt op het examen en plaatsvindt onder toezicht van een volledig gekwalificeerde beroepsbeoefenaar, is de beroepsopleiding [...] die in aanvulling op de postsecundaire studiecyclus wordt vereist pas met goed gevolg afgesloten wanneer het certificaat inzake de voltooiing van deze activiteit in de zin van richtlijn 89/48 is behaald. Pas dan is het zogenaamde eindproduct voorhanden.
62. In de in casu betrokken lidstaten Frankrijk en Italië is het beroep van advocaat een gereglementeerd beroep, verbonden met een exclusief recht op het voeren van de titel. (19)
63. Zelfs de lidstaten die in een praktijkstage voorzien, regelen deze op verschillende wijze. Terwijl bijvoorbeeld in bepaalde lidstaten de praktijkstage door de betrokken beroepsorganisatie wordt uitgevoerd, kennen andere lidstaten een door de staat voorgeschreven en gecontroleerde praktijkopleiding. Wanneer voor de uitoefening van een bepaald beroep een praktijkopleiding wordt vereist, kan een universitair diploma op zich, zonder de vereiste praktijkopleiding, niet als eindproduct worden gekwalificeerd. Bijgevolg valt dit buiten de werkingssfeer van de richtlijn. (20)
64. Aangezien voor de toelating tot het beroep van avvocato in Italië naast de voltooiing van een praktijkstage ook het afleggen van een esame di abilitazione is vereist, is het enkele bezit van een universitair diploma hiertoe ontoereikend. (21)
65. In Italië kan de praktijkopleiding op verschillende wijzen worden doorlopen. Een ervan bestaat in het nagenoeg zelfstandig verlenen van juridisch advies in civiele en strafrechtelijke zaken. Deze activiteiten zijn beperkt tot een periode van ten hoogste zes jaar.
66. Wanneer nu de criteria van de rechtspraak van het Hof met betrekking tot het begrip gereglementeerd beroep (22) ─ die ontegenzeggelijk ruim zijn ─ worden toegepast op de activiteiten van de praticanti in Italië, blijkt dat hun activiteiten als gereglementeerd moeten worden aangemerkt, aangezien zowel de toegang tot deze activiteiten als de uitoefening daarvan aan bepaalde rechtsvoorschriften onderworpen zijn. Dit geldt niet alleen voor de activiteit van de personen die over een patrocinio beschikken, maar ook voor de personen die enkel praticante zijn.
67. Uit het feit dat praticanti gereglementeerde activiteiten uitoefenen, volgt evenwel nog niet dat het hierbij gaat om een gereglementeerd beroep in de zin van richtlijn 89/48.
68. Het feit dat de activiteiten van de praticante in de tijd beperkt zijn, pleit tegen de kwalificatie van deze activiteiten in Italië als gereglementeerd beroep in de zin van richtlijn 89/48. Een praticante oefent zijn activiteiten uitsluitend tijdens zijn opleiding uit. Deze activiteiten geven uitsluitend uitdrukking aan het feit dat de opleiding tot het beroep van advocaat nu eenmaal ook praktijkactiviteiten omvat. (23) Worden deze activiteiten in abstracto van de opleiding gescheiden en als afzonderlijk beroep gekwalificeerd, dan wordt miskend dat de activiteit van een praticante ─ althans van een patrocinatore ─ uitsluitend een overgangsfase naar het beroep van advocaat vormt.
69. De beperkte bevoegdheden in vergelijking met die van de avvocato, waar Morgenbesser in haar opmerkingen zelf naar verwijst, vormen een bijkomend argument om de activiteit van een praticante niet tot de gereglementeerde beroepen in de zin van richtlijn 89/48 te rekenen.
70. Ten slotte pleit ook artikel 6 van decreto legislativo nr. 115/92 tegen de kwalificatie van de activiteiten van een praticante als gereglementeerd beroep in de zin van artikel 1 van richtlijn 89/48. Artikel 6 van decreto legislativo nr. 115/92 bevat een lijst van juridische beroepen, waarin dat van praticante evenwel ontbreekt. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de Italiaanse wetgever de door praticanti uitgeoefende activiteiten niet als beroep heeft willen kwalificeren. Zelfs wanneer men dus de kwalificatie als beroep aan de betrokken lidstaat zou overlaten ─ een opvatting die ik evenwel niet verdedig ─ noopt het in casu relevante nationale recht veeleer tot de conclusie dat de activiteiten van praticanti geen beroep in de zin van richtlijn 89/48 vormen.
71. Het feit dat de lijst waarop de praticanti in Italië worden ingeschreven, een registro (register) en geen albo (tableau) is, zoals de lijst van avvocati, is niet bepalend. Het gaat hierbij weliswaar om een legitieme naamkeuze door de betrokken lidstaat, maar deze is niet doorslaggevend.
3. Primairrechtelijke verplichtingen
72. Aangezien noch richtlijn 89/48 noch richtlijn 98/5 van toepassing is op de activiteiten van de praticante in het hier te beslechten geval, dient op de bepalingen van primair recht te worden teruggegrepen.
73. De prejudiciële vraag vermeldt de volgende bepalingen van primair recht: de artikelen 10 EG, 12 EG, 14 EG, 39 EG, 43 EG en 149 EG. Alvorens bij de algemene bepalingen stil te staan, dat wil zeggen de artikelen 10 EG, 12 EG en 14 EG, zal ik de bijzondere bepalingen onderzoeken.
74. Weliswaar bestaat er algemeen gesproken een overvloedige rechtspraak met betrekking tot het beroep van advocaat, onder andere in Italië, maar de onderhavige zaak is de eerste waarin het gaat om de positie van een advocaat-stagiaire, dat wil zeggen om een stagiaire. Bijgevolg dient van de rechtspraak van het Hof met betrekking tot stagiaires te worden uitgegaan.
75. Volgens deze rechtspraak kunnen ook de activiteiten van stagiaires onder het vrije verkeer van werknemers vallen. Voorwaarde hiervoor is evenwel het verrichten van reële en daadwerkelijke arbeid [...], die niet van zo geringe omvang is dat het om louter marginale en bijkomstige werkzaamheden gaat. (24) Aan deze voorwaarde kan ook zijn voldaan wanneer de productiviteit (25) , het aantal gewerkte uren per week of de beloning gering is. (26) Ook de herkomst van de middelen waaruit het loon wordt betaald of het feit dat de arbeidsverhouding ingevolge het nationale recht een rechtskarakter sui generis heeft, is niet bepalend. (27)
76. Het onderhavige geval is zeer bijzonder. Het betreft namelijk niet de toegang van een volledig gekwalificeerde advocaat-stagiaire van de ene lidstaat tot het balie-examen van een andere lidstaat, maar de voltooiing van een in een andere lidstaat begonnen advocatenopleiding.
77. Het gaat om de toelating tot de stage in de ontvangende lidstaat en om de vraag of, en in voorkomend geval onder welke voorwaarden, de ontvangende lidstaat verplicht is om personen met een universitair diploma van een andere lidstaat tot de stage toe te laten.
78. Aangezien, zoals reeds is uiteengezet, ook de stage onder het vrije verkeer van werknemers valt, geldt dit eveneens voor een stage zoals die van de Italiaanse praticanti, mits het een niet-zelfstandige activiteit betreft. Hieruit volgt evenwel dat ook de toegang tot een dergelijke stage onder deze fundamentele vrijheid valt.
79. Aangezien uit de feiten van het hoofdgeding blijkt dat de activiteiten niet op een zodanige wijze worden uitgeoefend dat zij onder het vrij verrichten van diensten vallen, rest de vraag of het vrije verkeer van werknemers dan wel de vrijheid van vestiging van toepassing is. Aangezien tijdens de procedure voor het Hof meermalen is benadrukt dat het in het geval van Morgenbesser om de vrijheid van vestiging gaat, zal ik hierna van deze fundamentele vrijheid uitgaan. De parallel met de feiten van het hoofdgeding in de zaak Gebhard (28) pleit eveneens voor deze opvatting.
80. Bijgevolg zal ik hierna artikel 43 EG inzake de vrijheid van vestiging uitleggen.
81. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, kunnen de met betrekking tot het vrije verkeer van werknemers en het vrij verrichten van diensten in de rechtspraak geformuleerde beginselen inzake de erkenning van diploma's of andere beroepsbekwaamheden op de vrijheid van vestiging worden toegepast. (29) Het gaat in het bijzonder om de primairrechtelijke verplichtingen ter zake van de erkenning van diploma's en het onderzoek naar de gelijkwaardigheid.
82. In beginsel dienen hierbij twee stelsels van erkenning van diploma's of andere beroepstitels te worden onderscheiden.
83. Het eerste stelsel, dat in de bijzondere of verticale richtlijnen wordt geregeld, voorziet in een automatische erkenning, waarbij enkel formeel wordt onderzocht of het te erkennen diploma in de lijst van te erkennen diploma's is opgenomen.
84. Het tweede stelsel ─ en het enige dat in de onderhavige zaak van toepassing kan zijn ─ voorziet in een materieel onderzoek van de overgelegde titels. Dit onderzoek bestaat in essentie in een vergelijking van de in de staat van herkomst verworven kwalificaties en die welke in de ontvangende staat zijn vereist. Een dergelijk onderzoek is er bijgevolg op gericht na te gaan of de kwalificaties (kennis en bekwaamheden) gelijkwaardig zijn, met name met betrekking tot de duur en de inhoud van de opleiding.
85. Doorgaans wordt aangenomen dat de aangehaalde rechtspraak haar oorsprong (30) vindt in het arrest Vlassopoulou (31) , maar juist met betrekking tot de juridische beroepen is het beginsel van oudere datum. (32) In de zaak Vlassopoulou diende het Hof zich te buigen over het geval van een Griekse advocate die om toelating tot de Duitse balie verzocht, met name op basis van in Duitsland door studie en praktische ervaring verworven kennis van het Duitse recht, maar werd afgewezen omdat zij geen staatsexamen had afgelegd.
86. In de onderhavige zaak gaat het om de erkenning van een in de staat van herkomst behaald universiteitsdiploma en een in die staat voltooide opleidingsperiode.
87. In dit verband dient eveneens te worden herinnerd aan de vaste rechtspraak van het Hof, dat het in artikel 43 EG gewaarborgde recht van vestiging wordt belemmerd wanneer in de nationale voorschriften geen rekening wordt gehouden met door de betrokkene reeds in een andere lidstaat verworven kennis en bekwaamheden. (33)
88. Hieruit volgt dat de bevoegde nationale autoriteiten gehouden zijn om te beoordelen, of de door de kandidaat door studie of praktische ervaring verworven kennis volstaat voor het bewijs dat de ontbrekende kennis is verworven. (34) Bijgevolg moet de staat van ontvangst in een passende procedure voorzien en deze ook toepassen.
a) Erkenning van een diploma
89. Om te beginnen dient dus in het onderhavige geval te worden nagegaan of een in Frankrijk behaalde maîtrise en droit door de staat van ontvangst in aanmerking moet worden genomen. Hierbij gaat het in casu niet om de erkenning van academische titels als zodanig, maar om de erkenning van universitaire diploma's voor beroepsdoeleinden.
90. Zelfs al is de in Frankrijk verworven maîtrise en droit geen diploma dat rechtstreeks toegang tot het beroep van advocaat garandeert, toch vormt het een diploma dat getuigt van bepaalde kennis en kwalificaties.
91. Uit de vaste rechtspraak van het Hof blijkt eveneens ondubbelzinnig dat rekening moet worden gehouden met de aard en de duur van de studie (35) en met alle diploma's, certificaten en andere titels. (36) Aangezien het Hof hierbij evenwel geen nader onderscheid maakt naar de aard van de titels of de erkenning bijvoorbeeld enkel tot bepaalde diploma's beperkt, dient te worden uitgegaan van een ruime opvatting van de te erkennen titels.
92. Dat de staten van ontvangst verplicht zijn om zelfs rekening te houden met academische titels, volgt uit het arrest Kraus (37) , waarin het ging om een postdoctorale studie.
93. Het staat aan de verwijzende rechter of, in voorkomend geval, aan de bevoegde nationale autoriteiten om aan de hand van alle stukken in het dossier en de voorgaande overwegingen te beoordelen, of het diploma van Morgenbesser als gelijkwaardig aan het overeenkomstige Italiaanse diploma moet worden beschouwd. (38)
b) Erkenning van de praktijkopleiding
94. Voorts dient te worden onderzocht of rekening moet worden gehouden met de in de staat van herkomst gevolgde praktijkopleiding.
95. Uit de vaste rechtspraak van het Hof blijkt duidelijk dat rekening moet worden gehouden met de in de staat van herkomst opgedane praktijkervaring (39) en zelfs met de gevolgde praktijkopleiding. (40) Dit geldt evenzeer voor een geval als dat van het hoofdgeding, waarin de betrokkene niet de gehele in de staat van herkomst voorgeschreven advocatenopleiding heeft gevolgd.
c) Gelijkwaardigheidsonderzoek ─ Vergelijking
96. In het kader van het gelijkwaardigheidsonderzoek, dat wil zeggen bij de vergelijking van de diploma's en de praktijkopleiding, kan een lidstaat evenwel rekening houden met objectieve verschillen met betrekking tot zowel het rechtskader van het betrokken beroep in de lidstaat van herkomst als het werkterrein ervan.
97. Wanneer dit vergelijkend onderzoek tot de conclusie leidt dat de uit het buitenlandse diploma blijkende kennis en bekwaamheden overeenkomen met de in de nationale wettelijke regeling gestelde eisen, moet de lidstaat erkennen dat dit diploma aan de in de nationale regeling gestelde voorwaarden voldoet. Wanneer echter blijkt dat deze kennis en bekwaamheden slechts gedeeltelijk overeenkomen, mag de lidstaat van ontvangst van de betrokkene het bewijs verlangen dat hij de ontbrekende kennis en bekwaamheden heeft verworven. (41)
98. Bijgevolg zijn de lidstaten in elk geval gehouden om in materieel opzicht op passende wijze rekening te houden met die buitenlandse kwalificaties die op zijn minst ten dele met de ─ gemeenschapsrechtconforme ─ nationale voorwaarden overeenkomen.
99. Een algehele weigering zonder meer van een inhoudelijk gelijkwaardigheidsonderzoek ─ die is gebaseerd op formele criteria, zoals bijvoorbeeld in casu het vereiste van een Italiaans diploma ─ is niet toelaatbaar.
100. Bijgevolg dient de lidstaat van ontvangst een met deze beginselen overeenstemmende procedure in het leven te roepen en toe te passen. Wanneer de in de lidstaat van ontvangst geldende procedure niet in overeenstemming is met de gemeenschapsrechtelijke voorwaarden, dient elke bevoegde autoriteit ─ in casu bijvoorbeeld ook de voor de inschrijving in het register van praticanti bevoegde autoriteit ─ zelf te onderzoeken of het diploma dat de kandidaat in een andere lidstaat heeft behaald, in voorkomend geval in combinatie met de beroepservaring, gelijkwaardig is aan de vereiste titel. (42)
101. Uit het voorafgaande volgt dat er weliswaar geen sprake is van een verplichting tot automatische erkenning van een in een andere lidstaat verworven universitair diploma, maar dat de gemeenschapsburger zich niettemin er in het kader van een erkenningsprocedure op kan beroepen.
102. Gelet op een en ander is het niet meer nodig om stil te staan bij de uitlegging van de artikelen 10 EG, 12 EG, 14 EG, 39 EG en 149 EG.
V ─ Conclusie
103. Bijgevolg geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt: Artikel 1 van richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, moet in die zin worden uitgelegd dat de activiteiten van een Italiaanse praticante niet als een gereglementeerd beroep moeten worden aangemerkt.Artikel 43 EG moet aldus worden uitgelegd dat in een geval als dat van het hoofdgeding de bevoegde autoriteiten van de staat van ontvangst gehouden zijn om met alle diploma's, certificaten en andere titels, alsmede met de relevante ervaring van de betrokkene in de staat van herkomst rekening te houden door de uit deze titels en ervaring blijkende kwalificaties met de in de staat van ontvangst vereiste kennis en bekwaamheden te vergelijken.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – PB L 19, blz. 16.
3 – PB L 77, blz. 36.
4 – GURI nr. 281 van 5 december 1933.
5 – GURI nr. 24 van 30 januari 1934.
6 – GURI nr. 40 van 18 februari 1992.
7 – Arrest van 7 maart 2002 (C-145/99, Jurispr. blz. I-2235, punten 33 en 36 e.v.).
8 – Dat wil zeggen voor de inschrijving in een beroepsregister.
9 – Arresten van 26 februari 1992, Bernini (C-3/90, Jurispr. blz. I-1071), en van 3 juli 1986, Lawrie-Blum (66/85, Jurispr. blz. 2121).
10 – Arrest van 8 juli 1999 (C-234/97, Jurispr. blz. I-4773).
11 – Arrest van 7 mei 1991 (C-340/89, Jurispr. blz. I-2357).
12 – Arrest van 30 november 1995 (C-55/94, Jurispr. blz. I-4165).
13 – Pertek, J., La reconnaissance des diplômes , blz. 68.
14 – Zie, met betrekking tot dit begrip, Pertek, J., Les avocats en Europe , 2000, blz. 95.
15 – Pertek, J., General recognition of diplomas and free movement of professionals , 1992, blz. 19.
16 – Scordamaglia, La direttiva Cee sul riconoscimento dei diplomi, in: Problematica del diritto delle Comunità europee , 1992, blz. 267 (275).
17 – Arresten van 1 februari 1996, Aranitis (C-164/94, Jurispr. blz. I-135, punten 18 en 33), en Fernández de Bobadilla (aangehaald in voetnoot 10, punt 16).
18 – Arresten Aranitis (aangehaald in voetnoot 17, punt 19) en Fernández de Bobadilla (aangehaald in voetnoot 10, punt 17).
19 – Pertek, J., Les professions juridiques et judiciaires dans l'Union européenne, Droit administratif et droit communautaire .
20 – Schneider, H., Die Anerkennung von Diplomen in der Europäischen Gemeinschaft , blz. 172.
21 – Zie Pertek, J., General recognition of diplomas and free movement of professionals , 1992, blz. 7.
22 – Zie dienaangaande de rechtspraak aangehaald in de voetnoten 17 en 18.
23 – Zie daarentegen Görlitz, Gemeinschaftsrechtliche Diplomanerkennungspflichten und Zugang zum deutschen Vorbereitungsdienst, Europarecht , 2000, blz. 836 (blz. 843 e.v.), volgens welke de Duitse Vorbereitungsdienst [voorbereidende stage] op zijn minst een beroepsactiviteit vormt.
24 – Arrest van 31 mei 1989, Bettray (344/87, Jurispr. blz. 1621, punt 13), en arrest Benini (aangehaald in voetnoot 9, punt 14). Zie dienaangaande in het algemeen: arresten van 20 november 2001, Jany e.a., (C-268/99, Jurispr. blz. I-8615, punt 33), en 11 april 2000, Deliège (C-51/96 en C-191/97, Jurispr. blz. I-2549, punten 53 en 54).
25 – Arrest Bettray (aangehaald in voetnoot 24, punt 15).
26 – Arresten Lawrie-Blum (aangehaald in voetnoot 9, punt 21) en Bernini (aangehaald in voetnoot 9, punt 16).
27 – Arrest Bettray (aangehaald in voetnoot 24, punten 15 e.v.).
28 – Aangehaald in voetnoot 12.
29 – De Commissie verwijst dienaangaande naar het arrest van 15 december 1995, Bosman (C-415/93, Jurispr. blz. I-4921, punt 97), dat evenwel betrekking had op een omgekeerde situatie, namelijk de mogelijkheid om de beginselen van de vrijheid van vestiging op het vrije verkeer van werknemers toe te passen.
30 – Zie evenwel reeds het arrest van 15 oktober 1987, Heylens e.a. (222/86, Jurispr. blz. 4097), met betrekking tot de vraag of uit de fundamentele vrijheden de primairrechtelijke verplichting voortvloeit om de in een andere lidstaat verworven kennis en bekwaamheden objectief te beoordelen in het kader van een gelijkwaardigheidsonderzoek dat door de rechter kan worden getoetst.
31 – Aangehaald in voetnoot 11 (punt 16).
32 – Arrest van 28 april 1977, Thieffry (71/76, Jurispr. blz. 765, punten 19 e.v.), en arrest Gebhard (aangehaald in voetnoot 12, punt 38).
33 – Zie arrest Vlassopoulou (aangehaald in voetnoot 11, punt 15) en arrest van 9 februari 1994, Haim (C-319/92, Jurispr. blz. I-425, punt 26).
34 – Arrest Fernández de Bobadilla (aangehaald in voetnoot 10, punt 33).
35 – Arrest Vlassopoulou (aangehaald in voetnoot 11, punt 17) en arrest van 7 mei 1992, Aguirre Borrell e.a. (C-104/91, Jurispr. blz. I-3003, punt 12); zie arrest Heylens e.a. (aangehaald in voetnoot 30, punt 13).
36 – Arrest Aguirre Borrell e.a. (aangehaald in voetnoot 35, punt 11); arresten van 14 september 2000, Hocsman (C-238/98, Jurispr. blz. I-6623, punt 23), en 22 januari 2002, Dreessen (C-31/00, Jurispr. blz. I-663, punt 24).
37 – Arrest van 31 maart 1993 (C-19/92, Jurispr. blz. I-1663, punten 20 e.v.).
38 – Zie arrest Hocsman (aangehaald in voetnoot 36, punt 39).
39 – Arresten Vlassopoulou (aangehaald in voetnoot 11, punt 21), Haim (aangehaald in voetnoot 33, punt 28) en Hocsman (aangehaald in voetnoot 36, punt 23).
40 – Arresten Vlassopoulou (aangehaald in voetnoot 11, punt 17), Aguirre Borrell e.a. (aangehaald in voetnoot 35, punt 12), en Heylens e.a. (aangehaald in voetnoot 30, punt 13).
41 – Arresten Vlassopoulou (aangehaald in voetnoot 11, punt 19), Aguirre Borrell e.a. (aangehaald in voetnoot 35, punt 14), Fernández de Bobadilla (aangehaald in voetnoot 10, punt 32) en Hocsman (aangehaald in voetnoot 36, punt 36).
42 – Zie arrest Fernández de Bobadilla (aangehaald in voetnoot 10, punt 34).
Full & Egal Universal Law Academy