Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1. In deze zaak verzoekt de Commissie het Hof overeenkomstig artikel 226 EG vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te hebben genomen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (hierna: richtlijn 97/11"), of althans door de Commissie daarvan niet volledig in kennis te hebben gesteld, de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2. België betwist deze grief in principe niet, maar wijst op de zowel op federaal niveau als door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vastgestelde regelingen, die naar zijn oordeel voldoende zijn voor de omzetting van de richtlijn in het kader van de respectieve bevoegdheden van deze autoriteiten.
II - Rechtskader
3. Richtlijn 97/11 wijzigt richtlijn 85/337/EEG van de Raad (hierna: richtlijn 85/337") en vult deze aan, zodat deze richtlijn op een meer en meer geharmoniseerde en doeltreffende wijze wordt toegepast. Met name bevat zij bepalingen die voorzien in een vergunningvereiste voor projecten waarvoor een milieueffectbeoordeling is voorgeschreven. Verder wijzigt zij de bijlagen bij richtlijn 85/337 door de in bijlage I genoemde aan een beoordeling onderworpen projecten aan te vullen en door aan te geven volgens welke criteria de lidstaten kunnen beslissen of de projecten van bijlage II aan een beoordeling moeten worden onderworpen.
4. Volgens artikel 3, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 97/11 moesten de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 14 maart 1999 aan deze richtlijn te voldoen en dienden zij de Commissie hiervan onverwijld in kennis te stellen.
III - De precontentieuze procedure
5. Bij brief van 8 juli 1999 stuurden de Belgische autoriteiten de Commissie een decreet van het Waalse Gewest van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning (hierna: decreet van het Waalse Gewest van 11 maart 1999") waarbij het decreet van 11 september 1985 houdende organisatie van de milieueffectbeoordeling in het Waalse Gewest werd gewijzigd.
6. Aangezien de Commissie door de Belgische regering niet in kennis was gesteld van verdere nationale omzettingsmaatregelen en zij evenmin over andere informatie beschikte, verzocht zij het Koninkrijk België bij brief van 5 augustus 1999 binnen een termijn van twee maanden zijn opmerkingen te maken.
7. Bij brief van 27 oktober 1999 stuurde de Belgische regering de Commissie een ordonnantie van de Brusselse Hoofdstedelijke raad van 22 april 1999 tot vaststelling van de ingedeelde inrichtingen van klasse I.A [met toepassing van artikel 4] van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen (hierna: ordonnantie van de Hoofdstedelijke Regering van 22 april 1999"), evenals het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke raad van 4 maart 1999 tot vaststelling van de ingedeelde inrichtingen van klasse I. B, II en III (hierna: besluit van 4 maart 1999").
8. Bij twee brieven van 20 december 1999 stuurden de Belgische autoriteiten de Commissie in de eerste plaats een ontwerp van koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen, en in de tweede plaats de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België (hierna: wet van 20 januari 1999") waarvan een aantal bepalingen de milieueffectbeoordeling van bepaalde projecten regelen, inzonderheid in verband met het continentaal plat.
9. Toen de Commissie verder niets vernam over de voortgang van de omzetting van richtlijn 97/11, stuurde zij het Koninkrijk België op 19 mei 2000 een met redenen omkleed advies in de zin van artikel 226 EG met het verzoek, de nodige maatregelen te nemen om binnen een termijn van twee maanden aan dit advies te voldoen.
10. In antwoord hierop stuurde de Belgische regering bij brief van 10 juli 2000 opnieuw de tekst van de aangehaalde omzettingsmaatregel van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, alsmede een tabel waarin de omzetting in dit gewest wordt verduidelijkt.
11. Op 9 augustus 2000 stuurde de Belgische regering een kopie van het ontwerp van een omzettingsmaatregel van de Waalse regering, die vóór het einde van het eerste semester van 2001 zou worden goedgekeurd.
12. Voorts heeft de Belgische regering op 8 december 2000 een ontwerp van koninklijk besluit gezonden, houdende de procedure tot vergunning en machtiging van bepaalde activiteiten in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België. Dit besluit is, net als een koninklijk besluit houdende de regels betreffende de milieueffectenbeoordeling overeenkomstig de wet van 20 januari 1999, goedgekeurd op 20 december 2000. De Commissie ontving de betrokken stukken op 8 februari 2001.
13. Bij brief van 23 mei 2001, ten slotte, heeft de Belgische regering de Commissie de ontwerpen meegedeeld van de ministeriële besluiten tot uitvoering van het decreet van het Waalse Gewest van 11 maart 1999, die in tweede lezing door de Waalse regering waren goedgekeurd.
14. Van mening dat België niet alle maatregelen had genomen die voor de omzetting van alle bepalingen van richtlijn 97/11 op het volledige Belgische grondgebied noodzakelijk waren, heeft de Commissie op 10 augustus 2001 het onderhavige beroep ingesteld, dat op 14 augustus 2001 is ingekomen bij het Hof.
15. De Commissie concludeert dat het den Hove behage:
- vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te hebben genomen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, of althans door de Commissie daarvan niet volledig in kennis te hebben gesteld, de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;
- het Koninkrijk België te verwijzen in de kosten van de procedure.
16. Het Koninkrijk België concludeert tot:
- verwerping van het beroep, voorzover het betrekking heeft op die gedeelten van het Belgische grondgebied die onder de bevoegdheid van de federale regering en van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vallen.
IV - De niet-nakoming
Opmerkingen van partijen
17. De Commissie betoogt dat het Koninkrijk België weliswaar enkele maatregelen heeft genomen, maar dat deze geen afdoende omzetting vormen. Het Koninkrijk België heeft de Commissie in elk geval de noodzakelijke omzettingsmaatregelen niet meegedeeld.
18. De uitvoeringsbepalingen van het decreet van het Waalse Gewest van 11 maart 1999 en van de wet van 20 januari 1999, die noodzakelijk zijn voor de inwerkingtreding van beide teksten, zijn niet goedgekeurd binnen de gestelde termijn. De Belgische regering heeft zelf toegegeven dat verdere maatregelen noodzakelijk zijn.
19. De Commissie wijst erop dat een lidstaat zich niet op nationale bepalingen, praktijken of situaties kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen. Daarom moet de niet-nakoming voor het gehele Belgische grondgebied worden vastgesteld.
20. In repliek handhaaft de Commissie dit standpunt, maar erkent tegelijkertijd dat het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen (hierna: koninklijk besluit van 20 juli 2001"), dat op 9 oktober 2001 - dus na instelling van het beroep - bij haar is ingediend, tot volledige omzetting van de richtlijn op federaal niveau heeft geleid. Zij betwist ook niet dat de omzettingsmaatregelen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest haar vóór de instelling van het beroep zijn meegedeeld.
21. Het Koninkrijk België voert in zijn verweerschrift aan, dat de regering op federaal niveau de richtlijn in het kader van haar bevoegdheden volledig heeft omgezet, namelijk in de eerste plaats door voormelde wet van 20 januari 1999, waarvan de Commissie op 20 december 1999 in kennis is gesteld, alsmede door de beide uitvoeringsbesluiten van 20 december 2000 waarvan de Commissie op 2 februari 2001 in kennis is gesteld, en anderzijds door het koninklijk besluit van 20 juli 2001.
22. De richtlijn is ook volledig omgezet in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest door voormelde ordonnantie van de Hoofdstedelijke raad van 22 april 1999 en voormeld besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999. Het Koninkrijk België verwijt de Commissie, niet te hebben aangegeven welke richtlijnbepalingen in de Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet zijn omgezet.
23. Vervolgens gaat de Belgische regering in op het Vlaamse Gewest, dat in het verzoekschrift onvermeld is gebleven. Dit gewest bereidt een decreet voor tot omzetting van richtlijn 97/11 alsmede van richtlijn 96/82/EG van de Raad en van richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's. Van deze maatregelen is de Commissie bij brieven van 21 maart en 4 september 2001 op de hoogte gesteld. Deze werkzaamheden hebben echter vertraging opgelopen door de tardieve bekendmaking van de Nederlandstalige versie van richtlijn 2001/42. Volgens de Belgische regering wordt de tekst van het decreet in maart 2002 in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt en worden de uitvoeringsbesluiten in juni 2002 vastgesteld.
24. Wat het Waalse Gewest betreft, legt de Belgische regering uit dat de goedkeuring van de drie besluiten ter uitvoering van het decreet van het Waalse Gewest van 11 maart 1999, die nodig zijn voor de inwerkingtreding van die tekst, vertraging heeft opgelopen door de ingewikkeldheid van de materie, maar niettemin tegen het einde van het jaar 2001 te verwachten is.
In rechte
25. Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet de vraag of verplichtingen niet zijn nagekomen, worden beoordeeld naar de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het eind van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, zodat het Hof met sindsdien opgetreden wijzigingen geen rekening kan houden.
26. Vaststaat, dat bij het verstrijken van de in het met redenen omklede advies van 19 mei 2000 gestelde termijn nog niet alle vereiste maatregelen voor de volledige omzetting van de richtlijn in nationaal recht waren genomen, hetgeen het Koninkrijk België overigens ook niet betwist.
27. Het Koninkrijk België heeft namelijk niet betwist dat zowel in het Waalse als in het Vlaamse Gewest de vereiste omzettingsmaatregelen, tenminste bij het verstrijken van de in het met redenen omklede advies vastgestelde termijn, niet waren genomen. Op federaal niveau werd het voor de volledige omzetting van de richtlijn noodzakelijke koninklijk besluit pas op 20 juli 2001 - dus eveneens na het verstrijken van genoemde termijn - vastgesteld.
28. De door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest genomen omzettingsmaatregelen zijn inderdaad tijdig, dat wil zeggen vóór het verstrijken van genoemde termijn genomen. Niettemin kunnen zij - nu de richtlijn in andere gedeelten van het land niet of te laat is omgezet - geen grond opleveren om een eventuele vaststelling van niet-nakoming door het Koninkrijk België wegens het te laat of niet omzetten van de richtlijn te beperken. Bovendien heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat een lidstaat zich niet op nationale bepalingen, praktijken of situaties, met inbegrip van zijn federale structuur, kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen".
29. Derhalve staat vast dat het Koninkrijk België niet vóór het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn van twee maanden alle maatregelen heeft genomen die nodig zijn voor de omzetting van richtlijn 97/11 in nationaal recht. Bijgevolg moet het beroep van de Commissie gegrond worden geacht.
30. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Aangezien de Commissie zulks heeft gevorderd en het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, moet het Koninkrijk België in de kosten worden verwezen.
V - Conclusie
31. Ik geef het Hof dan ook in overweging:
1. vast te stellen dat het Koninkrijk België, door nog niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te hebben genomen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, of althans door de Commissie daarvan niet volledig in kennis te hebben gesteld, de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;
2. het Koninkrijk België te verwijzen in de kosten van de procedure.
Full & Egal Universal Law Academy