CONCLUSIE VAN ADVOCAAT‑GENERAAL
S. ALBER
van 3 april 2003 (1)
Zaak C‑330/01 P
Hortiplant SAT
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Landbouw – EOGFL – Intrekking van financiële bijstand”
I – Inleiding
1. De hogere voorziening betreft de vraag in hoeverre de Commissie bij de vaststelling van een beschikking houdende vermindering, opschorting of intrekking van in het kader van het structuurfonds toegekende financiële bijstand, de voorafgaande opmerkingen van de betrokken lidstaat moet afwachten.
II – Rechtskader en feiten
2. Artikel 24 van verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988, in de versie van verordening nr. 2082/93(2), luidt:
„Vermindering, opschorting en intrekking van de bijstand
1. Indien het bedrag van de toegekende financiële bijstand door de stand van de uitvoering van een actie of maatregel noch gedeeltelijk, noch geheel lijkt te worden gerechtvaardigd, gaat de Commissie in het kader van het partnerschap over tot een passend onderzoek van het geval, waarbij zij met name aan de lidstaat of aan de autoriteiten die door de lidstaat voor de tenuitvoerlegging van de actie zijn aangewezen, vraagt om haar binnen een bepaalde termijn hun opmerkingen mee te delen.
2. Na dit onderzoek kan de Commissie de bijstand voor de betrokken actie of maatregel verminderen of schorsen indien het onderzoek een onregelmatigheid bevestigt of een belangrijke wijziging die strijdig is met de aard of de uitvoeringsvoorwaarden van de actie of maatregel en waarvoor niet om haar goedkeuring is verzocht.
3. Ieder bedrag dat tot een terugvordering wegens onverschuldigde betaling aanleiding geeft, moet aan de Commissie worden terugbetaald. Niet‑terugbetaalde bedragen worden in overeenstemming met het Financieel Reglement en met de regels die de Commissie volgens de in titel VIII bedoelde procedures vaststelt, vermeerderd met de moratoire interessen.”
3. Voor het verdere rechtskader en de aan het geding ten grondslag liggende feiten verwijs ik naar de punten 1 tot en met 27 van het besteden arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 14 juni 2001 in de zaak Hortiplant(3). Om herhalingen te voorkomen ga ik hier slechts op de hoofdpunten in.
4. Bij beschikking C (92) 3125 van 3 december 1992 heeft de Commissie aan Hortiplant S.A.T. (hierna: „Hortiplant”) financiële bijstand toegekend. Wegens het vermoeden van onregelmatigheden verrichtte de Commissie op 29 en 30 september 1997 een controle ter plaatse. Bij deze controle was ook een ambtenaar van het Spaanse ministerie van Financiën (Intervención general del Estado) aanwezig. De Commissie heeft rapporten van deze controles opgesteld. Vervolgens gaf zij de zaak in handen van het Spaanse Openbaar Ministerie.
5. Op 3 april 1998 zond de Commissie Hortiplant een brief waarin de omstandigheden werden genoemd die een terugvordering van de financiële bijstand konden rechtvaardigen. Zij verzocht Hortiplant binnen zes weken haar opmerkingen hieromtrent te maken. De Commissie ontving deze opmerkingen op 26 mei 1998.
6. De Spaanse autoriteiten ontvingen een kopie van de brief van de Commissie van 3 april 1998 en werden eveneens uitgenodigd binnen zes weken hun opmerkingen te maken.
7. Na onderzoek van de opmerkingen van Hortiplant – doch zonder opmerkingen van de Spaanse autoriteiten te hebben ontvangen – gaf de Commissie op 4 maart 1999 op basis van artikel 24 van verordening nr. 4253/88(4) de bestreden terugvorderingsbeschikking.
III – Arrest van het Gerecht van eerste aanleg
8. Het Gerecht heeft het tegen de terugvorderingsbeschikking ingestelde beroep verworpen bij arrest van 14 juni 2002. Met betrekking tot artikel 24 van verordening nr. 4253/88 verklaarde het Gerecht in de punten 103 en 104 van het arrest:
103 Wat ten slotte de bewering betreft dat de Commissie de opmerkingen van de betrokken lidstaat had moeten afwachten alvorens een financiële bijstand in te trekken, zij erop gewezen dat artikel 24 van verordening nr. 4253/88 alleen voorschrijft dat de Commissie overgaat tot een passend onderzoek van het geval en daarbij met name aan de lidstaat of aan de autoriteiten die door de lidstaat voor de tenuitvoerlegging van de actie zijn aangewezen, vraagt om haar binnen een bepaalde termijn hun opmerkingen mede te delen, en dat de Commissie na dit onderzoek de nodige maatregelen kan nemen, indien het onderzoek een onregelmatigheid bevestigt.
104 Uit de formulering van dit artikel blijkt niet, dat de Commissie, indien het door haar ingestelde onderzoek een onregelmatigheid heeft bevestigd, de opmerkingen van de betrokken lidstaat moet hebben ontvangen alvorens zij de financiële bijstand kan intrekken.”
IV – De hogere voorziening en het standpunt van de Commissie
9. Hortiplant voert als grond voor haar hogere voorziening een onjuiste uitlegging van artikel 24 van verordening nr. 4253/88 aan. Volgens haar gaat het arrest van het Gerecht er ten onrechte van uit dat de beschikking van de Commissie ook kon worden gegeven zonder dat de opmerkingen van Spanje werden afgewacht. Krachtens artikel 24, lid 2, kan de Commissie de financiële bijstand slechts verminderen, schorsen of intrekken, wanneer zij alle voor de beschikking relevante omstandigheden heeft kunnen onderzoeken, waaronder in het bijzonder de opmerkingen van de begunstigde en de betrokken lidstaat.
10. De uitlegging van de bepaling in het bestreden arrest leidt er echter toe dat de opmerkingen van de betrokken lidstaat slechts vereist zijn wanneer bij de Commissie twijfel blijft bestaan aan de regelmatige aanwending van de fondsen, maar haar twijfel in het kader van het door haar verrichte onderzoek niet kon worden bevestigd. Dat betekent evenwel dat de Commissie er zelfs niet toe gehouden is de betrokken lidstaat te raadplegen wanneer zij alleen op grond van haar onderzoek tot de conclusie komt dat vermindering, schorsing of intrekking van de financiële bijstand aangewezen is.
11. Hortiplant verwijst naar artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2052/88(5), volgens hetwelk de actie van de Gemeenschap is bedoeld als „aanvulling op of bijdrage tot de overeenkomstige acties van de lidstaten”. Deze actie komt tot stand door nauw overleg tussen de Commissie, de betrokken lidstaat en de door hem aangewezen bevoegde autoriteiten. Dit overleg wordt „partnerschap” genoemd en omvat de voorbereiding, de financiering, het toezicht en de evaluatie van de acties. Daarmee valt niet te rijmen dat de Commissie in bepaalde omstandigheden zou kunnen afzien van de opmerkingen van de betrokken lidstaat.
12. Onder verwijzing naar de rechtspraak betreffende het Sociaal Fonds(6) stelt Hortiplant dat het een wezenlijk vormvoorschrift is dat de betrokken lidstaat zijn opmerkingen maakt. Daaraan voldoet niet de brief van de Commissie van 3 april 1998 waarmee zij Spanje alleen beleefdheidshalve uitnodigt opmerkingen te maken. In het bijzonder heeft de Commissie ook verzuimd de Spaanse regering de opmerkingen van Hortiplant over de grieven van de Commissie mee te delen.
13. Volgens de Commissie daarentegen heeft het Gerecht artikel 24 juist uitgelegd. Volgens deze bepaling hoeft de lidstaat, wanneer hij daartoe in de gelegenheid wordt gesteld, alleen binnen een passende termijn opmerkingen over de onderzochte feiten te maken. Daarentegen is niet vereist dat de lidstaat daadwerkelijk opmerkingen maakt. Ook zonder dergelijke opmerkingen kan de Commissie een financiële bijstand verminderen, schorsen of intrekken. Zij baseert haar opvatting op de tekst van artikel 24, volgens welke de betrokken lidstaat wordt „gevraagd” om zijn opmerkingen mee te delen en wel binnen een door de Commissie gestelde termijn. Indien de lidstaat opmerkingen indient, moet daarmee bij de verdere besluitvorming rekening worden gehouden. Indien bij afloop van de termijn geen opmerkingen zijn ingediend, staat het de Commissie vrij de procedure voort te zetten en een besluit te nemen.
14. Volgens de Commissie is de door Hortiplant aangehaalde rechtspraak niet van toepassing. Die rechtspraak betreft een ander structuurfonds en duidelijk anders geformuleerde bepalingen.
15. Bovendien blijkt daaruit dat de betrokken lidstaat alleen gelegenheid tot het maken van opmerkingen moet krijgen. Aldus heeft het Hof in de zaken Oliveira(7) en Foyer culturel du Sart‑Tilman(8) de beschikkingen van de Commissie nietigverklaard, omdat de betrokken lidstaten geen gelegenheid was gegeven opmerkingen over de onderzochte feiten te maken.
16. In casu is Spanje gelegenheid tot het maken van opmerkingen gegeven door de toezending van de brief van 3 april 1998. Bovendien was bij de controle ter plaatse in 1997 waarbij de onregelmatigheden zijn vastgesteld, een ambtenaar van de Spaanse autoriteiten aanwezig.
17. Ten slotte wijst de Commissie erop dat de financiële bijstand in casu direct door de Commissie zonder inschakeling van nationale diensten is toegekend en uitbetaald. In deze situatie had de betrokken lidstaat begrijpelijkerwijs weinig belang om opmerkingen over de feiten te maken.
V – Beoordeling
18. Volgens de tekst van artikel 24, lid 1, vraagt de Commissie de betrokken lidstaat om haar binnen een bepaalde termijn zijn opmerkingen over het verrichte onderzoek mee te delen. Deze tekst zegt, althans niet uitdrukkelijk, wat er gebeurt wanneer de lidstaat geen opmerkingen binnen de gestelde termijn maakt.
19. Ook de leden 2 en 3 van dit artikel geven geen antwoord op deze vraag. Zij machtigen de Commissie alleen de financiële bijstand te verminderen of te schorsen indien het onderzoek een onregelmatigheid bevestigt; verder wordt bepaald dat eventueel betaalde bedragen moeten worden terugbetaald. In de tekst van artikel 24 kan rekwirantes stelling dus geen steun vinden. Deze tekst ondersteunt eerder de opvatting van de Commissie dat de betrokken lidstaat alleen de mogelijkheid hoeft te worden geboden opmerkingen te maken over het resultaat van het onderzoek, maar dat het maken van opmerkingen geen absoluut vereiste is.
20. Hortiplant beroept zich voorts op het feit dat de financiering door structuurfondsen in de vorm van een „partnerschap” tussen de Commissie en de nationale autoriteiten plaatsvindt. Zij verwijst in het bijzonder naar artikel 4 van verordening nr. 2052/88.
21. Dit is evenwel evenmin overtuigend. Alleen omdat tussen de betrokken autoriteiten een „partnerschap” bestaat, kan de beschikking van de Commissie op basis van artikel 24 van verordening nr. 4253/88 niet worden beschouwd als een rechtshandeling die de medewerking van de lidstaten vergt in de vorm van opmerkingen. Ook strookt het met het begrip „partnerschap” om de lidstaat alleen in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken, maar hem vrij te laten dit al dan niet te doen, zonder dat het maken van opmerkingen door de lidstaat een noodzakelijke voorwaarde voor het geven van de beschikking van de Commissie is.
22. Het door rekwirante aangevoerde „partnerschap” tussen de Commissie en de autoriteiten van de lidstaten lijkt evenwel in een ander opzicht van belang voor de uitlegging van artikel 24. Volgens de twintigste en de vijfentwintigste overweging van de considerans alsook artikel 4 van verordening nr. 2052/88 vult de actie van de Gemeenschap in het kader van het Structuurfonds de actie van de lidstaten alleen aan. Daartoe is nauw overleg tussen de Commissie en de betrokken lidstaat vereist en moet iedere partij binnen het kader van haar eigen verantwoordelijkheden en bevoegdheden handelen als een partner die een gemeenschappelijk doel nastreeft. Uit deze bepalingen volgt dat de twee aan de financiële bijstand meewerkende autoriteiten, de Commissie en de lidstaten, moeten bijdragen tot het slagen van de financiële bijstand. Bijgevolg zijn de lidstaten, wanneer de Commissie hun verzoekt opmerkingen te maken, gehouden te reageren wanneer zij aanmerkingen hebben. Juist vanwege deze medewerkingsplicht van de autoriteiten van de lidstaten krachtens verordening nr. 2052/88 kan de Commissie door het stilzwijgen van een lidstaat na een verzoek om opmerkingen niet worden belet de procedure voort te zetten. Anders zou het stilzwijgen van een lidstaat neerkomen op een veto. Dit vindt evenwel geen steun in de tekst van artikel 24 of in het doel van de bijstandsprocedure en zeker niet in de medeverantwoordelijkheid van de lidstaat voor de doeltreffende uitvoering van de financiële bijstand. Dit wordt ook bevestigd doordat de lidstaat binnen een bepaalde termijn opmerkingen moet maken over de uitslag van het onderzoek van de Commissie.
23. Bovendien kan de Commissie zelfs bij een afwijkende mening van de betrokken lidstaat de financiële bijstand verminderen, schorsen of intrekken. De Commissie moet de eventuele opmerkingen van de lidstaat onderzoeken. Dat betekent echter niet dat zij tot dezelfde conclusie als deze laatste moet komen. Nog minder kan dus het stilzwijgen van een lidstaat de Commissie binden in die zin dat zij geen beschikking kan geven zolang de lidstaat geen opmerkingen heeft gemaakt.
24. Dat de betrokken lidstaat geen opmerkingen maakt, kan het geven van een terugvorderingsbeschikking al helemaal niet belemmeren, wanneer het zoals in de onderhavige zaak middelen betreft die de Commissie – dus niet de lidstaat – rechtstreeks aan de begunstigde heeft uitbetaald. Normaal verleent het Structuurfonds en ook het Europees oriëntatie‑ en garantiefonds voor de landbouw, via betaling door de Commissie, bijstand aan de lidstaat, die de steun op zijn beurt aan de eindbegunstigde betaalt. Dit vloeit voort uit artikel 21 van verordening nr. 4253/88 in de versie van verordening nr. 2082/93 en strookt met het subsidiariteitsbeginsel, volgens hetwelk de uitvoering van de in de communautaire bestekken opgenomen vormen van bijstandsverlening hoofdzakelijk de verantwoordelijkheid van de lidstaten moet zijn, zoals uit de zesde overweging van de considerans van verordening nr. 2082/93 blijkt. Volgens artikel 14, lid 1, van verordening nr. 4253/88, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2082/93, lopen echter de aanvragen om technische bijstand als bedoeld in artikel 5, lid 2, sub e, van verordening nr. 2052/88, die op initiatief van de Commissie worden verleend, niet via de lidstaten, maar worden zij rechtstreeks aan de Commissie gericht. In deze gevallen wordt de financiële bijstand volledig en rechtstreeks tussen de Commissie en de eindbegunstigde afgewikkeld. Daarbij is de lidstaat waar de bijstand wordt verleend, minder intens betrokken. Hij zal dus minder geneigd zijn opmerkingen te maken over de door de Commissie vastgestelde feiten. Wanneer de Commissie de eindbegunstigde rechtstreeks financiële bijstand verleent, zou het ook haaks staan op de algehele afwikkeling daarvan, indien de opmerkingen van de betrokken lidstaat werden beschouwd als voorwaarde voor een beschikking van de Commissie waarbij terugbetaling op basis van artikel 24 van verordening nr. 4253/88, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2082/93, wordt gevorderd.
25. Zelfs de door Hortiplant in het bijzonder met betrekking tot artikel 6 van het Europees Sociaal Fonds(9) – althans indirect – aangehaalde rechtspraak bevestigt uiteindelijk deze oplossing. Weliswaar moet volgens deze rechtspraak de betrokken lidstaat opmerkingen kunnen maken over de grondslag en het bedrag van de voorgenomen terugvordering(10), maar in de eerste plaats hoeft daartoe geen formele hoorzitting te worden gehouden: eenvoudige contacten zoals het uitwisselen van brieven volstaan.(11) In dit opzicht lijkt het bezwaar van Hortiplant dat de Spaanse regering slechts met een beleefdheidsschrijven is uitgenodigd opmerkingen te maken, irrelevant.
26. In de tweede plaats is het volgens deze rechtspraak van het Hof niet vereist dat de betrokken lidstaat daadwerkelijk opmerkingen maakt, zelfs niet wanneer de autoriteiten van die lidstaat de financiële bijstand uitbetalen. Het volstaat wanneer hij in de gelegenheid wordt gesteld opmerkingen te maken.(12) Ook in het door Hortiplant ter terechtzitting aangehaalde arrest Socurte e.a./Commissie verlangde het Hof alleen dat de lidstaat in de gelegenheid werd gesteld vóór de vermindering van de bijstand zijn opmerkingen kenbaar te maken.(13) Bovendien werd in de door Hortiplant aangehaalde zaken de mogelijkheid om opmerkingen te maken telkens als een wezenlijk vormvereiste beschouwd, juist gelet op de positie van de lidstaat als tussenschakel tussen de Commissie en de eindbegunstigde.(14) Van een tussenschakel is hier evenwel geen sprake, zodat ook deze omstandigheid ervoor pleit om de opmerkingen van Spanje niet als een onmisbare voorwaarde voor het geven van de bestreden beschikking te beschouwen.
27. Volgens de vaststellingen van het Gerecht van eerste aanleg is de betrokken lidstaat in casu geraadpleegd. Hortiplant betwist dit: Spanje heeft haars inziens slechts een beleefdheidsbrief gekregen, hetgeen niet volstaat voor een behoorlijke raadpleging.
28. Volgens artikel 225, lid 1, EG is de hogere voorziening tot rechtsvragen beperkt. Deze beperking wordt gepreciseerd in artikel 51, eerste alinea, van ’s Hofs Statuut‑EG. Zoals het Hof reeds herhaaldelijk heeft geoordeeld, kan een hogere voorziening slechts worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels, met uitsluiting van iedere feitelijke beoordeling, en is deze derhalve slechts ontvankelijk voorzover het Gerecht wordt verweten uitspraak te hebben gedaan onder miskenning van rechtsregels waarvan het de eerbiediging had te verzekeren. (15)
29. Daar de vaststelling van het Gerecht dat het toezenden van de kopie van de brief van 3 april 1998 aan Hortiplant een uitnodiging tot het maken van opmerkingen in de zin van artikel 24 van verordening nr. 4253/88 was, niet alleen een beoordeling van de feiten, maar ook een kwalificatie daarvan inhoudt, kan het Hof dit middel in hogere voorziening evenwel onderzoeken.(16)
30. Gelet op de aangehaalde rechtspraak volgens welke elke vorm van raadpleging, waaronder ook een briefwisseling, volstaat, moet het middel van Hortiplant worden afgewezen. Het Gerecht heeft vastgesteld dat Spanje een kopie heeft ontvangen van de brief van 3 april 1998 aan Hortiplant met daarin de tegen haar geformuleerde grieven. Bovendien werd Spanje in de aan hem geadresseerde brief een termijn verleend om opmerkingen te maken. Het oordeel van het Gerecht dat deze brief een behoorlijke raadpleging van de betrokken lidstaat in de zin van artikel 24 van verordening nr. 4253/88 vormde, is dus niet kennelijk onjuist.
31. Ook de omstandigheid dat het antwoord van Hortiplant op de bezwaren van de Commissie niet aan de Spaanse autoriteiten is meegedeeld, vormt geen onjuiste toepassing van artikel 24. De tekst van deze bepaling, noch de strekking en het doel van de bijstandsprocedure vereisen een dergelijke mededeling van de opmerkingen van de begunstigde. Ook hier is dus geen sprake van een kennelijk onjuiste toepassing en uitlegging van artikel 24 van verordening nr. 4253/88.
32. Het arrest van het Gerecht schendt dus niet het recht. De hogere voorziening moet dan ook worden afgewezen.
VI – Kosten
33. Ingevolge artikel 122 junctis de artikelen 118 en 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voorzover dat is gevorderd. De Commissie heeft geconcludeerd tot verwijzing van Hortiplant in de kosten. Aangezien de hogere voorziening moet worden afgewezen, dient Hortiplant in de kosten te worden verwezen.
VII – Conclusie
34. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
„1) de hogere voorziening af te wijzen.
2) rekwirante te verwijzen in de kosten.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Verordening (EEG) nr. 2082/93 van de Raad van 20 juli 1993 houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 4253/88 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds (PB L 193, blz. 20).
3 – Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 14 juni 2001, Hortiplant/Commissie (T‑143/99, Jurispr. blz. II‑1665).
4 – Verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds (PB L 374, blz. 1).
5 – Verordening (EEG) nr. 2052/88 van de Raad van 24 juni 1988 betreffende de taken van de Fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de coördinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten (PB L 185, blz. 9).
6 – Hortiplant citeert het arrest van het Gerecht van 19 maart 1997, Oliveira/Commissie (T‑73/95, Jurispr. blz. II‑381, punt 32), het arrest van het Hof van 7 mei 1991, Oliveira/Commissie (C‑304/89, Jurispr. blz. I‑2283), het arrest van het Gerecht van 7 maart 1995, Socurte e.a./Commissie (T‑432/93–T‑434/93, Jurispr. blz. II‑503), het arrest van het Hof van 25 mei 1993, Foyer culturel du Sart-Tilman/Commissie (C‑199/91, Jurispr. blz. I‑2667), en het arrest van het Hof van 11 oktober 1990, FUNOC/Commissie (C‑200/89, Jurispr. blz. I‑3669).
7 – Aangehaald in voetnoot 6.
8 – Aangehaald in voetnoot 6.
9 – Artikel 6, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2950/83 van de Raad van 17 oktober 1983 houdende toepassing van besluit 83/516/EEG betreffende de taken van het Europees Sociaal Fonds (PB L 289, blz. 1) luidt: „Indien van de bijstand van het Fonds geen gebruik wordt gemaakt op de wijze die in het besluit tot goedkeuring is vastgesteld, kan de Commissie deze bijstand opschorten, verminderen of doen vervallen, na aan de betrokken lidstaat gelegenheid te hebben geboden zijn opmerkingen te maken.”
10 – Arresten Socurte e.a./Commissie (aangehaald in voetnoot 6, punten 65, 71 en 76) en Foyer culturel du Sart-Tilman/Commissie (aangehaald in voetnoot 6, punt 32).
11 – Arrest Foyer culturel du Sart-Tilman/Commissie (aangehaald in voetnoot 6, punten 27 e.v.); zie ook, meer uitgebreid, de conclusie van advocaat-generaal Darmon van 17 december 1992 in dezelfde zaak, punt 32 „[...] in welke vorm ook […] een voorafgaande consultatie [...]”.
12 – Arrest Foyer culturel du Sart-Tilman/Commissie (aangehaald in voetnoot 6, punt 34).
13 – Arrest Socurte e.a./Commissie (aangehaald in voetnoot 6, punten 71 en 76). Punt 66 van dit arrest, dat het onderzoek van deze vraag inleidt, is inzoverre onduidelijk geformuleerd dat volgens dit punt met zekerheid en voldoende duidelijkheid moet komen vast te staan dat de lidstaat is gehoord.
14 – Zie de conclusie van advocaat-generaal Darmon van 5 maart 1991 in de zaak Oliveira/Commissie (arrest van 7 mei 1991, reeds aangehaald, Jurispr. blz. I-2292, punten 17 e.v.), en het arrest Foyer culturel du Sart-Tilman/Commissie (aangehaald in voetnoot 6, punten 33 e. v.).
15 – Beschikkingen van 11 januari 1996, D/Commissie (C‑89/95 P, Jurispr. blz. I‑53, punt 13), en 11 juli 1996, An Taisce en WWF UK/Commissie (C‑325/94 P, Jurispr. blz. I‑3727, punt 28).
16 – Arrest van 16 juni 1994, SFEI e.a./Commissie (C‑39/93 P, Jurispr. blz. I‑2681, punt 26), en beschikking An Taisce en WWF UK/Commissie (aangehaald in voetnoot 15, punt 30).
Full & Egal Universal Law Academy