Conclusie van de advocaat generaal
1. In deze niet-nakomingsprocedure tegen de Franse Republiek verzoekt de Commissie,
1. vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
2. de Franse Republiek te verwijzen in de kosten.
2. Volgens artikel 16 van de richtlijn is de omzettingstermijn op 14 maart 2000 verstreken.
3. Lid 1 van deze bepaling luidt: De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 14 maart 2000 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis." Aangezien de Commissie op dat tijdstip nog geen bericht had ontvangen omtrent de maatregelen tot omzetting van de richtlijn, heeft zij op 8 augustus 2000 de Franse regering schriftelijk aangemaand. Bij brief van 16 november 2000 van de Permanente Vertegenwoordiging van Frankrijk heeft de Franse regering geantwoord en verwezen naar een voorontwerp van wet tot omzetting van de richtlijn. De Commissie zond op 24 januari 2001 een met redenen omkleed advies aan de Franse Republiek, en stelde haar een termijn van twee maanden om aan haar verplichtingen inzake de omzetting van de richtlijn te voldoen.
4. Het staat vast dat bij het verstrijken van deze termijn de noodzakelijke wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen ter omzetting van de richtlijn nog niet waren vastgesteld. De Franse regering wees, evenals tijdens de procedure voor het Hof, op de voortgang van de wetgevingsprocedure. Volgens vaste rechtspraak moet het bestaan van een niet-nakoming echter worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn. Aangezien de richtlijn op dat tijdstip onbetwist nog niet in de Franse rechtsorde was opgenomen, is er sprake van niet-nakoming.
Kosten
5. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorover dit is gevorderd. Daar de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij, overeenkomstig de vordering van de Commissie, in de kosten te worden verwezen.
6. Ik geef het Hof derhalve in overweging:
1) vast te stellen dat de Franse Republiek de verplichtingen die op haar rusten krachtens richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven, niet is nagekomen door niet de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om aan deze richtlijn te voldoen.
2) De Franse Republiek te verwijzen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy