Conclusie van de advocaat generaal
1. Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (hierna: richtlijn") heeft tot doel om met betrekking tot biociden de milieu- en veiligheidsvoorschriften vast te stellen ter voorkoming van schade voor de menselijke gezondheid en het milieu als gevolg van het op de markt brengen van deze producten.
2. Volgens artikel 34 van de richtlijn moeten de lidstaten uiterlijk 24 maanden na de inwerkingtreding van de richtlijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om aan de richtlijn te voldoen en moeten zij de Commissie hiervan onverwijld in kennis stellen.
3. Volgens artikel 35 van de richtlijn treedt zij in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Deze bekendmaking vond plaats op 24 april 1998; de richtlijn is dus op 14 mei 1998 in werking getreden.
4. Bijgevolg moesten de lidstaten uiterlijk op 14 mei 2000 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen tot omzetting van de richtlijn in werking doen treden.
5. Daar de Commissie geen informatie had ontvangen waaruit bleek dat Ierland de nodige maatregelen had genomen, stelde zij het beroep wegens niet-nakoming in waarover ik vandaag conclusie neem.
6. De Commissie verzoekt het Hof vast te stellen dat Ierland, door niet vóór 14 mei 2000 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om aan de richtlijn te voldoen of, althans door haar niet van die bepalingen in kennis te stellen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
7. Volgens de Ierse autoriteiten is de richtlijn volledig omgezet door een op 18 december 2001 vastgestelde regelgevende handeling, getiteld The European Community (Authorisation, Placing on the Market, Use and Control of Biocidal products) 2001". Zij verzoeken derhalve het Hof de procedure voor drie maanden, te rekenen vanaf de datum van het verweerschrift, te schorsen, teneinde de Commissie in de gelegenheid te stellen de door Ierland genomen maatregelen te onderzoeken en eventueel afstand van instantie te doen.
8. Dienaangaande zij er evenwel aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn. In casu is het met redenen omkleed advies aan Ierland op 31 januari 2001 uitgebracht en is daarin een termijn van twee maanden gesteld.
9. Verweerder betwist niet dat vóór het verstrijken van deze termijn geen enkele omzettingsmaatregel is genomen. Hij geeft immers toe dat de eerste maatregel, namelijk de aanwijzing van het ministerie van Landbouw, Voedselvoorziening en Plattelandsontwikkeling als bevoegde autoriteit van Ierland overeenkomstig artikel 26 van de richtlijn, pas op 11 juli 2001 is genomen en dat de regeling tot omzetting van de richtlijn op 18 december 2001 is vastgesteld.
10. Derhalve staat de inbreuk vast die de Commissie heeft gesteld. De Commissie heeft overigens verklaard geen afstand van instantie te willen doen ondanks het schorsingsverzoek van verweerder. Haar vordering moet dus worden toegewezen.
Conclusie
11. Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
- vast te stellen dat Ierland, door niet vóór 14 mei 2000 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden, of althans de Commissie niet van die bepalingen in kennis te stellen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;
- Ierland te verwijzen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy