CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
S. ALBER
van 10 december 2002(1)
Zaak C-380/01
Gustav Schneider
tegen
Bundesminister der Justiz
„Gelijke behandeling van mannen en vrouwen – Promotiekansen – Beginsel van effectieve rechterlijke controle”
I – Inleiding
1. Met het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing heeft het Oostenrijkse Verwaltungsgerichtshof een vraag gesteld over de uitlegging van artikel 6 van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (2) (hierna: „richtlijn 76/207”). De vraag van de verwijzende rechter luidt of afdoende is voldaan aan het vereiste dat een particulier de mogelijkheid moet hebben om zijn rechten met betrekking tot het beginsel van gelijke behandeling voor het gerecht te doen gelden, wanneer enkel hij, dat wil zeggen het Verwaltungsgerichtshof, als cassatierechter die slechts rechtsvragen toetst, daarvoor bevoegd is.
2. In de onderhavige zaak had de eiser in het hoofdgeding (hierna: „eiser”) – die bij een bevordering door een vrouw was gepasseerd – naast de beroepsweg van het Oostenrijkse Bundesgleichbehandlungsgesetz (hierna: „B‑GBG”) via de overheidsinstanties en het Verwaltungsgerichtshof waarbij hij vergoeding van de schade vorderde die hij zou hebben geleden wegens vermeende discriminatie, ook bij de burgerlijke rechter een algemene vordering wegens overheidsaansprakelijkheid ingesteld ter verkrijging van schadevergoeding wegens gestelde ontoereikende omzetting van de gemeenschapsrechtelijke bepalingen van artikel 2, lid 4, van richtlijn 76/207. De burgerlijke rechters verklaarden zich in drie instanties bevoegd en stelden vast dat er in beginsel sprake kan zijn van een recht op schadevergoeding wegens overheidsaansprakelijkheid bij niet-toepassing van het beginsel van gelijke behandeling, doch dat in casu niet aan de voorwaarden daarvoor was voldaan.
3. Wegens het bestaan van deze bijkomende rechtsgang bij de burgerlijke rechter in verschillende instanties, waarmee reeds aan de vereisten van artikel 6 van de hierboven genoemde richtlijn zou kunnen zijn voldaan, rijst de vraag of het verzoek om een prejudiciële beslissing van het Verwaltungsgerichtshof, dat ervan uitgaat dat uitsluitend hij bevoegd is, wel ontvankelijk is.
II – Rechtskader
A – Bepalingen van gemeenschapsrecht
4. Artikel 3, lid 1, van richtlijn 76/207 luidt:
„De toepassing van het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op grond van geslacht voor wat betreft de toegangsvoorwaarden, met inbegrip van de selectiecriteria, tot beroepen of functies, ongeacht de sector of de bedrijfstak, en tot alle niveaus van de beroepshiërarchie.”
5. Artikel 6 van richtlijn 76/207 bepaalt:
„De lidstaten nemen in hun interne rechtsorde de nodige voorschriften op om een ieder die meent te zijn benadeeld door de niet-toepassing te zijnen aanzien van het beginsel van gelijke behandeling in de zin van de artikelen 3, 4 en 5 de mogelijkheid te bieden om zijn rechten voor het gerecht te doen gelden na eventueel een beroep op andere bevoegde instanties te hebben gedaan.”
B – Bepalingen van nationaal recht
6. § 3 van het Oostenrijkse B‑GBG (in de op het relevante tijdstip geldende versie) bepaalt:
„Niemand mag in het kader van een dienst- of opleidingsverband overeenkomstig § 1, lid 1, rechtstreeks of indirect worden gediscrimineerd op grond van zijn geslacht, met name niet
1.-4. […]
5. bij de carrièreontwikkeling, in het bijzonder bij bevorderingen en bij aanstelling in beter beloonde posten (functies) […]”
7. § 15, lid 1, B‑GBG luidt als volgt:
„Indien een mannelijke of vrouwelijke ambtenaar een aanstelling (functie) is geweigerd wegens schending door de Staat van het beginsel van gelijke behandeling van § 3, punt 5, dan is de Staat tot schadevergoeding gehouden”
8. § 19, lid 2, B‑GBG bepaalt:
„Aanspraken van mannelijk of vrouwelijke ambtenaren krachtens § 15 […] jegens de Staat dienen […] bij de bevoegde overheidsinstantie te worden ingediend […]”
III – De feiten en het hoofdgeding
9. Eiser is rechter bij het Arbeits- und Sozialgericht Wien. Hij heeft twee keer gesolliciteerd naar een betrekking bij het Oberlandesgericht Wien. In verband met de quotumregeling in het kader van het voorkeursbeleid ten gunste van vrouwen werd hij echter beide keren gepasseerd door jongere vrouwen met minder anciënniteit.
10. Na de betrokken besluiten bracht eiser een algemene vordering wegens overheidsaansprakelijkheid voor het Landesgericht für Zivilrechtssachen Wien, ter verkrijging van vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden omdat geen rekening is gehouden met een aantal redenen die verband houden met zijn persoon. Het Landesgericht en het Oberlandesgericht Wien als appèlrechter aanvaardden unaniem de ontvankelijkheid van het beroep voor de burgerlijke rechter, maar oordeelden het beroep ongegrond. In hoogste instantie wees het Oberste Gerichtshof (hierna ook: „OGH”) als rechter in „Revision” de klacht weliswaar af, doch stelde het in zijn uitspraak vast dat het de burgerlijke rechter is die op basis van het Amthaftungsgesetz (wet overheidsaansprakelijkheid) respectievelijk de beginselen betreffende overheidsaansprakelijkheid over de ingevolge artikel 23 Bundesverfassungsgesetz (analoog) gegarandeerde rechten op schadevergoeding moet beslissen. De voorschriften van § 15 en § 19 B‑GBG kunnen deze – verdergaande – rechten geheel noch ten dele uitsluiten.
11. Bij het onderzoek van het recht op schadevergoeding wegens overheidsaansprakelijkheid kwam ook het OGH onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen betreffende het beginsel van gelijke behandeling in het kader van richtlijn 76/207 (3) tot de slotsom dat de Oostenrijkse begunstigingsmaatregel voor vrouwen bij gebreke van een „openingsclausule” niet verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Toch wees het eisers schadevordering af, omdat het vereiste causale verband tussen de rechtsschending en de gestelde schade ontbrak. Schneider heeft geen omstandigheden aangevoerd waarmee in zijn voordeel rekening had moeten worden gehouden in geval van een openingsclausule en van een transparante en toetsbare keuze.
12. Naast de vordering voor de burgerlijke rechter vorderde eiser bij brief van 11 januari 1999 ook bij de bevoegde overheidsinstantie, de bondsminister van Justitie, vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden omdat hij wegens discriminatie niet tot rechter bij het Oberlandesgericht Wien is benoemd. Tegen de afwijzende beslissing van de minister maakte hij bezwaar bij het Verwaltungsgerichtshof. Tot staving van de gestelde onrechtmatigheid van het besluit voerde hij met name aan dat hij ingevolge § 19 B‑GBG verplicht is schadevergoeding te vragen juist bij de overheidsinstantie die deze schade heeft veroorzaakt. Bovendien voldoet de rechterlijke controle die het Verwaltungsgericht op dergelijke besluiten uitoefent, niet aan de vereisten van een doeltreffende rechterlijke bescherming, omdat het als cassatierechter niet het recht heeft „om de beoordeling van de bewijzen te controleren”, zodat de controle van de feiten uitsluitend aan de overheidsinstantie zelf wordt overgelaten.
IV – Verzoek om een prejudiciële beslissing en procesverloop voor het Hof
13. Het Verwaltungsgerichtshof heeft twijfels over de verenigbaarheid van zijn eigen beperkte toetsingsbevoegdheid met het gemeenschapsrecht en verzoekt het Hof derhalve om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Moet artikel 6 van richtlijn 76/207/EEG van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, aldus worden uitgelegd dat in de daarin voorgeschreven mogelijkheid om rechten (in casu een eis tot schadevergoeding) voor het gerecht te doen gelden, ontoereikend is voorzien, indien deze rechten enkel geldend kunnen worden gemaakt bij het Oostenrijkse Verwaltungsgerichtshof, gezien diens wettelijk beperkte bevoegdheden (uitsluitend cassatierechter die niet kennis kan nemen van de feiten)?”
14. De Oostenrijkse regering en de Commissie hebben deelgenomen aan de procedure voor het Hof van Justitie.
15. Het Hof heeft partijen schriftelijke vragen gesteld.
De Oostenrijkse regering is verzocht de volgende vraag te beantwoorden:
Wat is de samenhang tussen de procedure wegens overheidsaansprakelijkheid voor het Landesgericht en de bezwaarschriftprocedure tegen het besluit van de bondsminister van Justitie voor het Verwaltungsgericht die Schneider in de onderhavige zaak heeft ingesteld?
De Commissie is verzocht de volgende vragen te beantwoorden:
1) Kan in rechtsgedingen waarin uitsluitend rechtsvragen worden getoetst, aan de vereisten die richtlijn 97/80 aan de bewijsplicht stelt, worden voldaan?
2) Valt een administratieve bezwaarschriftprocedure zoals in het hoofdgeding aan de orde is, onder de werkingssfeer van richtlijn 97/80? Zo ja, is dan de richtlijn van toepassing op de betrokken procedure gelet op het feit dat het bestreden besluit van de bondsminister van Justitie vóór het verstrijken van de omzettingstermijn van de richtlijn is genomen?
V – Argumenten van partijen
1. De Oostenrijkse regering
16. De Oostenrijkse regering wijst erop dat volgens de rechtspraak van het Hof (4) bij het ontbreken van een communautaire regeling de rechtsorde van elke lidstaat moet bepalen welke rechterlijke instantie in welke procedure bevoegd is om kennis te nemen van geschillen, echter met dien verstande dat de lidstaten gehouden zijn in elk concreet geval een effectieve bescherming van de individuele rechten die aan de communautaire rechtsorde zijn ontleend te verzekeren en de beginselen van gelijkwaardigheid en van effectiviteit te eerbiedigen. Voor de handhaving van deze beginselen en voor het bieden van rechtsbescherming komt echter niet uitsluitend een procedure in aanmerking waarin het de bevoegde nationale rechter is toegestaan zijn beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van die van de overheidsinstantie. Aangezien ook de gemeenschapsrechter – zoals uit het arrest Upjohn blijkt – zich ertoe beperkt de feitelijke grondslag en de daarop door de gemeenschapsinstantie toegepaste juridische kwalificatie te onderzoeken, en in hoofdzaak de vraag onderzoekt of er bij diens optreden geen sprake is van een kennelijke dwaling of misbruik van bevoegdheid, vereist het gemeenschapsrecht in vergelijkbare gevallen geen verdergaande toetsing door de nationale rechter.
17. Aangezien ook richtlijn 76/207 zelf voorziet in de mogelijkheid van een voorafgaand beroep bij andere bevoegde instanties, voldoet het door de Oostenrijkse wetgever gekozen stelsel waarin de rechterlijke toetsing van een administratieve procedure uitsluitend door het Verwaltungsgerichtshof wordt verricht, aan de vereisten van het gemeenschapsrecht.
18. Daarnaast heeft de voor de toetsing van vorderingen wegens overheidsaansprakelijkheid bevoegde burgerlijke rechter steeds volledige bevoegdheid om kennis te nemen van de feiten. Hij is net zo min aan de uitspraak van de administratieve rechter gebonden als omgekeerd. Het is enkel zo dat een via de administratieve rechter ingevolge § 15 B‑GBG toegekend recht op schadevergoeding ten aanzien van de schadevordering voor de burgerlijke rechter beperkend werkt omdat er in zoverre geen sprake is van schade.
19. Samengevat is de Oostenrijkse regering van mening dat artikel 6 van richtlijn 76/207 aldus moet worden uitgelegd dat met de toetsing van het besluit van de overheidsinstantie door het Verwaltungsgerichtshof naar behoren wordt voldaan aan de in dat artikel voorgeschreven mogelijkheid om rechten voor het gerecht te doen gelden.
2. De Commissie
20. De Commissie uit in haar schriftelijke opmerkingen in twee opzichten twijfel over de noodzaak van de prejudiciële vraag. Ten eerste zijn de beperkingen in de administratiefrechtelijke procedure niet van belang, waar de door Schneider parallel daaraan bij het Landesgericht für Zivilrechtssachen Wien ingestelde procedure wegens overheidsaansprakelijkheid de mogelijkheid biedt het besluit van de bondsminister van Justitie zowel ten aanzien van de feiten als ten aanzien van het recht volledig te toetsen. Ten tweede lijkt het in casu in wezen om een rechtsvraag te gaan, namelijk of de in de rechtspraak van het Hof (5) verlangde openingsclausule bij vrouwenquota ertoe verplicht om naast betere geschiktheid ook andere met de persoon van de mannelijke sollicitant verband houdende bijzondere omstandigheden in aanmerking te nemen.
21. Op basis van het antwoord van de Oostenrijkse regering op de door het Hof gestelde vraag en van de daarbij gevoegde uitspraak van het OGH in de parallel voor de burgerlijke rechter ingestelde procedure, heeft de Commissie ter terechtzitting het standpunt verdedigd dat de procedure wegens overheidsaansprakelijkheid voldoet aan alle in het gemeenschapsrecht gestelde procedurevereisten die aan een geding wegens discriminatie op grond van geslacht worden gesteld. Waar de Commissie aanvankelijk twijfels had over de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing, is zij nu van de niet-ontvankelijkheid daarvan overtuigd.
22. Enkel voor het geval dat het Hof deze beoordeling niet zou volgen, verwees de gemachtigde van de Commissie op de verdergaande uiteenzettingen in de schriftelijke opmerkingen van de Commissie. Deze kunnen als volgt worden samengevat: het beginsel van effectiviteit van het gemeenschapsrecht zou zelfs bij het ontbreken van een bijzonder voorschrift als artikel 6 van richtlijn 76/207 verlangen dat een doeltreffende rechtsbescherming van aan het gemeenschapsrecht ontleende rechten wordt gewaarborgd. De Oostenrijkse rechtssituatie met betrekking tot de administratiefrechtelijke procedure voldoet niet aan deze vereisten aangezien het het Verwaltungsgerichtshof niet is toegestaan alle feiten te onderzoeken en te beoordelen en desbetreffende onjuistheden van de overheid te corrigeren. Dat de rechtsbescherming gebrekkig is, blijkt vooral uit het feit dat de overheidsinstantie die de beslissing geeft, ook bevoegd is met betrekking tot bezwaren tegen haar eigen beslissing.
23. Vooral de samenhang met richtlijn 97/80/EG van de Raad van 15 december 1997 inzake de bewijslast in gevallen van discriminatie op grond van het geslacht (6) toont aan dat een effectieve rechtsbescherming enkel kan worden gewaarborgd indien de rechter alle voor de beslissing relevante feiten volledig kan beoordelen. Waar artikel 4, lid 1, van richtlijn 97/80 de lidstaten gelast in hun nationale rechtsstelsels de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat bij klachten wegens schending van het beginsel van gelijke behandeling de verweerder de bewijslast draagt dat dit beginsel niet werd geschonden, veronderstelt dit dat de verweerder voor de rechter niet alleen de juiste toepassing van het recht moet bewijzen, maar ook dat hij voor de rechter alle voor de beslissing relevante feiten in de beschouwing moet betrekken en dat de rechter deze volledig moet kunnen beoordelen. Dit blijkt vooral uit artikel 4, lid 3, omdat de lidstaten op grond daarvan slechts kunnen afwijken van de plicht van lid 1 wanneer de bevoegde rechter hoe dan ook reeds verplicht is de feiten te onderzoeken. De verwijzing in deze bepaling naar de feiten maakt duidelijk dat de rechter niet alleen een toetsing van het recht moet verrichten maar ook de juistheid van het feitenonderzoek moet nagaan.
24. In het kader van de beantwoording van de vragen van het Hof zet de Commissie uiteen dat de bondsminister van Justitie overigens niet als „bevoegde instantie” in de zin van artikel 4, lid 1, van richtlijn 97/80 kan worden aangemerkt omdat hij zelf voor de betwiste bevorderingspraktijk verantwoordelijk is. Met betrekking tot de toepasbaarheid van de richtlijn verdedigt de Commissie de opvatting dat doorslaggevend is dat bij het verstrijken van de omzettingstermijn in eisers zaak nog geen definitieve uitspraak was gedaan.
25. Derhalve staat de Commissie op het standpunt dat artikel 6 van richtlijn 76/207 en artikel 4 van richtlijn 97/80 aldus moeten worden uitgelegd dat de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, ingevolge het daarin verankerde gebod om een doeltreffende rechtsbescherming te waarborgen in geval van gestelde discriminatie op grond van geslacht, niet alleen moet kunnen toetsen of het toepasselijke recht door de instantie die het besluit heeft genomen, juist is uitgelegd en toegepast, maar ook of alle daarvoor relevante feiten juist zijn onderzocht en naar behoren in aanmerking zijn genomen.
VI – Juridische beoordeling
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
26. In de onderhavige zaak rijst met name de vraag of het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk is. In haar schriftelijke opmerkingen had de Commissie reeds twijfels daarover geuit. Pas door de antwoorden van de Oostenrijkse regering op zijn vraag is het Hof in het kader van de onderhavige procedure op de hoogte gebracht van de omvang van de problematiek en de omstandigheden die een beoordeling van de probleemstelling mogelijk maken.
27. De Oostenrijkse regering heeft als antwoord op de desbetreffende vraag van het Hof enerzijds betoogd dat de respectieve beslissingen van de genoemde instanties ten opzichte van elkaar in beginsel geen bindende werking hebben, en heeft anderzijds de uitspraak van het Oberste Gerichtshof dat in hoogste instantie over de procedure wegens overheidsaansprakelijkheid moest beslissen, toegelicht en als bijlage meegezonden.
28. Blijkens deze uitspraak hebben de bevoegde burgerlijke rechters bij de toetsing van de vordering wegens overheidsaansprakelijkheid uitgebreid onderzocht of er sprake was van schending van het beginsel van gelijke behandeling van richtlijn 76/207. Dit geldt zowel ten aanzien van de feiten, waar het de door eiser aangevoerde persoonlijke omstandigheden betreft, als ten aanzien van het recht, waar het de omvangrijke rechtspraak van het Hof over het beginsel van gelijke behandeling betreft. Inhoudelijk zijn in casu zowel de vordering wegens overheidsaansprakelijkheid als de vordering krachtens § 15 B‑GBG gericht op vergoeding van de schade die ontstaat door schending van het beginsel van gelijke behandeling bij de carrièreontwikkeling, ook al moet de gestelde rechtsschending in de procedure wegens overheidsaansprakelijkheid in de nationale, met het gemeenschaprecht strijdige rechtssituatie worden gezocht, terwijl het in de procedure voor het VGH om de onrechtmatigheid van het besluit van de bondsminister van Justitie gaat. Uit het B‑GBG valt niet af te leiden dat andere schadevorderingen expliciet zijn uitgesloten. In overeenstemming hiermee heeft het Oostenrijkse Oberste Gerichtshof als hoogste burgerlijke rechter onherroepelijk vastgesteld dat § 15 B‑GBG de in de grondwet gegarandeerde verdergaande schadevorderingen krachtens het Amthaftungsgesetz (wet overheidsaansprakelijkheid) of krachtens de beginselen van de overheidsaansprakelijkheid niet uitsluit. Formeel gaat het weliswaar om twee verschillende schadevorderingen, doch dit neemt niet weg dat beide uiteindelijk op financiële compensatie van de misgelopen hogere beloning zijn gericht.
29. In zoverre moet ervan worden uitgegaan dat eiser in het betrokken tijdvak en in de omstandigheden van het concrete geval hoe dan ook zowel via de burgerlijke als via de administratieve beroepsweg parallel een vordering tot schadevergoeding kon indienen.
30. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing is het vaste rechtspraak van het Hof dat de procedure van de prejudiciële beslissing van artikel 234 EG een instrument voor de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties is. (7)
31. Weliswaar dient het Hof in het kader van de in artikel 234 EG geregelde taakverdeling tussen hem en de nationale rechterlijke instanties voor het geven van zijn prejudiciële beslissing in beginsel niet te vragen naar de omstandigheden die de nationale rechterlijke instanties ertoe hebben aangezet die vragen te stellen, en evenmin naar de feiten waarop deze de bepaling van gemeenschapsrecht waarvan de uitlegging wordt gevraagd, willen toepassen. (8) Het is in beginsel uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het concrete geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. (9) Wanneer deze vragen betrekking hebben op de uitlegging van gemeenschapsrecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden. (10)
32. Het Hof kan evenwel geen uitspraak doen op een prejudiciële vraag wanneer duidelijk blijkt, dat de door een nationale rechterlijke instantie gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen verband houdt met het reële geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is. (11) In het arrest Meilicke (12) heeft het Hof daarover vastgesteld dat
„het […] aan het Hof [staat] om, ter toetsing van zijn eigen bevoegdheid, een onderzoek in te stellen naar de omstandigheden waaronder de verwijzende rechter zich tot hem heeft gewend. De geest van samenwerking waarin de prejudiciële verzoeken moeten worden gedaan, impliceert immers dat de verwijzende rechter oog heeft voor de aan het Hof opgedragen taak om bij te dragen aan een goede rechtsbedeling in de lidstaten, doch niet om adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken te formuleren.”
33. De Oostenrijkse regeling waarborgt – ongeacht de bewoordingen van de prejudiciële vraag – dat degene die meent te zijn benadeeld door de niet‑toepassing te zijnen aanzien van het beginsel van gelijke behandeling in de zin van richtlijn 76/207, de mogelijkheid heeft om zijn rechten voor het gerecht te doen gelden, zoals artikel 6 van richtlijn 76/207 vereist. Uit dit voorschrift valt niet af te leiden dat het bij deze gerechten uitsluitend om administratieve gerechten zou mogen gaan. Evenmin bestaat er twijfel over dat de Oostenrijkse burgerlijke gerechten van het Landesgericht tot en met het Oberste Gerichtshof rechterlijke instanties zijn in de zin van de met betrekking tot artikel 234 EG ontwikkelde criteria. (13)
34. De bij artikel 6 van richtlijn 76/207 vereiste mogelijkheid om rechten voor het gerecht te doen gelden bestaat in Oostenrijk dus middels de vordering bij de burgerlijke rechter wegens overheidsaansprakelijkheid. Gemeenschapsrechtelijk is daarbij niet van belang of er daarnaast nog een andere rechtsgang bestaat om schending van het beginsel van gelijke behandeling te doen gelden en of deze op zich beschouwd aan de vereisten van een effectieve rechtsbescherming voor de rechter voldoet. Eén effectieve mogelijkheid van rechtsbescherming voor de rechter volstaat.
35. De prejudiciële vraag is in casu hypothetisch voorzover daarin is gesteld dat de mogelijkheid om voor het gerecht een eis tot schadevergoeding wegens niet‑toepassing van het beginsel van gelijke behandeling te doen gelden, enkel bij het Oostenrijkse Verwaltungsgerichtshof gewaarborgd zou zijn. Zoals hierboven is uiteengezet biedt de Oostenrijkse rechtsorde met de voorschriften van de wet inzake overheidsaansprakelijkheid en de beginselen van de overheidsaansprakelijkheid waarvan de toepassing zowel feitelijk als rechtens door de burgerlijke rechter in drie instanties wordt getoetst, particulieren een rechtsgang waarin zij de niet‑toepassing te hunnen aanzien van het beginsel van gelijke behandeling kunnen aanvoeren, zoals artikel 6 van richtlijn 76/207 vereist. De vraag wat het geval zou zijn indien enkel het Verwaltungsgerichtshof bevoegd zou zijn inzake de rechterlijke toetsing van de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling, is in de gegeven omstandigheden van hypothetische aard.
36. Daaruit volgt dat het Hof niet bevoegd is om de prejudiciële vraag te beantwoorden. Het verzoek om een prejudiciële beslissing moet bijgevolg als niet‑ontvankelijk worden beschouwd. Op verdergaande inhoudelijke vragen, zoals de vraag naar de toepasbaarheid van richtlijn 97/80, behoeft derhalve niet te worden ingegaan.
VII – Conclusie
37. Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging de verwijzende rechter het volgende antwoord te geven:
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is niet-ontvankelijk.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – PB L 39, blz. 40.
3 – Arresten van 17 oktober 1995, Kalanke (C‑450/93, Jurispr. blz. I‑3051); 11 november 1997, Marshall (C‑409/95, Jurispr. blz. I‑6363); 28 maart 2000, Badeck e.a. (C‑158/97, Jurispr. blz. I‑1875), en 6 juli 2000, Abrahamsson e.a. (C‑407/98, Jurispr. blz. I‑5539).
4 – Arresten van 17 september 1997, Dorsch Consult (C‑54/96, Jurispr. blz. I‑4961, punt 40), en 21 januari 1999, Upjohn (C‑120/97, Jurispr. blz. I‑223, punten 32‑35).
5 – Arresten Marshall (aangehaald in voetnoot 3), Badeck e.a. (aangehaald in voetnoot 3) en Abrahamsson e.a. (aangehaald in voetnoot 3).
6 – PB 1998, L 14, blz. 6.
7 – Arresten van 1 december 1965, Schwarze (16/65, Jurispr. blz. 1152), 25 juni 1992, Ferrer Laderer (C‑147/91, Jurispr. blz. I‑4097, punt 6) en 16 juli 1992, Meilicke (C‑83/91, Jurispr. blz. I‑4871, punt 22).
8 – Arrest van 8 november 1990, Gmurzynska-Bscher (C‑231/89, Jurispr. blz. I‑4003, punt 22).
9 – Arresten van 3 maart 1994, Eurico Italia e.a. (C‑332/92, C‑333/92 en C‑335/92, Jurispr. blz. I‑711, punt 17), 26 oktober 1995, Furlanis (C‑143/94, Jurispr. blz. I‑3633, punt 12) en 16 juli 1998, ICI (C‑264/96, Jurispr. blz. I‑4695, punt 15).
10 – Arrest van 18 juni 1991, Piageme e.a. (C‑369/89, Jurispr. blz. I‑2971, punt 10).
11 – Beschikking van 25 mei 1998, Rouhollah Nour (C‑361/97, Jurispr. blz. I‑3101).
12 – Aangehaald in voetnoot 7, punt 25, met verwijzing naar het arrest van 16 december 1981, Foglia (C‑244/80, Jurispr. blz. 3045, punten 18‑21).
13 – Arrest van 17 september 1997, Dorsch Consult (C‑54/96, Jurispr. blz. I‑4961, punt 23).
Full & Egal Universal Law Academy