CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. TIZZANO
van 26 maart 2003 (1)
Zaak C-411/01
GEFCO SA
tegen
Receveur principal des douanes
[verzoek van het Tribunal d'instance de Metz (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Gemeenschappelijke handelspolitiek – Passieve veredeling in driehoeksverkeer – Aangifte ten uitvoer – Tijdelijk uitgevoerde goederen – Onjuiste vermelding van tariefpost – Veredelingsproducten – In vrije verkeer brengen – Berekening van invoerrechten”
1. Het Tribunal d'instance de Metz verzoekt het Hof om uitlegging van de artikelen 145 tot en met 151 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (2) (PB L 302, blz. 1; hierna: douanewetboek). De prejudiciële vraag is gerezen in een geding over de vaststelling van de douaneschuld die is ontstaan bij passieve veredeling in driehoeksverkeer (3) .
2. De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of een ondernemer die goederen bij hun tijdelijke uitvoer uit het douanegebied van de Gemeenschap onder een onjuiste tariefpost heeft aangegeven, bij het in het vrije verkeer brengen van de veredelingsproducten het bedrag mag aftrekken van de invoerrechten die op basis van de juiste tariefpost voor de tijdelijk uitgevoerde goederen verschuldigd zouden zijn geweest.
Rechtskader
3. Zoals blijkt uit artikel 4, punt 16, voorziet het douanewetboek in diverse douaneregelingen voor goederen die in het douanegebied van de Gemeenschap worden ingevoerd of uit het douanegebied van de Gemeenschap worden uitgevoerd.
De douaneaangifte
4. Voor goederen die bestemd zijn om onder een douaneregeling te worden geplaatst, moet een aangifte tot plaatsing onder deze douaneregeling worden gedaan (artikel 59 van het douanewetboek), via een douaneaangifte die door de betrokken marktdeelnemer wordt ingediend bij het bevoegde douanekantoor.
5. Na de indiening kan een douaneaangifte worden gewijzigd onder de voorwaarden vastgesteld in artikel 65: Aan de aangever wordt, op zijn verzoek, toegestaan een of meer van de vermeldingen in de aangifte te wijzigen nadat deze door de douaneautoriteiten is aanvaard. De wijziging mag niet tot gevolg hebben dat de aangifte betrekking heeft op andere goederen dan die waarop zij oorspronkelijk betrekking had.Er wordt evenwel geen wijziging meer toegestaan wanneer het verzoek daartoe wordt gedaan nadat de douaneautoriteiten:
a) hetzij de aangever in kennis hebben gesteld van hun voornemen de goederen aan een onderzoek te onderwerpen;
b) hetzij hebben geconstateerd dat de betrokken vermeldingen onjuist zijn;
c) hetzij de goederen hebben vrijgegeven.
Controle achteraf van de aangiften
6. Volgens artikel 78 van het douanewetboek kunnen de douaneautoriteiten ook na de vrijgave van de goederen ambtshalve of op verzoek van de aangever tot herziening van de douaneaangifte overgaan (lid 1). Meer in het bijzonder nemen de douaneautoriteiten indien uit de herziening van de aangifte of uit de controles achteraf blijkt dat de bepalingen die voor de betrokken douaneregeling gelden, op grond van onjuiste of onvolledige gegevens zijn toegepast, [...] met inachtneming van de eventueel vastgestelde bepalingen, de nodige maatregelen om een en ander recht te zetten, rekening houdend met de nieuwe gegevens waarover zij beschikken(lid 3).
De vergunning voor economische douaneregelingen
7. Volgens artikel 85 is voor het gebruik van bepaalde douaneregelingen (de zogenoemde economische douaneregelingen, waaronder de passieve veredeling) een vergunning van de douaneautoriteiten vereist. De voorwaarden waaronder de betrokken regeling wordt gebruikt, worden in de vergunning vastgesteld (artikel 87, lid 1). Deze voorwaarden verschillen naargelang van de gekozen regeling.
8. Om te kunnen nagaan of steeds aan deze voorwaarden is voldaan preciseert artikel 87, lid 2: De houder van de vergunning dient de douaneautoriteiten mededeling te doen van elk feit dat zich na afgifte van de vergunning voordoet en dat gevolgen kan hebben voor de handhaving of de inhoud van de vergunning.
Boeking van rechten achteraf
9. Artikel 220 van het douanewetboek luidt, voorzover hier relevant: 1. Indien het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit een douaneschuld [(tegen)...] een lager bedrag is geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag, dient de boeking van het in te vorderen of aanvullend in te vorderen bedrag aan rechten te geschieden binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten deze situatie hebben vastgesteld en het wettelijk verschuldigde bedrag kunnen berekenen en zij de schuldenaar kunnen aanwijzen (boeking achteraf) [...].2. [...] wordt niet tot boeking achteraf overgegaan wanneer:[...]
b) het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt, ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan.
De passieve veredeling
10. Het passieve veredelingsverkeer waarom het in deze zaak gaat, is geregeld in de artikelen 145 tot en met 160 van het douanewetboek.
11. Onder deze regeling is het mogelijk om communautaire goederen tijdelijk uit het douanegebied van de Gemeenschap uit te voeren teneinde deze aan veredelingshandelingen te onderwerpen en de uit die handelingen voortkomende veredelingsproducten met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer in het vrije verkeer te brengen (artikel 145, lid 1).
12. Volgens artikel 145, lid 3, wordt verstaan onder tijdelijk uitgevoerde goederen de onder de regeling passieve veredeling geplaatste goederen, onder veredelingshandelingen de in artikel 114, lid 2, sub c, eerste, tweede en derde streepje, bedoelde handelingen, dat wil zeggen de bewerking van goederen, met inbegrip van het monteren, het assembleren en het aanpassen ervan aan andere goederen, de verwerking van goederen, de herstelling van goederen, met inbegrip van revisie en afstelling. En veredelingsproducten tenslotte zijn alle producten die het resultaat zijn van veredelingshandelingen.
13. De artikelen 147 en 148 van het douanewetboek regelen de afgifte van de vergunning voor passieve veredeling. Artikel 147, lid 1, bepaalt met name dat de vergunning voor passieve veredeling wordt afgegeven op verzoek van de persoon die de veredelingshandelingen laat verrichten.
14. Artikel 148, sub b, bepaalt dat de vergunning slechts wordt verleend indien wordt geoordeeld dat zal kunnen worden vastgesteld dat de veredelingsproducten het resultaat zijn van de behandeling van de tijdelijk uitgevoerde goederen.
15. Artikel 150, lid 2, van het douanewetboek luidt:Gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer als bedoeld in artikel 151, lid 1, wordt niet verleend wanneer aan een van de voorwaarden of verplichtingen met betrekking tot de regeling passieve veredeling niet is voldaan, tenzij vaststaat dat dit verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van deze regeling.
16. Artikel 151, leden 1 en 2, van het douanewetboek bepaalt: 1. De hoogte van de gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de invoerrechten als bedoeld in artikel 145 van het douanewetboek wordt vastgesteld door het bedrag van de invoerrechten die op de in het vrije verkeer gebrachte veredelingsproducten van toepassing zijn, te verminderen met het bedrag van de invoerrechten die op dezelfde datum op de tijdelijk uitgevoerde goederen van toepassing zouden zijn, indien deze goederen uit het land waar de veredelingshandeling of de laatste veredelingshandeling is verricht, in het douanegebied van de Gemeenschap zouden worden ingevoerd.2. Het krachtens lid 1 in mindering te brengen bedrag wordt berekend aan de hand van de hoeveelheid en de soort van de betrokken goederen op de datum van aanvaarding van de aangifte tot plaatsing onder de regeling passieve veredeling en op grond van de andere heffingselementen die op deze goederen van toepassing zijn op de datum van aanvaarding van de aangifte tot het in het vrije verkeer brengen van de veredelingsproducten.
Het driehoeksverkeer
17. Voor deze zaak zijn eveneens van belang de bepalingen betreffende de passieve veredeling in driehoeksverkeer, zoals vastgesteld in de artikelen 748 tot en met 787 van verordening (EEG) nr. 2454/93 (4) van 2 juli 1993 (hierna: uitvoeringsverordening).
18. Volgens artikel 748 in het bijzonder is er sprake van passieve veredeling in driehoeksverkeer, wanneer het in het vrije verkeer brengen van veredelingsproducten plaatsvindt bij een ander douanekantoor dan het douanekantoor waarbij de tijdelijke uitvoer heeft plaatsgevonden.
19. In casu is artikel 778 van belang, dat bepaalt dat de onder deze regeling geplaatste goederen vergezeld moeten gaan van een bepaald inlichtingenblad, inlichtingenblad INF 2 genoemd, en dat bij het indienen van de aangifte voor het vrij verkeer moet worden overgelegd (artikel 781).
De gecombineerde nomenclatuur
20. Ten slotte moet eraan worden herinnerd, dat in de bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (5) ingevoerde gecombineerde nomenclatuur de goederen in het bijzonder ten behoeve van de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief in tariefposten zijn ingedeeld.
I ─ Feiten en procesverloop
21. Aan het hoofdgeding ligt een passieve veredelingshandeling in driehoeksverkeer ten grondslag waarbij, in verschillende functies, Hewlett Packard Italiana, Hewlett Packard France en Hewlett Packard Europe (hierna respectievelijk: HP Italia, HP France en HP Europe), douane-expediteur Gefco SA (hierna: Gefco) en de Franse en Italiaanse douaneautoriteiten betrokken waren.
22. In 1995 kreeg HP Italia van de Italiaanse douaneautoriteiten een vergunning om hardware-onderdelen (elektronische kaarten) die onder GN-post 8473 30 90 waren aangegeven, onder de regeling passieve veredeling tijdelijk uit te voeren en vervolgens, als veredelingsproducten, laserprinters in te voeren.
23. In het door de Italiaanse douaneautoriteiten op verzoek van HP Italia afgegeven inlichtingenblad INF 2 was als referentietariefpost voor de uitgevoerde onderdelen post 8473 vermeld, dat wil zeggen slechts de eerste vier cijfers van de aangegeven tariefpost.
24. Zowel de vergunning voor passieve veredeling alsook inlichtingenblad INF 2 ging vergezeld van een gedetailleerde beschrijving van het technische ontwerp van de kaarten.
25. De elektronische kaarten werden uit Italië naar China en Japan uitgevoerd. Daar werden zij ingebouwd in printers die in de loop van 1996 en 1997 door HP France voor rekening van HP Europe via het douanekantoor Ennery in Frankrijk zijn heringevoerd.
26. Bij de herinvoer werden de kaarten door Gefco, die als douane-expediteur voor HP France optrad, niet aangegeven onder de in Italië bij uitvoer aangegeven GN-post 8473 30 90, maar onder GN-post 8473 30 10, die voor de berekening van de in het passieve veredelingsverkeer geldende vrijstelling gunstiger is.
27. Deze afwijking tussen de tariefposten werd door de Franse douaneautoriteiten tijdens later onderzoek ontdekt. Daarbij bleek dat de aangifte eenzijdig door de douane-expediteur in opdracht van HP Europe was gewijzigd. Tevens kwam bij dit onderzoek aan het licht dat deze onjuiste aangifte tot november 1996 ook bij andere handelingen had plaatsgevonden.
28. Daarop hebben de Franse douaneautoriteiten in een proces-verbaal van 3 december 1998 en vervolgens in een proces-verbaal van 26 september 2000 Gefco verweten, de tariefposten eenzijdig en zonder de noodzakelijke toestemming van de douaneautoriteiten te hebben gewijzigd, en bij dwangbevel van 19 oktober 2000 betaling van een bedrag van 8 795 672 FRF aan douanerechten en BTW van haar gevorderd.
29. Gefco heeft vervolgens verzet gedaan bij het Tribunal d'instance de Metz. Zij heeft onder meer een ─ op een verzoek van HP Italia van 29 november 2000 afgegeven ─ verklaring van de Italiaanse douaneautoriteiten van 21 december 2000 in het geding gebracht, waarin werd bevestigd dat de bij de uitvoer van de goederen onjuist aangegeven GN-post 8473 30 90 niet in overeenstemming is met de omschrijving van de uitgevoerde goederen (6) .
30. Aangezien volgens het Tribunal d'instance de Metz twijfel bestaat over de uitlegging van de artikelen 145-151 van het douanewetboek, heeft het het Hof krachtens artikel 234 EG de volgende prejudiciële vraag gesteld:Moeten in het kader van de regeling passieve veredeling in driehoeksverkeer de artikelen 145 tot en met 151 van het communautair douanewetboek [verordening (EEG) nr. 2913/92] aldus worden uitgelegd, dat het een ondernemer verboden is, bij het in het vrije verkeer brengen van veredelingsproducten het bedrag af te trekken van de invoerrechten die, wanneer de juiste tariefpost was toegepast, op de tijdelijk uitgevoerde goederen van toepassing zouden zijn, indien zij bij de uitvoer zijn aangegeven onder een andere, onjuiste tariefpost?
31. In de procedure voor het Hof hebben Gefco, de Franse en de Portugese regering en de Commissie schriftelijke opmerkingen ingediend.
II ─ Juridische Analyse
Ingediende opmerkingen
32. Gefco betoogt dat de discrepantie tussen de opgegeven tariefposten in de verschillende fasen van de passieve veredeling berusten op een administratieve vergissing van de Italiaanse autoriteiten, die zij te goeder trouw over het hoofd heeft gezien.
33. Onder die omstandigheden moet artikel 151, lid 2, van het douanewetboek aldus worden uitgelegd dat het een ondernemer te goeder trouw is toegestaan om van de rechten die over de veredelingsproducten verschuldigd zijn, het bedrag af te trekken van de rechten die op basis van de met hun werkelijke soort overeenkomende tariefpost op de tijdelijk uitgevoerde goederen van toepassing zouden zijn, ook wanneer deze tariefpost verschilt van de bij uitvoer aangegeven tariefpost.
34. Gefco stelt verder dat de vergissing bij de aangifte ten uitvoer van de goederen in casu geen gevolgen heeft gehad voor de juiste werking van de regeling passieve veredeling, zodat de vrijstelling van rechten voldoet aan de voorwaarden van artikel 150, lid 2, van het douanewetboek.
35. De regeling passieve veredeling beoogt immers te voorkomen dat over de voor veredelingsdoeleinden uit het douanegebied van de Gemeenschap uitgevoerde communautaire goederen bij herinvoer in de Gemeenschap douanerechten worden geheven. Teneinde dit resultaat te bereiken is het noodzakelijk en voldoende zich ervan te vergewissen dat de veredelingsproducten het resultaat zijn van de veredeling van de tijdelijk uitgevoerde goederen.
36. Tenslotte voert Gefco aan, dat het tegenovergestelde standpunt van de Franse douaneautoriteiten tot gevolg heeft dat een sanctie zou worden opgelegd die duidelijk onevenredig is aan de ernst van de inbreuk op de douaneregels, omdat de verwezenlijking van het doel van de betrokken economische douaneregeling zonder reden wordt aangetast.
37. De Franse regering is van mening dat de gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten in beginsel moet worden gebaseerd op de aangifte van tijdelijke uitvoer.
38. Dat betekent niet dat de mogelijkheid om rekening te houden met de werkelijke soort van de tijdelijk uitgevoerde goederen volledig is uitgesloten. De werkelijke aard en de juiste tariefpost van de goederen kunnen echter enkel worden bewezen door overlegging van de desbetreffende douanedocumenten. Zijn deze onjuist, omdat de douaneaangifte onjuist was, moet die aangifte worden gewijzigd, wat slechts mogelijk is met inachtneming van de in de communautaire douaneregeling vastgestelde procedures en voorwaarden.
39. Volgens de Franse regering volgt uit de artikelen 65, lid 1, en 87, lid 2, van het douanewetboek dat de ondernemer die een wijziging verlangt, tijdig een verzoek bij de douaneautoriteiten moet indienen en hun het bewijs van de noodzaak van de wijziging van de tariefpost moet leveren. De douaneautoriteiten zijn anders niet in staat om de soort van de goederen waarvoor een bepaalde douaneregeling is verleend te verifiëren.
40. Verder stelt de Franse regering dat Gefco evenmin tijdig gebruik heeft gemaakt van de in artikel 78 van het douanewetboek gegeven mogelijkheid tot herziening van de douaneaangifte, zodat zij zich bij de nationale rechter niet meer op de onjuistheid van de betrokken aangifte kan beroepen.
41. De Franse regering geeft het Hof dus in overweging te antwoorden, dat een ondernemer die in het kader van een passieve veredelingshandeling een onjuiste tariefpost in de aangifte ten uitvoer heeft vermeld en die aangifte niet vóór de aanvaarding door de douaneautoriteiten met inachtneming van de in artikel 65 gestelde voorwaarden heeft gewijzigd, of deze autoriteiten niet in kennis heeft gesteld van na de vergunningverlening ingetreden omstandigheden die kunnen leiden tot een herziening van de douaneaangifte overeenkomstig artikel 78, bij het in het vrije verkeer brengen van veredelingsproducten niet het bedrag kan aftrekken van de invoerrechten die op basis van de juiste tariefpost op de tijdelijk uitgevoerde goederen van toepassing zouden zijn.
42. De Portugese regering steunt het standpunt van de Franse regering in beginsel, en is van mening dat eenzijdige wijziging van de tariefindeling van de tijdelijk uitgevoerde goederen niet is toegestaan.
43. Een andere oplossing is volgens haar echter mogelijk, wanneer aan de voorwaarden van artikel 220, lid 2, van het douanewetboek zou zijn voldaan. Het douanekantoor van de plaats van invoer van de veredelingsproducten behoort in het kader van passieve veredeling in driehoeksverkeer rekening te houden met de juiste tariefpost van de goederen, wanneer de onjuiste indeling het gevolg is van een vergissing van de douaneautoriteiten van de plaats van uitvoer die redelijkerwijs niet door de ondernemer kon worden ontdekt, en de ondernemer aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan. In elk geval is het aan de nationale rechter om na te gaan of in het concrete geval aan deze voorwaarden is voldaan.
44. De Commissie wijst er om te beginnen op dat de regeling passieve veredeling een vergunningstelsel kent en dat de vergunning voor een bepaalde economische handeling en voor een bepaalde soort goederen wordt afgegeven, zodat de nationale rechter, wanneer de opgegeven tariefpost niet in overeenstemming met de werkelijke aard van de tijdelijk uitgevoerde goederen is, eerst moet vaststellen of de verleende vergunning, gelet op de inhoud ervan, de daadwerkelijk uitgevoerde goederen wel kan dekken.
45. In het concrete geval vermeldde de vergunning weliswaar een onjuiste tariefpost, maar werd daarin wat de precieze soort van de goederen betreft verwezen naar een bijgevoegde gedetailleerde omschrijving waaruit lijkt te kunnen worden afgeleid dat de vergunning de daadwerkelijk uitgevoerde goederen inderdaad dekt.
46. Is dit het geval, moet nog worden nagegaan of de vastgestelde overtreding van de voorschriften van de regeling passieve veredeling, in casu een onjuiste douaneaangifte, gevolgen heeft gehad voor de juiste werking van de regeling, want slechts dan kan dit verzuim overeenkomstig artikel 150, lid 2, worden gesanctioneerd.
47. Volgens de Commissie moet zonder meer worden uitgesloten dat de onjuiste aangifte van de soort van de tijdelijk uitgevoerde goederen de werking van de douaneregeling schaadt, wanneer deze aangifte nadien is herzien overeenkomstig artikel 78, lid 3, rekening houdend met de werkelijke soort van de uitgevoerde goederen. In dat geval verzet niets zich er namelijk tegen dat de door de invoer van de veredelingsproducten ontstane douaneschuld op basis van de werkelijke soort van de tijdelijk uitgevoerde goederen wordt vastgesteld, ook al wijkt deze af van de oorspronkelijke opgegeven soort.
48. Ook wanneer geen herziening plaatsvindt, kan de betrokken partij niettemin voor de rechter het bewijs leveren van de werkelijke soort van de tijdelijk uitgevoerde goederen en van het feit dat de veredelingsproducten daadwerkelijk uit de verwerking van deze goederen zijn verkregen. Vanzelfsprekend zal in dat geval wel een bewijsmiddel moeten worden aangevoerd ─ bijvoorbeeld een controle achteraf door de douaneautoriteiten of een deskundigenrapport ─ dat de inhoud van het douanedocument met absolute zekerheid kan weerleggen, dus ondubbelzinnig kan bewijzen dat de onjuiste aangifte van de soort van de tijdelijk uitgevoerde goederen de werking van de betrokken douaneprocedure niet heeft geschaad.
49. In casu is, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft verklaard, aan deze voorwaarden voldaan, omdat de soort van de tijdelijk uitgevoerde goederen en de identiteit van de goederen vóór en na hun verwerking gemakkelijk kunnen worden nagegaan op basis van de bij de oorspronkelijke douanedocumenten gevoegde gedetailleerde omschrijving. Overigens hebben de Italiaanse douaneautoriteiten na een controle achteraf de juistheid van de door Gefco gestelde feiten bevestigd.
50. De Commissie komt dus tot de slotsom dat wanneer de tijdelijk uitgevoerde goederen onder een onjuiste tariefpost zijn aangegeven, de belastingschuldige moet bewijzen dat deze onjuiste aangifte geen enkel werkelijk gevolg voor de juiste werking van de regeling passieve veredeling heeft gehad. Wordt dit bewijs geleverd en kan met name aan de hand van een douanecontrole achteraf de juiste tariefpost van de tijdelijk uitgevoerde goederen met zekerheid worden vastgesteld, dan heeft de belastingschuldige het recht om bij het in het vrije verkeer brengen van de veredelingsproducten het bedrag van de invoerrechten die op basis van de juiste tariefpost op de tijdelijk uitgevoerde goederen van toepassing zouden zijn, in aftrek te brengen.
Beoordeling
51. Alvorens ik deze standpunten zal bespreken, moet ik eerst opmerken dat het door de Portugese regering aangevoerde artikel 220, lid 2, van het douanewetboek mijns inziens voor de oplossing van ons probleem niet bruikbaar is.
52. Ik herinner eraan dat volgens deze bepaling niet tot boeking achteraf wordt overgegaan wanneer het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt, ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan.
53. Theoretisch gezien is deze weg misschien begaanbaar, maar volgens mij leidt dit hier tot niets. Weliswaar heeft de Franse douane, na het bedrag van de rechten op de veredelingsproducten op een bepaald niveau te hebben vastgesteld rekening houdend met de door Gefco bij invoer aangegeven tariefpost, dit bedrag nadien op basis van de bij uitvoer aangegeven, afwijkende tariefpost opnieuw vastgesteld en in overeenstemming met artikel 220, lid 1, verhoogd, maar de vergissing die de boeking achteraf noodzakelijk maakte, was noch aan de Franse noch aan de Italiaanse douane te wijten, maar hoofdzakelijk aan de vergissing van de exporteur, HP Italia, die in zijn eigen uitvoeraangiften (7) een onjuiste tariefpost heeft opgegeven. Er is dus mijns inziens niet voldaan aan de eerste van de in artikel 220, lid 2, gestelde voorwaarden die boeking achteraf beletten.
54. Ook kan niet worden gesteld dat de vergissing redelijkerwijze niet door de belastingschuldige kon worden ontdekt (zoals artikel 220 verlangt), want uit de feiten blijkt juist dat Gefco deze vergissing heeft bemerkt en de douaneaangiften bij de invoer van de veredelingsproducten daarom eenzijdig heeft gewijzigd.
55. Ook de tweede voorwaarde van artikel 220, lid 2, kan dus niet worden geacht te zijn vervuld in deze zaak.
56. Met betrekking tot de kern van de tussen partijen gevoerde discussie merk ik om te beginnen op, dat geen van hen bestrijdt dat in casu niet aan de voorwaarden van de regeling passieve veredeling is voldaan; het staat immers vast dat bij de uitvoer een onjuiste aangifte is gedaan en dat de douaneautoriteiten niet in kennis zijn gesteld van de vergissing.
57. Tevens betwist niemand dat gelet op artikel 150, lid 2, van het douanewetboek schending van de voorwaarden van de betrokken douaneregeling niet noodzakelijkerwijs tot hogere rechten behoeft te leiden, wanneer het bewijs wordt geleverd dat die schending geen wezenlijke gevolgen voor de werking van de regeling heeft gehad.
58. Zoals wij hebben gezien, lopen de meningen echter uiteen over de vraag of dat bewijs ook toelaatbaar is in een geval als het onderhavige, waarin de schending is vastgesteld en vervolgens de uitvoeraangifte en de vergunning voor passieve veredeling niet zijn herzien overeenkomstig artikel 78, lid 3.
59. De Franse regering lijkt ervan uit te gaan dat herziening van het douanedocument onontbeerlijk is, omdat er een soort onweerlegbaar vermoeden van juistheid voor zou gelden, zodat niet op andere wijze kan worden bewezen dat de veredelingsproducten daadwerkelijk door verwerking van de tijdelijk uitgevoerde goederen zijn verkregen. Daarentegen betogen Gefco en de Commissie dat de belanghebbende ook zonder formele herziening van het douanedocument de mogelijkheid heeft met andere middelen bewijs te leveren.
60. Zelf wil ik om te beginnen opmerken dat, wanneer de tegengestelde standpunten even buiten beschouwing worden gelaten, wellicht op de gestelde vraag een met beide posities verenigbaar antwoord kan worden gevonden zonder dadelijk voor een van beide standpunten te moeten kiezen. Ik ben namelijk van mening, dat in dit specifieke geval een oplossing kan worden gevonden door rechtstreeks aan te knopen bij artikel 78 van het douanewetboek, zoals uitgelegd in het recente arrest Overland (8) .
61. Dat arrest betrof het geval van een ondernemer die bij de invoer van bepaalde producten bij vergissing een hogere waarde dan de werkelijke waarde had aangegeven. Nadat hij de vergissing had ontdekt, verzocht hij om terugbetaling van de niet-verschuldigde rechten. Zijn verzoek werd ingewilligd, doch nadien werd de desbetreffende beslissing nietig verklaard. Het Hof achtte het in zijn arrest niet noodzakelijk om een principieel antwoord te geven op de vraag of de douaneautoriteiten verplicht zijn over te gaan tot herziening van de douaneaangifte overeenkomstig artikel 78 en onder welke voorwaarden. Het Hof volstond met de vaststelling dat de autoriteiten het verzoek aanvankelijk hadden ingewilligd en dat aangezien een dergelijk verzoek niet kon worden ingewilligd zonder een nieuw onderzoek door de douaneautoriteiten van de douaneaangifte op grond van het nieuwe element dat [...] was aangevoerd, [...] ervan [moet] worden uitgegaan dat deze autoriteiten bereid waren de aangiften te herzien en op grond van deze herziening en de resultaten ervan de nodige maatregelen hebben genomen om een en ander recht te zetten in de zin van artikel 78, lid 3, van het douanewetboek, op grond dat de aangiften onvolledig waren wegens een onbedoelde vergissing van de aangever (punt 23).
62. Het Hof heeft met andere woorden erkend dat een beslissing van de douaneautoriteiten waarvan de inhoud onverenigbaar is met die van een eerdere onjuiste douaneaangifte, kan (of, juister, moet) worden beschouwd als een stilzwijgende beslissing tot rectificatie van deze aangifte in de zin van artikel 78.
63. In het onderhavige geval hebben de Italiaanse douaneautoriteiten de onjuistheid van de uitvoeraangifte erkend, want op een krachtens artikel 78 ingediend verzoek hebben zij verklaard dat de soort van de uitgevoerde goederen verschilde van de in de aangifte vermelde. Uitgaande van het genoemde arrest kan een dergelijke erkenning op één lijn worden gesteld met een ─ zij het ook stilzwijgende ─ beslissing tot herziening van de aangifte ten uitvoer overeenkomstig artikel 78.
64. Mijns inziens is daarmee behandeling van de principiële vraag waarover partijen, zoals vermeld (punten 58 en 59), ernstig van mening verschillen, overbodig geworden, ook al omdat het douanewetboek volgens mij niet veel aanknopingspunten voor een ondubbelzinnig en definitief antwoord biedt. Ik wil in dit verband slechts mijn verbazing uitspreken over een oplossing die de mogelijkheid om in de bedoelde situaties een alternatief bewijs te leveren altijd en in elk geval uitsluit, want zoiets is naar mijn mening nauwelijks met de doelstellingen en met een rechtvaardige en redelijke beoordeling van de regeling in overeenstemming te brengen.
65. Zeker in de buitengewone gevallen waarin de douaneautoriteiten zelf de onjuistheid van de betrokken documenten wat de opgegeven indeling van de goederen betreft hebben vastgesteld en de juiste indeling door bewijs van hun werkelijke soort gemakkelijk is te achterhalen, kan mijns inziens de betrokkenen deze bewijslevering niet worden ontzegd, ook al zijn de douanedocumenten niet formeel gewijzigd.
66. Anders zou immers niet enkel de bepaling van artikel 150, lid 2, zinloos zijn, maar zou bovendien het doel van de regeling passieve veredeling worden miskend, omdat de marktdeelnemers dan hogere rechten moeten betalen, hetgeen, gelet op door het met het douanewetboek in zijn geheel en door de regeling passief veredelingsverkeer in het bijzonder nagestreefde doelstellingen van gemeenschappelijke handelspolitiek, niet te rechtvaardigen zou zijn.
67. Mijns inziens vormt de onderhavige zaak juist een dergelijk buitengewoon geval, omdat de Italiaanse douaneautoriteiten zelf hebben bevestigd dat de tariefpost waaronder de goederen waren aangegeven en waaronder de uitvoervergunning was verleend, onjuist was.
68. Het is vanzelfsprekend de taak van de verwijzende rechter om de feiten te beoordelen en vast te stellen of Gefco het betrokken bewijs heeft geleverd. Ik beperk mij hier tot de opmerking dat het bewijs van de werkelijke soort van de tijdelijk uitgevoerde goederen en van de identiteit tussen deze goederen en de componenten van de veredelingsproducten mij niet al te moeilijk lijkt. Het bewijs wordt namelijk vereenvoudigd door het feit dat de kaarten ongewijzigd in de printers werden ingebouwd, en het kan dus zowel worden gebaseerd op de bij de vergunning en inlichtingenblad INF 2 gevoegde gedetailleerde technische beschrijving, alsook op de desbetreffende na het herzieningsverzoek door de Italiaanse douaneautoriteiten afgegeven verklaring, die door de Commissie ter terechtzitting is bevestigd.
69. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof dus in overweging om op de vraag van het Tribunal d'instance de Metz te antwoorden dat de artikelen 145 tot en met 151 van het douanewetboek aldus moeten worden uitgelegd, dat zij zich er niet tegen verzetten dat in een geval als het onderhavige aan de ondernemer die goederen onder een onjuiste tariefpost voor het passieve veredelingsverkeer heeft aangegeven, bij het in het vrije verkeer brengen van de veredelingsproducten wordt toegestaan het bedrag van de invoerrechten die op basis van de juiste tariefpost op de tijdelijk uitgevoerde goederen van toepassing zouden zijn, in aftrek te brengen.
III ─ Conclusie
70. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging te antwoorden als volgt:De artikelen 145 tot en met 151 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat in een geval als het onderhavige aan de ondernemer die goederen onder een onjuiste tariefpost voor het passieve veredelingsverkeer heeft aangegeven, bij het in het vrije verkeer brengen van de veredelingsproducten wordt toegestaan het bedrag van de invoerrechten die op basis van de juiste tariefpost op de tijdelijk uitgevoerde goederen van toepassing zouden zijn, in aftrek te brengen.
1 – Oorspronkelijke taal: Italiaans.
2 – PB L 302, blz. 1.
3 – Zie hieronder, punten 11 en 18.
4 – Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253, blz. 1).
5 – Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1734/96 (PB L 238, blz. 1).
6 – Zie de notitie van de Circoscrizione doganale di Milano van 21 december 2000 (document nr. 9 van de bijlage bij de schriftelijke opmerkingen van Gefco).
7 – Zie de door Gefco overgelegde bijlagen 7 en 8.
8 – Arrest van 5 december 2002, Overland (C-379/00, Jurispr. blz. I-11133).
Full & Egal Universal Law Academy