CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MISCHO
van 15 mei 2003 (1)
Zaak C-416/01
Sociedad Cooperativa General Agropecuaria (ACOR)
tegen
Administración General del Estado,
in tegenwoordigheid van:
Azucareras Reunidas de Jaén SA,
Ebro Puleva SA, voorheen Azucarera Ebro Agrícolas SA
[verzoek van het Tribunal Supremo (Spanje) om een prejudiciële beslissing]
„Gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker – Herverdeling of overdracht van quota – Uitlegging van verordeningen van de Raad (EEG) nr. 1785/81, (EEG) nr. 193/82 en (EG) nr. 1260/2001 – Besluit van bevoegde autoriteiten van lidstaat om naar aanleiding van goedkeuring van fusie van suikerproducerende ondernemingen herverdeling van suikerproductiequota op te leggen – Openbare verkoping bij opbod – Overdracht van quota onder bezwarende titel”
I ─ Inleiding
1. Het Spaanse Tribunal Supremo wenst van het Hof te vernemen of de bevoegde autoriteiten van een lidstaat volgens de communautaire regeling voor de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker kunnen voorschrijven dat een overdracht of herverdeling van quota onder bezwarende titel via een openbare verkoping bij opbod geschiedt, wanneer deze autoriteiten op grond van het nationale mededingingsrecht hebben gemeend de goedkeuring van de fusie van de suikerproducerende ondernemingen afhankelijk te moeten stellen van een herverdeling van een deel van de productiequota van de uit de fusie voortkomende onderneming onder de op hun grondgebied gevestigde suikerproducerende ondernemingen.
II ─ Rechtskader
A ─ Bepalingen van gemeenschapsrecht
2. Ten tijde van de feiten van het hoofdgeding bestond de geldende gemeenschapsregeling uit verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, (2) en verordening (EEG) nr. 193/82 van de Raad van 26 januari 1982 houdende de algemene voorschriften voor quotaoverdrachten in de sector suiker. (3)
3. Inmiddels zijn nieuwe bepalingen vastgesteld. Thans is verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (4) van kracht.
4. De gemeenschappelijke marktordening voor suiker omvat met name een quotaregeling. De gemeenschapsregeling onderscheidt twee soorten quota en drie soorten suiker. Het A-quotum stemt overeen met het verbruik in de Gemeenschap. Suiker van het A-quotum kan vrij op de gemeenschappelijke markt worden verkocht en de afzet ervan wordt gegarandeerd door de interventieprijs. Het B-quotum is de hoeveelheid geproduceerde suiker die wel het A-quotum, doch niet het bij de verordening vastgestelde maximumquotum overschrijdt. Suiker van het B-quotum kan eveneens vrij op de gemeenschappelijke markt worden verkocht, doch zonder de garantie van de interventieprijs, of kan met exportsteun naar derde landen worden uitgevoerd. De hoeveelheid geproduceerde suiker die de som van de A- en B-quota overschrijdt, wordt C-suiker genoemd en moet worden uitgevoerd zonder exportsteun. De quota waar het in casu om gaat, zijn de A- en de B-quota en het is mijns inziens voor de beantwoording van de gestelde vraag niet nodig tussen deze beide quota onderscheid te maken.
5. Artikel 24, lid 1, van verordening nr. 1785/81 (thans artikel 11, lid 1, van verordening nr. 1260/2001) luidt: De lidstaten kennen, onder de voorwaarden van deze titel, een A-quotum en een B-quotum toe aan iedere [...] suikerproducerende onderneming die [...] een basisquotum heeft gekregen als bepaald bij verordening (EEG) nr. 3330/70, respectievelijk verordening (EEG) nr. 1111/77 [...].
6. Met betrekking tot quotaoverdrachten bepaalt de veertiende overweging van de considerans van verordening nr. 1785/81 dat de lidstaten in het kader van bijzondere communautaire regels en criteria, behoudens de bevoegdheid de quota toe te kennen per [...] producerende onderneming, ook de bevoegdheid [hebben] later de quota van de bestaande ondernemingen te wijzigen [...] en de onttrokken quota aan andere ondernemingen toe te kennen, zodat in voorkomend geval tegemoet kan worden gekomen aan de behoefte tot herstructurering van de sectoren teelt van suikerbieten en suikerriet, suikerproductie en isoglucoseproductie [...]. Bovendien moet volgens de vijftiende overweging van de considerans van deze verordening, aangezien de aan de ondernemingen toegewezen productiequota een middel vormen om de producenten de communautaire prijzen en de afzet van hun producten te waarborgen, bij de overdrachten van quota het belang van alle betrokken partijen en met name dat van de producenten van suikerbieten en rietsuiker in aanmerking [...] worden genomen. De inhoud van de achttiende en negentiende overweging van de considerans van verordening nr. 1260/2001 komt overeen met die van de twee genoemde overwegingen van de considerans van verordening nr. 1785/81.
7. Artikel 25 van verordening nr. 1785/81 (thans artikel 12 van verordening nr. 1260/2001) bepaalt:
1. De lidstaten kunnen onder de voorwaarden neergelegd in dit artikel overdrachten van A-quota en B-quota tussen ondernemingen verrichten, waarbij het belang van elk van de betrokken partijen en met name dat van de producenten van suikerbieten of suikerriet in aanmerking wordt genomen.
2. De lidstaten kunnen het A-quotum en het B-quotum van elke op hun grondgebied gevestigde suiker- of isoglucoseproducerende onderneming verminderen met een hoeveelheid die [...] in totaal niet groter is dan 10 % van respectievelijk het A-quotum of het B-quotum dat voor elk dezer ondernemingen is bepaald overeenkomstig artikel 24.[...]
3. De lidstaten kennen de afgetrokken hoeveelheden van A-quota of B-quota toe aan een of meer andere ondernemingen, al dan niet voorzien van een quotum, die in hetzelfde gebied [...] zijn gevestigd als de ondernemingen waarvan deze hoeveelheden werden afgetrokken.[...]
8. Wat meer bepaald de bestemming van de quota in geval van fusie of vervreemding van suikerproducerende ondernemingen betreft, is in artikel 2, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 193/82 (thans bijlage IV, punt II.1, sub a, van verordening nr. 1260/2001) bepaald dat de lidstaat aan de door de fusie ontstane onderneming, een A-quotum en een B-quotum toewijst, die respectievelijk gelijk zijn aan de som van de A-quota en de som van de B-quota die vóór de fusie waren toegekend aan de gefuseerde suikerproducerende ondernemingen.
9. Artikel 2, lid 2 (thans bijlage I, punt II.2, van verordening nr. 1260/2001), luidt:Wanneer een deel van de producenten van suikerbieten of suikerriet die rechtstreeks betrokken zijn bij een van de in lid 1 bedoelde verrichtingen uitdrukkelijk de wens te kennen geeft zijn suikerbieten of suikerriet te leveren aan een suikerproducerende onderneming die geen partij is bij deze verrichtingen, kan de lidstaat de quota toewijzen op basis van de productiehoeveelheid die wordt opgenomen door de onderneming waaraan zij voornemens zijn hun suikerbieten of suikerriet te leveren.
10. Tot slot is in artikel 4 van verordening nr. 193/82 (thans bijlage IV, punt IV, van verordening nr. 1260/2001) bepaald: [...] de in de artikelen 2 en 3 bedoelde maatregelen mogen slechts worden genomen indien:
a) het belang van elk van de betrokken partijen in overweging wordt genomen,
b) de betrokken lidstaat van oordeel is dat deze maatregelen kunnen bijdragen tot een structuurverbetering in de sectoren suikerbietenteelt, suikerrietteelt en suikerproductie, en
c) zij betrekking hebben op ondernemingen gevestigd in eenzelfde gebied in de zin van artikel 24, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1785/81.
B ─ Bepalingen van nationaal recht
11. De in het hoofdgeding bestreden handeling, waarbij de Spaanse ministerraad de fusie tussen de vennootschappen Ebro Agrícolas, Compañía de Alimentación SA, en Sociedad General Azucarera de España SA heeft goedgekeurd, is vastgesteld op grond van wet nr. 16/1989 van 17 juli 1989 tot bescherming van de mededinging (BOE nr. 170 van 18 juli 1989, blz. 22747), die met name de controle van concentraties regelt.
III ─ De feiten en de prejudiciële vraag
12. Ten tijde van de feiten van het hoofdgeding telde de suikerverwerkende industrie in Spanje vier ondernemingen waaronder het aan die lidstaat toegekende maximumquotum voor de suikerproductie werd verdeeld, zijnde 1 000 000 metrieke ton (mt) voor de A- en B-quota. Dit quotum werd als volgt verdeeld:
─ Ebro Agrícolas, Compañía de Alimentación SA, een van de gefuseerde ondernemingen: 540 786 mt; deze onderneming had tien suikerfabrieken (van de negentien in Spanje werkzame industriële suikerverwerkende installaties);
─ Sociedad General Azucarera de España SA, de andere gefuseerde onderneming: 241 688 mt; deze onderneming bezat vijf bedrijven voor suikerbietverwerking en een fabriek voor de verwerking van suikerriet;
─ Sociedad Cooperativa General Agropecuaria (hierna: ACOR): 147 797 mt; deze onderneming had twee fabrieken in de noordelijke regio;
─ Azucareras Reunidas de Jaén SA (hierna: ARJ): 69 732 mt (66 900 mt als A-quotum en 2 832 mt als B-quotum); deze onderneming bezat één fabriek in de zuidelijke regio.
13. Op 25 september 1998 keurde de Spaanse ministerraad overeenkomstig wet nr. 16/1989 de fusie goed tussen de vennootschappen Ebro Agrícolas, Compañía de Alimentación SA, en Sociedad General Azucarera de España SA. Aangezien de nieuwe vennootschap Ebro Agrícolas SA (hierna: Azucarera Ebro) door deze fusie 78,23 % van het Spaanse quotum van A-suiker en B-suiker en een groot deel van de binnenlandse aankopen van A- en B-suikerbieten in handen zou hebben, verbond de Spaanse regering hieraan bepaalde voorwaarden ter bescherming van de daadwerkelijke mededinging op de suikermarkt. De tweede voorwaarde bepaalt dat teneinde de mogelijkheden voor mededinging op de markt te vergroten, de minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening overeenkomstig het bepaalde in verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad te zijner tijd tot 30 000 mt van het Spaanse suikerproductiequotum tegen vergoeding opnieuw toekent aan op het Spaanse grondgebied gevestigde ondernemingen. Om ervoor te zorgen dat die nieuwe toekenning van quota volgens de marktmechanismen geschiedt, zullen de prijs van het over te dragen quotum en de verdeling ervan worden bepaald door de openbare verkoping bij opbod van een maximum van 30 000 mt van de quota [...] die aan Azucarera Ebro zijn toegekend. Volgens de zesde voorwaarde neemt de regering bij nieuwe toekenning van quota die te zijner tijd volgens de procedure van openbare verkoping plaatsvindt, passende maatregelen om eventuele negatieve gevolgen voor de nationale suikerbietproducenten te voorkomen [...].
14. Nadat de diensten van de Commissie van dat goedkeuringsbesluit kennis hadden genomen, besloten zij een niet-nakomingsprocedure in te leiden. De tweede voorwaarde, inzake de overdracht van suikerproductiequota door middel van een openbare verkoping bij opbod, was één van de door de Commissie onderzochte aspecten. Toen de Spaanse autoriteiten zich bereid verklaarden van de openbare verkoping bij opbod af te zien, werd de niet-nakomingsprocedure niet voortgezet. Omdat evenwel geen schriftelijke bevestiging van die toezegging werd ontvangen, lieten de diensten van de Commissie de Spaanse autoriteiten weten dat de Commissie zich het recht voorbehield te allen tijde de niet-nakomingsprocedure in te leiden, indien zij tot uitvoering van de tweede voorwaarde mochten besluiten.
15. ACOR heeft op 1 december 1998 bij het Tribunal Supremo beroep ingesteld tegen het besluit van de ministerraad van 25 september 1998 op grond dat de nieuwe toekenning van de quota onder bezwarende titel in plaats van om niet in strijd was met de gemeenschapsregeling inzake de gemeenschappelijke marktordening voor suiker.
16. In dit kader heeft het Tribunal Supremo het Hof een prejudiciële vraag voorgelegd, die uit drie onderdelen bestaat.
IV ─ Rechtsoverwegingen
A ─ Het eerste onderdeel van de prejudiciële vraag
17. Het eerste onderdeel van de vraag luidt als volgt: Indien de autoriteiten van een lidstaat bij de uitoefening van het administratief toezicht op een fusie van ondernemingen, om redenen van bescherming van de mededinging een herverdeling van de productiequota van suiker onder de op het grondgebied gevestigde ondernemingen noodzakelijk achten,
a) verzetten de bepalingen van verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 en/of van verordening (EEG) nr. 193/82 van de Raad van 26 januari 1982 zich er dan tegen, dat deze autoriteiten beslissen dat de overdracht of nieuwe toekenning onder bezwarende titel geschiedt, zodat de onderneming of ondernemingen voor wie de quota bestemd zijn, tot een financiële tegenprestatie gehouden zijn?
18. Alvorens hierop te antwoorden, bespreek ik eerst de verschillende argumenten die verzoekster in het hoofdgeding tegen de quotaoverdracht onder bezwarende titel heeft aangevoerd, alsook de respectieve opmerkingen van de Commissie, Azucarera Ebro en de Spaanse regering.
1. De grenzen van de aan de lidstaten toegekende bevoegdheid om op het gebied van de landbouwpolitiek hun eigen mededingingsregels toe te passen
a) Bij het Hof ingediende opmerkingen
19. ACOR , ter terechtzitting ondersteund door ARJ, merkt op dat de in casu door de Spaanse regering voorgeschreven herverdeling van de quota onder bezwarende titel voornamelijk is bedoeld om de mogelijkheden van echte mededinging op de Spaanse markt te verbeteren en impliceert dat de mededingingsregels worden toegepast op een door het gemeenschappelijk landbouwbeleid geregeld gebied.
20. Zij is dan ook van mening dat, wanneer de regeling van de voorwaarden van de landbouwmarkt, zoals in het onderhavige geval, leidt tot een normenconflict, bijvoorbeeld tussen de regels betreffende de gemeenschappelijke marktordening voor suiker en het mededingingsrecht, de specifieke bepalingen van de verordeningen tot vaststelling van de gemeenschappelijke marktordening voorrang hebben. Volgens verordening nr. 26 van de Raad van 4 april 1962 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten (5) , vastgesteld op grond van artikel 42 EG-Verdrag (thans artikel 36 EG), zijn de mededingingsregels slechts op de productie en de handel in landbouwproducten van toepassing voorzover als door de Raad, rekening houdend met de in artikel 39 van het EG-Verdrag (thans artikel 33 EG) genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, is bepaald. Meer bepaald heet het in de derde overweging van de considerans van deze verordening dat de regels betreffende de mededinging weliswaar toegepast dienen te worden op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten, doch enkel voorzover hun toepassing geen belemmering vormt voor de werking van de [...] organisaties van de landbouwmarkten en de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid niet in gevaar brengt.
21. Bovendien is de voorrang van het gemeenschappelijk landbouwbeleid boven de in het kader van het mededingingsrecht nagestreefde doelstellingen uitdrukkelijk in 's Hofs rechtspraak bevestigd. (6) Concreet met betrekking tot de markt voor suiker heeft het Hof vastgesteld dat het gemeenschapsrecht bij gebreke van communautaire bepalingen over de modaliteiten voor de verdeling tussen de verkopers van de hoeveelheden suikerbieten die de fabrikant aanbiedt te kopen binnen het A- en het B-quotum, weliswaar niet eraan in de weg staat dat toepassing wordt gegeven aan het beginsel van gelijke behandeling van leveranciers ingevolge het nationale kartelrecht, maar dat de lidstaten daardoor niet ontslagen zijn van de verplichting de beginselen en algemene regels van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in acht te nemen. (7)
22. ACOR en ARJ wijzen er verder op dat zodra de Gemeenschap van de haar in artikel 34 EG toegekende bevoegdheid gebruik maakt om een gemeenschappelijke marktordening in te stellen, deze in de plaats komt van de nationale organisaties en de lidstaten niet langer bevoegd zijn de betrokken markt te regelen, tenzij een verordening uitdrukkelijk anders bepaalt. (8) Bij gebreke van dergelijke bepalingen hebben de lidstaten een vervangende bevoegdheid die met inachtneming van de bepalingen van artikel 10 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 24 EG) en het toepasselijke afgeleide recht moet worden uitgeoefend. Dit beginsel is door de rechtspraak van het Hof bekrachtigd. (9)
23. Hieruit volgt dat de bevoegdheden van de lidstaten op een onder een gemeenschappelijke marktordening vallend gebied beperkt zijn. De lidstaten kunnen in geen geval met eenzijdig vastgestelde nationale maatregelen in de mechanismen van de gemeenschappelijke marktordening ingrijpen (10) en evenmin maatregelen vaststellen die de werking daarvan kunnen belemmeren. Zij moeten zich integendeel aan de voor de gemeenschappelijke marktordening geldende beginselen en de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid houden.
24. Daar de gemeenschapsregeling voor de gemeenschappelijke marktordening voor suiker geen enkele lacune vertoont, heeft de Spaanse regering buiten de door de regeling tot instelling van deze gemeenschappelijke marktordening aan de lidstaten toegekende bijzondere bevoegdheden, geen enkele bevoegdheid om op een onder deze gemeenschappelijke marktordening vallend gebied maatregelen of bepalingen vast te stellen.
25. Bovendien, stelt ACOR, ook al zou deze regeling lacunes vertonen, dan nog zouden de lidstaten alleen kunnen optreden met inachtneming van de beginselen die voor de gemeenschappelijke marktordening voor suiker gelden. (11)
26.
De Commissie merkt op dat in het kader van de gemeenschappelijke marktordening voor suiker, die met name op het gebied van prijzen en interventie, de regeling van het handelsverkeer met derde landen of de regeling van de betrekkingen tussen aanbieders en kopers van suikerbieten een sluitend systeem vormt, de bevoegdheid tot toekenning van quota voor de suikerproductie binnen de grenzen van de in het gemeenschapsrecht bepaalde regels en criteria aan de lidstaten is overgedragen.
27. Het Hof heeft voor recht verklaard dat de lidstaten, zodra een verordening houdende een gemeenschappelijke marktordening, als een sluitend systeem is te beschouwen, in zoverre hun bevoegdheden verliezen, tenzij met zoveel woorden het tegendeel mocht zijn bepaald. (12)
28. Volgens de Commissie kon het principiële besluit om te zijner tijd een maximum van 30 000 mt suiker van het A- en B-quotum van Azucarera Ebro opnieuw toe te kennen aan andere producenten, enkel steunen op de bij artikel 25 van verordening nr. 1785/81 aan de lidstaten gedelegeerde bevoegdheid.
29. Artikel 2 van verordening nr. 193/82 bepaalt namelijk, dat in geval van fusie van suikerproducerende ondernemingen de lidstaat aan de door de fusie ontstane onderneming de som der quota toekent die aan de gefusioneerde ondernemingen toekwamen. Het Hof heeft de vraag naar de verhouding tussen deze bepaling en artikel 25 van verordening nr. 1785/81 onderzocht en vastgesteld dat de manoeuvreerruimte waarover de lidstaten ingevolge artikel 25 van verordening nr. 1785/81 beschikken, [kan worden] gebruikt tegelijk met [...] een quotawijziging overeenkomstig artikel 2 van verordening nr. 193/82, voorzover [...] de voor elk van deze bepalingen geldende toepassingsvoorwaarden in acht worden genomen. (13)
30. In de onderhavige zaak hebben de Spaanse autoriteiten de door artikel 25 van verordening nr. 1785/81 gedelegeerde bevoegdheid gebruikt voor een ander doel dan het door deze bepaling beoogde. In het kader van de gemeenschappelijke marktordening voor suiker is de mogelijkheid om de toekenning van productiequota te wijzigen namelijk bedoeld om aan de noodzaak tot structurele aanpassing van de sectoren suikerbietenteelt en suikerproductie tegemoet te komen. (14) De nationale autoriteiten hebben daarentegen de herverdeling van de aan de fusieonderneming toegewezen quota mogelijk gemaakt om de mededinging veilig te stellen.
31. De Commissie benadrukt dat wanneer een lidstaat een beroep doet op nationale mededingingsregels in een agrarische sector die onder een gemeenschappelijke marktordening valt, de regels van deze gemeenschappelijke marktordening zijn handelingsbevoegdheid beperken.
32. Azucarera Ebro verwijst eveneens naar het arrest Mörlins (15) , maar legt het accent op een andere passage daarvan. Zij meent namelijk dat het Hof de gelijktijdige toepassing van het nationale kartelrecht en de gemeenschapsregeling inzake de gemeenschappelijke marktordening voor suiker toelaatbaar acht, omdat bij gebreke van gemeenschapsvoorschriften of overeenkomsten die in het kader van een overeenkomst van het betrokken bedrijfsleven zijn gesloten, de lidstaten gerechtigd zijn volgens de regels van hun eigen nationaal recht tot die verdeling over te gaan. [...] Hieruit volgt, dat wat de verdeling tussen de verkopers van de hoeveelheden suikerbieten binnen het A- en het B-quotum betreft, verordening nr. 1785/81 niet in de weg staat aan de toepassing van het nationale kartel- en vennootschapsrecht. [...].
33. De Spaanse regering stelt dat het gemeenschapsrecht geen uitdrukkelijke bepaling bevat die de herverdeling van de suikerquota onder bezwarende titel verbiedt, zodat een dergelijke herverdeling kan geschieden om de mededinging te beschermen.
b) Beoordeling
34. Uit de door ACOR, ARJ en de Commissie aangehaalde rechtspraak blijkt onmiskenbaar dat de lidstaten niet bevoegd zijn om eenzijdig in de mechanismen van een gemeenschappelijke marktordening in te grijpen. Zij zijn slechts in twee gevallen bevoegd om zelf op te treden: wanneer hun een specifieke bevoegdheid is verleend, of wanneer zij, gezien de opzet van de regeling of een lacune daarin, over een restbevoegdheid beschikken. In beide gevallen ontslaat [deze bevoegdheid] de lidstaten echter niet van de verplichting de beginselen en de algemene regels van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in acht te nemen en in het bijzonder die welke voor de betrokken marktordening gelden. (16)
35. Wat stellen we in casu vast?
36. Uit één van de voormelde passages in de schriftelijke opmerkingen van de Commissie blijkt dat de Spaanse autoriteiten haars inziens gebruik hebben gemaakt van een door artikel 25 van verordening nr. 1785/81 aan de lidstaten toegekende bevoegdheid, doch met een ander dan het door deze bepaling beoogde doel.
37. Wil dit nu zeggen dat een herverdeling van de quota omwille van een meer doeltreffende mededinging volgens verordening nr. 1785/81 niet is toegestaan? Ik meen van niet.
38. Artikel 2, lid 1, sub a, van verordening nr. 193/82 luidt: [I]n geval van fusie van suikerproducerende ondernemingen wijst de lidstaat aan de door de fusie ontstane onderneming, een A-quotum en een B-quotum toe, die respectievelijk gelijk zijn aan de som van de A-quota en de som van de B-quota die vóór de fusie waren toegekend aan de gefuseerde suikerproducerende ondernemingen.
39. Lid 2 van dit artikel bepaalt echter: Wanneer een deel van de producenten van suikerbieten of suikerriet die rechtstreeks betrokken zijn bij een van de in lid 1 bedoelde verrichtingen uitdrukkelijk de wens te kennen geeft zijn suikerbieten of suikerriet te leveren aan een suikerproducerende onderneming die geen partij is bij deze verrichtingen, kan de lidstaat de quota toewijzen op basis van de productiehoeveelheid die wordt opgenomen door de onderneming waaraan zij voornemens zijn hun suikerbieten of suikerriet te leveren.
40. Ofschoon deze laatste bepaling in het hoofdgeding niet aan de orde is, dient zij niettemin te worden genoemd, aangezien eruit blijkt dat de toewijzing van de totaliteit van de quota van de gefuseerde ondernemingen aan de door de fusie ontstane onderneming geen absolute regel is.
41. Bovendien bepaalt artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1785/81: De lidstaten kunnen het A-quotum en het B-quotum van elke op hun grondgebied gevestigde suiker- of isoglucoseproducerende onderneming verminderen met een hoeveelheid die voor de in artikel 23, lid 1, bedoelde periode in totaal niet groter is dan 10 % van respectievelijk het A-quotum of het B-quotum dat voor elk dezer ondernemingen is bepaald overeenkomstig artikel 24.
42. Zoals de verwijzende rechter opmerkt, zijn lidstaten bevoegd overdrachten van A-quota en B-quota tussen ondernemingen te verrichten [...] onder de voorwaarden neergelegd in dit artikel [...], waarbij het belang van elk van de betrokken partijen en met name dat van de producenten van suikerbieten of suikerriet in aanmerking wordt genomen [artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1785/81; artikel 30, lid 1, van verordening (EG) nr. 2038/1999 van de Raad van 13 september 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (17) , en artikel 12, lid 1, van verordening nr. 1260/2001]. De genoemde voorwaarden betreffen enkel de grenzen van de uit de overdracht voortvloeiende vermindering (artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1785/81; artikel 30, lid 2, van verordening nr. 2038/1999, en artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1260/2001), de verplichting de herstructureringsplannen en de daarmee verband houdende maatregelen betreffende de A- en B-quota onverwijld aan de Commissie mee te delen (laatste alinea van voormelde leden van bovengenoemde artikelen), en de verplichting van de lidstaten de afgetrokken hoeveelheden van A-quota of B-quota toe te kennen aan één of meer andere ondernemingen, al dan niet voorzien van een quotum, die in hetzelfde gebied zijn gevestigd als de ondernemingen waarvan deze hoeveelheden werden afgetrokken (lid 3 van genoemde artikelen).
43. Het Hof heeft in het arrest Cavarzere Produzioni Industriali e.a. (18) aanvaard dat de ingevolge artikel 25 van verordening nr. 1785/81 aan de lidstaten toekomende manoeuvreerruimte kan worden gebruikt tegelijk met een quotawijziging overeenkomstig artikel 2 van verordening nr. 193/82, ten gevolge van een vervreemding van suikerproducerende ondernemingen of fabrieken, voorzover de toepassingsvoorwaarden van elk van deze bepalingen in acht worden genomen. Naar mijn mening moet deze regel ook in het geval van een fusie van ondernemingen gelden.
44. In het onderhavige geval bedragen de A- en de B-quota van de gefuseerde ondernemingen tezamen 782 474 mt. Een vermindering van 10 % zou derhalve gelijkstaan aan 78 247,4 mt. De vermindering waar het in casu om gaat bedraagt echter 30 000 mt.
45. Wat ten slotte de redenen aangaat die een lidstaat heeft om quota opnieuw toe te kennen, zie ik niet in waarom een fusie die door de bevoegde autoriteiten aan voorwaarden is onderworpen, niet tegemoet kan komen aan de behoefte tot herstructurering van de sectoren teelt van suikerbieten en [...] suikerproductie, in de zin van de veertiende overweging van de considerans van verordening nr. 1785/81.
46. De verwijzende rechter merkt in dit verband op: Volgens de administratie pleitten [...] verschillende omstandigheden ervoor om zich niet tegen de fusie te verzetten, al dienden bepaalde voorwaarden aan de goedkeuring te worden verbonden (vastgesteld bij besluit van de ministerraad). Samengevat is de administratie van mening dat de operatie kan bijdragen tot de verbetering van de productie- en distributiesystemen van suiker en van het internationale concurrentievermogen van de Spaanse suikerindustrie, indien deze fusie resulteert in de totale herstructurering van de sector, de industriële omschakeling van de gefuseerde ondernemingen en een grotere efficiëntie die de verbruikers en gebruikers ten goede komt.
47. Bovendien heeft de Commissie in de beschikking van 20 december 2001, waarbij een concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt en de werking van de EER-Overeenkomst wordt verklaard (zaak COMP/M.2530 ─ Südzucker/Saint Louis Sucre) (19) , zelf erkend dat overwegingen met betrekking tot de mededinging in het kader van de gemeenschappelijke marktordening voor suiker toelaatbaar zijn. In het persbericht over deze beschikking staat namelijk het volgende: In deze zeer streng gereguleerde markt is de instandhouding van de nog resterende mededinging voor de afnemers en uiteindelijk de verbruikers van essentieel belang. [...] Het is temeer van belang om de potentiële mededinging in stand te houden, daar in streng gereguleerde markten onvermijdelijk weinig concurrentie bestaat en de afnemers in hoge mate afhankelijk zijn van een beperkt aantal leveranciers. De Commissie heeft Südzucker AG (hierna: Südzucker) dan ook voorwaarden opgelegd, waarop ik later in deze conclusie nog zal terugkomen.
48. In dit stadium stel ik derhalve reeds vast dat het beginsel van de vermindering van de quota van een gefuseerde onderneming en de toekenning daarvan aan een of meer andere ondernemingen, niet onverenigbaar is met de beginselen die de gemeenschappelijke marktordening voor suiker beheersen.
49. Moet nog worden bezien of een herverdeling onder bezwarende titel van suikerquota de werking van de gemeenschappelijke marktordening aantast en dus in strijd met het gemeenschapsrecht moet worden geacht. Dit zal ik thans onderzoeken.
2. Is de overdracht van quota onder bezwarende titel verenigbaar met hun juridische aard?
a) Bij het Hof ingediende opmerkingen
50. Volgens ACOR en ARJ kunnen suikerproductiequota vanwege hun juridische aard niet worden beschouwd als activa van het vermogen van de onderneming waaraan zij zijn toegewezen. De quota vormen een werkingsmechanisme van de gemeenschappelijke marktordening, bedoeld om de suikermarkt te reguleren en besturen. De Gemeenschap laat de verdeling van de quota onder de suikerproducerende ondernemingen over aan de lidstaten; deze quota zijn evenwel geen eigendom van de lidstaten en al helemaal niet van de ondernemingen.
51. De productiequota, zo menen ACOR en ARJ, hebben eerder het karakter van een overheidshandeling, van een toestemming om op rendabele wijze op de markt te opereren, om een bepaalde hoeveelheid suiker te produceren tegen een gegarandeerde prijs. Zij worden aan de ondernemingen toegewezen volgens het beginsel van effectieve productie gedurende een bepaalde referentieperiode. Het doel is de productie zoveel mogelijk op het verbruik binnen elke lidstaat af te stemmen. Het quotum heeft dan ook als zodanig geen autonome vermogensrechtelijke of economische waarde.
52. ACOR en ARJ zien dit bevestigd in de specifieke bepalingen van verordening nr. 193/82, dat alle gevallen van overdracht van quota tussen ondernemingen noemt: fusie of vervreemding van ondernemingen, vervreemding van fabrieken, bedrijfsbeëindiging van één of meer fabrieken, verhuur van een fabriek, of het geval dat een suikerproducerende onderneming de verplichtingen die zij tegenover producenten van suikerbieten of suikerriet is aangegaan niet kan nakomen. Bovendien hebben de lidstaten volgens artikel 25 van verordening nr. 1785/81 een ruime manoeuvreerruimte voor de overdracht van quota, met name bij herstructurering van de sector, indien zij een dergelijke overdracht ter regulering van de markt wenselijk achten.
53. De genoemde bepalingen verwijzen nergens naar een verplichting van de begunstigde onderneming om de onderneming die de quota voorheen bezat, een financiële tegenprestatie te betalen. Indien de gemeenschapswetgever had gemeend dat de onderneming door de onttrekking van de quota financiële schade leed, zou hij een compensatiemechanisme hebben ingevoerd ter vergoeding van eventuele vermogensschade. In enkele gevallen is weliswaar in een financiële tegenprestatie voorzien, deze hangt echter samen met de vermogenswaarde die wordt overgedragen (bijvoorbeeld de vervreemding van een fabriek of een onderneming). Het feit dat de fabriek of de onderneming vanwege het daaraan verbonden productiequotum een hogere waarde verkrijgt, betekent evenwel niet dat dit quotum op zich een waarde vertegenwoordigt.
54. Wanneer geen activa, maar enkel het quotum wordt overgedragen, heeft de overdracht derhalve niet tot gevolg dat de begunstigde onderneming in ruil hiervoor tot een tegenprestatie is gehouden.
55. ACOR en ARJ merken op dat dit overigens bij eerdere quotaoverdrachten in Spanje het geval is geweest: bij ministerieel besluit van 19 februari 1991 vond na de fusie waaruit Azucarera Ebro is ontstaan een quotaoverdracht plaats ten gunste van ACOR, en later hebben bij twee ministeriële besluiten twee quotaoverdrachten om niet plaatsgevonden.
56. Zij verwijzen voorts naar 's Hofs rechtspraak met betrekking tot melkquota, waarin het Hof huns inziens het verhandelen van quota duidelijk in strijd met de gemeenschapsregeling voor de overdracht van melkquota heeft geacht. Zo heeft het Hof volgens ACOR in zijn arresten Von Deetzen (20) en Bostock (21) vastgesteld dat het aldus in de communautaire rechtsorde gewaarborgde eigendomsrecht niet het recht omvat, een voordeel als de in het kader van een gemeenschappelijke marktordening toegekende referentiehoeveelheid te verhandelen, welk voordeel noch uit het eigendom noch uit de beroepsactiviteit van de betrokkene voortvloeit.
57. ACOR en ARJ menen dat deze redenering ook kan worden toegepast op suikerproductiequota, die evenmin aan de suikerondernemingen toebehoren, daar zij noch uit de eigen middelen noch uit de beroepsactiviteit van deze ondernemingen voortvloeien. Ware dit niet het geval, dat wil zeggen indien het mogelijk was suikerquota te verhandelen, dan zouden talrijke problemen ontstaan, zoals het gevaar dat een markt voor quota ontstaat die met de rechtstreekse en effectieve productie van suiker geen verband houdt.
58. De Commissie maakt de volgende twee opmerkingen. In de eerste plaats gaat de herverdeling van suikerproductiequota bij wege van openbare verkoping bij opbod verder dan de in de gemeenschapsregeling aan de lidstaten verleende bevoegdheid, bestaande in de toekenning van suikerproductiequota aan de producerende ondernemingen. De gemeenschapswetgever heeft immers in geen geval de lidstaten de bevoegdheid gegeven dergelijke quota te koop aan te bieden. De verordeningen met betrekking tot de gemeenschappelijke marktordening voor suiker maken geen enkel semantisch onderscheid tussen het toekennen van quota op grond van artikel 24 van verordening nr. 1785/81, het toekennen van de afgetrokken hoeveelheden van die quota overeenkomstig artikel 25 van verordening nr. 1785/81 of het toekennen van de quota als bedoeld in artikel 2 van verordening nr. 193/82. Ook al kunnen de specifieke doeleinden van deze quotatoekenningen verschillen, hun doelstelling van algemeen belang bekeken uit het oogpunt van de producenten is duidelijk dezelfde.
59. De verordeningen nrs. 1785/81 en 193/82 betreffen dus de toekenning van suikerproductiequota door de lidstaten, zonder dat uit deze regeling kan worden afgeleid dat men de lidstaten tevens de bevoegdheid heeft willen verlenen het gebruik van een marktmechanisme dat is bedoeld als waarborg voor de producenten wat betreft de communautaire prijzen en de afzet van hun producten, onder bezwarende titel over te dragen.
60. In de tweede plaats is de verkoop van quota niet alleen onnodig voor hun toekenning door de lidstaat, maar brengt zij volgens de Commissie een wezenlijke wijziging mee van dit instrument, die kan leiden tot verstoringen die afbreuk doen aan de draagwijdte en werking van de gemeenschapsregeling. Deze regeling bevat immers geen enkel element op basis waarvan een onderscheid kan worden gemaakt in de status van de quota naargelang zij op grond van de ene of de andere bepaling zijn toegekend. De verkoop bij wege van openbare verkoping zou daarentegen een wijziging van de juridische aard van de betrokken quota kunnen meebrengen, doordat degene die deze verwerft een subjectief recht krijgt dat niet in de regeling is vastgelegd.
61. De Commissie herinnert aan het arrest Eridania (22) , waarin het Hof heeft verklaard dat de quota aangeven voor welke hoeveelheden suiker de ondernemingen aanspraak hebben op de prijs- en afzetgarantie die in het kader van de gemeenschappelijke marktordening aan de producenten wordt gegeven, waarbij de voordelen die een onderneming door die quota op een bepaald ogenblik verkrijgt evenwel niet als een verkregen recht kunnen worden beschouwd. Kent men een financiële waarde aan de suikerproductiequota toe, dan kan dit er volgens de Commissie toe leiden dat de ondernemingen de via openbare verkoping verworven hoeveelheden gaan zien als een verkregen recht dat deel uitmaakt van hun vermogen.
62. Deze wijziging van de juridische status van de betrokken hoeveelheden suiker kan volgens de Commissie bovendien de bevoegdheid van de lidstaat ondermijnen om op een later tijdstip en om de genoemde redenen van algemeen belang de toekenning van quota te heroverwegen. De door de herverdeling getroffen onderneming zou in een dergelijk geval namelijk een vordering tot schadevergoeding tegen de nationale autoriteiten kunnen instellen. Tot slot zou het besluit om in het onderhavige geval quota onder bezwarende titel toe te kennen een andere onderneming die zich door de herverdeling van quota benadeeld voelt, ertoe kunnen aansporen een financiële vergoeding te verlangen.
63. De in het hoofdgeding tussengekomen Azucarera Ebro stelt daarentegen dat de gemeenschapsregeling er niet aan in de weg staat dat, wanneer een lidstaat om redenen van bescherming van de mededinging een concentratie afhankelijk stelt van herverdeling van een deel van de quota, die herverdeling onder bezwarende titel via een openbare verkoping bij opbod geschiedt. Zij baseert zich in dit verband op overwegingen met betrekking tot de verenigbaarheid van de regeling van de controle op concentraties van ondernemingen met de gemeenschappelijke marktordening voor suiker, op de formulering, de doelstellingen en de beginselen van de gemeenschapsverordeningen op het gebied van de gemeenschappelijke marktordening voor suiker, op de rechtspraak van het Hof en op de praktijk van de Commissie met betrekking tot concentraties van communautaire dimensie tussen suikerproducerende ondernemingen.
64. Azucarera Ebro merkt om te beginnen op dat de voorwaarde van herverdeling van de quota onder bezwarende titel niet is gesteld op grond van de gemeenschapsregeling die deze herverdeling voorschrijft ter waarborging van het beginsel van effectieve productie. De betwiste voorwaarde is immers het gevolg van de controle op een concentratie van ondernemingen volgens het nationale mededingingsrecht.
65. Azucarera Ebro stelt zich dienaangaande, onder verwijzing naar de gemeenschapsregeling (artikel 25, leden 1 en 3, van verordening nr. 1785/81) en, wederom, naar het arrest Mörlins (23) , op het standpunt dat de nationale toezichthoudende autoriteit een overdracht onder bezwarende titel tussen suikerproducenten kan voorschrijven, aangezien er geen concrete aanwijzing bestaat voor de manier waarop de quota in het belang van elk der partijen moeten worden toegewezen of herverdeeld.
66. Onder verwijzing naar de beschikking Südzucker/Saint-Louis (24) stelt Azucarera Ebro, dat er met betrekking tot de overdracht van het Belgische suikerproductiequotum van Südzucker geen twijfel over bestaat dat deze overdracht onder bezwarende titel zal geschieden. Hoewel het in die zaak gaat om productiequota van suikerproducerende ondernemingen, heeft de Commissie bij uitzondering niet geëist dat deze overdrachten om niet plaatsvinden.
67. Azucarera Ebro ziet een opvallende parallel tussen dit door de Commissie gevestigde precedent en de door de Spaanse autoriteiten gevolgde concentratiecontroleprocedure die tot de onderhavige prejudiciële procedure heeft geleid. In beide gevallen gaat het om een concentratie die een echte mededinging op de markt beperkt en derhalve enkel kan worden goedgekeurd onder de voorwaarde dat de uit de fusie ontstane onderneming afstand doet van een deel van haar suikerproductiequotum. In geen van beide gevallen hebben de toezichthoudende autoriteiten de eis gesteld dat de overdracht om niet geschiedt.
68. Het precedent dat de Commissie in voornoemd geval van concentratiecontrole heeft geschapen, toont volgens haar aan dat wanneer het een nationale concentratiecontroleprocedure betreft en het de bevoegde autoriteit van een lidstaat is die aan zijn goedkeuring bepaalde voorwaarden moet verbinden, er niets aan in de weg staat dat die autoriteit verlangt dat de desinvestering, of het nu gaat om productiequota of om andere activa, onder bezwarende titel geschiedt. Dergelijke overdrachten onder bezwarende titel van productiequota zijn niet in strijd met de formulering, de doelstelling of de beginselen van de gemeenschapsregeling inzake de gemeenschappelijke marktordening voor suiker.
69. Bovendien blijkt volgens Azucarera Ebro uit het arrest Cavarzere Produzioni Industriali e.a. (25) dat de in artikel 25 van verordening nr. 1785/81 bedoelde manoeuvreerruimte van de lidstaten ruim moet worden uitgelegd. Alhoewel dit arrest niet direct de in casu aan de orde zijnde problemen betreft, lijkt het de vraag of de lidstaten een herverdeling van de quota onder bezwarende titel kunnen voorschrijven, bevestigend te antwoorden.
70. Volgens de Spaanse regering is de herverdeling van suikerquota onder bezwarende titel en om redenen van bescherming van de mededinging in overeenstemming met het gemeenschapsrecht.
71. Ook zij is van mening dat de beschikking van de Commissie met betrekking tot de fusie van de ondernemingen Saint-Louis Sucre SA en Südzucker een precedent vormt dat de quotaoverdracht onder bezwarende titel in het onderhavige geval kan rechtvaardigen.
72. Bovendien waarborgt de herverdeling van de quota onder bezwarende titel dat deze herverdeling volgens de marktmechanismen plaatsvindt en voldoet aan rationele economische criteria.
b) Beoordeling
73. Ik geef het Hof in overweging de overeenstemmende argumenten van ACOR, ARJ en de Commissie, die ik hier niet hoef te herhalen, te aanvaarden.
74. De tegenargumenten van Azucarera Ebro en de Spaanse regering kunnen niet overtuigen.
75. Om te beginnen stel ik vast dat de beschikking Südzucker/Saint-Louis geen relevant precedent vormt.
76. In deze beschikking worden aan de fusie tussen Südzucker en Saint-Louis Sucre SA twee voorwaarden verbonden.
77. In de eerste plaats moet Südzucker een participatie van 68 % in de Belgische onderneming Suikerfabriek van Veurne SA verkopen en ervoor zorgen dat het quotum in handen van deze onderneming blijft. Het gaat dus geenszins om een autonome quotaoverdracht onder bezwarende titel.
78. In de tweede plaats moet Südzucker aan een onafhankelijke handelsonderneming niet een quotum, maar een jaarlijkse hoeveelheid van 90 000 mt in haar fabriek geproduceerde suiker verkopen tegen een zodanige prijs (26) dat de koper bij de wederverkoop van die suiker met Südzucker kan concurreren (bijlage II, punt B.11, van de beschikking). Het quotum voor die 90 000 mt wordt dus geenszins onder bezwarende titel overgedragen, maar blijft bij Südzucker.
79. Ook kan in dit verband niet met succes een beroep worden gedaan op het arrest Mörlins. (27) Het Hof stelt in dit arrest om te beginnen vast dat de gemeenschapswetgever bevoegd is de modaliteiten vast te stellen voor de verdeling tussen de verkopers van de hoeveelheden suikerbieten die de fabrikant aanbiedt te kopen, maar dat hij daarover nog geen regels heeft vastgesteld.
80. Het Hof preciseert vervolgens dat volgens de relevante verordeningen bij gebreke van gemeenschapsvoorschriften of overeenkomsten die in het kader van een overeenkomst van het betrokken bedrijfsleven zijn gesloten, de lidstaten gerechtigd zijn volgens de regels van hun eigen nationaal recht tot die verdeling over te gaan.
81. Het Hof concludeert dat, wat de verdeling tussen de verkopers van de hoeveelheden suikerbieten binnen het A- en het B-quotum betreft, verordening nr. 1785/81 niet in de weg staat aan de toepassing van het nationale kartel- en vennootschapsrecht. Deze machtiging om hun nationaal recht toe te passen, ontslaat de lidstaten volgens het Hof echter niet van de verplichting de beginselen en de regels van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in acht te nemen.
82. De relevante teksten preciseren geenszins dat een vermindering van de quota vergezeld moet gaan van een financiële compensatie. Indien de wetgever was uitgegaan van de gedachte dat een dergelijke compensatie moet plaatsvinden, zou hij dat hebben vastgesteld. ACOR, ARJ en de Commissie hebben naar mijn mening overtuigend aangetoond dat dit met de juridische aard van het begrip suikerquotum onverenigbaar zou zijn. Nu het Hof in het arrest Mörlins (28) heeft verklaard dat de lidstaten bij de toepassing van hun nationaal recht niet zijn ontslagen van de verplichting de beginselen en regels van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in acht te nemen, kan men geen beroep op dit arrest doen ter rechtvaardiging van een financiële compensatie ten gunste van de gefuseerde ondernemingen.
83. Het eveneens door Azucarera Ebro aangehaalde arrest Cavarzere Produzioni Industriali e.a. (29) bevestigt enkel de ruime manoeuvreerruimte die artikel 25 van verordening nr. 1785/81 aan de lidstaten toekent, zonder dat daaruit kan worden afgeleid dat het de mogelijkheid biedt quota onder bezwarende titel over te dragen.
84. Rest nog de beoordeling van het argument van de Spaanse regering, dat iedere herverdeling van quota volgens de marktmechanismen moet geschieden en aan rationele economische criteria moet voldoen.
85.
De ordening der markten in de sector suiker staat door de opzet ervan ver af van de marktmechanismen van de vrije economie. Deze marktordening is voornamelijk bedoeld om producenten van suikerbieten en suikerondernemingen tegen de harde wetten van de markt te beschermen. Uit de vijftiende overweging van de considerans van verordening nr. 1785/81 blijkt dat de aan de ondernemingen toegewezen productiequota een middel vormen om de producenten de communautaire prijzen (die hoger liggen dan wanneer de prijsvorming aan de marktwetten zou worden overgelaten) en de afzet van hun producten te waarborgen (die zonder de gemeenschappelijke marktordening ongetwijfeld niet tegen rendabele prijzen zouden kunnen worden verkocht).
86. Volgens diezelfde overweging moet dan ook bij de overdrachten van quota het belang van alle betrokken partijen en met name dat van de producenten van suikerbieten en rietsuiker in aanmerking [...] worden genomen (deze zin is overgenomen van artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1785/81). Voorts luidt artikel 1 van verordening nr. 193/82 (thans bijlage IV, punt I, van verordening nr. 1260/2001): De lidstaten nemen de maatregelen die zij nodig achten om rekening te houden met de belangen van de producenten van suikerbieten en suikerriet bij de toewijzing van de quota aan een suikerproducerende onderneming met verschillende fabrieken. Volgens artikel 4 van genoemde verordening mogen de in de artikelen 2 en 3 van die verordening bedoelde maatregelen slechts worden genomen indien het belang van elk van de betrokken partijen in overweging wordt genomen en indien de betrokken lidstaat van oordeel is dat deze maatregelen kunnen bijdragen tot een structuurverbetering in de sectoren suikerbietenteelt, suikerrietteelt en suikerproductie.
87. Ik ben daarom met de Commissie van mening dat de toewijzing van suikerproductiequota aan de hoogste bieder, dat wil zeggen op basis van zuiver financiële overwegingen, geen rekening houdt met hogergenoemde, in de gemeenschapsregeling vastgestelde doelstellingen van algemeen belang en in het bijzonder de bescherming van de belangen van de producenten van suikerbieten en suikerriet. Dit systeem geeft de nationale autoriteiten derhalve niet de mogelijkheid deze belangen onder de genoemde voorwaarden veilig te stellen. Een nauwkeurige analyse van de bij de rechter a quo aangevochten overeenkomst leidt tot de conclusie dat deze overeenkomst, ondanks het in de zesde voorwaarde (30) opgenomen voorbehoud, de bescherming van de belangen van de suikerbietenproducenten niet voldoende waarborgt.
88. Tot slot merk ik op dat het bij quota niet om concessies in eigenlijke zin gaat (zij geven geen recht op het genot van een goed voor een bepaalde periode), noch om documenten die de eigendom of het genot van roerende of onroerende zaken of waarden vertegenwoordigen.
89. De begunstigden van quota beschikken niet over een abstracte, onbeperkt en onvoorwaardelijk verhandelbare waarde, gebaseerd op constante parameters die op ieder moment volgens de op de handelsmarkten gangbare criteria kunnen worden gewaardeerd. Bovendien kunnen quota in de tijd veranderen. Zij kunnen afhankelijk van de behoeften van het gemeenschappelijk landbouwbeleid door de overheidsorganen gewijzigd of zelfs opgeheven worden. In geen geval kunnen zij worden verhandeld op een abstracte markt aan toonder, die geen acht slaat op de kenmerken en bevoegdheden van de betrokken marktdeelnemers.
90. De algemene beginselen en de opzet van de gemeenschappelijke marktordening voor suiker, de rechtspraak van het Hof en de beschikkingspraktijk van de Commissie leiden alle tot de conclusie dat een lidstaat vanwege de juridische aard van quota niet kan bepalen, zoals de Spaanse regering heeft gedaan, dat de overdracht van suikerquota onder bezwarende titel moet geschieden.
3. Is de herverdeling van suikerquota onder bezwarende titel verenigbaar met de fundamentele mechanismen van de gemeenschappelijke marktordening voor suiker?
a) Bij het Hof ingediende opmerkingen
91. ACOR , bij wie ARJ zich ter terechtzitting heeft aangesloten, stelt dat het systeem van overdracht onder bezwarende titel van de suikerproductiequota volkomen in strijd is met de bepalingen met betrekking tot de gemeenschappelijke marktordening voor suiker, daar het een negatieve invloed heeft op de werking van de quotaregeling en de interventieprijzen.
92. De herverdeling van het quotum onder vaststelling van een prijs impliceert immers een verkoop, en die leidt tot kosten of een bijkomende last in de suikerproductieketen van de onderneming die het quotum uiteindelijk verkrijgt. De voldoening van deze prijs heeft negatieve gevolgen voor de totstandkoming van de eindprijs van het product.
93. ACOR merkt op dat de Commissie voor elk seizoen de interventieprijs voor suiker berekent op basis van bepaalde elementen die in de regeling van de gemeenschappelijke marktordening zijn vastgelegd (de verschillende kosten die de ondernemingen moeten dragen, de kosten van verwerking van suikerbieten, afschrijvingen, enzovoorts, terwijl de basisprijs van suikerbieten aan de hand van de interventieprijs wordt berekend). De regeling voorziet tevens in een zeer nauwkeurige berekeningsmethode voor de afgeleide interventieprijzen (die in de gebieden met een tekort worden toegepast). Een eventuele kostenfactor in verband met de toekenning van suikerproductiequota wordt nergens erkend of zelfs maar genoemd.
94. Een wijziging van de voor de quotatoekenning geldende regeling, met de daaruit voortvloeiende extra kosten voor de producerende ondernemingen en suikerbietentelers en aantasting van het hele prijsvormingsmechanisme, zou de doelstellingen en beginselen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid dan ook ernstig geweld aandoen en in strijd zijn met het wezen en de aard van de gemeenschappelijke marktordening. Het is derhalve inherent aan de gemeenschappelijke marktordening zelf dat zowel de toekenning als de overdracht van quota om niet geschiedt.
95. ACOR verwijst in dit verband naar het arrest Commissie/Griekenland (31) , dat de gemeenschappelijke marktordening in de sector granen betrof:[...] de gemeenschappelijke marktordeningen zijn gebaseerd op het beginsel van een open markt, waartoe elke producent vrije toegang heeft onder voorwaarden van echte mededinging en waarvan de werking uitsluitend door de in die ordeningen voorziene instrumenten wordt geregeld. In het bijzonder kunnen de lidstaten op de onder een gemeenschappelijke marktordening vallende gebieden, en vooral wanneer die ordening, zoals in casu, op een gemeenschappelijke prijsregeling berust, niet meer met eenzijdig vastgestelde nationale maatregelen ingrijpen in het prijsvormingsmechanisme, zoals dit uit de gemeenschappelijke ordening voortvloeit (arrest van 12 juli 1990, zaak C-35/88, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1990, blz. I-3125, punt 29).
96. ACOR merkt vervolgens op dat de Spaanse regering naast een gewone quotaoverdracht om niet andere, minder ingrijpende mogelijkheden ter beschikking stonden om de versteviging van de machtspositie die de nieuwe uit de fusie ontstane onderneming op de markt verkreeg te matigen en daarnaast de mogelijkheden van een daadwerkelijke mededinging op de Spaanse markt te verbeteren, zonder de voor de gemeenschappelijke marktordening voor suiker geldende regels te overtreden.
97. Zij noemt in dat verband verschillende mogelijkheden en wijst in het bijzonder op de vervreemding van één of meer fabrieken van de gefuseerde ondernemingen. Hierdoor zouden de aan de fabrieken verbonden quota op de nieuwe eigenaar zijn overgegaan, of zou een bepaalde hoeveelheid reeds verwerkte suiker tegen de interventieprijs aan een onafhankelijke handelaar zijn aangeboden, zoals de Commissie als voorwaarde had gesteld bij de fusie van Südzucker/Saint-Louis. (32)
98.
De Commissie meent dat de herverdeling van quota onder bezwarende titel tot belemmeringen kan leiden die aan de draagwijdte en de werking van de gemeenschapsregeling afbreuk kunnen doen.
99. Azucarera Ebro stelt dat de nationale autoriteit ingeval van verkoop van fabrieken of ondernemingen tussen suikerproducenten gehouden is de quota onmiddellijk over te dragen, en dat de beginselen en de doelstellingen van de gemeenschappelijke marktordening de lidstaat geenszins verbieden de overdracht onder bezwarende titel te doen plaatsvinden.
100.
De Spaanse regering stelt zich op het standpunt dat de herverdeling van quota onder bezwarende titel op geen enkele wijze de goede werking van de gemeenschappelijke marktordening aantast.
b) Beoordeling
101. Het argument van ACOR, dat de quotatoekenning onder bezwarende titel van invloed zou zijn op de prijsvorming van suiker en suikerbieten, raakt naar mijn mening een wezenlijk aspect van het gestelde probleem. De regels inzake de prijsvorming vormen de kern van de gemeenschappelijke marktordening voor suiker.
102. Zoals uit de door ACOR aangehaalde rechtspraak blijkt, kunnen de lidstaten dan ook niet in het prijsvormingsproces ingrijpen zonder ipso facto het wezen zelf van de gemeenschappelijke marktordening in het gedrang te brengen.
103. Dit leidt mij tot de conclusie dat ook de fundamentele mechanismen van de gemeenschappelijke marktordening voor suiker aan de toekenning van quota onder bezwarende titel in de weg staan.
4. Het belang van de suiker- en suikerbietenproducenten ─ De beginselen van gelijke behandeling en rechtszekerheid
a) Bij het Hof ingediende opmerkingen
104. ACOR voert een reeks argumenten aan die ervan uitgaan dat de verplichting om voor de overgedragen suikerquota te betalen, zowel voor de suikerproducerende ondernemingen en de andere ondernemingen in de sector, als voor de suikerbietenproducenten en de consumenten zeer negatieve en uiterst kostbare gevolgen zou hebben. Bovendien zou de prijs die de suikerondernemingen aan de suikerbietenproducenten voor hun producten betalen, kunnen worden beïnvloed, waardoor de inkomsten van deze producenten zouden achteruitgaan.
105. Zij stelt verder dat de onderneming bij verkrijging onder bezwarende titel de kosten van het quotum in zijn boekhouding moet opnemen. De onderneming heeft immers voor dat quotum een prijs moeten betalen, terwijl de overige quota om niet zijn verkregen.
106. Tot dusver kon het productiequotum niet op de ondernemingsbalans worden vermeld, daar het geen te boeken actief betrof. Verkrijgt een onderneming evenwel via openbare verkoping een bepaald deel van een quotum, dan dient zij volgens haar boekhoudkundige verplichtingen de aankoop en de daarvoor betaalde prijs in haar jaarrekeningen op te nemen. Wat moet in een dergelijk geval gebeuren met de overige quota, waarvoor geen prijs behoefde te worden betaald?
107. Zou men alle ondernemingen van de sector moeten verplichten hun quota in de boekhouding op te nemen voor een door de overheid vast te stellen bedrag dat proportioneel is aan de prijs die voor een hoeveelheid van 30 000 mt is betaald?
108. ACOR stelt voorts dat de praktische problemen niet alleen van boekhoudkundige aard zijn. De herverdeling van quota onder bezwarende titel houdt eveneens het risico in dat een markt voor quota ontstaat waarin die quota niet noodzakelijkerwijs met een effectieve en daadwerkelijke suikerproductie zijn verbonden. Dit gevaar zou zich zelfs op communautair niveau kunnen uitbreiden. Zo zou de Spaanse regering bijvoorbeeld met de Franse regering kunnen afspreken dat Spaanse ondernemingen de aan Franse ondernemingen toegekende quota (het betreft steeds overschotten) kopen om het suikertekort op de Spaanse markt op te heffen. Dit zou tot een ernstige distorsie van de gemeenschappelijke suikermarkt leiden en de regels van de gemeenschappelijke marktordening in deze sector volledig uithollen.
109. De gevolgen van een mogelijke quotaoverdracht onder bezwarende titel werken overigens door in de toekomst. De productiequota vormen een tijdelijk instrument ter regulering van de markt, waarvan de werking bij opeenvolgende verordeningen wordt verlengd. Zou de quotaregeling in de toekomst worden afgeschaft, dan zouden de ondernemingen die deze quota onder bezwarende titel hebben verkregen duidelijk financiële schade lijden.
110. Bovendien zouden de in andere landen van de Europese Unie gevestigde suikerondernemingen die over een productiequotum beschikken een concurrentievoordeel hebben ten opzichte van de in Spanje gevestigde ondernemingen die hun productiequota hebben moeten kopen. Dit zou een flagrante schending zijn van het beginsel van gelijke behandeling tussen producenten en een duidelijk met artikel 34, lid 2, tweede alinea, EG strijdige discriminatie.
111. ACOR merkt nog op dat niet alleen de producenten, maar ook de suikerbietentelers zelf zouden worden gediscrimineerd. Aangezien de coöperatie ACOR behoort tot de ondernemingen die bij de verkoping mochten bieden, en de suikerbietentelers zelf coöperatieve leden van deze onderneming zijn, is elke discriminatie van deze onderneming volledig en rechtstreeks van invloed op deze telers.
112.
De Commissie is van mening dat een nauwkeurige analyse van het voor de nationale rechter bestreden besluit tot de slotsom moet leiden dat dit besluit, ondanks het in de zesde voorwaarde opgenomen voorbehoud, de bescherming van de belangen van de suikerbietentelers niet voldoende waarborgt. Meer bepaald kunnen, uitgaande van de locatie van de fabrieken van de drie Spaanse suikerconcerns, te weten Azucarera Ebro, ACOR en ARJ, de volgende conclusies worden getrokken. Een eventuele quotaoverdracht ten gunste van ACOR kan de suikerbietentelers niet nadelig treffen, daar de twee fabrieken van deze onderneming in het noordelijke landbouwgebied gelegen zijn, waar ook Azucarera Ebro haar fabrieken heeft. Daarentegen zou een quotaoverdracht ten gunste van ARJ de suikerbietenproducenten kunnen benadelen, aangezien de enige fabriek van ARJ, gelegen te Linares in de provincie Jaén (in het zuidelijk landbouwgebied), relatief ver verwijderd en geïsoleerd is van de andere fabrieken in de zuidelijke zone. De toekenning van nieuwe suikerproductiequota aan ARJ zou onvermijdelijk leiden tot een vermindering van de oppervlakte voor de suikerbietenteelt van de oorspronkelijke producenten in het noordelijke landbouwgebied en een toename van de suikerbietenteelt in de omgeving van Linares.
113. Ter terechtzitting heeft ARJ tegen deze analyse ingebracht dat zij een fabriek bezit die 49,62 % van de in de centrale regio verbouwde suikerbieten verwerkt.
114. Volgens Azucarera Ebro moet artikel 25 van verordening nr. 1785/81 ruim worden uitgelegd. De lidstaten moeten bij de uitoefening van de bevoegdheden waarin dit artikel voorziet het rechtszekerheidsbeginsel naleven ten gunste van de suikerproducerende ondernemingen. De quota zijn immers naar hun aard concessies die bij de suikerproducerende ondernemingen rechtsbelangen doen ontstaan die de lidstaten in acht moeten nemen. Zij verwijst in dit verband naar het arrest Cavarzere Produzioni Industriali e.a. (33)
b) Beoordeling
115. Een herverdeling van suikerquota onder bezwarende titel is ongetwijfeld van invloed op de positie van de betrokken suikerproducent of suikerproducenten ten opzichte van de overige marktdeelnemers, die geen in hun boekhouding op te nemen prijs voor een quotum hebben moeten betalen. Dit geldt wellicht ook voor de suikerbietentelers die van de betrokken suikerproducenten afhankelijk zijn.
116. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag, dat in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid betrekking heeft op het verbod van discriminatie, [...] slechts de specifieke uitdrukking van het algemene gelijkheidsbeginsel dat verlangt, dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (arresten van 20 september 1988, Spanje/Raad, 203/86, Jurispr. blz. 4563, punt 25, en 17 april 1997, EARL de Kerlast, C-15/95, Jurispr. blz. I-1961, punt 35). (34)
117. Het gelijkheidsbeginsel verzet zich derhalve in ieder geval tegen handelingen van de nationale autoriteiten die, zoals in het onderhavige geval, leiden tot een ongelijke behandeling van marktdeelnemers die zich in vergelijkbare situaties bevinden.
118. Wat de door Azucarera Ebro aangevoerde rechtszekerheid betreft, heb ik reeds uiteengezet in hoeverre en waarom de quota niet kunnen worden beschouwd als een verkregen recht dat de marktdeelnemers zonder meer geldend kunnen maken.
119. Tot slot kan een openbare verkoping ertoe leiden dat quota worden toegekend aan een onderneming die te ver verwijderd is van de suikerbietentelers die gewoonlijk hun oogst aan een van de gefuseerde ondernemingen leverden. Het lijdt geen twijfel dat om deze reden in artikel 25, lid 3, van verordening nr. 1785/81 en artikel 4 van verordening nr. 193/82 is bepaald, dat de afgetrokken hoeveelheden van de quota moeten worden toegekend aan een of meer ondernemingen die in hetzelfde gebied zijn gevestigd.
5. Het antwoord op het eerste onderdeel van de prejudiciële vraag
120. Het antwoord aan de verwijzende rechter moet dan ook luiden dat de bepalingen van verordening nr. 1785/81 en van verordening nr. 193/82 zich ertegen verzetten dat de autoriteit van een lidstaat die belast is met het administratief toezicht op fusies van ondernemingen voorschrijft dat de overdracht of de herverdeling van quota onder bezwarende titel geschiedt, zodat de begunstigde onderneming of ondernemingen tot betaling van een financiële tegenprestatie gehouden zijn.
B ─ Het tweede onderdeel van de prejudiciële vraag
121. Het tweede onderdeel van de vraag luidt als volgt:b) Zo niet, verzetten deze voorschriften zich er dan tegen dat de prijs van het over te dragen quotum en de verdeling ervan via openbare verkoop bij opbod worden vastgesteld? Verzetten bovenvermelde voorschriften zich tegen deze procedure van openbare verkoping, zelfs indien is bepaald dat bij de nieuwe toekenning van de quota volgens die veilingprocedure de passende maatregelen worden genomen om eventuele negatieve gevolgen voor de nationale suikerbietproducenten te voorkomen?
122. Nu ik voorstel het eerste onderdeel van de vraag bevestigend te beantwoorden, acht ik een antwoord op het tweede onderdeel niet noodzakelijk. Ik zal de in dit verband geformuleerde opmerkingen dan ook louter subsidiair onderzoeken.
1. Bij het Hof ingediende opmerkingen
123. Volgens ACOR en ARJ is het evident dat de procedure van openbare verkoping impliciet de vaststelling van een aanvangsprijs meebrengt, zodat het een procedure onder bezwarende titel betreft. Gelet op de argumenten die met betrekking tot het eerste onderdeel van de prejudiciële vraag zijn aangevoerd, is ACOR van mening dat de bepalingen van gemeenschapsrecht zich er tevens tegen verzetten dat de prijs van het over te dragen quotum en de verdeling ervan via een openbare verkoping worden bepaald. Volgens ACOR is elke procedure onder bezwarende titel, of het nu om een openbare verkoping of een willekeurige andere procedure gaat waarbij een prijs wordt vastgesteld, onverenigbaar met de gemeenschapsregeling.
124. Azucarera Ebro acht de vraag of de overdracht van quota kan geschieden bij openbare verkoping louter bijkomstig, aangezien niet de toekenningsprocedure van belang is, maar wel datgene waarop de quotaoverdracht is gebaseerd, dat wil zeggen de over te dragen activa en de belangen van de betrokken partijen in de desbetreffende regio.
125. Volgens de Spaanse regering voldoet de toekenning van de litigieuze suikerquota via openbare verkoping aan rationele economische criteria. De verkoping bij opbod waarborgt dat de prijs van de quota door de marktwetten en niet op discretionaire wijze door de overheid wordt bepaald.
126. Bovendien is deze wijze van herverdeling van de quota niet in strijd met enige bepaling van de gemeenschapsverordeningen.
127. Zoals ik hierboven in punt 87 reeds heb opgemerkt, houdt de toekenning van de suikerproductiequota aan de hoogste bieder volgens de Commissie geen rekening met de in de gemeenschapsregeling neergelegde doelstellingen van algemeen belang en in het bijzonder met de bescherming van de belangen van de producenten van suikerbieten en suikerriet.
128. Een nauwkeurige analyse van het bij de verwijzende rechter aangevochten besluit moet haars inziens tot de conclusie leiden dat ondanks het in de zesde voorwaarde opgenomen voorbehoud, dit besluit de bescherming van de belangen van de suikerbietenproducenten niet voldoende waarborgt.
2. Beoordeling
129. Een openbare verkoping bij opbod is niets anders dan een bijzondere vorm van herverdeling van quota onder bezwarende titel.
130. Ook al zouden effectieve maatregelen kunnen worden genomen om alle negatieve gevolgen voor de producenten van suikerbieten te voorkomen, dan nog gelden voor de openbare verkoping bij opbod alle bezwaren die ik hierboven met betrekking tot de toekenning onder bezwarende titel als zodanig heb geformuleerd. Zoals verschillende deelnemers aan de procedure hebben opgemerkt, wijzigt deze vorm van toekenning de aard zelf van het quota-instrument, wat kan leiden tot aantasting van de draagwijdte en de werking van de gemeenschapsregeling.
131. Voor het geval dat het tweede onderdeel van de prejudiciële vraag moet worden beantwoord, geef ik het Hof dan ook in overweging vast te stellen dat de bepalingen van de verordeningen nrs. 1785/81 en 193/82 eraan in de weg staan dat de prijs van het over te dragen quotum en de verdeling ervan bij wege van een openbare verkoping bij opbod worden bepaald, en dat zij zich ook tegen de organisatie van dergelijke openbare verkopingen verzetten wanneer bij de herverdeling van de quota via een dergelijke procedure passende maatregelen zijn getroffen om alle eventuele nadelige gevolgen voor de nationale producenten van suikerbieten te voorkomen.
C ─ Het derde onderdeel van de prejudiciële vraag
132. Het derde onderdeel van de vraag luidt als volgt:c) Blijven de uitlegging van de gemeenschapsregeling en de antwoorden op de vragen ongewijzigd na de vaststelling van verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, waarbij de vroegere verordeningen zijn ingetrokken?
133. De partijen die opmerkingen hebben ingediend zijn unaniem van mening dat verordening nr. 1260/2001 de in casu relevante bepalingen van de gemeenschapsregeling op geen enkele wijze heeft gewijzigd.
134. Ik ben het met dit standpunt eens en stel voor op dit onderdeel van de prejudiciële vraag te antwoorden dat de inwerkingtreding van verordening nr. 1260/2001 niet leidt tot een andere uitlegging van de gemeenschapsregeling of tot een ander antwoord.
V ─ Conclusie
135. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging het eerste en het derde onderdeel van de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
1) Indien de bevoegde autoriteit van een lidstaat bij de uitoefening van het administratief toezicht op een fusie van ondernemingen om redenen van bescherming van de mededinging een herverdeling van de productiequota voor suiker onder de op zijn grondgebied gevestigde ondernemingen noodzakelijk acht, verzetten de bepalingen van verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, en van verordening (EEG) nr. 193/82 van de Raad van 26 januari 1982 houdende de algemene voorschriften voor quotaoverdrachten in de sector suiker, zich ertegen dat die autoriteit voorschrijft dat de overdracht of herverdeling van quota onder bezwarende titel geschiedt, zodat de begunstigde onderneming of ondernemingen tot betaling van een financiële tegenprestatie gehouden zijn.
2) De inwerkingtreding van verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, leidt niet tot een andere uitlegging van de gemeenschapsregeling of tot een ander antwoord.
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – PB L 177, blz. 4.
3 – PB L 21, blz. 3.
4 – PB L 178, blz. 1.
5 – PB 1962, 30, blz. 993.
6 – Zie arresten van 29 oktober 1980, Maizena (139/79, Jurispr. blz. 3393, punt 23), en 5 oktober 1994, Duitsland/Raad (C-280/93, Jurispr. blz. I-4973).
7 – Arrest van 17 november 1993, Mörlins (C-134/92, Jurispr. blz. I-6017, punt 17).
8 – Arrest van 13 maart 1984, Prantl (16/83, Jurispr. blz. 1299, punt 13).
9 – Zie arresten van 23 januari 1975, Hulst (51/74, Jurispr. blz. 79, punt 25); 18 mei 1977, Van den Hazel (111/76, Jurispr. blz. 901, punt 13); 28 maart 1984, Pluimveeslachterijen Midden-Nederland en Van Miert (47/83 en 48/83, Jurispr. blz. 1721, punt 25), en arrest Mörlins, aangehaald in voetnoot 7, punt 17.
10 – Arrest van 7 april 1992, Commissie/Griekenland (C-61/90, Jurispr. blz. I-2407, punt 22).
11 – Arresten van 14 juli 1988, Zoni (90/86, Jurispr. blz. 4285), en 19 maart 1991, Griekenland/Commissie (C-32/89, Jurispr. blz. I-1321, punt 20).
12 – Arrest Prantl, aangehaald in voetnoot 8, punt 13.
13 – Arrest van 11 augustus 1995, Cavarzere Produzioni Industriali e.a. (C-1/94, Jurispr. blz. I-2363, punten 33 en 34).
14 – Zie inzonderheid het arrest Maizena, aangehaald in voetnoot 6.
15 – Aangehaald in voetnoot 7, punten 16 en 17.
16 – Zie het arrest Mörlins, aangehaald in voetnoot 7, punten 16 en 17.
17 – PB L 252, blz. 1.
18 – Aangehaald in voetnoot 13, punt 34.
19 – Niet-gepubliceerde beschikking; de Duitse versie en het persbericht zijn te raadplegen via de server van de Commissie; zie tevens de voorafgaande aanmelding (PB 2001, C 211, blz. 53).
20 – Arrest van 22 oktober 1991 (C-44/89, Jurispr. blz. I-5119, punt 27).
21 – Arrest van 24 maart 1994 (C-2/92, Jurispr. blz. I-955, punt 19).
22 – Arrest van 27 september 1979 (230/78, Jurispr. blz. 2749, punten 21 en 22).
23 – Aangehaald in voetnoot 7.
24 – Aangehaald in voetnoot 19.
25 – Aangehaald in voetnoot 13.
26 – Interventieprijs vermeerderd met bepaalde werkelijke kosten.
27 – Aangehaald in voetnoot 7.
28 – Aangehaald in voetnoot 7.
29 – Aangehaald in voetnoot 13.
30 – Deze luidt: [...] bij de herverdeling van quota die te zijner tijd bij wege van openbare verkoping geschiedt [...] neemt de regering passende maatregelen om alle eventuele negatieve gevolgen voor de binnenlandse suikerbietentelers te voorkomen.
31 – Aangehaald in voetnoot 10, punt 22.
32 – Beschikking aangehaald in voetnoot 19.
33 – Aangehaald in voetnoot 13.
34 – Arrest van 13 april 2000, Karlsson e.a. (C-292/97, Jurispr. blz. I-2737, punt 39).
Full & Egal Universal Law Academy