CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MISCHO
van 27 februari 2003 (1)
Zaak C-420/01
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Italiaanse Republiek
„Niet-nakoming – Vrij verkeer van goederen – Artikelen 28 EG en 30 EG – Verbod op in de handel brengen van energiedrankjes waarvan cafeïnegehalte bepaalde grens overschrijdt – Volksgezondheid – Handhaving van met gemeenschapsrecht onverenigbare nationale bepaling”
1. De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door op in andere lidstaten vervaardigde en in de handel gebrachte dranken een regeling toe te passen die het in Italië in de handel brengen verbiedt van energiedrankjes waarvan het cafeïnegehalte een bepaalde grens overschrijdt, zonder aan te tonen dat die grens noodzakelijk en redelijk is ter bescherming van de volksgezondheid, de krachtens de artikelen 28 EG en 30 EG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
I ─ Rechtskader
A ─ De gemeenschapsregeling
2. Het gemeenschapsrecht bevat geen regeling betreffende de voorwaarden voor toevoeging van nutriënten aan gewone voedingswaren.
B ─ De nationale regeling
3. Artikel 15, lid 3, van decreto nr. 719 van de president van de Republiek van 18 mei 1958 (GURI nr. 178 van 24 juli 1958, blz. 3081; hierna: DPR nr. 719/58), met als opschrift Besluit houdende hygiënische voorschriften voor de productie en de verhandeling van spuitwater en niet-alcoholische dranken met of zonder koolzuur in gesloten verpakking, bepaalt:Voor de toevoeging van andere dan de in dit besluit vermelde stoffen die niet vooraf door het Alto Commissariato per l'igiene e la sanità pubblica zijn erkend, dient op voorstel van de gezondheidsdienst van de provincie waar de fabriek is gevestigd, en na advies van de provinciale gezondheidsraad door het Alto Commissariato een vergunning ad hoc te worden verleend.
II ─ Feiten en precontentieuze procedure
4. De Commissie werd geattendeerd op de belemmeringen voor de invoer en het in de handel brengen in Italië van bepaalde in andere lidstaten wettig vervaardigde en in de handel gebrachte energiedranken. Deze dranken, waaronder de merken Red Bull, CULT en GUVI, worden gekenmerkt door de aanwezigheid van een cafeïnegehalte tussen de 250 en 320 mg/l en van vaak nog andere stoffen, zoals taurine.
5. Aanvankelijk verboden de Italiaanse autoriteiten, bij decreto legislativo (wetsbesluit) nr. 111 van 27 januari 1992 alsook ingevolge een advies van de Consiglio superiore della Sanità (Italiaanse hoge raad voor de gezondheid; hierna: CSS) van 13 december 1995 het in de handel brengen van deze dranken, vooral die welke taurine bevatten.
6. Later wijzigden de Italiaanse autoriteiten evenwel hun standpunt en stonden zij het in Italië in de handel brengen van deze dranken toe op voorwaarde evenwel dat het cafeïnegehalte ervan niet hoger was dan 125 mg/l.
7. Van oordeel dat deze grens een met artikel 28 EG strijdige en niet door artikel 30 EG gerechtvaardigde maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking vormde, stuurde de Commissie, daar wetenschappelijk bewijs van de mogelijke schadelijkheid voor de volksgezondheid van de overschrijding van deze grens ontbrak, de Italiaanse regering op 4 oktober 1996 een aanmaningsbrief.
8. In hun antwoord van 8 januari 1997 wezen de Italiaanse autoriteiten erop dat na de besluiten van het ministerie van volksgezondheid van 13 december 1995 geen belemmering meer bestond voor het in Italië in de handel brengen van deze in andere lidstaten wettig in de handel gebrachte dranken, mits het cafeïnegehalte 125 mg/l niet overschrijdt, welke grens overeenkomstig de geldende Italiaanse wetgeving, namelijk DPR nr. 719/58, weldra op 150 mg/l zou worden gebracht.
9. Daar de Commissie geen genoegen nam met het antwoord van de Italiaanse autoriteiten, bracht zij op 23 september 1997 een met redenen omkleed advies uit.
10. Bij brief van 11 december 1997 deelden de Italiaanse autoriteiten mee dat het ministerie van volksgezondheid de CSS om een nieuw advies had gevraagd, en verzochten zij de Commissie de inbreukprocedure in afwachting van het antwoord van de CSS voorlopig te schorsen.
11. Bij brief van 6 maart 1998 deelden de Italiaanse autoriteiten de Commissie mee dat de CSS had vastgesteld dat de betrokken dranken volgens de huidige stand van de wetenschap geen aanleiding gaven tot gegronde vrees voor de volksgezondheid, en dat de consumptie ervan was toegestaan bij een circulaire waarvan zij een afschrift bijvoegden. Volgens deze circulaire moesten de consument bepaalde inlichtingen door gegevens en waarschuwingen op een etiket worden verstrekt.
12. Bij brief van 2 april 1998 antwoordde de Commissie met name, dat een circulaire weliswaar geschikt was om de onmiddellijke inachtneming van gemeenschapsbepalingen inzake vrij verkeer van goederen te waarborgen, maar dat de Italiaanse autoriteiten daarom niet waren ontheven van de verplichting de litigieuze wetgeving spoedig, definitief en volgens de gewone procedures te wijzigen.
13. Bij brief van 18 juni 1998 gaf het ministerie van Volksgezondheid de Commissie kennis van de bekendmaking van circulaire nr. 5 van 3 april 1998 met als opschrift Uit landen van de Gemeenschap afkomstige dranken met een hoog cafeïne- en taurinegehalte (GURI nr. 101, algemene reeks, van 4 mei 1998, blz. 72), en verklaarde het dat bij de toepassing ervan rekening was gehouden met de opmerkingen van de Commissie.
14. Inmiddels nam de Commissie contact op met de klagende marktdeelnemers die bevestigden dat het vrij verkeer in Italië van de dranken uit andere lidstaten in de praktijk was gegarandeerd door circulaire nr. 5 van 3 april 1998.
15. Bij faxbericht van 14 april 1999 herinnerde de Commissie de Italiaanse autoriteiten er evenwel aan dat zij zich ertoe hadden verbonden een geschikte bepaling, namelijk een wetswijziging, vast te stellen om de betrokken materie te regelen.
16. De Italiaanse autoriteiten deelden de Commissie een ontwerpbesluit van het ministerie van Industrie, handel en ambacht, houdende regeling van de productie en verkoop van tafelwater en niet-alcoholische dranken mee.
17. Ook al waren er volgens de Commissie verschillende opmerkingen over het ontwerpbesluit mogelijk inzake de draagwijdte van de clausule van wederzijdse erkenning, deelde zij bij brief van 22 november 1999 mee dat na vaststelling van dit besluit van de inbreukprocedure zou worden afgezien.
18. Nadat de Commissie de Italiaanse autoriteiten er meermaals aan had herinnerd dat zij de litigieuze bepaling dienden te wijzigen, deelden deze autoriteiten de Commissie op 13 november 2000 een ontwerp-besluit mee met als bijlage de tekst van DPR nr. 719/58 dat strekte tot aanpassing van de Italiaanse wettelijke regeling inzake de productie en de verkoop van niet-alcoholische dranken in het algemeen, daaronder begrepen cafeïnehoudende dranken, en dat in zijn artikel 9 een clausule van wederzijdse erkenning bevatte, waardoor de in de andere lidstaten van de Europese Unie en in de lidstaten van de EER wettig vervaardigde en in de handel gebrachte dranken van de werkingssfeer ervan werden uitgesloten.
19. Zoals zij reeds had opgemerkt in haar brief van 22 november 1999, herinnerde de Commissie de Italiaanse autoriteiten eraan, dat deze clausule van wederzijdse erkenning op een aantal punten diende te worden gewijzigd om alle dubbelzinnigheid uit te sluiten. Bij gebreke van reactie van de Italiaanse autoriteiten vroeg de Commissie bij brief van 9 april 2001 onder verwijzing naar haar vorige brief van 22 november 1999 de Italiaanse autoriteiten of zij haar opmerkingen omtrent het meegedeelde ontwerp hadden ontvangen, en binnen welke termijn de Italiaanse regering het besluit met de wijzigingen zou vaststellen.
20. Van oordeel dat de oorspronkelijke tekst van DPR nr. 719/58 nog steeds van kracht was en dat nog geen wetswijziging tot aanpassing van de Italiaanse wettelijke regeling aan de communautaire regeling ter zake van de erkenning van in andere lidstaten vervaardigde en in de handel gebrachte niet-alcoholische dranken, had plaatsgevonden, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
III ─ Conclusies van partijen
21. In haar verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 23 oktober 2001, concludeert de Commissie dat het het Hof behage:
─ vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door op in andere lidstaten vervaardigde of in de handel gebrachte dranken een regeling toe te passen die het in Italië in de handel brengen verbiedt van energiedrankjes waarvan het cafeïnegehalte een bepaalde grens overschrijdt, zonder aan te tonen waarom die grens noodzakelijk en redelijk is ter bescherming van de volksgezondheid, de krachtens de artikelen 28 EG en 30 EG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
─ de Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten
.
22. De Italiaanse Republiek concludeert dat het het Hof behage het beroep ongegrond te verklaren.
IV ─ Analyse
A ─ Argumenten van partijen
23.
De Commissie betoogt dat, ook al kan de rechtsgrondslag van het verbod om niet-alcoholische dranken met een cafeïnegehalte van meer dan 125 mg/l in Italië in te voeren en in de handel te brengen, niet duidelijk worden vastgesteld, niet kan worden betwist dat er een dergelijk verbod bestaat. Volgens de Commissie wordt dit bevestigd door de bij haar door een aantal producenten van niet-alcoholische energiedrankjes in de Gemeenschap ingediende klachten, door de tekst zelf van artikel 15, lid 3, van DPR nr. 719/58 en doordat de Italiaanse autoriteiten zelf de noodzaak en zelfs de verplichting hebben erkend, verschillende bepalingen van de thans van kracht zijnde Italiaanse wettelijke regeling inzake niet-alcoholische dranken te wijzigen of in te trekken, zoals blijkt uit de vaststelling van de ministeriële circulaire nr. 5 van 3 april 1998 en uit het aan de Commissie meegedeelde ontwerp-besluit.
24. Gelet op de rechtspraak van het Hof betreffende de artikelen 28 EG en 30 EG, en meer bepaald het arrest van 12 maart 1987, Commissie/Duitsland, Reinheitsgebot, (2) is de Commissie van oordeel dat de niet-nakoming niet kan worden betwist.
25. Wat een eventuele rechtvaardiging op basis van de bescherming van de gezondheid en het leven van personen betreft, kan volgens de Commissie hoe dan ook heel bezwaarlijk enerzijds worden gesteld, zoals de Italiaanse autoriteiten doen, dat dranken met een hoog cafeïnegehalte een gevaar voor de gezondheid kunnen opleveren, en anderzijds de handel in dergelijke dranken, zoals Italië bij ministeriële circulaire nr. 5 van 3 april 1998 heeft gedaan, worden toegestaan.
26. Voorts, aldus de Commissie, geldt het door de Italiaanse autoriteiten genoemde advies van de CSS van 13 december 1995 niet meer, daar de CSS in zijn later advies heeft verklaard dat de betrokken dranken niet schadelijk zijn voor de gezondheid. Volgens de Commissie wordt dit laatste advies bovendien bevestigd door dat van 21 januari 1999 van het wetenschappelijk voedselcomité.
27. Volgens de Commissie betreft het geschil veeleer de maatregel van de Italiaanse Republiek tot aanpassing van haar wettelijke regeling aan de gemeenschapsregeling, nadat de onverenigbaarheid van de eerste met de tweede was vastgesteld. Aangezien een lidstaat volgens het arrest van 20 maart 1997, Commissie/Duitsland (3) , zich niet van de krachtens een richtlijn op hem rustende verplichtingen kan kwijten met een eenvoudige circulaire, die naar goeddunken van de administratie kan worden gewijzigd, kan volgens de Commissie niet ervan worden uitgegaan dat circulaire nr. 5 van 3 april 1998 artikel 15 van DPR nr. 719/58 dat de litigieuze bepalingen bevat, kan wijzigen.
28.
De Italiaanse regering brengt daartegen in dat de vaststelling van een maximaal cafeïnegehalte met name gerechtvaardigd is door de beoordelingen van de Italiaanse gezondheidsdiensten. Bij de oplossing van het vraagstuk in zijn geheel moet ervan worden uitgegaan dat het wetenschappelijke standpunt van deze diensten wettig is. Artikel 30 EG zou een dode letter worden indien de niet-willekeurige beoordelingsbevoegdheid van een lidstaat werd vervangen door de legitieme, doch naar haar aard zeker niet onbetwistbare, subjectieve mening van de gezondheidsdiensten van een andere lidstaat.
29. Volgens de Italiaanse regering dient de Commissie het wetenschappelijke bewijs te leveren dat, gelet op de plaatselijke omstandigheden in Italië, de vaststelling van het maximaal toegestane cafeïnegehalte, dat in een meerderheid van de gevallen als niet-schadelijk voor de gezondheid van de consument wordt beschouwd, niet voldoet aan het criterium van een verantwoorde afweging van de betrokken belangen.
30. De Italiaanse regering voegt er evenwel aan toe, nog steeds voornemens te zijn om haar standpunt inzake het maximaal toegestane cafeïnegehalte in alcoholische dranken en de aanpassing van de voorschriften inzake de samenstelling van niet-alcoholische dranken te formaliseren. Zij stelt evenwel met nadruk dat dit voornemen niet beantwoordt aan een juridische verplichting of aan een absolute noodzaak, aangezien een technisch voorschrift, zoals het geplande, noodzakelijkerwijze gebonden is aan de stand van de wetenschappelijke kennis en geen rekening houdt met de mogelijke wisselwerking van de bestanddelen van de in de toepasselijke bepalingen al dan niet genoemde specifieke alcoholische dranken. De handhaving van een voorbehoud van specifieke goedkeuring voor het gebruik van andere bestanddelen dan die waarin is voorzien, dient daarentegen juist om de wisselwerking van deze bestanddelen te onderzoeken en dus tot bescherming van het leven en de gezondheid van de consument, die niet mogen worden opgeofferd aan de winstlogica of abstracte uitleggingen van het Verdrag.
31. De Italiaanse regering herinnert er ook aan dat de bepaling die van toepassing is op uit andere lidstaten ingevoerde dranken, eveneens van toepassing is op de in Italië geproduceerde dranken.
32. In dupliek bevestigt de Italiaanse regering nogmaals dat een wettekst is opgesteld tot wijziging van de voorschriften die werden geacht niet te stroken met de praktijk van de andere gezondheidsdiensten van de Gemeenschap, en dat deze tekst in april 2002 is voorgelegd aan het orgaan dat alle betrokken plaatselijke diensten vertegenwoordigt. Bovendien konden op basis van circulaire nr. 5 van 3 april 1998 in Italië producten in de handel worden gebracht die een hoger cafeïnegehalte hadden dan werd toegestaan door de op dit gebied toepasselijke bepalingen.
B ─ Beoordeling
33. Blijkens de stukken in het dossier bestond op het tijdstip van het verstrijken van de termijn van het met redenen omkleed advies, waarop volgens vaste rechtspraak (4) het bestaan van een niet-nakoming dient te worden beoordeeld ─ in casu eind november 1997 ─ (5) , in Italië een verbod op het in de handel brengen van in andere lidstaten wettig vervaardigde en in de handel gebrachte energiedrankjes waarvan het cafeïnegehalte 125 mg/l overschreed.
34. Al bestaat ook na een schriftelijke vraag van het Hof op dit punt nog steeds onduidelijkheid over de grondslag van dit verbod in het Italiaans recht ─ artikel 15, lid 3, van DPR nr. 719/58 voorziet niet in een dergelijk verbod ─, de Italiaanse regering heeft nooit ontkend dat dit verbod op voormelde datum bestond. Zij heeft dit zelfs uitdrukkelijk erkend in haar antwoord van 8 januari 1997 op de aanmaningsbrief.
35. Zelfs indien het verbod slechts de vorm van een administratieve praktijk had, dan nog zou het evenwel een niet-nakoming kunnen opleveren. (6)
36. Daar dit verkoopverbod, voorzover het van toepassing is op de ingevoerde producten, een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 28 EG vormt, rijst dus de vraag of het gerechtvaardigd is uit hoofde van de vereisten van artikel 30 EG en in het bijzonder van de noodzaak de gezondheid en het leven van personen te beschermen.
37. Volgens vaste rechtspraak moeten de bevoegde nationale instanties van geval tot geval aantonen dat hun regeling noodzakelijk is voor een doeltreffende bescherming van de in artikel 30 EG bedoelde belangen, en in het bijzonder, dat de verhandeling van het betrokken product een gevaar voor de gezondheid oplevert. (7)
38. Ik sluit mij aan bij het standpunt van de Commissie dat de Italiaanse regering niet aantoont dat het verbod, zoals het eind november 1997 van kracht was, gerechtvaardigd is door de noodzaak de gezondheid en het leven van personen te beschermen.
39. Als enig bewijs voert de Italiaanse regering namelijk het advies van de CSS van 13 december 1995 aan.
40. Afgezien van het feit dat de CSS blijkens de brief van de Italiaanse autoriteiten van 6 maart 1998 dit advies vervolgens heeft herzien, blijkt het na lezing hoe dan ook betrekking te hebben op dranken met een hoog cafeïne- en taurinegehalte en bovendien met een cafeïnegehalte van 320 mg/l, dus meer dan het dubbele van het maximum van 125 mg/l.
41. Uit dit advies kan dus niet worden afgeleid dat het verbod op de verkoop in Italië van in andere lidstaten wettig verkochte energiedranken met een cafeïnegehalte boven 125 mg/l noodzakelijk is om de gezondheid en het leven van personen daadwerkelijk te beschermen.
42. In haar antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof stelt de Italiaanse regering ook nog dat het probleem dat aan het beroep wegens niet-nakoming ten grondslag ligt, haars inziens door de vaststelling van circulaire nr. 5 van 3 april 1998 is opgelost.
43. Op basis van deze omstandigheid kan evenwel niet worden geconcludeerd dat het niet-nakomingsberoep ongegrond is. Ik heb al verklaard dat [...] volgens vaste rechtspraak het bestaan van een inbreuk moet worden beoordeeld naar de situatie waarin de lidstaat zich aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn bevond, en dat het Hof met sedertdien opgetreden wijzigingen geen rekening kan houden [...]. (8)
44. Voorts ik kan mij niet aansluiten bij de stelling van de Commissie in haar verzoekschrift, dat het geschilpunt veeleer gaat over de maatregel van de Italiaanse staat tot aanpassing van zijn wettelijke regeling aan de communautaire regeling nadat de onverenigbaarheid van de eerste met de tweede was vastgesteld, en dus over de vraag of de Italiaanse regering door de vaststelling van circulaire nr. 5 het vastgestelde verzuim heeft hersteld.
45. In het kader van het onderhavige geding is deze vraag mijns inziens namelijk irrelevant.
46. Dienaangaande dient te worden verwezen naar het arrest van 10 maart 1970, Commissie/Italië (9) , dat een soortgelijk geval als het onderhavige betrof.
47. In die zaak had de Commissie bij het Hof een niet-nakomingsberoep tegen de Italiaanse Republiek ingesteld wegens een stelsel van omzetbelasting dat haars inziens in strijd was met artikel 95 EEG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 90 EG).
48. De Italiaanse Republiek had in haar verweerschrift verwezen naar een decreto legge waarbij het litigieuze belastingstelsel in dier voege was gewijzigd dat het beroep naar haar mening had moeten worden ingetrokken. De Commissie betwistte dit standpunt en als gevolg van de daaruit tussen de partijen ontstane discussie over de gevolgen en de invloed van de door het betrokken decreto-legge ingevoerde fiscale regeling hebben zij het Hof verzocht de aldus ontstane situatie in haar geheel te beoordelen.
49. In antwoord daarop verklaarde het Hof in punt 4 van het arrest Commissie/Italië, reeds aangehaald, dat [...] verzoekster hiermede evenwel het onderwerp van de eis heeft gewijzigd in dier voege dat het niet alleen meer betrekking heeft op het punt of de Italiaanse Republiek ─ ten tijde dat het beroep werd ingesteld ─ met de nakoming harer verplichtingen ex artikel 95 in gebreke was, doch in hoofdzaak op de vraag of zodanig verzuim na de inwerkingtreding van bedoeld decreto legge nog aanwezig was.
50. Vervolgens heeft het Hof in de punten 5 en 6 van dit arrest overwogen:
5 [...]dat derhalve, indien het Hof in casu uitspraak deed over een verzuim als gevolg van een wetswijziging hangende het geding aangebracht, zulks een inbreuk zou betekenen op het recht van een lidstaat zijn middelen van verweer voor te dragen op grondslag van gespecificeerde grieven in het raam der procedure ex artikel 169;
6 overwegende dat het onder deze omstandigheden aan de Commissie zou staan in verband met de gevolgen van decreto legge no. 319 een nieuwe procedure als in artikel 169 voorzien aan te vangen en zich eventueel ter zake van een nauwkeurig omschreven verzuim tot het Hof te wenden ; [...]
. (10)
51. Dit arrest luidt een inmiddels vaste rechtspraak in volgens welke het voorwerp van een beroep krachtens artikel 226 EG op dezelfde overwegingen en middelen dient te berusten als het met redenen omkleed advies. (11)
52. In casu vormt het verwijt van de Commissie dat de Italiaanse Republiek haar verplichtingen krachtens de artikelen 28 EG en 30 EG niet is nagekomen door bij circulaire een verkoopverbod in strijd met het Verdrag in te stellen, een andere grond van niet-nakoming dan het aan het deze lidstaat gemaakte verwijt zijn verplichtingen krachtens deze bepalingen niet te zijn nagekomen wegens het gewone bestaan van dit verbod.
53. Alleen op deze tweede grond van niet-nakoming is het met redenen omkleed advies gebaseerd. De eerste is dus niet-ontvankelijk.
54. Voorts vraag ik mij af of wij over voldoende gegevens beschikken voor een nuttig onderzoek van deze eerste grond van niet-nakoming die niet is behandeld in een precontentieuze procedure, waarover het Hof heeft verklaard: Het regelmatige verloop [...] vormt een door het Verdrag gewilde wezenlijke waarborg, niet enkel ter bescherming van de rechten van de betrokken lidstaat, maar ook om te verzekeren dat in de eventuele procedure voor het Hof het voorwerp van het geding duidelijk is omschreven (zie arrest van 13 december 2001, Commissie/Frankrijk, C-1/00, Jurispr. blz. I-9989, punt 53). (12)
55. De onduidelijkheden inzake de grondslag naar Italiaans recht van het litigieuze verbod mogen namelijk niet uit het oog worden verloren. Ofschoon de Commissie van oordeel was dat circulaire nr. 5 van 3 april 1998 artikel 15 van DPR nr. 719/58 niet kon wijzigen, heeft zij in antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof evenwel erkend dat het litigieuze verbod eventueel niet uit dit artikel maar uit een gewone administratieve praktijk kon voortvloeien.
56. Deze vraag inzake de grondslag van het litigieuze verbod lijkt mij fundamenteel om te beoordelen hoe de Italiaanse Republiek het verzuim moet herstellen, dat mijns inziens bewezen is en voortvloeit uit het bestaan van dit verbod op de datum van het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn.
57. Een lidstaat mag een nationale bestuursrechtelijke bepaling die de oorzaak is van een niet-nakoming, weliswaar niet bij circulaire intrekken, doch op het eerste gezicht zie ik niet waarom een lidstaat buiten de context van de omzetting van een richtlijn die hier niet aan de orde is, niet een niet aan het Verdrag conforme administratieve praktijk bij circulaire in een aan het Verdrag conforme administratieve praktijk zou mogen wijzigen.
V ─ Conclusie
58. Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
─ vast te stellen dat door op in andere lidstaten vervaardigde of in de handel gebrachte dranken een regeling toe te passen die het in Italië in de handel brengen verbiedt van energiedrankjes waarvan het cafeïnegehalte een bepaalde grens overschrijdt, zonder aan te tonen dat die grens noodzakelijk en redelijk is ter bescherming van de volksgezondheid, de Italiaanse Republiek de krachtens de artikelen 28 EG en 30 EG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
─ de Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – Arrest van 12 maart 1987, Commissie/Duitsland, 178/84, Jurispr. blz. 1227.
3 – Arrest van 20 maart 1997, Commissie/Duitsland, C-96/95, Jurispr. blz. I-1653.
4 – Zie met name arresten van 2 mei 1996, Commissie/België, C-133/94, Jurispr. blz. 2323, punt 17, en 16 januari 2003, Commissie/België, C-122/02, Jurispr. blz. I-833, punt 11.
5 – In casu diende de Italiaanse regering volgens het met redenen omkleed advies binnen twee maanden na de mededeling ervan de maatregelen te nemen die nodig zijn om de uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen na te komen. Het met redenen omkleed advies werd op 23 september 1997 aan de Italiaanse regering meegedeeld. De in het met redenen omkleed advies gestelde termijn verstreek dus eind november 1997.
6 – Zie bijvoorbeeld arresten van 9 mei 1985, Commissie/Frankrijk, 21/84, Jurispr. blz. 1355, punt 12, 12 maart 1998, Commissie/Griekenland, C-187/96, Jurispr. blz. I-1095, punt 23, en 29 oktober 1998, Commissie/Griekenland, C-185/96, Jurispr. blz. I-6601, punt 35.
7 – Zie met name arresten van 6 mei 1986, Muller e. a., 304/84, Jurispr. blz. 1511, punt 25, 12 maart 1987, Commissie/Duitsland, Reinheitsgebot, 178/84, Jurispr. blz. 1227, punt 46; 13 december 1990, Bellon, C-42/90, Jurispr. blz. I-4863, punt 16, en 4 juni 1992, Debus, C-13/91 en C-113/91, Jurispr. blz. I-3617, punten 17 en 18.
8 – Arrest van 16 januari 2003, Commissie/België, reeds aangehaald, punt 11.
9 – Arrest van 10 maart 1970, Commissie/Italië, 7/69, Jurispr. blz. 111.
10 – Cursivering van mij.
11 – Zie met name arresten van 13 december 1990, Commissie/Griekenland, C-347/88, Jurispr. blz. I-4747, punt 16, 15 januari 2002, Commissie/Italië, C-493/99, Jurispr. blz. I-305, punt 11, en 20 juni 2002 Commissie/Duitsland, C-287/00, Jurispr. blz. I-5811, punt 18.
12 – Arrest van 20 juni 2002, Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punt 17.
Full & Egal Universal Law Academy