CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. TIZZANO
van 10 april 2003 (1)
Zaak C-433/01
Freistaat Bayern
tegen
Jan Blijdenstein
[verzoek van het Bundesgerichtshof (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Executieverdrag – Bijzondere bevoegdheden – Artikel 5, punt 2 – Onderhoudsverplichting – Verhaalsvordering van een territoriaal openbaar lichaam dat in de rechten van de onderhoudsgerechtigde is getreden”
1. Bij beschikking van 26 september 2001 heeft het Bundesgerichtshof (Duitsland) het Hof een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 5, punt 2, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Executieverdrag). (2) De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of een territoriaal openbaar lichaam dat financiële steun heeft verleend aan een behoeftige persoon en dientengevolge is gesubrogeerd in de onderhoudsvordering van de behoeftige jegens een derde, zich voor een verhaalsvordering tegenover de in gebreke blijvende onderhoudsplichtige kan beroepen op de in artikel 5, punt 2, Executieverdrag bepaalde bijzondere bevoegdheid van de rechter van de woonplaats van de onderhoudsgerechtigde.
I ─ Rechtskader
A ─ Executieverdrag
2. Artikel 1 van het Executieverdrag bepaalt de werkingssfeer ervan. Krachtens de eerste alinea wordt dit verdrag:[...] toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht waarvoor deze zaken zich afspelen.
3. Zoals bekend wordt in het verdrag ter bepaling van de bevoegdheid van de gerechten van de verdragsluitende staten als algemeen bevoegde rechten het gerecht van de woonplaats van de verweerder aangewezen (artikel 2), maar wordt ook voorzien in bepaalde bijzondere bevoegdheden. Voor de onderhavige zaak is van belang de bevoegdheid ten aanzien van onderhoudsverplichtingen in artikel 5, punt 2, volgens hetwelk de verweerder kan worden opgeroepen [...] voor het gerecht van de plaats, waar de tot onderhoud gerechtigde zijn woonplaats of zijn gewone verblijfplaats heeft.
B ─ Nationaal recht
4. Krachtens § 1602 van het Bürgerliche Gesetzbuch (Duitse burgerlijk wetboek; hierna: BGB) zijn ouders verplicht te voorzien in het onderhoud van hun kinderen. Volgens § 1610, lid 2, BGB moeten zij derhalve voor alle levensbehoeften opkomen, met inbegrip van de kosten van een passende beroepsopleiding.
5. Krachtens het Bundesausbildungsförderungsgesetz (wet studiefinanciering; hierna: BAföG) heeft een student recht op een studiefinanciering wanneer hij niet op andere wijze over de voor zijn levensonderhoud en opleiding vereiste middelen kan beschikken. Deze studiefinanciering wordt verstrekt door de territoriaal bevoegde deelstaat.
6. Bij de berekening van de hoogte van de studiefinanciering worden ingevolge § 11 BAföG de onderhoudsverplichtingen van de ouders van de rechthebbende in aanmerking genomen. Wanneer een student echter aannemelijk maakt dat zijn ouders hun onderhoudsverplichtingen niet nakomen en dat zijn opleiding in het gedrang komt, wordt hem overeenkomstig § 36, lid 1, eerste zin, BAföG studiefinanciering toegekend zonder verrekening van de door de ouders te betalen onderhoudsbijdrage.
7. In dat geval gaat de onderhoudsvordering van de student jegens zijn ouders volgens § 37, lid 1, BAföG wettelijk over op de deelstaat die de steun verstrekt. De subrogatie vindt plaats tot het beloop van de verrichte betalingen en enkel voorzover volgens het BAföG voor de bepaling van de behoeften van de student rekening moet worden gehouden met het inkomen en vermogen van de ouders.
II ─ Feiten en procesverloop
8. In 1976 hebben Jan Blijdenstein en zijn echtgenote, wonende in Enschede in Nederland, een dochter geadopteerd.
9. In het schooljaar 1993/1994 begon hun dochter aan een privé-onderwijsinstelling te München (Freistaat Bayern) een opleiding als apothekersassistente. Vanaf september 1993 ontving zij van de Freistaat Bayern studiefinanciering overeenkomstig § 36 van het BAföG, die was berekend zonder het onderhoud in aanmerking te nemen dat zij van haar ouders had moeten krijgen.
10. Vervolgens heeft de Freistaat Bayern, gesubrogeerd in de onderhoudsvordering van de dochter jegens haar vader, bij het Amtsgericht München (Duitsland) een verhaalsvordering ingesteld tegen Blijdenstein ter zake van de voor het studiejaar 1993/1994 verstrekte financiering. Verweerder werd tot betaling veroordeeld.
11. Nadien heeft de Freistaat Bayern een nieuwe vordering tegen Blijdenstein ingesteld bij het Amtsgericht München en terugbetaling van de voor de studiejaren 1994/1995 en 1995/1996 verstrekte financiering gevorderd.
12. In deze procedure heeft verweerder de bevoegdheid van het Amtsgericht München betwist. Deze rechterlijke instantie heeft de exceptie van onbevoegdheid evenwel op basis van artikel 5, punt 2, van het Executieverdrag verworpen en de vordering van de Freistaat Bayern toegewezen.
13. Op het hoger beroep van Blijdenstein heeft het Oberlandesgericht München het vonnis van het Amtsgericht herzien en beslist dat de aangezochte rechter geen internationale bevoegdheid had. Volgens het Oberlandesgericht was in casu artikel 5, punt 2, van het Executieverdrag niet van toepassing en kon de vordering van de Freistaat volgens artikel 2 slechts in de woonstaat van de verweerder geldig worden ingesteld.
14. Daarop heeft de Freistaat Bayern beroep in Revision ingesteld bij het Bundesgerichtshof. Aangezien het betwijfelt of artikel 5, punt 2, van het Executieverdrag toepassing kan vinden op een verhaalsvordering van een territoriaal openbaar lichaam, heeft het de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:Kan een [een territoriaal openbaar lichaam dat] een student krachtens publiek recht voor een bepaalde periode een studiefinanciering [heeft] betaald, zich beroepen op de bijzondere bevoegdheidsregel van artikel 5, punt 2, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, wanneer [het] op grond van een wettelijk overgegaan recht de burgerrechtelijke onderhoudsvordering die de student ten aanzien van diens ouders had gedurende de periode waarin de studiefinanciering is betaald, bij wege van regres uitoefent?
15. De Commissie, de Oostenrijkse en de Duitse regering alsook de regering van het Verenigd Koninkrijk hebben in de loop van de procedure voor het Hof schriftelijke opmerkingen ingediend.
III ─ Juridische analyse
De toepasselijkheid van het Executieverdrag
16. Om te beginnen stelt het Verenigd Koninkrijk, dat een regresvordering van een overheidslichaam noodzakelijkerwijs de verlening van een toelage veronderstelt, wat de uitoefening van een bevoegdheid van publiekrecht inhoudt. Bijgevolg kan er geen sprake zijn van een burgerlijke en handelszaak in de zin van artikel 1 Executieverdrag, zodat dit verdrag in casu geen toepassing kan vinden.
17. Al de anderen die opmerkingen hebben ingediend, achten het Executieverdrag daarentegen zonder twijfel ratione materiae toepasselijk op het bij de verwijzende rechter aanhangige geding. Alleen de Commissie onderbouwt dit nader. Zij wijst er in het bijzonder op dat het betrokken overheidslichaam met de instelling van de verhaalsvordering geen publiekrechtelijke bevoegdheid uitoefent, maar een vordering tracht te verhalen die door de regels van het gemene recht wordt beheerst. Mede op basis van de rechtspraak van het Hof (3) en de rapporten Jenard (4) en Schlosser (5) concludeert de Commissie dat het bij de verwijzende rechter aanhangige geschil zonder twijfel tot de burgerlijke en handelszaken behoort.
18. Om te beginnen wil ik er in het algemeen aan herinneren dat het begrip burgerlijke en handelszaken in die zin van artikel 1 Executieverdrag volgens vaste rechtspraak van het Hof een autonoom begrip is, dat moet worden uitgelegd aan de hand van, enerzijds, de doelstellingen en het stelsel van het verdrag en, anderzijds, de algemene beginselen die in alle nationale rechtsstelsels tezamen worden gevonden (6) . Verder wil ik eveneens in algemene zin eraan herinneren dat het Hof, om te bepalen of een beslissing al dan niet een burgerlijke zaak betreft, de aard van de personen die partij zijn bij de rechtsbetrekking, evenals het toepasselijke nationale recht tot op zekere hoogte irrelevant acht (7) ; waar het om gaat, is of de betrekking al dan niet op een handeling krachtens overheidsbevoegdheid van het overheidsorgaan berust. (8)
19. Overeenkomstig deze algemene benadering heeft het Hof in het recente arrest Baten verklaard dat artikel 1, eerste alinea, Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd dat het begrip burgerlijke zaak ook betrekking heeft op een vordering tot verhaal waarmee een overheidsorgaan op een particulier verhaal zoekt voor de bedragen die het uit hoofde van sociale bijstand [...] heeft uitgekeerd, voorzover de grondslag en de wijze van instellen van deze vordering worden beheerst door de regels van het gemene recht op het gebied van de onderhoudsplicht. (9)
20. Wanneer dit beginsel hier wordt toegepast, kan het bezwaar van de regering van het Verenigd Koninkrijk makkelijk worden ontkracht.
21. In de onderhavige zaak wordt, zoals blijkt uit de verwijzingsbeschikking, de grondslag en de wijze van uitoefening van de verhaalsvordering van de Freistaat Bayern ─ een publiekrechtelijk lichaam dat wettelijk is gesubrogeerd in de onderhoudsvordering van dochter Blijdenstein jegens haar ouders ─ namelijk beheerst door de regels van het gemene recht op het gebied van de onderhoudsplicht.
22. Ik kom dus tot de conclusie dat het bij de nationale rechter aanhangige geschil onder de burgerlijke en handelszaken van artikel 1 van het verdrag valt.
De prejudiciële vraag
23. Al degenen die opmerkingen hebben ingediend, geven het Hof in overweging de vraag van het Bundesgerichtshof ontkennend te beantwoorden, omdat een overheidslichaam dat steun aan een behoeftige heeft verstrekt en is gesubrogeerd in diens onderhoudsvordering jegens een derde, geen beroep kan doen op de bijzondere bevoegdheid van artikel 5, punt 2, Executieverdrag wanneer het zich verhaalt op de onderhoudsplichtige derde.
24. Daar sluit ik mij zonder meer bij aan.
25. Om te beginnen herinner ik ─ zoals de Duitse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie ─ eraan dat volgens vaste rechtspraak met het oog op de eenvormige toepassing van het Verdrag in alle verdragsluitende Staten een autonome uitlegging moet worden gegeven aan de in het Executieverdrag gebruikte begrippen, waarbij aansluiting moet worden gezocht bij het stelsel en de doelstellingen van het Verdrag. (10) Dienovereenkomstig heeft het Hof herhaaldelijk eraan herinnerd dat de regels die voorzien in bijzondere bevoegdheden, eng moeten worden uitgelegd, aangezien zij de verweerder aftrekken aan zijn natuurlijke forum. (11)
26. Naar dit criterium moet dus ook de omvang van de bijzondere bevoegdheid ten aanzien van onderhoudsverplichtingen krachtens artikel 5, punt 2, worden bepaald, aangezien ook deze van het algemene aanknopingspunt van de woonplaats van de verweerder afwijkt.
27. Evenals degenen die opmerkingen hebben ingediend, meen ik dat de betrokken bepaling er hoofdzakelijk toe strekt de zwakste partij, in casu de onderhoudsgerechtigde, het voordeel te bieden van een nabij forum en dus van een effectieve toegang tot de rechter.
28. Het is juist dat dit artikel ook andere doelstellingen heeft, waaronder bevordering van de samenloop tussen het toepasselijke recht en de bevoegde rechter, of beslechting van het geschil door de rechter die het best geschikt is om de behoeftigheid van de onderhoudsgerechtigde te beoordelen.
29. Niettemin zijn dit duidelijk secundaire doelstellingen die ondergeschikt zijn aan de voormelde doelstelling en die de keuze van de verdragsluitende partijen bij het Executieverdrag in zekere zin versterken. Maar op zich kunnen zij niet volstaan als rechtvaardigingsgrond voor de bijzondere bevoegdheid en de afwijking van de algemene regel van de rechter van de woonplaats van de verweerder. (12)
30. Het arrest Farrell van 1997 gaat overigens in dezelfde richting. Na eraan te hebben herinnerd dat artikel 5, punt 2, Executieverdrag moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van het doel van deze bepaling binnen het systeem van het verdrag, heeft het Hof gepreciseerd dat de afwijking bedoeld in artikel 5, sub 2, tot doel [...] [heeft], degene die onderhoud vordert, die in een dergelijke procedure als de zwakste partij wordt beschouwd, een alternatieve bevoegdheidsgrondslag te bieden. Hierbij zijn de auteurs van het Executieverdrag ervan uitgegaan, dat deze specifieke doelstelling zwaarder moest wegen dan die welke door de regel van artikel 2, eerste alinea, wordt nagestreefd, namelijk het beschermen van de verweerder, die gewoonlijk de zwakste partij is omdat hij degene is tegen wie de vordering wordt ingesteld. (13)
31. Bovendien vindt deze uitlegging sterke steun in het rapport Schlosser over het Toetredingsverdrag 1978.
32. Na in punt 97 te hebben gememoreerd dat ook de vordering waarmee een overheidsinstantie de aan een onderhoudsgerechtigde betaalde toelagen verhaalt op de onderhoudsplichtige, onder het Executieverdrag valt, preciseert het rapport dat het [...] evenwel niet de bedoeling van de speciale bevoegdheidsregel van artikel 5, punt 2, [is] om voor regresvorderingen de bevoegdheid van de rechter van de woonplaats van de onderhoudsgerechtigde of zelfs van de overheid te baseren. (14)
33. Bijgevolg dient artikel 5, punt 2, Executieverdrag mijns inziens aldus te worden uitgelegd dat alleen de onderhoudsgerechtigde beroep kan doen op de daarin bedoelde bijzondere bevoegdheid, aangezien deze bepaling er hoofdzakelijk toe strekt degene die voor zijn elementaire behoeften is aangewezen op een alimentatie, een effectieve toegang tot de rechter te garanderen.
34. Zoals al degenen die opmerkingen hebben gemaakt, terecht hebben gesteld, bevindt een openbaar lichaam dat steun heeft verstrekt aan een behoeftige, zich daarentegen geenszins in een zwakke positie ten opzichte van de onderhoudsplichtige op wie het zich wil verhalen, zodat het zich niet kan beroepen op het bijzondere forum van de woonplaats van de onderhoudsgerechtigde. (15)
35. Mijns inziens moet op de vraag van het Bundesgerichtshof dus worden geantwoord dat de bijzondere bevoegdheid van artikel 5, punt 2, van het Verdrag van 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals later gewijzigd, niet van toepassing is op de vordering waarmee een overheidslichaam dat steun aan een behoeftige heeft verstrekt en is gesubrogeerd in diens onderhoudsvordering jegens een derde, verhaal zoekt op de onderhoudsplichtige derde.
IV ─ Conclusie
36. Mitsdien geef ik het Hof in overweging voor recht te verklaren:De bijzondere bevoegdheid van artikel 5, punt 2, van het Verdrag van 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals later gewijzigd, is niet van toepassing op de vordering waarmee een overheidslichaam dat steun aan een behoeftige heeft verstrekt en is gesubrogeerd in diens onderhoudsvordering jegens een derde, verhaal zoekt op de onderhoudsplichtige derde.
1 – Oorspronkelijke taal: Italiaans.
2 – PB 1998, C 27 blz. 1.
3 – In het bijzonder arresten van 14 oktober 1976, LTU (29/76, Jurispr. blz. 1541, punt 4), en 21 april 1993, Sonntag (C-172/91, Jurispr. blz. I-1963, punten 18 e.v.).
4 – Rapport van P. Jenard over het verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in de burgerlijke en handelszaken (PB 1979, C 59, blz. 1), blz. 13.
5 – Rapport van professor dr. P. Schlosser over het verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord Ierland tot het verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, alsmede tot het protocol betreffende de uitlegging daarvan door het Hof van Justitie. (PB 1979, C 59, blz. 71, punten 60 et 97; hierna: rapport Schlosser).
6 – Arrest LTU, reeds aangehaald, punt 3; in dezelfde zin, arresten van 22 februari 1979, Gourdain (133/78, Jurispr. blz. 733, punt 3), en 16 december 1980, Rüffer (814/79, Jurispr. blz. 3807, punten 7 en 8), en arrest Sonntag, reeds aangehaald, punt 18.
7 – Zie reeds aangehaalde arresten LTU, punt 4, en Rüffer, punt 8.
8 – Zie reeds aangehaalde arresten LTU, punt 4, en Sonntag, punt 20. Zie voorts conclusie van advocaat-generaal Darmon in de zaak Sonntag, reeds aangehaald, punt 43.
9 – Arrest van 14 november 2002 (C-271/00, Jurispr. blz. I-10489, punt 37).
10 – Zie met name arrest van 19 januari 1993, Shearson Lehman Hutton, (C-89/91, Jurispr. blz. I-139, punt 13), en daar aangehaalde arresten.
11 – Zie arresten van 17 juni 1992, Handte (C-26/91, Jurispr. blz. I-3967, punt 14); Shearson Lehman Hutton, reeds aangehaald, punten 15 en 16; 3 juli 1997, Benincasa (C-269/95, Jurispr. blz. I-3767, punt 13); 27 oktober 1998, Réunion européenne e.a. (C-51/97, Jurispr. blz. I-6511, punt 16), en 13 juli 2000, Group Josi (C-412/98, Jurispr. blz. I-5925, punt 49).
12 – Zie wat de rechtsleer betreft: R. Geimer, R. A. Schütze, Europäisches Zivilverfahrensrecht, München, 1997, blz. 144, randnummer 108; J. Kropholler, Europäisches Zivilprozeßrecht, zevende uitgave, Heidelberg, 2002, blz. 147.
13 – Arrest van 20 maart 1997, Farrell (C-295/95, Jurispr. blz. I-1683, punt 19).
14 – Rapport Schlosser, reeds aangehaald, punt 97.
15 – Zie wat de rechtsleer betreft R. Geimer, R. A. Schütze, Europäisches Zivilverfahrensrecht, reeds aangehaald, blz. 145, Randnummer 111; J. Kropholler, Europäisches Zivilprozeßrecht, reeds aangehaald, blz. 148; L. Mari, Il diritto processuale civile della Convenzione di Bruxelles, I, Il sistema della competenza, Padova, 1999, blz. 373.
Full & Egal Universal Law Academy